haalde zijn ploertendooder, een soort zweep, met een ontplofbare
kogel in den knop. Viel de panter hem aan, dan had hij slechts een
fermen slag te geven om het dier oogenblikkelijk te dooden.
"Ik heb zelfs in zulk een ploertendooder niet veel vertrouwen," zeide
Old Firehand tegen Zwarten Tom. "Ik zou een doelmatig ingericht stuk
vuurwerk veel practischer vinden. Daarvan zou het dier terugschrikken,
zonder er door gedood te worden. Doch, elk zijn meug, zei de boer. Ik
wil het waagstuk meeprijzen, maar niet voordat het gelukt is."
Nu hield de dierentemmer een korte toespraak tot het publiek, en begaf
zich toen naar de kooi. Hij schoof eerst de zware grendels open,
en toen het smalle ijzeren tralie-hek, dat de ongeveer vijf voet
hooge deur vormde. Om naar binnen te komen moest hij bukken. Daarbij
had hij zijn beide handen noodig, om de deur vast te houden en die,
zoodra hij zich in de kooi bevond, weer te kunnen sluiten; daarom
had hij den ploertendooder tusschen zijn tanden genomen, en was dus,
ofschoon voor een oogenblik slechts, weerloos. Wel was hij reeds
verscheidene malen bij den panter in de kooi geweest, doch onder
geheel andere omstandigheden. Toen had het dier niet dagen achtereen
in volslagen duisternis doorgebracht, het had niet zooveel menschen om
zich heen gezien, en ook niet het eentonige stampen der machine en het
gedruisch en gebruis der schepraderen gehoord. Deze omstandigheden
had noch de menagerie-eigenaar, noch de dierentemmer voldoende in
aanmerking genomen, en--de gevolgen bleven niet uit.
Zoodra de panter het gedruisch van de tralie-deur hoorde, keerde hij
zich om. Juist stak de temmer bukkende zijn hoofd naar binnen--een
bliksemsnelle beweging van het roofdier, en het hoofd, uit welks mond
de ploertendooder op den grond was gevallen, had het in zijn muil en
verbrijzelde het tusschen zijn geweldige tanden tot splinters en moes.
Het geschreeuw en gegil, dat op dit oogenblik vóór de kooi van
den panter aangeheven werd, is met geen pen te beschrijven. Alle
toeschouwers sprongen op, en namen de vlucht. Slechts drie bleven daar:
de menagerie-eigenaar, Old Firehand en Zwarte Tom. Eerstgenoemde wilde
de deur van de kooi dichtschuiven; maar dat bleek hem onmogelijk,
want het lijk lag half er binnen en half er buiten. Toen wilde hij
den doode bij diens beenen naar buiten trekken.
"Om Godswil, dat niet!" riep Old Firehand. "De panter zou achteraan
meekomen. Schuif het lijk geheel naar binnen, de man is toch dood nu;
dan zal de deur toe kunnen!"
De panter lag voor het onthoofde lijk. Met de beendersplinters in zijn
van bloed druipenden muil, vlamden zijn oogen zijn meester aan. Hij
scheen diens oogmerk te raden, want hij begon in gramschap te brullen
en kroop voorwaarts op het lijk, en hield dat door de zwaarte van zijn
eigen lichaam vast. Zijn kop was nu nog maar eenige duimen afstands
van de open deur af.
"Weg, weg! Hij komt er uit!" riep Old Firehand. "Tom, uw geweer! uw
geweer! Een revolver zou de zaak nog erger maken."
Zwarte Tom vloog naar zijn geweer.
Van het oogenblik af waarop de temmer de kooi had betreden tot op dit
moment waren er hoogstens tien seconden verloopen. Niemand had nog den
tijd gehad, om zich volkomen in veiligheid te brengen. Het gansche
dek was een wartooneel van vluchtende en angstkreten aanheffende
personen. De deuren naar de kajuiten en onderdeks-verblijven waren
versperd. Menigeen dook achter vaten en kisten om zich te bergen,
doch sprong dadelijk weer op, daar men zich in zulk een schuilplaats
niet veilig kon achten.
De kapitein was naar zijn commando-brug gesneld, en klom naar boven,
drie, vier treden tegelijk nemend. Old Firehand volgde hem. De
menagerie-eigenaar vluchtte naar de achterzijde van de ijzeren
kooi. Zwarte Tom ijlde weg, om zijn geweer te halen. Doch onderweg
herinnerde hij zich, dat hij zijn bijl daaraan vastgebonden had, zoodat
hij het vuurwapen toch niet terstond zou kunnen gebruiken. Hij bleef
dus bij de twee Indianen, die hij voorbij moest, staan, en rukte den
"ouden beer" diens vuurroer uit de hand.
"Ik zelf schieten!" zei deze, tegelijk de hand uitstekende om zijn
geweer terug te grijpen.
"Laat mij!" voegde de zwartbaard hem driftig toe. "Ik schiet in elk
geval beter dan gij."
Hij draaide zich om de ijzeren kooi. De panter had die juist verlaten,
hief zijn kop op, en brulde. Zwarte Tom legde aan, en haalde den haan
over. Het schot knalde maar de kogel was niet raak. Schielijk rukte
hij nu ook den jongen Indiaan het geweer uit de hand, en brandde de
lading op het ondier af, maar het schot was andermaal mis.
"Slecht schieten. Geweer niet kennen," zeide de "oude beer" zoo
bedaard, alsof hij in zijn veiligen wigwam bij zijn gebraden vleesch
zat.
De Duitscher hoorde die woorden niet eens. Hij wierp het geweer weg,
en vloog naar de voorplecht, waar de geweren der mannen van den kornel
lagen. Die gentlemen hadden geen lust gehad om den strijd met het
dier op te vatten, maar waren ijlings weggekropen.
Daar klonk dicht bij de commando-brug een hartverscheurende gil. Een
dame wilde naar boven vluchten. De panter kreeg haar in het oog juist
toen hij ophield met brullen. Hij dook neer, en vloog met groote
sprongen op haar aan. Zij zag dat, en gaf dien gil. Zij bevond zich
nog onder aan de brugtrap, terwijl Old Firehand reeds op de vijfde
of zesde trede stond. In een oogwenk had hij haar gegrepen, trok haar
omhoog, en tilde haar met zijn sterke armen over zijn hoofd heen naar
boven, waar de kapitein haar van hem aannam. Dat was het werk van twee
seconden geweest, en nu bevond zich de panter onder aan de trap. Hij
zette zijn twee voorklauwen op een der treden, en kromp zijn lichaam
reeds ineen, om naar boven te springen en zich op Old Firehand te
werpen. Deze gaf hem een duchtigen trap op zijn neus, en schoot hem
toen de nog restende drie kogels uit zijn revolver tegen den kop.
Dit verweermiddel was eigenlijk belachelijk. Door een schop en eenige
revolver-kogeltjes niet grooter dan een erwt, laat een zwarte panter
zich niet afschrikken: maar Old Firehand bezat op dat oogenblik geen
ander middel om zich te verdedigen. Hij was overtuigd, dat het ondier
hem nu zou beetpakken; doch.... dat gebeurde niet, de panter, nog
altijd met zijn voorpooten op de trap staande, wendde langzaam zijn
kop zijwaarts, als wilde hij zich bezinnen op iets beters. Hadden de
op zulk een korten afstand afgeschoten kogels die hoogstens een duim
diep in zijn harde schedelhuid doorgedrongen konden zijn, hem in een
soort van duizeling gebracht? Of had de trap op zijn gevoeligen neus
hem te veel pijn veroorzaakt, zooveel is zeker, dat zijn oogen niet
meer op Old Firehand gericht waren, maar naar het voordek, waar nu een
omstreeks dertienjarig meisje onbeweeglijk stond, als versteend van
schrik, met de beide armpjes uitgestrekt naar de commando-brug. Het
was het dochtertje van de dame, die zooeven door Old Firehand gered
was. Het arme kind, zelf op de vlucht, had het gevaar gezien, waarin
haar moeder verkeerde, en was, van ontzetting daarover, als versteend
blijven staan waar het nu nog stond, gekleed in een wit jurkje, dat nu
den panter in het oog viel. Hij trok zijn voorpooten van de brugtrap
af, keerde zich om, en vloog toen, met sprongen telkens van zes à
acht ellen lang op het kind aan, dat wel die ijzingwekkende nadering
zag maar niet in staat was om zich te verroeren of geluid te geven.
"Mijn kind, mijn kind!" jammerde de moeder.
Allen, die het zagen, schreeuwden en jammerden mee; maar niemand
verroerde een vinger of een voet tot redding. Er was ook geen tijd
meer toe. Geen tijd meer? En verroerde zich werkelijk geen mensch? Ja
toch, één,--en wel diegene, van wien men zooveel stoutmoedigheid en
tegenwoordigheid van geest en goed overleg wel het allerminst zou
verwacht hebben, namelijk de jonge Indiaan.
Hij had met zijn vader op ongeveer tien passen afstands van het
meisje af gestaan. Toen hij het gevaar zag, waarin het kind verkeerde,
vlamden zijn oogen op. Hij keek naar rechts en naar links, als zoekende
naar een middel tot redding; toen liet hij het tsoenikleed van zijn
schouders vallen, en riep zijn vader in de taal der Tokawa toe:
"Tiakaitat; sjai sjoyana--blijf staan, ik zal zwemmen!"
In twee sprongen was hij bij het meisje, greep haar om haar middel,
snelde met haar naar het rasterwerk (hek of balustrade rondom het dek)
en was in een wip er bovenop. Daar bleef hij een oogenblik staan,
ten einde om te kijken. De panter was vlak achter hem, en maakte zich
reeds gereed om ingelijks op het hek te springen. Maar nauwelijks
waren de pooten van het dier van den grond af, of de jonge Indiaan
wierp zich in een schuinsche richting, ten einde niet op dezelfde
plek als het ondier in het water te komen, van de balustrade af in
den stroom. Hij verdween met zijn vracht onder de golven. Tegelijk
sprong de panter op het rasterwerk met zulk een vaart, dat hij zich
niet er op staande kon houden en regelrecht neerplofte in de rivier.
"Stoppen! Stoppen!" commandeerde de kapitein, met veel tegenwoordigheid
van geest, door de spreektrompet, die uitkwam in de machine-ruimte.
De machinist gaf dadelijk tegenstoom; de boot stopte, en bleef
zoodoende op de plaats liggen, daar de schepraderen nu slechts zooveel
water grepen als noodig was om het afdrijven te voorkomen.
Daar het gevaar thans voor de passagiers voorbij was, snelden allen uit
hun schuilhoeken te voorschijn en naar de balustrade. De moeder van het
kind was in onmacht gevallen; de vader riep met een hartverscheurende
stem: "Ik geef duizend dollars voor de redding van mijn dochter--twee
duizend--drie duizend--vijf duizend en nog veel meer!"
Niemand luisterde naar zijn angstkreten. Allen bogen over de
balustrade heen, om in het water te kijken. Daar lag de panter als een
voortreffelijk zwemmer met uitgespreide pooten, zich bovenhoudende
en rondkijkende naar zijn prooi--tevergeefs. De wakkere jongeling
met het meisje waren nergens te zien.
"Ze zijn omgekomen in de raderen!" jammerde de vader, met beide handen
de haren uit zijn hoofd trekkende van wanhoop.
Maar opeens klonk van de andere zijde van het schip de luide stem
van den ouden Indiaan: "Nientropan-homosj oolijk geweest. Onder het
schip wegzwemmen, om panter niet laten zien. Hier onder zijn." Nu
vloog alles naar stuurboord, en de kapitein commandeerde, touwen
uit te werpen. Ja waarlijk, daarbeneden, vlak naast het schip,
zwom langzaam op zijn rug, ten einde niet afgedreven te worden, de
"jonge beer", en had het bewustelooze meisje dwars over zijn lichaam
gelegd. Touwen waren spoedig uitgeworpen.
De jongeling bond er een stevig onder de armen van het meisje; en
terwijl het arme kind omhooggetrokken werd, heesch hij zich zelf
behendig aan een tweede touw naar boven.
Hij werd met een daverend gejubel begroet, maar stapte fier langs de
menigte weg zonder een woord te zeggen. Doch toen hij aan de plek kwam,
waar de kornel stond, die óók alles had aangezien, bleef hij vlak voor
hem stilstaan, en zei zoo luid dat iedereen het hooren kon: "Zeg eens,
is Tonkawa wel zoo erg bang voor een kleine kat? Kornel heeft zich
met zijn twintig helden schuilgehouden; maar Tonkawa heeft zich aan
groot gevaar blootgesteld, om meisje en passagiers te redden. Kornel
spoedig nog meer van Tonkawa hooren!"
Het geredde meisje werd naar de kajuit gedragen. Nu strekte de
stuurman, die het beste uitzicht had, zijn hand uit naar bakboord,
en riep: "Kijkt den panter eens! En het vlot!"
Nu snelden allen weder naar de andere zijde van het stoomschip,
waar zich een nieuw en niet minder in spanning brengend tooneel aan
hun blikken vertoonde. Men had namelijk, geheel en uitsluitend bezig
met het tot dusverre verhaalde, niet gelet op een klein van teenen
en riet gevlochten vaartuigje (eigenlijk niets meer dan een vlot),
waarin twee gestalten zaten, die van den rechter rivier-oever af op
de stoomboot aanstuurden. Zij werkten met van boomtakken vervaardigde
roeiriemen. De eene persoon was een jongeling; de andere scheen een
zeer zonderling gekleed vrouwspersoon. Men zag een hoofddeksel, veel
gelijkende op een oude klapmuts, en daaronder een rond gezicht met
roode koonen en kleine oogjes. Het overige der gestalte was omhuld
door een wijden zak of iets dergelijks, men kon met geen mogelijkheid
zeggen wat, daar de persoon gezeten was. Zwarte Tom stond naast Old
Firehand, en vroeg hem: "Kent gij die vrouw wel, sir?"
"Neen," was het antwoord. "Is zij dan zóó beroemd, dat ik haar moest
kennen?"
"Zeer zeker. Zij is namelijk in het geheel geen vrouw, maar een man,
een prairie-jager en vallen-opzetter. Ha, daar komt de panter aan. Let
nu eens op wat een vrouw, die een man is, in staat is te doen."
Hij boog over de balustrade heen, en riep naar beneden: "Heila, Tante
Droll (Droll is Engelsch en beteekent: kluchtig), opgepast! Die snaak
wil u opeten."
Het vlot was ongeveer nog vijftig passen van de stoomboot
verwijderd. De panter had daar, steeds zoekende naar zijn prooi,
aanhoudend langs die zijde van het schip heen en weer gezwommen. Nu
zag hij het vlot naderen, en hield terstond daarop aan. De zich er
op bevindende oogenschijnlijke vrouw, keek naar het dek op, herkende
hem die haar had toegeroepen, en antwoordde met een schelle fluitstem:
"_Good lack_ (= lieve hemel) zijt gij het, Tom? Het doet mij pleizier
u te zien, als het noodig is! Wat is dat voor een dier?"
"Een zwarte panter, die van boord gesprongen is. Maak maar dat gij
wegkomt. Gauw, gauw!"
"Een mooi ding! Tante Droll gaat voor geen mensch op den loop, en
voor een panter nog minder, hij mag er dan zwart of blauw of groen
uitzien. Mag men het ondier doodschieten?"
"Natuurlijk! Maar dat zal u niet gelukken. Het behoorde tot een
menagerie, en is het gevaarlijkste roofdier, dat in de wereld
bestaat. Vlucht maar gauw naar de andere zijde van het schip."
Niemand dan Tom alleen kende de potsierlijke gestalte: maar allen
riepen haar de waarschuwing toe om te vluchten. Zij scheen er echter
vermaak in te vinden, met den panter krijgertje te spelen. Zij
hanteerde het gebrekkige roer met bewonderenswaardige behendigheid,
en wist het dier telkens en telkens te ontwijken. Daarbij riep zij,
altoos met dezelfde fluitstem: "Ik zal het wel klaarspelen, oude
Tom! Waar moet zulk een creatuur geraakt worden, als het noodig is?"
"In zijn oog," antwoordde Old Firehand.
"Nu, dan zullen wij die waterrot eens wat dichterbij laten komen."
Hij haalde de roeispaan binnen, en greep het geweer, dat naast hem
gelegen had. Vlot en panter naderden elkander snel. Het roofdier
staarde met wijd opengespalkte oogen den vijand aan, die het geweer
aanlegde, kort mikte, en twee schoten loste. Het geweer neerleggen,
het roer grijpen, en het vlot achteruit laten zwenken, was het werk
van een oogenblik. De panter was verdwenen. Daar, waar men hem het
laatst gezien had, verried een dwarreling in het water de plek van
zijn doodsstrijd; toen zag men hem een eind weegs verder weer boven
water komen, bewegeloos en dood: zoo dreef hij eenige seconden lang,
en verdween toen weer in de diepte.
"Een meesterlijk schot!" riep Tom van het dek af, en al de passagiers
verklaarden vol geestdriftelijke bewondering hetzelfde, behalve
de menagerie-eigenaar, die den duren panter en zijn dierentemmer
verloren had.
"Twee schoten zijn het geweest," antwoordde de zonderlinge gestalte:
"in ieder oog één. Waar gaat deze boot naar toe, als het noodig is?"
"Zoo ver als we maar water genoeg vinden," was het antwoord van
den kapitein.
"Wij wilden aan boord komen, en hebben ons daarom daarginds aan wal
dit vlot gebouwd. Wilt gij ons opnemen?"
"Kunt gij de vracht betalen _ma'am_ (= madame) of _sir?_ Ik weet
waarlijk niet of ik u als man of als vrouw aan boord moet nemen."
"Als tante, sir! Ik ben namelijk Tante Droll, begrepen, als het noodig
is. En wat de vracht betreft, ik ben altijd gewend met goed geld te
betalen, of zelfs met nuggets (= goudkorrels)."
"Dan zal ik de touwladder voor u neerlaten. Komt dus maar gauw aan
boord. Wij moeten maken, dat wij van deze ongeluksplaats vandaan
komen."
De touwladder werd neergelaten. Eerst klauterde de jongeling naar
boven, die ook met een geweer gewapend was; toen wierp de andere
zijn geweer over den schouder, stond op, greep de ladder, stiet het
vlot onder zich weg, en klom met de vlugheid van een kat tegen den
scheepswand op naar het dek, waar hij met groote, ijselijk verbaasde
oogen ontvangen werd.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE TRAMPS.
"De Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zijn in weerwil--of juister
gezegd ten gevolge--van hun vrijzinnige instellingen, brandpunt
van geheel eigenaardige maatschappelijke landplagen, die in een
Europeeschen staat ten eenenmale onmogelijk zouden zijn."
Ieder, die de daar bestaande toestanden kent, zal gereedelijker
instemmen met die bewering van een geograaf uit den nieuweren tijd. De
plagen, waarvan hij spreekt, zou men kunnen indeelen in chronische
en acute. Wat de eerstgenoemde betreft, zijn in het voorste gelid
te vermelden de twistzoekende _loafers_ en _rowdies_, en dan ook
de zoogenaamde _runners_, die het bij voorkeur op de aankomende
landverhuizers gemunt hebben. Het runner-, loafer- en rowdy-dom heeft
zich tot een ingeworteld kwaad gezet, en zal, naar het zich laat
aanzien, nog wel eenige tientallen jaren blijven standhouden. Anders
gesteld is het bij de tweede soort der plagen, die zich sneller
ontwikkelen en korter van duur zijn. Daartoe behooren de niet door
behoorlijke rechtspleging beschermde toestanden in het verre Westen,
ten gevolge waarvan zich geregelde benden roovers en moordenaars
vormden, die slechts door het doortastende optreden van "Master Lynch"
vernietigd zijn kunnen worden. Wijders zou men hier ook de _kukluxes_
kunnen noemen, die zich tijdens den burger-oorlog en ook nog daarna
zeer gevreesd wisten te maken. Doch tot de ergste en gevaarlijkste
landplaag ontwikkelden zich de _tramps_ als vertegenwoordigers van
het ruwste en brutaalste vagebondendom.
Toen op zekeren tijd handel en nijverheid onder zwaren druk verkeerden,
duizenden fabrieken stilstonden en tienduizenden werklieden broodeloos
werden, begaven de werklieden zich naar elders, bij voorkeur in een
westelijke richting. De aan en generzijds der Mississippi liggende
staten werden letterlijk door hen overstroomd. Daar gingen reeds
spoedig de meesten van elkander af, doordien de eerlijken onder hen
werk namen waar zij het vonden, zelfs al gaf de bezigheid slechts een
zeer gering loon bij zwaren en inspannenden arbeid. De meesten kwamen
terecht op boerderijen, om behulpzaam te zijn bij het binnenhalen
van den oogst, en werden daarom gewoonlijk _harvesters_ (= daggelders
tijdens den oogst) genoemd.
De van werken afkeerige elementen vereenigden zich tot benden, die van
rooven, moorden en brandstichten hun leven rekten. De leden dier benden
daalden snel af tot den laagsten trap van zedelijke verdorvenheid,
en werden aangevoerd door mannen, die de beschaafde maatschappij
moesten mijden, ten einde niet onder het bereik te komen van den
tuchtigenden arm der strafwet.
Die _tramps_ (= vagebonden) vertoonden zich gemeenlijk aan groote
hoopen, somwijlen driehonderd man sterk en nog meer zelfs. Zij
overvielen niet slechts alleenstaande boerderijen, maar wat meer
zegt ook kleine steden, die zij geheel leegplunderden. Ja, zij
vermeesterden zelfs spoorwegen, doordien zij de treinbeambten
overrompelden, en bedienden zich dan van die treinen, om spoedig
op een ander grondgebied te komen en daar dezelfde misdaden te gaan
bedrijven. Dit euvel nam zoo de overhand, dat in sommige staten de
gouverneurs zich verplicht zagen de landweer onder de wapenen te
roepen, ten einde aan die roofhorden behoorlijk slag te kunnen leveren.
Voor zulke tramps hadden de kapitein en de stuurman van de "Dogfish",
zooals wij reeds gezegd hebben, kornel Brinkley en zijn volgelingen
aangezien. Gesteld zelfs dat dit vermoeden juist was, kon het toch
geen reden geven tot dadelijke bezorgdheid. De geheele bende was
slechts een twintigtal vagebonden sterk, en dus veel te zwak om met de
overige passagiers en de geheele scheepsbemanning een schermutseling
aan te vangen, hetgeen echter niet wegnam, dat men nauwlettend het
oog op hen diende te houden, en dat goede maatregelen van voorzorg
volstrekt niet overbodig waren.
De kornel had natuurlijk óók gekeken naar de zonderlinge gestalte, die
op zulk een gebrekkig vaartuigje de stoomboot was genaderd en daarbij,
als een klein tusschenbedrijf, het sterke roofdier had gedood. Hij had
gelachen, toen Tom den wonderlijken naam "Tante Droll" uitsprak. Maar
nu, nu de onbekende aan boord was gekomen en hij diens gezicht goed
kon onderscheiden, fronste hij de wenkbrauwen, en wenkte zijn mannen
hem te volgen. Hij bracht hen naar de punt van de voorplecht, en toen
men hem vroeg welke reden hij daarvoor had, gaf hij ten antwoord:
"die vent is volstrekt zoo belachelijk niet als hij schijnen wil;
ik zeg u zelfs, dat wij ons voor hem in acht moeten nemen."
"Waarom? Kent gij hem dan? Is 't een man of een vrouw?" vroeg een
hunner.
"Een man, natuurlijk."
"Waarom dan die maskerade?"
"Het is geen maskerade. Die kerel is uit zijn aard een origineel,
maar daarbij tevens een der gevaarlijkste speurhonden van de geheime
politie."
"_Pshaw!_ Tante Droll een speurhond van de geheime politie. De man kan
alles zijn wat gij van hem verkiest te maken, dat zal ik met plezier
gelooven; maar dat hij een _detectieve_ is, dat geloof ik nooit!"
"En toch is het zoo, en niet anders. Ik heb van die Tante Droll
gehoord; zij moet een halfgare vallen-steller zijn, die om haar
grappigheid met alle Indianen-stammen op den besten voet staat. Maar
nu ik haar gezien heb, ken ik haar nog beter. Dat dikke gedrocht is
een _detectieve_, zooals ze beschreven staat in de boeken. Ik heb hem
vroeger ontmoet, hooger op, in Fort Sully, aan den Missouri, waar
hij een kameraad van ons uit ons midden kwam halen, hij alleen, en
overleverde aan de galg--en wij waren toch over de veertig man sterk!"
"Dat is onmogelijk! Dan hadt gij hem immers veertig gaten in zijn
lijf kunnen steken!"
"Neen, dat konden wij niet. Hij werkt meer met overrompeling dan
met geweld. Ziet die kleine, listige mols-oogjes maar eens aan! Hij
ziet alles, tot een mier, die door het dikke gras loopt. Met een
onweerstaanbare, betooverende vriendelijkheid knoopt hij kennis aan
met zijn slachtoffer, en dan opeens is het 'kip, ik heb je!' eer het
mogelijk is aan een overrompeling te denken zelfs!"
"En kent hij u?"
"Dat geloof ik niet. Hij heeft mij destijds niet eens
opgemerkt. Overigens is dat heel lang geleden, en in dien tijd ben
ik zeer veranderd. Maar toch ben ik van oordeel, dat het raadzaam is,
ons stil en ordelijk te gedragen, ten einde niet zijn opmerkzaamheid
op ons te vestigen. Ik geloof, dat wij hier een goeden slag zullen
kunnen slaan, en zou liever niet hebben, dat hij ons daarbij in den
weg stond. Old Firehand is naast Old Shatterhand de beroemdste jager
van het geheele Westen. Zwarte Tom heeft zich ook doen kennen als
een man, met wien men den gek niet behoeft te steken; maar nog veel
gevaarlijker dan die twee is Tante Droll. Neemt u voor haar in acht,
en doet maar liever alsof gij in het geheel niet op haar let."
Zoo gevaarlijk, als Droll door den kornel voorgesteld werd, zag hij er
waarlijk niet uit; integendeel, de aanwezigen hadden alle moeite, om
bij zijn verschijning niet in een kwetsend gelach uit te barsten. Nu,
hij op het dek stond, kan men pas met juistheid opnemen en zeggen,
wat eigenlijk zijn kostuum was.
Zijn hoofddeksel was noch hoed, noch pet, noch muts, en kon
desniettegenstaande met elk dier drie benamingen bestempeld worden. Het
bestond uit vijf stukken leder, alle verschillend van vorm. Het
middelste, dat op zijn hoofd zat, had de gedaante van een omgekeerde
braadpan; het voorstuk beschutte het voorhoofd en had den vorm van de
klep eener pet; het vierde en vijfde stuk waren twee breede kleppen,
die over zijn ooren hingen.