uit louter leeren lappen, blijkbaar de een aan en over den andere
genaaid, om het ding aaneen te houden. Men kon duidelijk zien,
dat dit lapwerk dagteekende van een ontelbare menigte verschillende
tijdstippen, daar elke lap er anders verweerd en verkleurd uitzag. Aan
de randen der voorpanden waren korte riempjes bevestigd, die in plaats
van knoopen en knoopsgaten de jas dichthielden. Daar de groote lengte
en wijdte van dit zonderlinge kleedingstuk zeer hinderlijk waren bij
het loopen, had de man het van achteren opengesneden, van onderen
af tot aan zijn middel, en die twee helften zóó om zijn beenen
gebonden, dat ze eenigszins geleken op een wijde schippersbroek,
waardoor de bewegingen van Tante Droll allerkoddigst waren om aan
te zien. Die twee beenbekleedingen van eigen vinding reikten tot aan
zijn enkels. Twee leeren schoenen voltooiden het ondergedeelte van het
kostuum. De mouwen van die jas waren insgelijks buitengewoon wijd, en
veel te lang voor den man. Hij had die daarom van voren dichtgenaaid,
en er verder naar achteren twee gaten in gemaakt, door welke hij zijn
armen stak. Op die wijze vormden de mouwen nu twee afhangende lederen
zakken, waarin heel wat van allerlei geborgen kon worden.
De gestalte van een man had door dat kleedingstuk het voorkomen van
een vormloozen klomp, die te meer den lachtlust moest gaande maken
door zijn allervriendelijkst vollemaansgezicht met hoogroode wangen
en een paar uiterst kleine oogjes, die geen seconde stil konden staan
in zijn hoofd, naar het scheen, doch rusteloos in beweging waren,
opdat hem toch niets ontgaan zou.
Zulke exemplaren zijn in het Westen volstrekt niet zeldzaam. Wie zich
jaren lang in de wildernis ophoudt, heeft noch tijd noch gelegenheid,
en ook geen geld om voor zijn versleten kleedingstukken iets anders
in de plaats te stellen, dan hetgeen zijn leven in de afzondering hem
aan de hand doet, en men treft daar menigmaal beroemde lieden aan,
wier kleeding van dien aard is, dat de straatjeugd in de steden der
beschaafde wereld zoo iemand joelend en spottend zou najouwen.
In zijn hand had de man een geweer met dubbelen loop, dat stellig
reeds een groot aantal jaren dienst had gedaan. Of hij misschien nog
ander wapentuig bij zich had, kon men slechts gissen, maar te zien
was er niets van, daar de jas zijn geheele lichaam omhulde als een
toegebonden zak, waarin vermoedelijk nog menig voorwerp verborgen zat.
De jongeling, dien deze zonderling bij zich had, kon ongeveer zestien
jaar zijn. Hij was blond, stevig van lichaamsbouw, en had in zijn
gelaat een uitdrukking van ernst, of beter gezegd van tartend
zelfbewustzijn, als iemand, die zich in staat gevoelt om zelf te
weten welken levensweg hij te volgen heeft. Zijn kleeding bestond
uit hoed, jachthemd, broek, been-bedekking en schoeisel, alles van
leer gemaakt. Behalve zijn geweer was hij nog met een mes en revolver
gewapend.
Toen Tante Droll het dek betrad, stak zij Zwarten Tom haar hand toe,
en riep met haar schelle, dunne fluitstem: "Welkom, oude Tom! Welk
een aangename verrassing! Wij hebben elkaar in een eeuwigheid niet
gezien! Waar komt ge vandaan, en waar is de reis naar toe?"
Zij drukten elkander allerhartelijkst de hand, terwijl Tom antwoordde:
"Van den Mississippi stroom-opwaarts. Nu wil ik Kansas in, waar ik
mijn rafters in de bosschen heb."
"Nu, dan is alles in orde. Dan kunnen wij nog een poos samen reizen;
want ik wil óók daar naar toe, en nog verder. Maar nu allereerst
de vracht sir! Wat hebben wij te betalen, namelijk ik en die kleine
jongen, als het noodig is?"
Deze vraag was tot den kapitein gericht.
"Dat zal er van afhangen, hoe ver gij meevaart, en welke plaats gij
hebben wilt," was het antwoord.
"Welke plaats? Tante Droll reist altijd eerste klasse; dus kajuit,
sir! En hoe ver? Zeggen wij, om te beginnen tot Fort Gibson. Wij
kunnen het _lasso_ altijd langer maken. Neemt gij nuggets aan?"
"Ja, wat graag!"
"Maar hoe staat het met het goudschaaltje? Zijt gij eerlijk?"
Die vraag kwam er zoo koddig uit, en de twee oogjes pinkten daarbij
zoo eigenaardig, dat men hetgeen hij vroeg niet kwalijk nemen kon. De
kapitein hield zich echter alsof hij er zich door beleedigd achtte,
en antwoordde: "Doe mij zulke vragen geen tweeden keer, of ik werp
u vierkant over boord."
"Oho! Denkt gij dat Tante Droll zich zoo gemakkelijk in het water
zou laten smijten? Dan vergist gij u geweldig. Probeer het maar eens,
als gij trek hebt."
"Neen," hernam de kapitein ontwijkend, "tegen dames moet men de
wellevendheid in acht nemen; en daar gij een tante zijt behoort gij
natuurlijk tot het schoone geslacht. Ik wil dus uw woorden niet zoo
naar de letter opvatten. Bij het betalen is overigens geen haast;
dat kunt gij bij gelegenheid doen aan den officier."
"Neen, borgen doe ik nooit, geen minuut; dat is zoo mijn stelregel,
als het noodig is."
"Welnu, kom dan maar even mee naar het kantoor."
Zij verwijderden zich; en de overige op het dek aanwezige personen
gaven aan elkander ten beste wat zij zoo al dachten van het zonderlinge
personage. De kapitein kwam spoediger terug dan Droll. Hij zeide op
een toon van verwondering: "Gij hadt die nuggets eens moeten zien,
messieurs! Ik heb nooit zooveel nuggets bij elkander gezien!" Dit
zeggende stak hij zijn eene hand in zijn armsmouw, en toen hij er
die uit haalde, had hij die vol goudkorrels zoo groot als een erwt,
vele als een hazelnoot, en sommige nog grooter. "Die man moet een
bonanza ontdekt en leeg gegraven hebben. Ik wed dat hij veel rijker
is dan hij er uitziet."
Middelerwijl betaalde Droll de vracht aan den met het geld ontvangen
belasten officier, en keek toen eens in het rond. Zoodoende kreeg hij
de volgelingen van den kornel in het oog. Daar hij er de man niet
naar was om aan boord van een schip eenigen tijd door te brengen,
zonder zich te vergewissen welke medepassagiers hij had, drentelde
hij langzaam naar de voorplecht en liet zijn oogjes vluchtig over die
mannen gaan, een voor een. De kornel trok bijzonder zijn aandacht,
en hij sprak hem aan:
"Neem mij niet kwalijk, sir! hebben wij elkaar vroeger al niet eens
gezien?"
"Dat ik weet niet," was het antwoord.
"He, het is mij alsof wij elkaar reeds meer ontmoet hebben. Zijt gij
bijgeval wel eens boven aan den Missouri geweest?"
"Neen."
"In Fort-Sully ook niet?"
"Dat ken ik niet eens."
"Hm! Mag ik dan ook weten hoe uw naam is?"
"Hoe zoo? Waarom?"
"Omdat gij mij bevalt, sir! En zoodra ik iemand ontmoet, die mij
bevalt, heb ik geen rust of duur meer, of ik moet eerst weten hoe
hij heet."
"Wat dat betreft," antwoordde de kornel op tamelijk scherpen toon,
"mij bevalt gij ook; maar daarom zal ik nog niet vrijpostig genoeg
zijn om u naar uw naam te vragen."
"He! Daar steekt, dunkt me, volstrekt geen vrijpostigheid in, en ik
voor mij, ik zou uw vraag dadelijk beantwoorden. Ik heb hoegenaamd
geen reden om mijn naam te verzwijgen. Alleen zij die oneerlijke
dingen in hun schild voeren, verzwijgen hoe zij heeten."
"Is dat bedoeld als een beleediging, sir?"
"Dat komt niet in mij op! Ik beleedig nooit een menschenkind, als
het noodig is. Adieu, sir! en houd uw naam maar vóór u! Ik ben er
volstrekt niet nieuwsgierig naar."
Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en verwijderde zich.
"Dat iemand zoo iets durft tegen mij!" mompelde de roodbaard
tandenknarsend. "En dat ik dat zoo maar voor zoete koek moet opeten!"
"Waarom zijt gij zoo gek, dat gij het verdraagt?" merkte een zijner
volgelingen lachend op. "Ik zou dien leeren zak geantwoord hebben
met mijn vuist."
"En van een koude kermis thuisgekomen zijn!"
"_Pshaw!_ Dat misbaksel ziet er me niet naar uit, om wonderen van
spierkracht te verrichten."
"Maar met een man, die een zwarten panter tot op een armslengte afstand
durft afwachten, en hem dan zoo koelbloedig de lading geeft alsof hij
een prairie-hoen onder schot had, met zulk een man valt den gek niet
te steken. Overigens zou ik niet te doen gehad hebben met hem alleen:
ik zou er dadelijk nog meer tegen mij gekregen hebben, en het is maar
zaak voor ons, alle opzien te vermijden."
Tante Droll was weer naar achteren gegaan, en stiet onderweg op de
twee Indianen, die op een baal tabak waren gaan zitten. Toen zij hem
zagen aankomen, stonden zij op, als lieden, die verwachtten, dat zij
aangesproken zouden worden. Droll bleef even staan zoodra hij hen zag,
snelde toen naar hen toe, en riep uit: "_Mira, el oso viejo y el oso
mozo_ (= Hé, de Oude Beer en de Jonge Beer)!"
Dat was Spaansch. Hij moest dus weten, dat de twee Roodhuiden niet
te best Engelsch, maar beter Spaansch spraken en verstonden.
"_Qué sorpresa, la tia Droll_ (= welk een verrassing, Tante Droll),"
antwoordde de oude Indsman, ofschoon hij hem reeds gezien had toen
hij nog op het vlot zat.
"Wat doet gij hier in het Oosten en op deze boot?" vroeg Droll,
terwijl hij aan beiden de hand gaf.
"Wij zijn met eenige roode broeders te Nieuw-Orleans geweest, om
inkoopen te doen, en zijn nu op de terugreis, terwijl die anderen
met de gekochte goederen volgen. Er zijn verscheidene manen over ons
hoofd gegaan, dat wij het gezicht van Tante Droll niet gezien hebben."
"Ja, de Jonge Beer is in dien tusschentijd goed gegroeid; hij is nu
veel dikker en langer, dan hij toen was. Leven mijn roode broeders
met hun naburen in vrede?"
"Zij hebben hun oorlogsbijlen in den grond geborgen, en hopen dat
zij die niet weer behoeven op te graven."
"Wanneer denkt gij bij de uwen terug te zijn?"
"Dat weten wij niet. Wij dachten, dat er een halve maan mee gemoeid
zou zijn; maar nu zal het wel langer duren."
"Maar nu? Wat bedoelt gij met die twee woorden?"
"Dat de Oude Beer niet eer huiswaarts keeren kan, dan nadat hij zijn
mes gedoopt zal hebben in het bloed van zijn beleediger."
"Wie is dat?"
"Die blanke hond daar met dat roode haar. Hij heeft met zijn handden
Ouden Beer een slag in het aangezicht gegeven."
"Verduiveld! Is de vent dan van zijn verstand beroofd? Hij moet toch
weten wat het zeggen wil een Indiaan een klap met de hand te geven,
en dat nog wel den Ouden Beer."
"Hij schijnt niet te weten, dat _ik_ dat ben. Ik heb mijn naam genoemd
in de taal van mijn volk; en nu verzoek ik u, mijn blanken broeder,
hem dien niet in het Engelsch te vertolken."
"Als ik hem ooit iets vertolk, zal het in allen gevalle iets anders
zijn dan de naam van mijn broeder. Maar nu ga ik van u af, naar
de anderen, die verlangend zijn om met mij te spreken. Ik zal nog
dikwijls genoeg bij u komen om eens te praten."
En nu vervolgde hij zijn weg naar het achterdek. Daar was nu de vader
van het geredde meisje uit de kajuit aangekomen om mee te deelen, dat
zijn kind uit haar bezwijming was bijgekomen, zich naar omstandigheden
vrij wel gevoelde, en thans niets anders noodig had dan rust, om geheel
op verhaal te komen. Toen spoedde hij zich naar de indianen, om den
moedigen jongeling dank te betuigen voor zijn stoutmoedige daad. Droll
had zijn woorden gehoord, en vroeg wat er gebeurd was. Toen Tom het
hem verteld had, zei hij: "Ja, daar is het juist een jongen naar;
hij is geen kind meer, maar een volwassen man."
"Kent gij hem en zijn vader? Wij hebben u met hem zien spreken."
"Ik heb hem eenige keeren ontmoet."
"Ontmoet? Hij heeft zich een Tonkawa genoemd; en die bijna uitgestorven
stam leidt geen zwervend leven, maar is metterwoon gevestigd op het
hun afgestane ellendige grondgebied in het dal van den Rio Grande."
"De Oude Beer heeft geen vaste woonplaats gekozen, maar is trouw
gebleven aan de gewoonten zijner voorvaderen. Hij zwerft rond, juist
als de Apachen-hoofdman Winnetou. Het is wel waarschijnlijk, dat hij
hier of daar een bepaald plekje heeft waar hij van zijn omzwervingen nu
en dan gaat uitrusten, maar hij houdt dat geheim. Hij spreekt somwijlen
van 'de zijnen', en altoos als ik hem ontmoet vraag ik naar hen en
of het hen welgaat; maar wie, wat en waar ze zijn heb ik niet kunnen
ontdekken. Hij wilde ook nu naar hen toe, doch moet dat voorloopig
uitstellen, omdat hij zich eerst wenscht te wreken op den kornel."
"Heeft hij u daarvan gesproken?"
"Ja. Hij zal niet rusten, voordat hij zijn wraak aan hem gekoeld
heeft. De kornel is dus in mijn oogen een verloren man."
"Dat heb ik ook gezegd," merkte Old Firehand aan. "Zooals ik de
Indianen ken, heeft hij zich dien klap niet laten welgevallen uit
lafhartigheid."
"Zoo?" vroeg Droll, terwijl hij den reus eens goed opnam van het hoofd
tot de voeten. "Hebt gij de Indianen ook leeren kennen, als het noodig
is? Gij ziet er mij anders volstrekt niet naar uit, in weerwil dat gij
een echte Goliath schijnt. Gij zijt beter op uw plaats in de salons,
dunkt mij, dan in de prairie."
"O wee, tante!" lachte Tom; "daar schiet gij een geweldigen bok. Raad
eens wie deze sir is!"
"Dat zal ik maar niet doen. Misschien zult gij wel zoo goed zijn,
het mij liever te zeggen?"
"Neen, zoo gemakkelijk zal ik het u nu eens niet maken. Gij dient
er ten minste een oogenblik uw geest op te scherpen. Deze heer is
namelijk een van onze beroemdste Westmannen."
"Zoo! Niet beroemde, maar beroemdste?"
"Ja."
"Van die soort zijn er, naar mijn idee, slechts twee, want een derde,
die evenals zij dien titel in den overtreffenden trap verdient,
bestaat er niet, voor zoover ik weet."
Hij zweeg een oogenblik, kneep toen zijn eene oog dicht, gluurde met
het andere eens goed Old Firehand aan, liet daarna even een lachje
hooren, dat als een op de klarinet geblazen, "hihihihi" klonk,
en vervolgde toen: "Die twee zijn namelijk Old Shatterhand en Old
Firehand. Daar ik den eerstgenoemde ken, zou deze sir dus niemand
anders kunnen wezen dan Old Firehand. Heb ik het geraden?"
"Ja, dat ben ik," knikte de genoemde.
"_Egad?_" vroeg Droll, en trad een paar schreden achteruit, terwijl
hij hem nog eens goed opnam met zijn eene geopende oog. "Zijt gij
inderdaad die man, voor wien alle schavuiten sidderen en beven? Den
lichaamsbouw hebt gij, precies zooals die beschreven wordt, maar
... misschien is het toch maar fopperij?"
"Ei, ei! Is dit dan óók fopperij?" vroeg Old Firehand, en meteen pakte
hij met zijn rechterhand Droll bij den kraag van zijn jas, tilde hem
zoo in de hoogte, draaide hem driemaal in de rondte als in een cirkel,
en zette hem toen op een in de nabijheid staande kist neer.
Het aangezicht van den aldus getrakteerde was zoo rood als bloed
geworden. Hij hijgde naar adem, en riep daarbij in kort afgebroken
volzinnen: "_Zounds_, sir! houdt gij mij voor den slinger van een
klok of voor een centrifugaal-regulateur? Ben ik in de wereld gekomen
om een cirkeldans in de lucht te dansen, om u heen! Het is gelukkig,
dat mijn _sleepinggown_ (= nachjapon) van stevig leder gemaakt is,
anders hadt ge dien aan flarden gescheurd en mij zoodoende in het water
geslingerd. Maar het proefje, dat gij mij gegeven hebt, was kostelijk,
sir! Ik zie nu, dat gij werkelijk Old Firehand zijt. Dat moet ik reeds
gelooven, omdat ik u anders in staat zie om aan al deze gentlemen
nog eens een voorstelling met mij te geven hoe de maan rondom onze
aarde draait. Ik heb dikwijls, als ik over u hoorde spreken, gedacht
hoe blij ik zou wezen als ik u eens te zien kreeg. Ik ben maar een
eenvoudige _trapper_ (= opzetter van vallen, uitzetter van strikken);
maar ik weet toch zeer goed wat een man van uw kaliber te beteekenen
heeft. Hier is mijn hand; en als gij mij niet diep bedroeven wilt,
dan zult gij die niet terugwijzen."
"Terugwijzen? Dat zou ik zonde en schande vinden. Ik geef aan iederen
braven man gaarne de hand, hoeveel te meer dan iemand, die zich bij
ons zoo kranig geïntroduceerd heeft."
"Kranig geïntroduceerd! Hoe zoo dat?"
"Wel, doordien gij den panter doodgeschoten hebt."
"O zoo! Dat is geen ding om er veel ophef van te maken. Het beestje
voelde zich niet erg op zijn gemak in het water; het had volstrekt
geen idee om mij kwaad te willen doen, maar zocht zich eenvoudig te
redden op mijn vlot. Het spijt mij, dat ik niet een beetje gastvrijer
geweest ben."
"Dat is zeer verstandig van u geweest, want de panter had het wel
degelijk op _u_ gemunt. Voor het water was hij volstrekt niet bang,
want hij was een uitmuntend zwemmer en had zonder moeite den wal
kunnen bereiken. Het zou een ramp geweest zijn, als hem dat had mogen
gelukken. Door hem te dooden, hebt gij in allen gevalle vele menschen
het leven gered. Ik druk u de hand, en hoop, dat wij elkander nader
leeren kennen."
"Dat hoop ik ook, sir! Maar nu stel ik u voor, op onze kennismaking
iets te gaan drinken. Ik ben niet op deze boot gekomen, om er dorst
te lijden. Laat ons dus naar beneden gaan in het salon."
Aan die uitnoodiging werd gevolg gegeven. Om ook van de partij te
kunnen zijn, moest Tom eerst bijpassen voor de kajuitsvracht, waaraan
gretig door hem voldaan werd.
Toen de gentlemen van het dek verdwenen waren, kwam de neger, die
niet mee had mogen kijken naar den panter, uit het machine-ruim te
voorschijn, waar hij nu door een anderen werkman afgelost was. Om
voor zijn middagdutje een beschaduwd plekje te zoeken, sukkelde hij
met loomen tred naar voren, met een gezicht waaraan men duidelijk zien
kon, dat hij niet bijzonder in zijn "hummetje" was. Dit zag de kornel,
die hem dadelijk aanriep en wenkte om naderbij te komen.
"Wat is er van uw verlangen, sir?" vroeg de zwarte, zoodra hij
dichterbij gekomen was. "Als gij iets hebben wilt, moet gij u tot den
_steward_ (= hofmeester; spreekt uit; 'stjoerd') wenden. Ik ben niet
hier voor de passagiers."
Hij sprak zijn Engelsch zoogoed als een blanke.
"Dat begrijp ik," antwoordde de kornel. "Ik wilde u louter vragen,
of gij lust hebt om een glas brandy met ons te drinken."
"Als dàt het geval is, ben ik uw man! In dat vuurhok daarbeneden
verdrogen de keel en de lever van een mensch. Maar ik zie niets hier
dat naar een glas brandy gelijkt."
"Hier hebt gij een dollar; haal nu zelf, aan de toonbank daar, wat
gij het liefst drinkt, en kom dan een poosje bij ons zitten praten."
De pruilerige uitdrukking verdween nu van het gelaat van den neger,
en ook zijn bewegingen waren nu veel vlugger. Hij bracht twee volle
flesschen en eenige glazen mee, en nam nu plaats naast den kornel,
die bereidwillig een weinig ruimte voor hem maakte. Toen de inhoud
van het eerste glas over zijn tong was gegleden, schonk hij het
glas andermaal vol, dronk dat insgelijk leeg, en zeide toen:
"Van zulk een hartsterking bekomt een mensch, sir! Jammer maar,
dat zulke buitenkansjes zoo zeldzaam zijn. Doch als ik vragen mag,
hoe komt gij op het idee om mij daartoe uit te noodigen? Gij blanken
zijt anders niet zoo bijzonder vriendelijk jegens ons zwarten."
"Bij mij en mijn vrienden is een neger evengoed als een blanke. Ik
heb opgemerkt, dat gij bij den stoomketel aangesteld zijt. Dat is een
zwaar werk, en daar krijgt een mensch dorst van; en daar ik niet denk,
dat de kapitein u met bankbiljetten van honderd dollars betalen zal,
begreep ik, dat een ferme slok u niet onwelkom zou wezen."
"Dat is een uitmuntende gedachte van u geweest. De kapitein betaalt
inderdaad bitter weinig; men kan er nooit eens 'een ferm hapje'
van nemen om de keel te smeren; want voorschot geeft hij nooit, ten
minste aan mij niet; de reis moet eerst volbracht zijn, eer hij over
de brug komt met geld--_damn!_"
"Dus, hij schijnt het op u gemunt te hebben?"
"Ja, louter op mij."
"Waarom?"
"Hij zegt, dat ik een nathals ben! Al de anderen ontvangen hun loon
elken dag, ik alleen niet! Het is dus niet te verwonderen, dat mijn
dorstigheid van dag tot dag grooter wordt."
"Nu, het zal geheel van u zelf afhangen, of gij u vandaag eens te
goed zult kunnen doen of niet."
"Hoe zoo dat?"
"Ik ben bereid u eenige dollars te geven, als gij mij daarvoor een
dienst wilt doen?"
"Eenige dollars? Hoera! Dan kon ik eens wat flesschen inslaan, de een
na de andere! Kom maar voor den dag met uw verlangen, sir! Den dienst,
dien gij van mij begeert, zal ik met hart en ziel voor u volbrengen."
"Ja maar, het is zoo gemakkelijk niet. Ik weet niet of gij er de
rechte man wel voor wezen zult!"
"Ik? Als er snaps mee te verdienen is, ben ik altijd de rechte man."
"Het is mogelijk! Maar het moet sluw aangelegd worden."
"Sluw? Het is toch niet iets waarmee ik risqueeren kan een warmen
rug op te loopen? want de kapitein is allesbehalve malsch, als er
iets gebeurt dat niet in den haak is."
"Geen nood! Gevaar is er volstrekt niet bij. Gij zult niets anders
te doen hebben, dan uw ooren een beetje te spitsen--niets anders,
dan een beetje goed te luisteren."
"Waar? En bij wien?"
"In het salon."
"Hum!" bromde de neger, min of meer den neus optrekkende. "En dat
waarom, sir?"
"Wel.... om kort te gaan, ik zal openhartig met u spreken."--Hij
schoof den neger weer een vol glas toe, en vervolgde toen op een
vertrouwelijken toon: "Daar is een groote, reusachtig uitziende sir,
dien ze Old Firehand noemen; verder een kerel met een zwarten baard,
die Tom heet; en eindelijk een vastenavondmasker in een lange leeren
jas, luisterende naar den mallen naam van Tante Droll. Die Old Firehand
is een rijke landbouwer, en de twee anderen zijn zijn gasten, die hij
meeneemt naar zijn huis. Toevallig willen wij óók naar die boerderij,
om daar werk te zoeken. Het spreekt dus vanzelf, dat wij nu een goede
gelegenheid hebben, om te weten te komen met wat soort van menschen
wij te doen zullen krijgen. Ik verbeeld mij, dat zij wel over hun
zaken zullen spreken; en als gij uw ooren maar goed open zet, zal
het u volstrekt niet moeielijk vallen datgene te weten te komen,
waarnaar wij nieuwsgierig zijn. Gij hebt uw oogen maar goed den kost
te geven en af te luisteren wat zij elkaar vertellen; gij ziet dus,
dat ik geen heksenwerk of iets dat verboden is van u verlang."
"Dat is waar, sir! Geen mensch heeft mij verboden te luisteren als
ik anderen hoor praten. Ik ben nu zes uur vrij van dienst, zoodat ik
den tijd aan mij zelf heb en doen kan wat gij verlangt."
"Maar zeg eens: hoe zult ge dat aanleggen?"
"Daar zit ik juist over te denken."
"Moogt gij in het salon komen?"
"Verboden is mij dat eigenlijk niet; maar ik heb er niets te doen."
"Zoek dan maar een of ander voorwendsel."
"Dat is juist het moeielijke er van. Ik zou daar iets naar binnen
kunnen brengen, of iets er vandaan halen, maar dat duurt slechts een
oogenblik, en dus veel te kort om van hun gesprek iets op te vangen,
dat de moeite waard is."
"Kunt gij niets verzinnen om daar te gaan doen, zoodat gij er wat
langer kwansuis bezig kunt blijven?"
"Neen.... Of ja! Daar kom ik op een idee. De ramen zijn vuil, die
zou ik schoon kunnen gaan maken."
"Zal dat geen argwaan geven?"
"Volstrekt niet. Daar het salon altijd bezet is, kan dat werk niet
gedaan worden op een oogenblik als er geen mensch in is."
"Maar dat is immers _uw_ werk niet?"
"Dat hindert niet. Het is eigenlijk het werk van den steward; maar
die zal blij wezen als een ander het voor hem doet."
"Maar kan die niet denken, dat daar iets achter schuilt?"
"O, neen! Hij weet dat ik geen geld heb, en dat ik graag een borrel
drink. Ik zal naar hem toe gaan, en zeggen, dat ik dorst heb, en dat
ik de ramen voor hem schoon wil maken, als hij mij een glas brandy
geeft. Dat zal hij zeer natuurlijk vinden. Maak u dus volstrekt niet
ongerust, sir! ik zal het er wel goed afbrengen. Zeg mij nu maar
hoeveel dollars ik er mee verdienen zal?"
"Dat zal er van afhangen welke berichten gij mij brengt. Maar op drie
dollars kunt gij in elk geval rekenen."
"_All right!_ Dat is afgesproken! Schenk mij nu nog maar eens in,
dan ga ik er dadelijk op uit."
Toen de neger zich verwijderd had, werd aan den kornel gevraagd wat
hij eigenlijk met die opdracht beoogde. Hij antwoordde: "Wij zijn arme
tramps, die zien moeten hoe wij door de wereld rollen. Wij hebben hier
de vracht moeten betalen, en nu wil ik ten minste een poging doen
om te weten te komen, of wij dat geld niet op een of andere manier
terug kunnen krijgen. Voor den verren tocht, dien wij te doen hebben,
dienen wij toebereidselen te maken, die veel geld zullen kosten, en gij
weet evengoed als ik, dat onze beurzen tamelijk lens geworden zijn."
"Wij zullen ze immers uit de spoorwegkas weer vullen!"
"Weet gij dan zóó zeker, dat ons plan gelukken zal? Als wij reeds
hier geld kunnen maken, zou het de grootste dwaasheid wezen van die
gelegenheid geen partij te trekken."
"Dus om het ding bij zijn waren naam te noemen, diefstal hier aan
boord? Dat is gevaarlijk. Men kan zich hier niet terstond uit de
voeten maken; en als den bestolene den diefstal ontdekt, zal het
stellig en zeker een heisasa wezen van sinjeur den duivel, en zullen
alle aan boord zijnde personen gevisiteerd en alle hoeken en gaten
doorsnuffeld worden. Juist op ons zal allereerst de verdenking vallen."