Er vloeide een machtige stroom van kleederen en schoenen, uit Pretoria
en vooral uit Johannesburg naar de vele lagers. De Z. A. S. M. stoomde
op en af, door Britsch gebied en met Britsche kolen, waar zij dit
noodig had; maar het geroep bleef altoos: »Nog meer! Nog meer!” De
behoeften aan kleeren was onverzadigbaar. De groote winkels van
Johannesburg—vooral de verlatene—werden een na den ander geopend en
geledigd, op last der Regeeringscommissie van 't Commissariaat. Achter
valsche muren, onder valsche vloeren, boven het plafond en uit alle
mogelijke en onmogelijke bergplaatsen werden de goederen gehaald en
naar 't front gezonden. De heer Japie Cilliers, 't wakkere Hoofd der
Commissie in de goudstad groef er eens een 30,000 wollen hemden uit één
enkele schuilplek op! Alles stroomde naar de lagers, maar de lagers
hadden nooit genoeg. De Commissie werd radeloos. 't Was haar alsof zij
water in een mand droegen. 't Ging haar als de dochteren van Danaüs in
de onderwereld. Al de rivieren stroomden in de zee (van burgers), maar
de zee werd nimmer vol. Eindelijk vond men de lekkage uit: er waren
vele vroolijke kornuiten onder de burgers, die een rekbaar geweten er
op na hielden, en gedurig op verlof naar huis keerden met welbeladene
kleerenkoffers, die toevallig zeer leeg naar het front met hun eigenaars
telkenmale terugkeerden. Geen wonder dat de dam nooit vol liep: er waren
heel wat gaten in den wal. Voorwaar, menig dappere zoon des lands zal
het na den oorlog zeer moeilijk vinden, om weer hard te werken voor de
noodige contanten—voor broek en hemd, jas en stevels, kost en tabak.
Een paar aangename dagen werden door ons bij Majoor Wolmarans
doorgebracht. Hij was een onzer beste en knapste Artillerieofficiers.
Jong en sterk, zonder eenige _airs_ en inbeeldingen sliep hij op den
harden grond met zijne tentgenooten. Zonnig en gezellig van aard, werd
hij door allen bemind. Kalm en kloek in het hevigste vuur, werd hij door
onderofficieren en manschappen gerespecteerd en vertrouwd. Matig in
leefwijze, gematigd in taal, meester van zijn vak, schoon en welgevormd,
was hij een sieraad voor 't Artillerie-Corps der Zuid-Afrikaansche
Republiek. Veel hebben wij samen gesproken en besproken. De Majoor
had een helder en gezond inzicht in zake den grooten strijd, waarin
wij gewikkeld waren, en betreurde gedurig het gemis aan de noodige
samenwerking en solidariteit tusschen en onder onze burgers en
officieren. De toekomst was hem niet helder, omdat wij niet genoeg
_esprit de corps_ hadden.
Den langen kronkelenden weg naar den top van Bulwana hebben wij te paard
afgelegd. Het nam ons bijna een uur rijdens. Welk een werk voor onze
Artilleristen en burgers! Een groot span sterke ossen trok het groote
vestingkanon op dien hoogen berg. Daar er overvloed aan helder water
boven op was, kon Sir George White er gemakkelijk een onneembaar fort
opgebouwd hebben, vanwaar hij het belegeren der stad ten zeerste kon
belemmerd en onze communicaties met de Tugela bijna onmogelijk gemaakt
hebben.
Het uitzicht van Bulwana was verrassend ruim en schoon. Al de Engelsche
forten en Boerenposities waren duidelijk te zien, alsmede de stad en het
schijnbaar verlaten kamp er vlak boven liggend. De talrijke kronkelingen
van de Kliprivier konden wij met het oog gemakkelijk volgen en naar
het zuiden verhieven zich de hooge bergen en bergtoppen, die thans
zoo historisch geworden zijn, terwijl de reusachtige Drakensbergen
een prachtigen achtergrond voor de majestueuse schilderij vormden.
Naar Colenso ging het op een open »trolley” (rolwagen)! Er was geen
betere kans om daar te komen. De weg liep over steile bergpassen en
onze wielen waren _cadux_. Met een overjas en een paar blikjes vleesch
gewapend, sprongen wij op het stampende en hortende rijtuig, vrolijk als
schooljongens, die op een expeditie in het veld uit zijn. De weg—spreek
mij niet van een weg!—was niets anders dan het oude, lang vergetene,
ongebaande, ongebruikte pad der Voortrekkers, uit de dagen toen Natal
nog eene Republiek heette! Andries Pretorius, vader van den eersten
Transvaalschen President, heeft dat pad meer dan eens bereden. Maar dat
gebeurde in 1838 en 1840! Door de Kliprivier, die nog al lastig vol
kan worden, links voorbij Pieter's station, over Pieter's hoogte, door
Groblerskloof werden wij op ongenadige wijze geschommeld en gekneusd.
Later heeft de Z.A.S.M. een locomotief te Johannesburg uit elkaar
gehaald en tot aan Pieters vervoerd (geen kleine taak!), alwaar er een
goederentrein _minus_ machine door de Engelschen werd achtergelaten,
zoodat Sir George White uit zijn luchtballon op een dag met verbazing
een heele, levendige trein, door Natalsche kolen gedreven, van het
tweede spoorwegstation op den lijn van Ladysmith naar Colenso kon zien
stoomen! »_Hm_.... die domme Boeren.... zoo vuil en ongekamd ook.... met
hun vervl.... taal—wat drommel doen zij _daar_ nu weer?”—kon hij wel
dien dag tot zichzelven gezegd hebben. »Het was een aardig geval” voor
de belegerden: treinen dagelijks van het noorden tot dicht bij de stad
stoomend, en dan (gelijk sommige rivieren) verdwijnend ... en weer te
Pieters plotseling opdoemend—vol voedsel en ammunitie?
Voort gingen wij in de brandende zon. Het was een eindeloos gesukkel,
want we hadden er zes van de luiste muilen in een lui land te vinden
vóór het onbarmhartige rijtuig. Van Pietersstation af aan heeft elke
duim pads zijn eigen steen, of gat, of sloot. Het gedruisch van ons
wagentje was als dat van een pom-pom in een gevecht. Maar wat gaven
wij erom? Wij wilden Colenso en de Tugela zien! Wij kwamen de leêge
Onderbroekspruit (een naam om Quintilianus te doen verstommen!) veilig
door en reden verder tot aan het Artilleriekampje van Kapitein
Pretorius.
Binnen een uur zou de zon achter den horizon verdwijnen, maar wij waren
te ongeduldig, om daar voor den nacht te vertoeven. Naar de Tugela!
Naar de Tugela! wilden wij. De avontuurgeest had zich van ons meester
gemaakt en wij waren niet te keeren. Te voet ging het nu verder naar de
groote wagenbrug bij Colenso, een goed half uur loopens van het kampje,
om ergens in het ons onbekende Colenso een herberg voor den nacht te
zoeken. Als twee landloopers zagen we er uit. Wij wisten niets omtrent
het dorpje, waarheen wij gingen. Wij vroegen niets omtrent de positie
onzer buitenposten. Het onbekende, het onzekere, het vage verhoogde
slechts de pret.
Eindelijk zijn wij bij den breeden stroom, die er zoo statig en
onbekommerd henenvloeit, alsof er niets buitengewoons op zijne oevers
gaande was, alsof het treffendste drama van den ganschen oorlog—de
worsteling tusschen Buller en Botha—niet aan zijne zoomen zou opgevoerd
worden. Morgen zullen wij ons in de historische wateren baden, vanavond
moeten wij een herberg zoeken. Aan de overzijde der rivier kwamen een
paar Boeren ruiters ons tegen: zij waren op weg van Hlangwane-heuvel
naar hun lager. Uit een gesprek met hen bevonden wij, dat er een
Boerenvoorpost op genoemden heuvel was, maar geen enkele wacht te
Colenso of ergens anders ten zuiden der rivier. Daar Hlangwane nu in een
gelijke lijn met het Artilleriekamp van Kapitein Pretorius was, wegens
een groote noordwaarts uitschietende bocht in de rivier, waren wij wel
een mijl of drie nader aan de Engelsche voorposten dan onze medeburgers
op dien Kop gestationeerd. Dat was minder geruststellend dan interessant
voor ons, maar wij waren nu eenmaal zoo ver gekomen, dus—voorwaarts,
marsch!
Er kwam een vreemd gevoel in ons op, toen de ruiters ons »Goei'n Na'nd”
toeriepen. Wij waren alleen in een vreemd land, in een vijandig land.
Er mocht wat gebeuren vannacht in Colenso. En dan?—De coolies in het
dorpje staarden ons verbaasd aan, terwijl zij ons den weg naar het
station aanwezen, waar wij eene kamer hoopten te vinden. Het huis
van den chef was heel schoon van buiten, maar van binnen—zoo als
gewoonlijk—tamelijk gespeend op het punt van meubelen. Een dubbele
bedstede, zonder matras, kon ons echter voor éénen nacht wel dienen; in
de keuken maakten wij koffie (van de coolies gekocht), en met een paar
stukjes vleesch in de maag begaven wij ons ter ruste. Eene geur van
_jodoform_ vervulde het gansche huis, dat blijkbaar als hospitaal kort
te voren gediend had, en onze eetlust werd daardoor niet verbeterd.
Gelukkig hadden wij een fleschje eerste klas »Scotch” meegebracht, dat
veel kwaads bedekte—en 't was alles zoo romantisch, zoo nieuw, zoo
origineel, zoo avontuurlijk, dat....
»Maar! Als de Engelschen eens vannacht op ons afkwamen?”—opperde mijn
vriend. »Of als de Coolies het in den zin krijgen, om ons te komen
vermoorden?”
Ik _gevoelde_ mij inwendig alles behalve op mijn gemak, maar was mijn
Dundee- en Pepworth-les niet vergeten. Grootpraten is de helft der
Victorie! Dus:
»Gunst! man! bent je gek? Niemand zal ons vannacht plagen. Geloof mij.
_Ik_ verzeker het je.”
Alzoo bezwoer ik de booze geesten der verbeelding in mijn vriend en
(onder ons, lezer) in mijzelven. Wij keken tusschenbij, echter, zoo
ongemerkt door het venster onzer kamer, die direct naar het zuiden zag,
waar de Engelschen waren.
»Maar, veronderstel eens dat er gevaar komt”, vervolgde hij, »wat
zullen wij doen?”
»Al langs den spoorweg hard loopen en op de eene of andere wijze door de
rivier zien te komen. Dat 's het minste!”
Ik wist er niets vanaf, maar volgde het voorbeeld van alle goede
Generaals, die steeds veel meer gesteld zijn op den _moed_ hunner
troepen, dan—wel, laat mij het maar uitspreken—dan op de _waarheid_.
En waarom niet? Een goed Generaal wil den naderenden slag winnen,
niet waar? Wel, als de naakte waarheid den moed zijner manschappen zal
doen zinken, is de onderdrukking ervan dan niet de beste politiek
om te volgen? Kan een verstandige Generaal zijne manschappen in zijn
vertrouwen nemen? Moet hij niet soms de waarheid vermijden, om een
nederlaag te voorkomen? Ja, zijn er niet oogenblikken denkbaar, wanneer
een verhaal omtrent eene overwinning, _die bloot op de verbeelding
gegrond is_, noodzakelijk mocht zijn? We zeggen het niet: we vragen het
maar!
Wat is de mensch toch een zonderling wezen! Zoo groot en toch zoo klein.
De verbeelding, bijvoorbeeld, is een van de heerlijkste schatten zijns
geestes. Zonder verbeelding is godsdienst of kunst mogelijk, noch
begrijpelijk. Zonder verbeelding is de taal denkbaar, noch bruikbaar.
Diezelfde verbeeldingskracht, echter, maakt ons soms tot de grootste
lafaards en de ellendigste aller schepselen. De groote Napoleon kende
de onmetelijke macht der verbeelding. Welke edele rol liet _hij_ de
verbeelding onder zijne troepen niet spelen! »Uit niets” moet een goed
Commandant gedurig »eene wereld” scheppen. Zoo lang zijne manschappen
met een geest van geloof en moed bezield zijn—_al zijn al de feiten
tegen het behoud van zoodanigen geest_—kunnen zij wonderen van
dapperheid en volharding verrichten. Zoodra die geest verdwijnt
(al zijn de feiten ook er voor), valt zijn leger, bij den minsten
tegenstand, in duigen. Geen wonder dus, dat er in oorlogstijden allerlei
leugens—moedgevende, patriotische, schoone, bezielende leugens!—de
ronde doen. Geen wonder, dat er ook wel schijnoverwinningen gefabriceerd
worden om werkelijke zegepralen voor te bereiden. Het ὁι πολλοι, het
gewone volk, dat vecht, _moet_ van overwinningen en hoopvolle
gebeurtenissen hooren, anders verdwijnt de moed, de vechtgeest. Wat nu
gedaan, als er geen gunstige feiten zijn? Ze moeten uit niets getooverd
worden! 't Is pijnlijk, vernederend, onzedelijk, verachtelijk.... maar
gebeurt het niet overal en altoos, waar er met wisselend fortuin wordt
oorlog gevoerd? We vragen het maar: we zeggen het niet!
Met die filosofische paradoxen heb ik, echter, mijn vriend dien avond
niet lastig gevallen. Natuurlijk niet. Ook vraag ik den lezer, en
bij name alle deskundigen op krijgsgebied om verschooning voor deze
afwijking over zaken, die eigenlijk niet in mijn kader passen. Wat
verstaat een gewone burger, een leek op oorlogsgebied, van zulke diepe
dingen?
Wat er van ons dien nacht geworden is?—Wij werden wel degelijk
aangevallen! Onze bestormers waren geducht en hardnekkig ook. Hun getal
was legio. Ook waren zij geen bloote scheppingen der verbeelding, lezer.
O neen! Ze waren levende, koppige wezens, die ons geen rust gaven. Lang
hielden wij den strijd vol. Eindelijk moesten wij zwichten. De overmacht
was te groot, de strijd te ongelijk—even als het later met de Federalen
in 't algemeen het geval was. Moedeloos, verslagen, gedemoraliseerd, vol
puisten en pijnen, lagen wij er onder het bed op den harden vloer—ons
laatste wanhopige manoevre, die door een flank beweging van beide kanten
verijdeld werd—want geen sterveling kan het tegen de moskieten der
Tugela des zomers volhouden.
Wij sliepen niet. Wij spraken niet. Wij lagen er eenvoudig—elkeen zijn
eigen toorn, »zijn eigen rook—à la Thomas Carlyle—slikkend”.
Vroeg den volgenden morgen verlieten wij het onherbergzame huis, om de
groote spoorwegbrug, die pas door dynamiet vernield was, te zien en te
teekenen, en ook (_sotto voce_, lezer) om een weinig nader aan onze
menschen te zijn, want wij wisten niet wat er elk oogenblik mocht
gebeuren. Vandaar ging het langs de rivier op naar de wagenbrug, om er
een heerlijk bad te nemen, en toen retireerden wij naar de tent van
Kapitein Pretorius. Hij wordt als de »beste schutter” met het kanon
onder onze Artillerieofficieren gerekend. Wat hij onder schot krijgt is
»er bij”. Hij is onze »fancy shot”—zoo als Luit. Mike du Toit mij eens
zei. Schraal en slank van postuur, met fijn gesneden gelaatstrekken, en
een soort van franschen bokkebaard, ziet hij er nogal aristocratisch
uit. In den omgang is hij stil—toch aangenaam; een man van daden, niet
van woorden; steeds op den achtergrond staande, maar _nolens volens_ op
den voorgrond tredend. Zijn solied karakter, zijn moed en onmiskenbare
talenten wonnen hem spoedig de bewondering der burgers in 't algemeen en
het vertrouwen van Generaal Louis Botha in 't bijzonder. Zoek hem met
zijn onfeilbare vuurmonden steeds in de nabijheid van gemelden Generaal.
Destijds had hij er twee Creusot's en een Howitzer en Pom-pom onder
zijne zorg. Daar zat de jonge Transvaler, doodbedaard en kalm, met
ijzeren zenuwen, de geduchten Buller met zijn 30 Veldstukken en niet
minder dan 16 Scheepskanonnen bij de beroemde »rooikopjes” boven Colenso
aftewachten. Hoe Pretorius zijn werk op den 15den December verricht
heeft, is aan de gansche wereld bekend. Op dien dag, echter, was er ook
nog een Creusot veldkanon op onzen rechtervleugel en een tweede achter
ons centrum geplaatst, terwijl de onzichtbare Mausers eigenlijk den
bestormers het grootste kwaad aandeden.
Misschien is deze de plaats, om eens voor altoos te verklaren: dat al
dat praten over _vreemde officieren_ onder onze Artilleristen puur
onzin is. Wij hadden eenige Duitsche onderofficieren, zoo als de Tweede
Luitenants Groothaus en Oelofse bijvoorbeeld, maar die waren al jaren
vóór den strijd in onzen dienst, en zullen de laatsten zijn, om te
zeggen, dat zij onze Majoors en Kapiteins en Luitenants hebben leeren
schieten. Onze beste Artillerieofficieren waren ontegenzeggelijk geboren
Transvalers (uitgesloten Majoor Albrecht, die den Vrijstaat onschatbare
diensten bewezen heeft en bij »de twee Rivieren” vooral uitmuntend werk
deed). Kapitein Schiel heeft niets met de kanonnen te Elandslaagte
te doen gehad; de Villebois stond eenvoudig met bewondering bij Colenso
toe te kijken, hoe onze burgers en Artilleristen zich van hun
respectieve taken kweten; de heer Léon stelde slechts de Long Toms op
hun »platforms,” en zelfs Majoor Albrecht was ruim twintig jaar in den
Vrijstaatschen dienst, eer de ongelukkige oorlog begon. Al het schieten
met de kanonnen, overal en in elken slag, was het werk van de gewone,
bekende leden van de Artillerie Corps (meestal jonge boerenzoons) der
twee kleine Republieken. Er is zelfs iets ironisch in die bijtende
aanmerkingen in Engelsche bladen en boeken, omtrent de hulp door
Europeesche, vooral Duitsche en Fransche Artillerieofficieren aan
ons betoond. Hadden wij liever wat meer notitie van die Europeesche
deskundigen genomen! De Boer denkt temin van den zoo genaamde
deskundigen! Hunne raad werd zelden gevraagd, en, indien gegeven,
bitter weinig opgevolgd. _Tot ons schade en nadeel—zagen onze
Officieren die Europeanen gewoonlijk over het hoofd._
Gehoord hebbende dat mijn oude vrienden van het Ermelo-commando, op
onzen rechtervleugel aan de Tugela lagen, stapten wij daarheen in de
brandende hitte van dien zomerschen dag. 't Was eene wandeling van
goed drie kwart uur, maar wij werden beloond door volop kost en een
hartelijke ontvangst. Commandant Grobler gaf ons wat koffie en
beschuit—of wij niet honger dien dag hadden!—en de heer Tobias Smuts
was ons tot gastheer voor de weinige dagen, die wij daar mochten
doorbrengen.
Dienzelfden avond nog vond er een _impromptu_, publieke vergadering, in
het Ermelo-kamp plaats. Generaal Daniel Erasmus was van het Hoofdlager
bij Ladysmith met een telegram van Generaal Joubert—toen op een ziekbed
te Volksrust—overgekomen en Generaal Prinsloo vergezelde hem. Het
geschiedde alles bij het licht der sterren en zonder eenige formaliteit.
Men hoorde een geroep van: »Vergadering! Burgers!” en die lust had,
ging naar de plaats, waar er een klein klompje reeds bijeengekomen was.
Het klompje wies aan tot een vrij groot heir, en Generaal Erasmus nam
het woord. De voornaamste punten waarop de Commandant-Generaal in
zijn boodschap aan de burgers wees, waren: (_a_) de aanstelling van
mannen als de burgers Fourie en Tobias Smuts—die later beiden tot
Vecht-Generaals verhoogd werden—en andere geschikte burgers, ter
assistentie der Generaals in 't gevecht, en (_b_) de keuze van een
korporaal door elk klompje van vijfentwintig (min of meer) burgers van
elk veldkornetschap, die als voorman van die kleine afdeeling in den
strijd kon optreden. Alzoo werd de Boer allengskens wijzer, terwijl hij
oorlog voerde, en kwam er langzamerhand orde en regel onder onze losse
en onsamenhangende gelederen.
Generaal Prinsloo sprak ook een kort woord, dat nog al puntig en
krachtig klonk. Hij was een korte, breede, gezette man, min of meer van
hetzelfde postuur als Generaal Joubert en Generaal Cronjé—een typische
patriarchale »vader in Israël”, zeer vroom en uiterst eenvoudig. Hij had
echter noch het brein van een Joubert, noch het vuur van een Cronjé.
Niemand echter, zou in die eerste dagen zulk een pijnlijk aftreden van
't oorlogstooneel als te Fouriesburg (onzaliger nagedachtenisse!) in
_hem_ hebben tegemoet gezien!
De heer Tobias Smuts was in vele opzichten het tegenovergestelde van al
de andere Boerenofficieren. Hij was kort en daarbij schraal, klein en
fijngevormd; blond van kleur als Piet de Wet en voorzien van dezelfde
azuren oogen. Daarbij echter was hij een man, die een degelijke
opvoeding had genoten—te Stellenbosch en elders—en zich zeer goed
in beide, 't Hollandsch en 't Engelsch, kon uitdrukken. Aan zijne
persoonlijke dapperheid twijfelde niemand, aan zijne voorzichtigheid,
zijn beleid en zijne helderheid van geest nog minder; maar de
magnetische persoonlijkheid van Generaal Botha had hij niet. Uit zijne
pen hebben wij een verslag van het Colenso-gevecht ontvangen, dat later
in dit werk zal opgenomen worden. Van hem ontving ik ook een »Leven van
Washington” in 't Engelsch, dat ergens op den tocht om Estcourt werd
opgeraapt en mij en anderen later veel troost verschafte. De naam van
Generaal Louis Botha was toen reeds op aller lippen. Jong als hij
was (tusschen 35 en 40), werd hij door oud en jong bemind en geacht.
Ongelukkig vonden wij hem niet in zijne tent—zoowat een half uur
te paard van 't Ermelo-lager—toen wij hem den volgenden dag gingen
bezoeken. Hij was druk bezig persoonlijk het terrein te bezoeken en te
onderzoeken, en zich alzoo voor den grooten schok van het zuiden klaar
te maken. Sterk en gezond, werkte hij in die dagen reeds zooals weinige
Generaals het hem kon nadoen. Daar hij nog jong en onervaren was,
ging hij steeds met zijn oudere wapenbroeders te rade. Ootmoedig en
bescheiden van aard, raadpleegde hij mannen als Generaal Burger, Colonel
Trichard en Generaal Daniel Erasmus, in verband met de door ons op te
nemen stellingen te Colenso. Mogelijk is het aan dit ééne feit vooral
te wijten, dat hij zelfs door zijne medeofficieren geacht en bemind
werd. Alle jaloezie en naijver en achterdocht smolten weg voor zijn
hartelijke, nederige, eerbiedige houding jegens zijn medegeneraals.
Generaal Botha heeft wonderen in den oorlog verricht: dit laatste is,
onzes erachtens, niet het kleinste!
Ver naar het zuiden, rechts van Frère-station kon men in die eerste
dagen van December met een goed _Zeiss_ veldkijker de heuvelen zien,
waar Generaal Buller zijne legertrossen verzamelde. De tijd om deze
concentratie van troepen te beletten, door de communicatie met de
zee aftesnijden, was voorbij. Met vastberadenheid en moed wachtte
de Boer toen den naderenden storm af. Zijn talent voor wachten en
zelfverdediging was altoos zijn sterke zij: aan de oevers der Tugela zou
dat weêr schitterend bevestigd worden. Onze verkenners kropen 's nachts
tot na aan het vijandelijke kamp (Kapitein Ricciardi bijvoorbeeld,
een dappere Italiaan, die door Generaal Botha zeer geprezen werd),
en waren van oordeel, dat het nog eenige weken kon duren, eer er een
slag te Colenso zou plaats vinden. Dit was ongelukkig voor de twee
landloopers, om redenen die hier niet behoeven genoemd te worden, van
het Tugela-tooneel moesten verdwijnen naar Pretoria, om vandaar een
nieuwe expeditie naar Magersfontein te ondernemen.
Toen wij met leedwezen onze vrienden aldaar verlieten, waren er reeds
eenige duizenden kloeke burgers vergaderd. Generaal Andries Cronjé
(Winburg) hield ver naar het westen voorbij Trichardsdrift de wacht
op ons uitersten rechtervleugel, en dicht bij de Ermeloërs zagen wij
de lagers van Standerton, Vrijheid en Wakkerstroom; terwijl die van
Krugersdorp, Heidelberg, Zoutpansberg, en de Swazieland Politie in de
richting van den spoorweg zich uitspreidden. De tenten blonken er in de
zon bij honderdtallen—in die dagen had men reeds de tenten, te Dundee
genomen, in gebruik, alsook anderen uit Pretoria en Johannesburg
verzonden;—de zware wagens kwamen met een geweldig geruisch over het
oude bergpad aanrollen—een duidelijk teeken van het zelfvertrouwen,
dat er toen reeds in onze gelederen heerschte: een zelfvertrouwen, dat
slechts de keerzijde van vertrouwen op God bij de meesten was.