Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
DR. KARL MAY'S REISAVONTUREN
DE SCHAT IN HET ZILVERMEER
VAN
DR. KARL MAY
NAAR HET 48STE DUIZENDTAL DER DUITSCHE UITGAVE
MET PLATEN
DERDE DRUK
AMSTERDAM H. J. W. BECHT
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE ZWARTE PANTER.
Omstreeks het middaguur van een zeer heeten Junidag was de
"Dogfish"--een der grootste stoomschepen voor passagiers en goederen
van Arkansas--druk bezig met zijn geweldige schepraderen de wateren der
rivier te klieven. Dien ochtend zeer in de vroegte was deze stoomboot
van Little Rock afgevaren en zou nu spoedig Lewisburg bereiken,
om daar aan te leggen, wanneer er nieuwe passagiers of goederen aan
boord genomen moesten worden.
De felle hitte had de meer welgestelde reizigers naar hun kajuiten
of slaapplaatsen gedreven, en de meesten der dekpassagiers lagen
achter vaten, kisten en ander pakgoed, overal waar slechts een weinig
schaduw te vinden was. Voor die passagiers had de kapitein onder
een uitgespannen zeil een _Bed-and-Board_ (dat is een toeslaande
beddekast) laten zetten waarop allerlei glazen en flesschen stonden,
welker scherpe inhoud in geen geval geschikt was voor verwende
gehemelten en tongen. Achter deze soort van toonbank zat de knecht
van den hofmeester, vermoeid van de hitte, met zijn oogen dicht te
knikkebollen. Van tijd tot tijd gingen zijn oogleden even open, en
dan kwam er een binnensmonds geprevelde vloek of ander kras woord
over zijn lippen. Die uitingen van wrevel golden een groep van een
groot twintigtal mannen, die vóór de toonbank in een kring op den
grond zaten, en den dobbelbeker van hand tot hand lieten gaan. Er
werd om een _drink_ (= "zoopje") gespeeld, dat wil zeggen: als het
spel uit was moest de verliezer voor elk der medespelers een borrel
betalen. Daardoor was de hofmeestersknecht niet in de gelegenheid
een dutje te doen, waarin hij blijkbaar zooveel trek had.
Die mannen hadden stellig niet pas hier op de stoomboot kennis
gemaakt, want zij speelden "jij en jou" tegen elkander en, naar
men uit sommige uitdrukkingen nu en dan kon opmaken, schenen zij
met elkaars omstandigheden volkomen bekend. Als tegenhanger van
die algemeene vertrouwelijkheid, was er één onder hen, voor wien al
de anderen een soort van ontzag schenen te hebben. Zij noemden hem
"kornel," zooals men weet, een verbastering van het woord "kolonel,"
dat "overste" beteekent.
Die man was lang en mager; met een gladgeschoren gezicht, met
scherpgeteekende gelaatstrekken, en een borsteligen, roodkleurigen
keelbaard. Ook zijn kort geknipt hoofdhaar was zoo rood als een vos,
wat men duidelijk zien kon, daar hij den ouden, versleten vilten hoed,
dien hij ophad, ver achteruit in zijn nek had geschoven. Zijn kleeding
bestond uit zware, met spijkers beslagen vetleeren schoenen, een
nanking-broek, en een kort wambuis van dezelfde stof. Een vest droeg
hij niet; in stede daarvan was een ongestreken vuil hemd te zien,
waarvan de breede halskraag, zonder door een das bijeengehouden te
worden, wijd openstond, zoodat men zijn sterk door de zon gebruinde,
bloote borst zag. Om zijn middel was een soort van rooden gordel
gebonden bij wijze van sjerp, waaruit de handvatsels van een mes en
twee pistolen te voorschijn kwamen. Achter hem lag een geweer, nog
zoogoed als nieuw, en een linnen knapzak, voorzien van twee banden,
om als ransel op den rug gedragen te worden.
De andere mannen waren eveneens slordig en even onooglijk gekleed,
maar insgelijks zeer goed gewapend. Er was niet één onder hen, dien
men op het eerste gezicht zou hebben durven vertrouwen. Zij dobbelden
met een hartstochtelijkheid, alsof de speelduivel in hen gevaren was,
en voerden daarbij hun gezelligen kout in uitdrukkingen, zoo ruw en
plat, dat iemand, die op een greintje beschaving aanspraak kon maken,
zeer zeker geen minuut bij hen zou hebben blijven staan. Zij hadden
stellig reeds verscheidene "zoopjes" gebruikt, want hun gezichten
waren niet alleen door de zon verhit, maar ook klaarblijkelijk in
geen geringere mate door den sterken drank.
De kapitein van het stoomschip had de commandobrug verlaten,
en was naar de achterplecht gegaan, om aan den stuurman eenige
noodige bevelen te geven. Toen dit gedaan was zeide laatstgenoemde:
"Wat denkt gij van de snaken, die daar op de voorplecht zitten te
dobbelen, kapitein? Mij dunkt, dat zijn _boys_ (= jongens), die men
maar liever _niet_ aan boord ziet komen."
"Zoo denk ik er ook over," antwoordde de gevraagde met een
hoofdknikje. "Zij hebben zich wel uitgegeven voor _harvesters_ (=
oogsters), die naar het Westen willen, om zich op de boerderijen
als daggelders te verhuren, maar ik zou niet gaarne de man zijn,
bij wien zij om werk kwamen aankloppen."
"Wel sir! ik voor mij, ik houd hen voor echte _tramps_ (= vagebonden);
ik hoop ten minste maar, dat zij zich hier aan boord rustig zullen
houden."
"Ik zou hen niet raden het ons lastiger te maken, dan wij gewend
zijn. Wij hebben _hands_ (= manschap) genoeg aan boord om hen allen
in den ouden, gezegenden Arkansas te smijten. Maak overigens maar
klarigheid om aan te leggen, want binnen tien minuten zal Lewisburg
in het gezicht komen."
De kapitein ging weer op zijn brug staan, om de bij het aanleggen
noodige bevelen te geven. Reeds zeer spoedig zag men de huizen
der bedoelde plaats, welke het schip begroette met een langgerekt
oorverdoovend geraas met de stoomfluit. Van het bruggenhoofd aan wal
werd het sein gegeven, dat de boot vrachtgoederen en passagiers in
moest nemen. De reizigers, die zich tot nu toe onder het dek hadden
opgehouden, kwamen thans naar boven, om getuigen te wezen van deze
kortstondige afwisseling op den vervelend langen overtocht.
Trouwens, een zeer onderhoudend schouwspel werd hun daardoor niet
aangeboden. Lewisburg was destijds op verre na nog niet van zooveel
beteekenis als tegenwoordig. Op de aanlegplaats stonden slechts
ettelijke leegloopers; er waren slechts eenige kisten en pakketten
mede te nemen, en het aantal der aan boord komende nieuwe passagiers
bedroeg slechts drie, die, toen zij de vracht betaalden, door den
met de inning belasten beambte volstrekt niet als _gentlemen_ (=
heeren van stand) behandeld werden.
Een hunner was een blanke, rijzig van gestalte en ongemeen forsch van
lichaamsbouw. De groeikracht van zijn donkeren vollen baard was zóó
sterk, dat men van zijn gansche gezicht niets anders zien kon, dan de
oogen, den neus en het bovengedeelte der wangen. Als hoofddeksel droeg
hij een oude pet van bevervel, die in den loop der jaren bijna kaal was
geworden. Welke gedaante die pet vroeger gehad had, zou niemand hebben
weten te zeggen; hoogstwaarschijnlijk had zij reeds alle mogelijke
gedaante-verwisselingen doorleefd. De kleeding van dien man bestond
uit broek en buis van stevig, grijs linnen. In zijn breeden lederen
gordelriem staken twee revolvers, een mes en verscheidene kleine
instrumenten, die iedere bewoner van het verre Westen van Amerika
als onmisbaar beschouwt. Buitendien bezat hij een zwaar geweer met
dubbelen loop, waaraan ongeveer ter halver lengte, ten einde beide
gemakkelijker te kunnen dragen, een lange bijl vastgebonden was.
Toen hij de vracht betaald had, wierp hij een uitvorschenden blik over
het dek. De goedgekleede kajuit-passagiers schenen hem geen belang in
te boezemen. Daar viel zijn oog op de anderen, die van hun dobbelspel
opgestaan waren, om de aan boord komenden gade te slaan. Hij werd den
kornel gewaar, doch liet terstond zijn blik in een andere richting
gaan, juist alsof hij hem in het geheel niet had opgemerkt; maar,
terwijl hij de neergezakte kappen van zijn hooge waterlaarzen weder
omhoogtrok over het dik van zijn beenen, mompelde hij zacht bij
zich zelf: "_Behold_ (= Kijk eens na wat ik zeg), als dat de roode
Brinkley niet is, wil ik als een bokkum gerookt, en met huid en
haar opgevreten worden. Het doel, waarmee hij zulk een bende _boys_
om zich heen heeft getrommeld, is stellig niet veel goeds. Ik hoop
maar dat hij mij niet herkent."
Degene, dien hij bedoelde, had hem ook opgemerkt, en daarbij een
zekere gewaarwording van onthutstheid ondervonden. Hij wendde zich
nu tot zijn metgezellen, en zeide zacht fluisterend: "Kijk eens even
naar dien zwarten kerel! Is er iemand onder u, die hem kent?"
Deze vraag werd beantwoord met "neen".
"Nu, ik moet hem reeds vroeger eens gezien hebben, en onder
omstandigheden, die voor mij niet zeer aangenaam geweest zijn. Mij
dunkt, daar staat mij zoo vaag iets van voor."
"Dan zou hij u, dunkt mij, toch óók moeten kennen," merkte een der
_boys_ aan. "Hij heeft zijn oog over ons allen laten gaan; doch u,
schijnt het, heeft hij niet eens opgemerkt."
"Hum! Misschien schiet het mij nog te binnen. Of ik weet nog beter;
ik zal hem naar zijn naam vragen. Als ik dien hoor, zal ik uit den
droom zijn. Gezichten kan ik vergeten, maar namen niet. Wij zullen
een zoopje met hem maken."
"Als hij maar mee wil doen!"
"Wel, als hij niet wilde, dat zou een schandelijke beleediging
zijn--dat weet gij allen evengoed als ik. Weigert u iemand om met u
te drinken, dan heeft men hier te lande, het recht, om die weigering
te beantwoorden met het mes of met de pistool; en steekt of schiet
men den beleediger dood, dan kraait daar verder geen hen of haan naar."
"Hij ziet er, dunkt mij, niet uit als iemand, die zich zal laten
dwingen tot iets, waarin hij geen trek heeft."
"_Pshaw!_ Willen wij eens wedden?"
"Ja, wedden, wedden!" riepen allen te gelijk. "De verliezer betaalt
voor ieder onzer drie borrels."
"Dat neem ik aan!" verklaarde de kornel.
"Ik ook!" zeide de andere. "Maar er dient toch gelegenheid te zijn om
revanche te nemen. Drie weddenschappen en telkens om de drie borrels."
"Met wie?"
"Wel om te beginnen, met den zwartbaard, dien gij zegt te kennen,
zonder te weten wie hij is. Dan met een der heeren, die daar nog
staan te gapen naar den wal. Nemen wij, bij voorbeeld, dien langen,
die daar bij hen staat als een reus, omringd door dwergen. En eindelijk
den rooden Indsman, die met zijn jongen ook aan boord is gekomen. Of
zijt gij bang voor hem?"
Een algemeen gelach volgde als antwoord op die vraag, en de
kornel zei op een toon van minachting: "Ik bang voor dat roode
apenbakkes? _Pshaw!_ Als gij dat nog gevraagd hadt wat den reus
betreft, tegen wien gij mij ophitst. _All devils_ (= alle duivels),
wat moet die kerel sterk zijn. Maar juist die reuzen hebben doorgaans
het minst moed in hun lijf, en hij is zóó fijn en mooi gekleed, dat hij
stellig beter weet om te gaan in de salons van de grooten der aarde,
dan met menschen van _ons_ kaliber. Maar ik neem de weddenschap aan:
een zoopje van drie borrels met elk der drie. En nu aan het werk!"
Hij had de drie laatste volzinnen met zooveel stemverheffing geuit,
dat al de passagiers het gehoord moesten hebben. Ieder Amerikaan en
iedere Westman kent de beteekenis van het woord "drink" (= zoopje),
vooral wanneer dat zoo met luider stem en op zulk een dreigenden toon
uitgesproken wordt, als hier het geval was. Aller oogen richtten zich
dan ook op den kornel. Iedereen zag, dat hij, evenals zijn metgezellen,
reeds half beschonken was; maar niemand verwijderde zich, daar allen
nieuwsgierig waren, om te zien wie die drie waren, aan wie de dronk
zou worden aangeboden.
De kornel liet de glazen vullen, nam het zijne in de hand en trad op
den zwartbaard toe, die het dichtst in de nabijheid was en naar een
geschikte plaats voor zich zocht. "_Good day, sir!_" zeide hij. "Mag ik
het genoegen hebben u dit glas aan te bieden? Ik houd u natuurlijk voor
een gentleman, want ik drink nooit anders dan met echt fatsoenlijke
lieden, en ik hoop, dat gij het zult ledigen op mijn gezondheid?"
De zwarte baard van den toegesprokene verbreedde zich, en trok zich
toen weer ineen, waaruit men kon opmaken, dat er een lachje van
vergenoegdheid over zijn gelaat gleed.
"Wel," antwoordde hij, "ik ben niet ongenegen u dat plezier te
doen; doch ik zou eerst gaarne weten, _wie_ mij deze verrassende
eer bewijst."
"Natuurlijk, sir! Men moet weten met wien men drinkt. Ik heet Brinkley,
kornel Brinkley, als gij er niets tegen hebt. En gij?"
"Mijn naam is Grosser, Thomas Grosser, om u te dienen. Dus op uw
gezondheid, kornel!"
Hij dronk het glas leeg, waarbij ook de anderen hun glas ledigden,
en gaf het aan den kornel terug. Deze voelde zich als winner, nam hem
op een bijna beleedigende wijze met de oogen op van het hoofd tot de
voeten, en zeide: "Uw naam is Duitsch, als ik het wel heb. Gij zijt
dus een vervloekte Dutchman, is het niet zoo?"
"Neen, ik ben een Germaan, sir!" antwoordde de Duitscher op een
minzamen toon, zonder zich door de grofheid van den andere tot drift
te laten vervoeren. "_Uw vervloekte Dutchman_ dient gij dus aan een
ander adres te bezorgen; op mij heeft die titel geen vat. Ik dank u
dus voor uw dronk, en daarmee basta!"
Dit gezegd hebbende maakte hij rechtsomkeer, en verwijderde zich
schielijk terwijl hij bij zich zelf mompelde: "Ik heb mij dus niet
vergist; het _is_ die Brinkley. En hij noemt zich _kornel_! De kerel
heeft stellig niet veel goeds in den zin. Wie weet hoe lang hij nog
aan boord blijft. Ik zal hem ten minste in het oog houden."
Brinkley had dus de eerste weddenschap gewonnen: doch zeer
triomfantelijk zag hij er niet uit, allesbehalve. Zijn gelaat was
geheel veranderd, er was duidelijk aan te zien, dat hij zich verbeet
van wrevel. Hij had gehoopt, dat Grosser zou weigeren, en zich dan door
de bedreigingen zou laten dwingen om te drinken. Maar Grosser was de
wijste geweest; hij had eerst gedronken, en toen vrij duidelijk gezegd,
dat hij te verstandig was om aanleiding te geven tot een twist. Dit
hinderde den kornel geweldig. En nadat hij zijn glas opnieuw had
laten vullen, ging hij naar zijn tweeden slachtoffer, den Indiaan.
Te gelijk met Grosser, namelijk, waren twee Indsman aan boord gekomen,
een oude en een jongere, die naar gissing omstreeks vijftien jaar
oud kon zijn. Zij geleken zoo sprekend op elkander, dat men daaruit
terstond de juiste gevolgtrekking maken kon, dat zij vader en zoon
waren. Daarbij waren zij zoo volkomen eender gekleed en gewapend,
dat de zoon het verjongde evenbeeld van den vader was.
Hun kleeding bestond uit lederen leggins, aan de zijden uitgesneden
als franje, en geel geverfde mokassins. Een jachthemd of jachtbuis
was niet te zien, doordien zij hun bovenlijf, van de schouders af,
gehuld hadden in een door weerschijn kleuren-wisselend tsoeni-kleed,
zooals er zijn die zestig dollars kosten. Hun zwarte hoofdhaar was
glad gekamd naar achteren, waar het op hun rug neerhing, hetgeen aan
hun uiterlijk iets vrouwelijks gaf. Hun gezichten waren gevuld en rond,
en hadden een in hooge mate goedige uitdrukking, die nog verhoogd werd,
doordien zij hun wangen met vermiljoen hoog rood hadden geverfd. De
geweren, zooals ieder hunner er een in zijn hand had, schenen te zamen
geen halven dollar waard te zijn. In het geheel zagen zij er beiden uit
als volkomen onschadelijk en tevens zoo nuchter, dat zij, gelijk reeds
is aangestipt, den lachlust der drinkers hadden gaande gemaakt. Zij
hadden zich, als waren zij bang voor andere menschen, schuchter van
de menigte afgezonderd, en leunden tegen een stevige houten kast,
een manslengte hoog en even breed en lang. Daar schenen zij op niets
acht te geven; en zelfs nu de kornel op hen toetrad, sloegen zij niet
eens hun oogen op, dan toen hij vlak voor hen stond, en hen aansprak:
"Mooi weer vandaag! Vindt gij dat ook niet, roode snaken? Dan smaakt
een borrel. Hier, oude! laat dit eens achter uw kiezen loopen."
De Indiaan verroerde zich niet, en antwoordde in gebroken Engelsch:
"_Not to drink_--niet drinken."
"Wat, gij wilt niet?" riep de eigenaar van den rooden keelbaard,
opvliegende als buskruit. "Het is een drink, verstaat gij, een
drink! Dien geweigerd te zien, is voor iederen echten gentleman,
zooals ik er een ben, een beleediging, die uitgewischt moet worden
met het mes. Doch eerst moet ik weten wie gij zijt. Hoe is uw naam?"
"Nientropan-hawi," antwoordde de gevraagde bedaard en bescheiden.
"Tot welken stam behoort gij?"
"Tonkawa."
"Zoo, dus tot de makke roodhuiden, die bang zijn voor een kat--verstaat
gij dat: bang voor een kat, al ware het 't kleinste poesje! Ik zal
geen lange morgenspraak met u maken. Dus, wilt gij drinken!"
"Ik niet drinken vuurwater."
Hij zeide dit, in weerwil van den dreigenden toon, waarop de kornel
gesproken had, even bedaard als vroeger. Laatstgenoemde gaf hem echter
een oorvijg, die klonk als een klok.
"Ziedaar dan, roode lafaard!" riep hij uit. "Ik wil mij niet anders
wreken, omdat ik zulk een ellendeling te ver beneden mij acht."
Terwijl de klap gegeven werd, greep de hand van den jongeren Indiaan
terstond onder zijn tsoeni-gewaad, ontwijfelbaar naar een wapen,
en tegelijk sloeg hij zijn oogen op naar zijn vader, om aan diens
gezicht te zien wat die nu doen en zeggen zou.
Het gelaat van den oude was eensklaps zoo veranderd, dat men hem nu
ternauwernood herkend zou hebben. Zijn gestalte scheen plotseling
gegroeid, zijn oogen vlamden op en zijn gelaatstrekken teekenden een
opwelling van geestkracht. Doch even snel sloeg hij zijn oogen weder
neer, verdween de fierheid van zijn opgericht lichaam en zijn gelaat
stond weder in dezelfde goedige plooi van vroeger.
"Nu, wat zegt gij daarvan?" vroeg de kornel hoonend.
"Nientropan-hawi danken."
"Is die muilpeer zoo naar uw zin geweest, dat gij er dankje voor
zegt? Daar hebt gij er dan nog een!"
Dit zeggende voegde hij de daad bij het woord; doch doordien de Indiaan
snel als een gedachte bukte en den slag ontweek, sloeg hij met zijn
hand tegen de kast aan, tegen welke de Indianen leunden, en wel met
zooveel kracht, dat de slag het geheele schip over gehoord werd. En
dadelijk weerklonk uit de kast een kort, schel gebrom en geblaas,
dat schier terstond overging in een vervaarlijk woesten schreeuw,
onmiddellijk gevolgd door een gebrul zoo ontzettend, dat het was
alsof het schip er van dreunde.
De kornel sprong van schrik achteruit, liet het glas uit zijn
hand vallen, en schreeuwde met een gillende stem: "_Heavens_ (=
lieve hemel)! wat is dat? Er zit een wild beest in die kast! Dat is
ongepermitteerd. Het is goed om een mensch den dood op het lijf te
jagen van schrik, of althans een beroerte!"
De schrik had niet hem alleen bevangen, maar evenzeer de andere
passagiers. De zich op dek bevindende mannen gaven even luid uiting
aan hun ontsteltenis als de kornel. Slechts vier hunner hadden geen
schijn of blijk gegeven van onthutstheid, namelijk de zwartbaard,
die nu voor aan den boeg zat, het reusachtige heerschap, dat de kornel
nu nog tot een dronk moest uitnoodigen, en de twee Indianen. De vier
personen hadden evenmin als de anderen geweten, dat zich een wild
beest aan boord, en wel in die kast bevond; doch zij bezaten een zoo
groote en lang geoefende zelfbeheersching, dat het hun niet moeilijk
viel hun bevreemding te verbergen.
Het gebrul was ook onder het dek in de kajuiten gehoord. Verscheidene
dames kwamen gillend naar boven, ten einde te weten te komen door
welk gevaar zij bedreigd werden.
"Het is niets, _ladies_ en _messieurs_ (= dames en heeren)!" antwoordde
een zeer fatsoenlijk gekleed heer, die zooeven insgelijks uit zijn
kajuit was gekomen. "Slechts een pantertje, een klein pantertje,
anders niet! Een allerliefste _Felis pantera_, slechts een zwarte,
slechts een zwarte, messieurs!"
"Wat? Een zwarte panter?" krijschte met een pieperige stem een klein
mannetje met een grooten bril op den neus, zoodat men hem slechts
behoefde aan te zien om te begrijpen, dat hij beter thuis was in de
zoölogische boeken dan in den practischen omgang met wilde dieren. "De
zwarte panter is een allergevaarlijkst verscheurend dier. Hij is
grooter en langer dan de leeuw en de tijger. Hij werpt zich op zijn
prooi uit louter bloeddorst, zelfs al heeft hij geen honger. Hoe oud
is hij al?"
"Drie jaar pas, mijnheer! niet ouder."
"Drie jaar pas? Noemt gij dàt _pas_? Dan is hij reeds
volwassen... Lieve hemel! En zulk een ondier bevindt zich hier aan
boord! Wie kan dat verantwoorden?"
"Ik, mijnheer! ik," antwoordde de elegante onbekende; en nu een
buiging makende, zei hij: "Vergunt mij, _myladies_ en _gentlemen!_
dat ik zelf mij aan u voorstel. Ik ben de beroemde menagerie-eigenaar
Jonathan Boyler, en bevind mij sedert eenigen tijd met mijn gezelschap
in Van Buren. Daar deze zwarte panter in Nieuw-Orleans voor mij
aangekomen was, ben ik hem daar gaan afhalen, vergezeld van mijn
knapsten dierentemmer. De kapitein van dit goede schip heeft mij,
tegen betaling van een hoog vrachtgeld, vergund, hem aan boord te
brengen, onder beding, dat de passagiers niet te weten mochten komen
in welk gezelschap zij zich bevonden. Daarom heb ik den panter niet
anders gevoederd dan in den nacht, en hem elken nacht een geheel kalf
gegeven, opdat hij zich zat zoude vreten, dat hij den ganschen dag
met slapen doorbrengt, en zich bijna niet verroeren kan. Wanneer men
echter met vuisten tegen de kast slaat, wordt hij wakker, en laat dan
ook zijn stem hooren. Ik hoop, dat de geëerde dames en heeren alsnu
van de aanwezigheid van mijn pantertje, dat overigens niemand hindert,
niet verder notitie zullen nemen."
"Wat?" krijschte het manneke met den grooten bril, terwijl zijn
pieperig stemmetje bijna in zijn keel bleef steken. "Dat niemand
hindert? Niet verder notitie er van nemen? Ik moet zeggen, dat mij
zóó iets nog nooit van mijn leven overkomen is. Ik zou de reis met
deze boot moeten maken in gezelschap van een zwarten panter! Neen,
dat nooit, nooit in der eeuwigheid! Of dat beest zal van de boot af,
òf _ik_ ga er af! Smijt dat ondier in het water, of zet het met kast
en al aan wal!"
"Maar, mijnheer! er is wezenlijk hoegenaamd geen gevaar bij,"
verzekerde de menagerie-eigenaar. "Zie maar eens welk een stevige
kast, en...."
"Wàt stevige kast!" viel het kleine mannetje hem met drift in de
rede. "Ik zou kans zien om die kast kapot te breken--hoeveel te eer
dan een panter!"
"Ja maar, met uw welnemen: in die kast, die slechts tot omkleedsel
dient, zit de ijzeren kooi, die geen tien leeuwen of panters in staat
zouden zijn te breken."
"Is dat waar? Laat ons dan die ijzeren kooi zien! Ik moet mij
overtuigen."
"Ja, ja, de ijzeren kooi laten zien! Wij moeten weten waaraan wij
ons te houden hebben!" riepen twintig, dertig of meer stemmen tegelijk.
De menagerie-eigenaar was een Yankee, en trok dadelijk partij van de
gelegenheid, om met dat algemeene verlangen zijn voordeel te doen.
"Volgaarne, volgaarne," antwoordde hij. "Maar, _myladies_ en
_gentlemen_! het spreekt vanzelf, dat men de ijzeren kooi niet zien
kan zonder te gelijk den panter te zien, die er in zit. En dáárvoor
dient natuurlijk iets betaald te worden. Om het aantrekkelijke van dat
zeldzame schouwspel te verhoogen, zal ik het dier, terwijl het te kijk
is, laten voederen. Ik zal de plaatsen voor de toeschouwers indeelen
in drie rangen: de eerste rang zal een dollar kosten, de tweede rang
een halven dollar, de derde rang een kwartdollar. Aangezien ik hier
louter _ladies_ en echte _gentlemen_ om mij heen zie, begrijp ik,
dat er van tweeden en derden rang geen gebruik gemaakt zal worden;
die twee rangen vervallen dus--of, is er wellicht iemand op het dek
aanwezig, die liever slechts een halven dollar voor deze belangwekkende
vertooning wenscht te betalen, of zelfs slechts een kwartdollar?"
Op deze vraag volgde natuurlijk geen antwoord.
"Nu dan, enkel eersten rang! Asjeblieft, myladies en mylords! een
dollar per persoon!"
Hij nam zijn hoed af, en ging daarin de dollars inzamelen, terwijl
zijn dierentemmer, dien hij inmiddels geroepen had, de noodige
toebereidselen voor de vertooning ging maken.
De passagiers waren meerendeels Yankees, en als zoodanig vonden zij
de wending, die de zaak genomen had, volkomen naar hun zin. Hadden
de meesten het eerst schandelijk genoemd, dat de kapitein er
zijn stoomboot toe leende, zulk een allergevaarlijkst roofdier te
vervoeren, nu hun de gelegenheid geboden werd, om van dat beest een
kijkje te nemen, beschouwden zij het als een welkome afwisseling in de
eentonigheid van het langdurende, vervelende verblijf aan boord. Zelfs
de kleine geleerde had zijn angst overwonnen, en zag de vertooning
met groote belangstelling te gemoet.
De kornel maakte van dien tusschentijd gebruik om aan zijn metgezellen
het volgende voorstel te doen: "Luister eens, _boys_! Ik heb een
weddenschap gewonnen, en de tweede heb ik verloren, daar die roode
schobberd niet heeft willen drinken. Dat is dus kiet. De derde
weddenschap zullen wij niet om drie glazen _brandy_ (= brandewijn)
maken, maar om den dollar entree-geld, dien wij betalen moeten. Vindt
gij dat goed?"
De anderen namen dat voorstel natuurlijk aan, want de reus zag er
niet naar uit, dat hij van bangheid in zijn schulp zou kruipen.
"Nu," sprak de kornel, die zich door het veelvuldige gebruik van
brandewijn zeker waande van de overwinning: "Let nu eens op, hoe gauw
en gretig die Goliath met mij drinken zal."
Hij liet zijn glas volschenken, en ging daarmede naar den bedoelden
persoon. De lichaamsvormen van dien man waren in alle opzichten
reusachtig te noemen. Hij was nog langer en breeder van gestalte, dan
de man met den zwarten baard, die zich Grosser genoemd had. Hij was
zeer stellig geen salonheer, want zijn gelaat was door de zon bruin
gebrand; zijn mannelijk schoone wezenstrekken waren fijn geteekend, en
zijn blauwe oogen hadden dien eigenaardigen, niet te beschrijven blik,
waardoor zich menschen onderscheiden, die op groote vlakten leven,
waar de horizon niet eng begrensd is, dus zeevarenden, woestijnbewoners
en prairie-mannen. Zijn gelaat was gladgeschoren, hij kon omstreeks
veertig jaar oud zijn, en hij droeg een elegant reiskostuum. Wapens
zag men niet bij hem. Hij stond bij eenige heeren, met wie hij in een
levendig gesprek was over den panter. Ook de kapitein bevond zich onder
hen. Die was van de commando-brug afgekomen, om de tentoonstelling
van den panter bij te wonen.
Daar kwam de kornel nader, plaatste zich uittartend voor zijn derde
vermoedelijke slachtoffer, en zei: "Sir! ik bied u een dronk aan. Ik
hoop, dat gij er niets tegen zult hebben, mij als een echte gentleman
te zeggen wie gij zijt."
De toegesprokene keek hem met zichtbare bevreemding eens aan, en
wendde zich zonder iets te antwoorden weer ter zijde, om het door
dien verwaten indringer afgebroken gesprek te vervolgen.
"_Pooh!_" riep deze uit. "Zijt gij doof, of wilt gij mij met opzet
niet hooren? Dit laatste zou ik u niet raden, daar er niet met mij
te gekscheren valt, als men weigert met mij te drinken. Ik geef u
den goeden raad, een voorbeeld te nemen aan den Indsman."
De dus lastig gevallene haalde de schouders eens op, en vroeg aan
den kapitein: "Hebt gij gehoord wat die snaak daar tegen mij zegt?"
"_Yes, sir!_ woord voor woord," gaf de gevraagde met een hoofdknikje
ten bescheid.
"Nu, dan zijt gij getuige, dat ik hem niet hier geroepen heb."
"Wat?" schreeuwde de kornel verwoed. "_Snaak_ noemt gij mij? En gij
weigert met mij te drinken? Moet het u dan gaan als den Indiaan,
dien ik...."
Verder kwam hij niet, want op dat oogenblik ontving hij van den reus
zulk een geweldige muilpeer, dat hij ten onderste boven en over den
kop duikelde en een eind weegs over het dek rolde. Daar lag hij een
oogenblik als versuft, doch toen zich schielijk oprichtende, trok
hij zijn mes, en vloog als een razende op den reus aan.
Deze had zijn handen in zijn broekzakken gestoken, en stond daar zóó
bedaard, alsof hem niet het minste gevaar dreigde, en de kornel in
het geheel niet bestond. Deze brulde op woedenden toon: "Hond! mij
een oorveeg? Dat kost bloed, en wel het uwe!"
Verscheidenen der omstanders en ook de kapitein wilden tusschenbeide
komen, maar de reus wees hen met een veelzeggend hoofdschudden terug;
en toen de kornel hem tot op twee passen afstands genaderd was
lichtte hij zijn rechterbeen op, en ontving den aanvaller met zulk
een duchtigen schop tegen diens maag, dat de onverlaat andermaal ten
onderste boven ging en over het dek rolde.
"Nu hebt gij genoeg; pas nu op voor den derden keer!" riep de goliath
dreigend.
Maar de kornel sprong wederom overeind, schoof het mes in zijn gordel,
en haalde er, schuimbekkend van woede, een der pistolen uit, om daarmee
zijn tegenstander te lijf te gaan. Doch deze trok zijn rechterhand
uit zijn broekzak, waarin hij een revolver verborgen had.
"Weg met die pistool!" gebood hij, te gelijk de loop van zijn klein,
maar uitmuntend wapen op de rechterhand van zijn aanrander drukkende.
Een--twee--drie schrille maar scherpe knallen--de kornel gaf een gil,
en liet de pistool uit zijn hand vallen.
"Ziezoo, snaak!" zei de reus. "Nu zult gij niet gauw weder klappen
uitdeelen, als men weigerachtig is uit het glas te drinken, waaraan
gij uw vuile lippen gezet hebt. Uw hand is onschadelijk gemaakt voor
uw geheele leven. En als gij nu nog weten wilt wie ik ben dan...."
"Vervloekt zij uw naam!" brulde de kornel. "Ik wil hem niet
weten. Uw persoon moet ik hebben, en _zal_ ik hebben. Gaat hem te
lijf jongens! _go on!_"
Nu bleek het, dat die kerels een werkelijke bende vormden, waarvan
allen voor één stonden. Zij trokken hun messen uit de gordels,
en stormden los op den reus, die een verloren man scheen, eer de
kapitein zijn mannen te hulp kon roepen. Maar de moedige man deed
een stap voorwaarts hief zijn armen omhoog, en riep: "Kom op maar,
wie trek heeft om aan te binden met Old Firehand!"
Het hooren van dien naam werkte als bij tooverslag. De kornel, die met
de ongekwetste linkerhand zijn mes weer getrokken had, bleef staan als
aan den grond genageld, en riep: "Old Firehand!" (en met een vloek)
"wie kon dat ruiken? Waarom hebt gij dat niet dadelijk gezegd?"
"Is een gentleman dan niet anders veilig voor uw schanddaden, of hij
moet beschermd worden door zijn naam? Pakt uw weg, gaat rustig in
een hoek zitten, en komt niet weer onder mijn oogen, of ik blaas u
allen het licht uit!"
"Nu, wij zullen elkander wel nader spreken."
Hij draaide zich om, en ging met zijn bloedende hand naar de
voorplecht. De anderen volgden hem als honden, die een pak slaag
gekregen hadden. Daar gingen zij zitten, verbonden de hand van hun
aanvoerder, en spraken fluisterend en druk met elkander, en wierpen
daarbij naar den beroemden jager telkens schuinsche blikken, die wel
allesbehalve vriendelijk waren, maar die toch bewezen hoe groot het
ontzag was, dat zij voor dien man hadden.
Doch niet alleen op hen had de wijdbekende naam gewerkt. Er bevond
zich waarschijnlijk niemand onder de passagiers, die nog nooit had
hooren spreken over dien onvervaarden man, wiens geheele leven een
aaneenschakeling was van gevaarlijke daden en avonturen. Men trad
onwillekeurig met een soort van eerbied een weinig van hem af, en
bekeek nu met meer aandacht die forschgebouwde, rijzige gestalte,
welker harmonische proportiën en afmetingen reeds vroeger door allen
waren opgemerkt.
De kapitein reikte hem de hand, en zeide op den allervriendelijksten
toon, dien een Yankee in staat is aan te slaan: "Wel, sir! dat had ik
moeten weten! Dan zou ik u mijn eigen kajuit afgestaan hebben. Het is
een groote eer voor den 'Dogfish', dat uw voeten zijn planken hebben
betreden. Waarom hebt gij u toch _anders_ genoemd?"
"Ik heb u mijn waren naam opgegeven; doch de Westmannen noemen mij
Old Firehand, omdat het vuur uit mijn geweer, bestuurd door mijn hand,
altijd verderf brengt."
"Ja, dat heb ik gehoord--gij schiet nooit mis, zeggen ze."
"_Pshaw!_ Misschieten een onmogelijkheid. Ieder goed Westman kan dat
evengoed als ik. Maar gij ziet welk een groot voordeel een bekende
krijgsnaam geeft. Ware de mijne niet zoo heinde en verre verspreid,
dan zou het stellig tot een gevecht gekomen zijn."
"Waarin gij het onderspit hadt moeten delven."
"Zoo, denkt gij dàt?" vroeg Old Firehand, terwijl er een niets
naar trots zweemend lachje van zelfvertrouwen om zijn lippen
speelde. "Zoolang ze maar met messen komen, ben ik volstrekt niet
bang. Ik zou mij stellig wel staande hebben weten te houden, totdat
uw bemanning kwam opdagen tot ontzet."
"Daaraan zou het zeer zeker niet ontbroken hebben. Maar wat moet ik nu
met die schavuiten-bende aanvangen? Ik ben heer en meester en rechter
hier aan boord. Wil ik hen in boeien slaan en aan de rechterlijke
macht overleveren?"
"Neen."
"Of wil ik hen aan land zetten?"
"Ook niet."
"Maar gestraft dienen zij toch te worden."
"Ik raad u, die gedachte geheel uit uw hoofd te zetten. Dit is toch
niet voor de laatste maal, dat gij met uw boot deze reis maakt?"
"Ik hoop van neen! Ik hoop nog jaren lang den ouden Arkansas op en
af te varen.
"Welnu, wees dan zoo wijs, niet de wraakzucht van die lieden gaande
te maken. Dat zou bepaald noodlottig voor u worden. Zij zijn in
staat om zich ergens aan den oever van de rivier te gaan nestelen,
en u een poets te bakken, die u niet slechts uw schip, maar ook uw
leven kon kosten."
"Dat moesten zij eens probeeren!"
"Dat zouden zij stellig! Overigens zou dat voor hen volstrekt geen
waagstuk zijn; zij zouden alles heimelijk doen, en het wel zoo weten
aan te leggen, dat er nooit een haan naar kraaien zou."
Op dit oogenblik werd Old Firehand den zwartbaard gewaar, die
naderbij was gekomen, doch op een korten afstand was blijven staan,
met de oogen bescheiden, doch onafgewend, op den jager gericht, vol
zichtbaar verlangen om met hem in aanraking te komen. Old Firehand
ging naar hem toe, en vroeg: "Wenscht gij mij te spreken, sir? Kan
ik u in een of ander opzicht genoegen doen?"
"Ja, een zeer groot genoegen," antwoordde de Duitscher.
"En dat is?"
"Vergun mij, u de hand te drukken, sir! Dat is alles wat ik u
verzoek. Als gij mij die eer toestaat, zal ik tevreden van u weggaan,
en u niet meer lastig vallen. Maar aan dat oogenblik zal ik met
blijdschap denken, zoolang als ik leef."
Men zag aan zijn open blik, en hoorde aan den toon van zijn stem,
dat die woorden werkelijk uit zijn hart kwamen. Old Firehand stak hem
de rechterhand toe, en vroeg: "Hoe ver wilt gij met deze boot varen?"
"Met deze boot? Slechts tot Fort Gibsen."
"Dat is toch nog een goed eind."
"O, ik moest eigenlijk nog verder. Maar ik vrees, dat gij, de beroemde
man, die nog nooit het onderspit heeft gedolven, mij voor een bangerd
aanziet."
"Waarom?"
"Omdat ik den dronk van dien zoogenaamden kornel aangenomen heb."
"O neen. Ik kan u niet genoeg lof toezwaaien, dat gij zoo verstandig
hebt gehandeld. Maar toen hij vervolgens den Indsman sloeg, nam ik
mij voor, hem daarvoor een behoorlijk lesje te geven, zooals ik dan
ook gedaan heb."
"Het is te hopen, dat het hem tot waarschuwing zal strekken. Trouwens,
als gij hem zóó geraakt hebt, dat hij er een stijven vinger van houdt,
is het met hem als Westman gedaan. Maar wat ik van den Roodhuid moet
denken, weet ik niet."
"Hoe zoo?"
"Hij heeft zich gedragen als een echte lafaard, en toch, hij scheen
volstrekt niet geschrikt, toen het brullen van den panter iedereen
met angst vervulde. Dat kan ik maar niet met elkander rijmen."
"O, dat zal ik u gemakkelijk oplossen. Niets is eenvoudiger."
"Kent gij dan den Indiaan?"
"Neen, gezien had ik hem vroeger nooit, maar des te meer had ik van
hem gehoord."
"Ook ik heb zijn naam gehoord, toen hij dien uitsprak. Het is een
woord, goed om van iemands tong het onmogelijke te vergen."
"Omdat hij zich van zijn moedertaal bediende, ten einde den kornel niet
te laten merken met wien hij te doen had. Zijn naam is Nientropan-hawi,
zijn zoon heet Nientropan-homosj; dat wil zeggen: de groote beer en
de kleine beer."
"Is het mogelijk! Van dien vader en van dien zoon heb ik inderdaad
reeds dikwijls gehoord. De Tonkawa zijn ontaard. Maar deze twee
Nientropan hebben de krijgszuchtigheid van hun voorvaderen geërfd,
en dolen in het gebergte en in de prairie rond."
"Ja, het zijn twee kerels van stavast. En nu zult gij waarschijnlijk
wel begrijpen, dat zij niet uit lafhartigheid den kornel niet
geantwoord hebben, zooals hij eigenlijk verdiend had."
"Een andere Indsman had den kerel dadelijk het licht uitgeblazen."
"Misschien. Maar hebt gij niet opgemerkt, dat de zoon dadelijk
onder zijn kleeding naar het mes of den tomahawk greep? Doch toen
hij het onbeweeglijke gezicht van zijn vader zag, bedwong hij zich
en zag hij er van af dien klap dadelijk te wreken. Ik zeg u, bij
die Indsmen is een vluchtige blik voldoende, waar bij ons blanken
menigmaal een lange omhaal van woorden noodig is. Van het oogenblik
af, toen de kornel den Indiaan in zijn aangezicht sloeg, is zijn
dood een besloten zaak. De twee 'beren' zullen zijn spoor volgen,
totdat zij hem het licht uitgeblazen hebben. Maar wat ik zeggen wil,
gij hebt hem uw naam genoemd, dien ik dadelijk als een Duitschen naam
herkende. Wij zijn dus landslieden."
"He, sir! Zijt gij ook een Duitscher?" vroeg Grosser verwonderd.
"O ja, mijn ware naam is Winter. Ook ik vaar nog een goed eind weegs
met deze boot mee, zoodat wij nog gelegenheid genoeg zullen hebben
om wat langer met elkander te praten."
"Als gij u daartoe verwaardigen wilt, sir! Zal het mij de grootste
denkbare eer zijn."
"Geen plichtplegingen, asjeblieft. Ik ben niets meer, dan gij zijt--een
Westman, anders niet."
"Ja, maar een generaal is óók niets meer dan een recruut--namelijk:
soldaat."
"Wilt gij u werkelijk bij een recruut vergelijken? Dan zijt gij
stellig pas sedert kort in het Westen."
"Nu," hernam de zwartbaard op bescheiden toon, "toch reeds een aardig
poosje. Ik heet Thomas Grosser. Den familienaam laten ze hier weg, en
van Thomas maken ze bij verkorting Tom; en omdat ik zulk een zwaren,
zwarten baard draag, noemen ze mij Zwarte Tom."
"He! Wat zegt gij?" riep Old Firehand uit. "Zijt gij Zwarte Tom,
de beroemde _rafter_ (= houtvlotter)?"
"Tom heet ik, rafter ben ik; maar of ik beroemd ben, dat betwijfel ik."
"Dat zijt gij, sir! dat zijt gij--daar geef ik u mijn hand op!"
"Spreek asjeblieft wat zachter, sir!" waarschuwde Tom. "De kornel
daar moet mijn naam niet hooren."
"Waarom niet?"
"Omdat hij mij daaraan herkennen zou."
"Hebt gij dan al eens met hem te doen gehad?"
"Een beetje dat zal ik u straks wel vertellen. Kent _gij_ hem niet?"
"Ik zie hem vandaag voor het eerst."
"Nu, bekijk dan zijn baard eens goed, en zijn roode haar; en verneem
bovendien, dat zijn naam Brinkley is."
"Wat zegt ge! Dus is hij die roode Brinkley, die over de honderd
schanddaden bedreven heeft, zonder dat men er hem één heeft kunnen
bewijzen."
"Dezelfde, sir! Ik heb hem herkend."
"Dan zal ik hem, als hij langer aan boord blijft, wat scherper op de
vingers kijken. En u moet ik nader leeren kennen. Gij zijt de man,
die mij past. Als gij u nog niet elders verbonden hebt, zou ik u
kunnen gebruiken."
"Nu," hernam Tom, als iemand die nadenkt, de oogen neerslaande, "de
eer, bij _u_ te kunnen zijn, is mij meer waard dan al het andere. Ik
heb wel een overeenkomst met andere rafters aangegaan; zij hebben
mij zelfs tot hun aanvoerder gekozen; maar als gij mij den tijd kunt
laten, om hen er van in kennis te stellen, zal ik mij wel van hen af
weten te maken."
"Goed! Dan moet gij een kajuitplaats nemen, opdat wij bij elkander
kunnen zijn. Wat gij daarvoor bij te passen hebt, zal ik u gaarne
vergoeden."
"Daarvoor zal ik u bedanken, sir! Wij rafters verdienen, als wij
vlijtig zijn, zeer veel geld; en op dit oogenblik heb ik juist al
mijn zakken vol, want ik kom van Vicksburg aan de beneden-rivier,
waar ik onze rekeningen geïncasseerd heb. Ik kan dus de kajuitplaats
zeer goed zelf betalen. Maar zie eens! Ik geloof dat de voorstelling
met den panter op het punt is om te beginnen."
De menagerie-eigenaar had van kisten en pakken verscheidene zitplaatsen
gefabriceerd, en noodigde nu met een hoogdravende toespraak het geëerde
publiek uit om plaats te nemen. Dat geschiedde. Het scheepsvolk,
voor zoover het niet aan het werk behoefde te zijn, mocht gratis het
schouwspel bijwonen. De kornel kwam met zijn volgelingen niet kijken;
hij had den lust daartoe verloren.
De twee Indianen waren niet uitgenoodigd geworden, om ook aan de
voorstelling deel te nemen. Twee Indsmannen in gezelschap te brengen
bij ladies en gentlemen, die een dollar per persoon betaald hadden,
daaraan had de eigenaar van het dier zich niet willen schuldig
maken. Zij stonden dus op een tamelijken afstand, en schenen dus
volstrekt niet nieuwsgierig, zoo min naar de ijzeren dierenkooi als
naar de groep toeschouwers, ofschoon er intusschen aan hun scherpe
schuinsche blikken niets hoegenaamd ontging van alles wat er voorviel.
Nu zaten de toeschouwers voor de nog gesloten houten kast. De
meesten hunner hadden geen juist begrip van een zwarten panter. De
tot het kattengeslacht behoorende roofdieren der Nieuwe Wereld zijn
aanmerkelijk kleiner en minder gevaarlijk dan die der Oude Wereld. Een
Gaucho, bij voorbeeld, vangt den jaguar, die Amerikaansche tijger
genoemd wordt, met de lasso, en sleept hem achter zich voort. Eer hij
dat met den Bengaalschen koningstijger probeerde, zou hij zich eerst
wel tweemaal bedenken. En de Amerikaansche leeuw, dat is de poema,
gaat voor den mensch op de vlucht, zelfs al kwelt hem de honger. De
panter, nu, wordt beschreven als aanmerkelijk kleiner dan de leeuw en
de tijger; en daar de toeschouwers bij die twee namen aan den poema
en den jaguar dachten, verbeeldden de meesten zich een roofdier
te zullen zien van ongeveer een halven meter hoogte, en nagenoeg
dezelfde lengte en breedte. Niet gering was dan ook hun bevreemding,
toen het voorgedeelte van het houten omkleedsel van de ijzeren kooi
werd verwijderd, en zij den zwarten panter aanschouwden.
Hij had van Nieuw-Orleans af in den donker gelegen; slechts des nachts
had men de kast geopend. Nu zag hij voor het eerst weer het daglicht,
en dat verblindde hem aanvankelijk. Hij deed zijn oogen weder dicht,
en bleef lang uitgestrekt liggen, zoo lang als zijn kooi was. Toen
knipte hij eenige keeren met zijn oogen en werd zoodoende de voor hem
zittende menigte menschen gewaar. Met de snelheid eener gedachte sprong
hij overeind, en hief een gebrul aan, dat de meeste toeschouwers met
schrik vervulde en achteruit deed schuiven.
Ja, het was een volwassen, pracht-exemplaar, stellig een meter hoog,
en zonder zijn staart, tweemaal zoo lang. Met de klauwen van zijn
voorpooten greep hij de ijzeren staven van zijn kooi, en schudde
die met zooveel kracht, dat de houten kast er door in beweging
kwam. Daarbij liet hij zijn schrik-aanjagende tanden zien. Zijn
donkere kleur verhoogde slechts den indruk, dien hij maakte.
"Ja, myladies en gentlemen!" sprak de menagerie-eigenaar op
verklarenden toon; "de zwarte basterdsoort van den panter behoort
eigenlijk thuis op de Soenda-eilanden. Doch die dieren zijn klein. De
echte zwarte panter, die overigens zeer zeldzaam is, wordt in
Noord-Afrika, aan de grens der Sahara-woestijn gevonden. Hij is even
sterk als de Leeuw en veel gevaarlijker, en kan een volwassen rund
in zijn bek wegdragen. Welke kracht hij in zijn gebit heeft zal u
overigens spoedig blijken, zoodra de voedering begint."
De dierentemmer kwam met de helft van een geslacht schaap aandragen,
en legde dit voor de ijzeren kooi neder. Toen de panter het vleesch
rook en zag, stelde hij zich aan als dronken van bloeddorst. Hij sprong
heen en weer in zijn kooi, en brieschte en brulde zoo huiveringwekkend,
dat verscheidenen der toeschouwers nog meer achteruitdeinsden.
Een bij de machine der boot werkzame neger had zijn nieuwsgierigheid
niet kunnen bedwingen en was naderbij geslopen. De kapitein werd
hem gewaar en gebood hem, om oogenblikkelijk weer aan zijn werk te
gaan. Toen de zwarte niet terstond gehoorzaamde, greep de kapitein
een voor de hand liggend eind touw, en gaf hem daarmee eenige
slagen. Nu maakte de getuchtigde zich snel uit de voeten; doch aan
het luik, waardoor hij in het machineruim moest afdalen, bleef hij
even stilstaan; en ziende, dat de kapitein met zijn rug naar hem toe
stond, maakte hij met zijn opgeheven vuisten een dreigende beweging
tegen hem. Daar de toeschouwers op dit moment slechts oogen hadden
voor den panter, werd dat door niet een hunner gezien. Maar het werd
opgemerkt door den kornel, die dadelijk tegen zijn makkers fluisterde:
"Die neger schijnt het land aan den kapitein te hebben. Daar zullen wij
misschien partij van kunnen trekken. Wij moeten eens met hem aan den
praat zien te komen. Eenige dollars doen bij zulk een zwarte wonderen."
Thans schoof de dierentemmer het vleesch tusschen de ijzeren staven van
de kooi door, liet zijn blik vluchtig over de aanwezige toeschouwers
gaan, en zei toen fluisterend iets tegen zijn patroon. Deze schudde
bedenkelijk het hoofd; doch de andere liet niet af, en scheen
de bezwaren van den menagerie-eigenaar te wederleggen, totdat die
eindelijk toestemmend met het hoofd knikte, en daarop de voor de kooi
zittenden en staanden aldus aansprak: "Myladies en messieurs! ik moet
u zeggen, dat gij een zeldzaam geluk hebt. Een getemde zwarte panter is
nog nooit gezien, althans niet hier in de Vereenigde Staten. Gedurende
de drie weken, die ik in Nieuw-Orleans heb doorgebracht, heeft mijn
dierentemmer den panter in de leer genomen; en hij verklaart zich
bereid, om thans, voor de eerste maal in het publiek, bij den panter
in de kooi te gaan en naast dat gevaarlijke dier te gaan zitten,
indien hem daarvoor een behoorlijke belooning wordt toegezegd."
De dierentemmer was een buitengewoon forschgebouwde man, met een
uitdrukking van zeldzame geestkracht in zijn gelaatstrekken. Hij
was overigens van het welgelukken van zijn waagstuk volkomen zeker,
dat was duidelijk aan hem te zien.
De panter was intusschen aan zijn maaltijd begonnen; de beenderen van
het schaap vermorzelde hij tusschen zijn tanden, als waren het zachte
beschuitsbollen. Hij scheen zóó uitsluitend met zijn pruimerij bezig,
dat zelfs verscheidene toeschouwers, die natuurlijk zonder kennis van
zaken oordeelden, toen zij hem daar zagen smullen, van oordeel waren,
dat er, zoolang hij daar iets te bikken had, niet veel gevaar in stak,
bij hem in de kooi te gaan.
Niemand anders dan het manneke, dat kort te voren het beangst
van allen geweest was, namelijk de kleine geleerde met den bril,
antwoordde vol geestdrift: "Dat zou prachtig wezen, sir! Een kloek
bedrijf, waarvoor ieder, die op onverschrokkenheid prijs stelt, wel
iets over zal hebben. Hoeveel verlangt de temmer voor dat stoute stuk?"
"Honderd dollars!"
"Hum! Dat is toch wel een beetje veel, vindt ge niet?"
"Neen, sir! het is veel te weinig. Het gevaar, waaraan de man zich
blootstelt, is niet gering, daar hij het dier pas half meester is."
"Zoo! Welnu, ik ben niet rijk. Maar vijf dollar zal ik gaarne
bijdragen." En zich tot de toeschouwers wendende: "Messieurs! wie
draagt ook iets bij?"
Er meldden zich zoo vele liefhebbers aan, dat het genoemde bedrag
gemakkelijk bijeen zou komen. Men had nu eenmaal A gezegd; en nu wilde
men ook het schouwspel genieten tot het einde. Zelfs de kapitein werd
er warm door, en wilde weddenschappen aangaan, dat de temmer het er
niet goed afbrengen zou.
"Doe geen verkeerde dingen, sir!" waarschuwde Old Firehand. "Ik bid
u laat dat waagstuk niet toe. Juist omdat de man het dier nog niet
geheel meester is, rust op u de verplichting, het te beletten."
"Op mij?" lachte de kapitein. "_Pshaw!_ Ben _ik_ dan de vader, of
de moeder van den temmer? Heb ik hem bevelen te geven? Hier in dit
land heeft iedereen het recht, om met zijn leven te koop te loopen,
juist op de manier, die hij zelf goedvindt. Wordt hij door den panter
opgevreten, welnu, dat is een zaak tusschen hem en den panter, daar heb
ik niets hoegenaamd mee te maken. Dus, gentlemen! ik wil om honderd
dollars wedden, dat de man er niet zoo heelhuids uit zal komen als
hij er in gaat. Wie zet er honderd dollars tegen? Van alles wat door
de weddenschap gewonnen wordt, krijgt de temmer tien percent extra."
Deze toespraak werkte electriseerend. Er werden verscheidene
weddenschappen aangegaan om vrij aanzienlijke sommen, en het bleek
dat die weddenschappen, ingeval de temmer er het waagstuk werkelijk
goed afbracht, hem nog een extra-voordeel zouden opleveren van circa
driehonderd dollars.