De »Platte Rand”
Van de Tugela naar den zoogenaamden Platrand ging het te voet. Per spoor
waren wij Natal binnengekomen; per rijwiel zetten wij de reis voort;
later ging het in een rolwagentje; thans volgden wij het voorbeeld der
Duitsche studenten. Met Mauser-pistool en overjas over den schouder
geworpen en een paar blikjes vleesch in den zak, verlieten wij de Tugela
vroeg op een morgen. Wij bekommerden ons over geen pad, maar peilden
recht uit in de richting van zekere hooge kopjes, die wij op onze reis
naar Colenso langs den weg hadden opgemerkt. Het waren niets minder dan
de beroemde Pieter's hoogten, die wij in 't oog hielden. Het geval
wilde, dat Commandant Christiaan Botha, broeder van Generaal Louis
Botha, de laatste man was, wien wij de hand bij de Tugela-posities
drukten. Hij stond er dicht bij zijn lager (Zoutpansberg Politie), dat
wij voorbij moesten. In postuur en gelaatstrekken gelijkt hij veel op
zijn bekenden broeder. Later werd hij tot Vecht-Generaal verkozen en
toen Buller tot aan Laing's Nek was doorgedrongen, tegen het einde van
Mei 1900, was »Chris” Botha de eenig overgeblevene Boeren-Generaal in
Natal, die hem met een paar duizend moedelooze burgers den weg trachtte
te versperren. Vriendelijk, hartelijk en opgeruimd, groette hij ons
dien vroegen morgen en dapper gedroegen hij en zijne mannen zich in het
Colenso-gevecht.
Het was geen gemakkelijke taak, de steile hellingen van Pieter's hoogten
te beklimmen. De hitte was ook bijzonder sterk en het kostte ons menige
zweetdroppel. Wij wisten toen natuurlijk niet, dat die hoogten de
laatste stellingen onzer burgers in hun geweldigen strijd tegen Buller
zouden uitmaken, en dat er meer bloeddruppelen daar dan op eenige
plaats in Natal, behalve op Spionkop zouden vallen.
Op den namiddag van 23 Februari 1900 zouden eenige Iersche regimenten
twee maal alle krachten inspannen, om deze hoogten in te nemen, maar
telkenmale met groot verlies teruggeslingerd worden. Veel, veel bloeds
werd er daar verspild. Volgens Winston Churchill, die bij Buller was,
zijn er niet minder dan 2 Kolonels, 3 Majoors, 20 andere officieren
en 600 man op dien éénen namiddag daar gedood of gewond! Ook de onzen
hebben er zwaar geleden. Ongelukkig kunnen wij geen cijfers opnoemen.
Hoort ook hoe Conan Doyle zich over dit gevecht uitlaat:
»'t Was een uitermate brillante aanval tegen een uitermate standvastige
verdediging, want de Boeren vochten nooit beter, dan zij dien dag deden.
Onder een verpletterend kanonvuur, zooals geen levende schepsels ooit
hebben doorgemaakt, stonden zij pal en ferm, snel en juist op de Ieren
schietend. De Inniskillings waggelden, sprongen voorwaarts, waggelden
nogmaals, werden door afdeelingen van de Dublins en Connaughts gesteund,
snelden weer voorwaarts, waggelden nogeens en—werden nu eindelijk
opgelost in brokjes en reepjes, die haastig terugliepen, om schuiling te
zoeken. Nooit op deze aarde is er eene terugwijking geweest, waarover
de overgeblevenen zich minder behoefden te schamen. Zij hadden tot het
uiterste toe volhard. Menschelijke kracht kon niet meer verduren. Eere
aan hen, en eere ook den dapperen Hollandschen (Afrikaanders), die zulk
een hevigen aanval hebben getrotseerd. Vandaag voor hen, morgen voor
ons—maar het past een soldaat den God des oorlogs voor waardige
vijanden te danken!”
Hier op dezen heuvel viel de vroolijke, dappere Jan Luttig van Pretoria,
een oud-leerling van 't Victoria College te Stellenbosch en jaren
lang een trouwe ambtenaar der Zuid-Afrikaansche Republiek. Toen zijn
aangenomen Staat in gevaar kwam, was hij een van de eersten, om het
geweer in de vuist te nemen. Bij het opblazen van den Howitzer op
Surprise Hill door de Engelschen, in den nacht van 12 December, had hij
een nauwe ontkoming en onderscheidde hij zich op bijzondere wijze.
»Vier Engelschmans kregen Jan Luttig beet”, schreef een zoon van den
heer F. W. Reitz, die zich ook aldaar zeer flink gedroeg,—» zij sloegen
hem op 't hoofd met hun geweren en staken hem in den buik met een
bajonet. Hij greep er twee hunner bij de keel en schreeuwde: »Help
kerels”! Zijn naaste buren schoten er twee en de andere twee gingen
er van door”. Bij deze gelegenheid sneuvelden ook de flinke Johnnie
Niemeyer en Desiré de Villiers, van Pretoria. Jan Luttig keerde terug
naar Ladysmith, na zijne wonden genezen waren, en als vrijwilliger zien
wij hem te Pieter's vechten en helaas! sneuvelen.
»Geestige, grappige vriend! uw grafheuvel is ons niet bekend, maar uw
naam is voor duizenden in Zuid-Afrika onsterfelijk. Rust in vrede!”
Welk een ontzettende kanonnen-symphonie zou er gedurende de laatste,
donkere dagen van Februari—juist nu Generaal Cronjé zich had
overgegeven!—alhier gehoord worden. De breede vlakte aan den voet
der hoogten, van hier tot ver bij Bulwana, is betrekkelijk open en
effen, bij uitnemendheid voor een flankbeweging op onzen linkervleugel
geschikt. Zulks geschiedde dan ook, eer Buller de Pietershoogten in
bezit kon krijgen. Gemakkelijk kon hij met zijn scheepskanonnen tot over
de Kliprivier schieten, want de hooge en gewichtige Hlangwane was in
zijn bezit geraakt. Men verhaalde ons later, dat de lyddiet-bommen het
werkvolk aan den reusachtigen dam in de rivier op de vlucht sloegen.
»Duizenden zakken zands, minstens 40 voet hoog boven de oppervlakte der
wateren en zoo wat 70 tot 80 voet wijd over de rivier gestapeld”—zegt
Lord Rosslyn in zijn werk »Twice Captured”—»waren het middel, waardoor
men het grootste deel eener brug over de Kliprivier bouwde. 't Was
een wonderwerk!” Het doel ervan was, om de Engelschen uit hunne
schuilhoeken in de rivierwallen enz. te verjagen. Evenals menig
ander groot en kostbaar werk in oorlogstijden, bleek het een totale
mislukking—een Sisyphus arbeid—te zijn. Even als het beleg van
Ladysmith, moest ook dat reuzenwerk gestaakt en opgegeven worden.
Toornig en brullend verliet Long Tom No. II zijn hooge stelling op
Bulwana's kruin in het holle van een donkeren nacht, terwijl de
electrische zoeklichten en gevaarlijke scheepskanonnen van Ladysmith
op Majoor Wolmarans en zijn trouwe trawanten speelden. Ook die arbeid
was tevergeefs. Al de moeite en het lijden en de offers waren op
niets uitgeloopen. O! welk een treurige nacht voor onze Generaals,
toen zij, na Ladysmith 118 dagen te hebben ingesloten, de stad in
der haast moesten verlaten. Waar was onze Frederik Hendrik—onze
»Stedenbedwinger?”
Eén ding kon die ramp hebben voorkomen: de inneming van den Platrand.
Dat wist elkeen. Daarvoor ijverde onze Staatsprocureur en de Villebois
en ook andere mannen van invloed en energie, totdat het eindelijk, op 6
Januari 1900, zoo ver kwam—dat wij den Rand _bijna_ innamen. Bijna,
maar nog niet. Bijna.... dus geheel en al niet!
Wij stapten van Pieter's naar het lager der Duitschers (ongeveer 100
man), dat het naast aan den Platrand lag, omdat wij vermoedden, dat er
vroeger of later wat groots aldaar zou gebeuren. Wij wilden in elk geval
het terrein goed in oogenschouw nemen en ook den sterken, drie mijl
langen heuvel schetsen. Wederom ging het zonder wegwijzer of gids. Wij
liepen eenvoudig voort in de richting van den Platten Rand, in de hoop
er wel vroeger of later te zullen aanlanden. Een paar Kaffers werden
op weg door ons aangetroffen, die ons van eenige hulp waren, toen wij
verdwaald raakten. Zij konden ons tenminste met den vinger wijzen in de
richting, waar er Boerenlagers waren. Treffend was het ons een ploeg op
een stuk land door een os te zien trekken, onder toezicht van een paar
Kaffers. Nuttige arbeid te midden van een onnoodigen, verwoestenden
oorlog: landbouw tusschen gewapende legers! Zola heeft iets dergelijks
lang voor ons in de omgeving van Sedan met het oog der verbeelding
gezien, zooals de lezers van zijn »Débâcle” zich herinneren zullen.
Geheel en al uitgeput kwamen wij tegen één uur dien dag bij de gastvrije
tenten der Duitschers aan. De afstand van de Tugela naar het Duitsche
lager wordt op twaalf of dertien mijl geschat, maar wij kenden den
korsten weg niet en liepen eenvoudig »achter onzen neus aan”, zoo als
men het noemt. Commandant von Quitzow en zijn opvolger Commandant Krantz
behandelden ons beiden zeer vriendelijk. Wij waren hongerig, en wij
kregen overvloedig te eten; dorstig, en men gaf ons genoeg te drinken.
Een paar flesschen Duitsch bier, die wij met den heer Schmitz-Dumont in
diens tent ontkurkt hebben, bleven ons in aangename herinnering, vooral
toen de treurmare tot ons te Magersfontein de volgende maand doordrong:
dat ook hij te Spionkop gevallen was! Luitenant Groothaus deelde zijn
tent met mij en dikwijls bespraken wij de toestanden om Ladysmith met
elkaar. Hij liet zich natuurlijk sterk uit over het fiasco, in een
vroeger hoofdstuk beschreven, en ging met ons zoo na als mogelijk aan
de Britsche posities, om ons het een en ander duidelijk te doen zien.
Het was, terwijl wij door onze veldkijkers de menigte forten en fortjes,
sangars en schansen te Caesar's Kamp en Wagen Heuvel bekeken en
bespraken, dat het Engelsche kanon van den Heuvel een paar schoten in
onze richting loste. Geen seconde verliep er, naar het mij toescheen,
tusschen het dubbele geluid, in zulke gevallen zoo duidelijk hoorbaar:
het eerste wanneer de bom het kanon ontglipt, het tweede, wanneer hij in
uwe nabijheid tegen den grond ontploft. 't Was mij alsof een geweldige
Pom-pom twee harde schoten afvuurde. Zóó dicht bij de Engelsche
verdedigingslijn, als wij daar waren, bevonden wij ons slechts bij de
voorste posities der Pretoria-stedelingen, recht noord van de stad; maar
daar was geen grof geschut op »Observation Hill”, of wat het Engelsche
fort ook heeten moge. Er is trouwens ook slechts een breede, vruchtbare
vallei, waarin de prachtige boerenplaats van den heer Willem Bester Sr.
gelegen is, tusschen ons en Caesar's Kamp. Het woonhuis en de kraalmuren
en landerijen van mijn ouden vriend, den heer Bester voornoemd, konden
wij duidelijk onderscheiden. Twintig jaar geleden had ik het genot eene
aangename muzikale week, onder datzelfde gastvrije dak door te brengen:
thans is het huis verlaten en vliegen er Engelsche en Transvaalsche
bommen en kogels over de plaats henen. Cachet's »Worstelstrijd der
Transvalers” las ik voor het eerst daar in dat huis: thans zag ik een
nieuwen, oneindig grooteren Worstelstrijd voor Vrijheid met eigen oogen.
De eerste strijd bracht geen volkomene vrijheid: wat zou de tweede
opleveren?
_Apropos_: een onzer slachtossen, ver achter ons weidend, werd in 't
been dien dag door het kanon getroffen.
Laat ons het oog van deze hoogte wat rond werpen: links van ons, daar
onder dien hoogen kop, eenige mijlen van het Duitsche Kamp, is er
een lager. 't Is dat der Harrismithers onder hun dapperen Commandant
Cornelis de Villiers. Als jongeling, hoewel Vrijstater, nam hij aan de
bestorming van Majuba deel. Als grijsaard, hoewel nog in de volle kracht
zijns levens, zal hij aan een veel grootere onderneming op 6 Januari het
leven wagen. Boven op den top van de hoogte, bij zijn kamp, is er een
Boerenfort, waarin Long Tom No. 3 bij zijne aankomst geplaatst werd.
Spoedig echter, moest hij die gevaarlijke positie ontruimen, daar de
lyddietbommen het hem te lastig maakten. Aan de Tugela, echter, en bij
name in het gevecht tusschen de Pont- en Molendriften (Buller's _derde_
poging om door te breken), kreeg onze teleurgestelde Creusot zijne kans
om wraak te nemen. »Maar deze is een andere storie”—zoo als Kipling het
uitdrukt. Verder treffen wij de Winburgers, Heilbronners en een deel der
Kroonstadters aan, die allen tezamen met de Harrismithers op 6 Januari
de westelijke punt van den Platten Rand (Waggon Hill) zullen bestormen.
Rechts van ons zijn er de Vrijheid- en Utrecht-lagers, die, met
vrijwilligers uit de Pretoria stedelingen, de Heidelbergers en de
Lijdensburgers, de oostpunt (Caesar's Kamp) zullen bestoken.
Dat was een gevecht, zooals de oorlog er maar weinige heeft opgeleverd!
Van 4 uur in den vroegen morgen tot den avond duurde het onafgebroken
voort. De Vrijstaters verwierven zich grooten roem in den aanval en
verloren eenige voorname mannen zooals Veldkornet J. C. Cilliers van
Heilbron. De Transvalers hadden echter, volgens Conan Doyle, veel betere
versterkte posities tegenover zich dan de Vrijstaters. Gevolgelijk
kregen zij het wat zwaarder en verlieten zij het slagveld het eerst.
Long Tom No. 1 kon dien dag ongelukkig niet helpen, daar Generaal Hunter
hem en zijn zijmaat, den Howitzer, in den nacht van 9 December op Gun
Hill had vernield. Ook hij echter kreeg zijn _revanche_ te Kimberley,
waar hij onverwachts weer, als een Fenix uit de assche, te Kamfer's Dam
verrees. Van Bulwana's hoogen top deed Majoor Wolmarans wat hij kon met
Long Tom No. 2, om de twee Engelsche batterijen, die de verdediging
steunden, in haar werk te belemmeren. Volgens alle rapporten ging het er
woest en bloedig toe op den Heuvel op dien onvergetelijken dag. De
Boeren vermeesterden de helft des Heuvels; maar de Britten klemden zich
aan de andere helft zoo geducht vast, dat zij er niet van af te krijgen
waren.—»Hadden zij, zooals in de oude Majubatijden (schrijft Conan
Doyle) gevochten,—_en masse_ in gelid, bij hoopen en klompen schietend,
en zich overal aan de kogels der Boeren blootstellend—zij zouden in een
uur tijds van den Heuvel zijn afgeveegd.” De Brit had echter, ook al
oorlogende, oorlog leeren voeren! Van den Boer nam hij de kunst van
schuiling te zoeken en ook te vinden en te gebruiken over. Ook kregen de
verdedigers veel geregelder en beter en meer dan wij, de zoo noodige
versterking, die in zulke harde gevechten zoo onmisbaar zijn. In dat
opzicht viel er heel wat onzerzijds te klagen—vernam ik uit goede
bronnen. De samenwerking was nog niet, wat zij behoorde te zijn! En toch
is de Platrand dien dag bijna voor de Engelschen verloren. Meer dan eens
trilde het lot van Ladysmith op 6 Januari in de weegschaal. Getuige een
heliogram als dit, bijvoorbeeld, uit Ladysmith naar Buller verzonden:
»The attack received. Very hard pressed.” O! het was ongetwijfeld ook
voor den vijand een zware en bijna wanhopige worsteling. Het lot van de
stad stond op het spel. De val van Ladysmith zou noodwendig—volgens
deskundigen—op de inneming van den Platten Rand zijn gevolgd. En
dan?—Welk eene verandering had de oorlogsgeschiedenis niet mogelijk
ondergaan? Maar genoeg: het is niet gebeurd. De Brit vocht met moed en
de taaie Boer moest den strijd opgeven en den sleutel tot Ladysmith voor
altoos uit zijne bebloede hand laten vallen.
Opmerkelijk is het, dat tegen 4 uur in den namiddag er een geweldige
donderstorm, evenals te Elandslaagte, op de vechtenden losbrak. De
watervloed kon echter het bloedbad niet dempen. De Homerische strijd
duurde voort totdat de duisternis de aarde bedekte en de Federalen op
alle punten de wijk namen, ruim honderd dooden op 't veld latend.
Op Spionkop, geen drie weken later, zou het beter voor ons afloopen: De
Boer wordt wel ontmoedigd, maar zijn moed herleeft ook spoedig weer. Er
is pit, er is ruggegraat in hem; hij kan volharden met eene volharding,
die men zelden onder de meer beschaafde volkeren aantreft. Wij spreken
natuurlijk van het beste deel der Transvalers en Vrijstaters,—dat deel,
dat de onafhankelijkheid van land en volk liever had dan goud en gemak,
huis en akker, vrouw en kind, ja dan het leven zelf.
Toen de Harrismithers in den nacht den geduchten rand beklauterden, was
hun leeraar, Ds. J. D. Kestell, in hun midden. Hij ging meê, niet om te
vechten, maar om de gewonden te verplegen en de stervenden te troosten.
Tot bij de Engelsche _sangars_, die door onze mannen stormenderhand
werden ingenomen, volgde hij zijne gemeenteleden. Lezer! zijn geval
is typisch. Zoo waren er meer Hollandsche predikanten in den oorlog.
Hij is geene uitzondering op den regel: hij is één uit velen. Ik noem
geene namen, omdat hun getal te groot is. Groot is de achting, die de
Hollandsche Afrikaander zijn leeraar toedraagt; de oorlog heeft bewezen,
dat de meeste predikanten die achting ten volle waardig zijn. Heb ik ze
niet in regen, koude en zomerhitte bij de commando's aangetroffen? Waren
zij niet steeds vol ijver en liefde voor hun zwaar geteisterd volk?
Spraken zij niet altoos woorden van bemoediging en hoop en troost? De
eeuwigheid alleen zal openbaarmaken, hoe diep en innig en hartelijk
de band tusschen vele Hollandsche leeraren en hunne gemeenteleden op
commando geweest is, en hoe veel de arbeid en 't voorbeeld dier trouwe
herders hebben bijgedragen, om de burgers de wonderen van dapperheid en
volharding te doen verrichten, welke de wereld verbaasd hebben. Enkelen
gingen met 't geweer op den schouder; de meesten waren ongewapend; allen
waren echte patriotten en geestelijke leidslieden. Zij waren één met hun
volk: zij droegen de lasten en de belangen huns volks op 't hart, ja in
hun lichaam, het voorbeeld van een Jesaja en Jeremia, en Esra en Nehemia
volgend.
»Maar”—vraagt iemand—»wat heeft dit nu met den loop des oorlogs te
doen”? Veel mijn vriend, ontzaggelijk veel. De godsdienstoefeningen, de
krachtige preken, het voorbeeld, de geestdrift, de invloed der leeraren
werkten zeer heilzaam op het karakter der burgers en de algemeene tucht
en discipline der lagers. De meerderheid der Afrikaners hebben een
teeder hart voor den godsdienst. Zij gelooven nog in den Bijbel.
Zij respecteeren den Evangeliedienaar. Het kon niet anders, of de
tegenwoordigheid van zulke flinke mannen moest als een zuurdeesem
de commando's van ontaarding, achteruitgang en demoralisatie helpen
bewaren. De Boeren bleven alzoo zichzelven gelijk en getrouw.
De meeste burgers waren eenvoudig, ongeletterd, bijna kinderlijk van
aard. Hooge sentimenten, fijne gevoelens, eerzucht, hoogmoed en wat dies
meer zij hadden niet zoo veel vat op hun gemoed als de godsdienst had.
Of beter gezegd, de godsdienst was het kanaal, waardoor het hooge en het
edele hen bereikten. Ze zagen Gods wil in alles: in hun verleden, hunne
geschiedenis, hun nationaliteitsgevoel, hunnen vrijheidszin, hunnen
oorlog. Niets was voor de meesten hunner toevallig; alles kwam van
Boven. Natuurlijk was er ook geveinsdheid en bijgeloof onder de Boeren,
zooals onder elk volk, waar de godsdienst algemeen geëerd en gevierd
wordt. Maar het feit blijft: dat de Boeren, als volk, vroom en biddend
zijn. Zij gingen dus ten strijde als Cromwell's »Ironsides” en Gustav
Adolfs regimenten. Hunne predikanten waren hun een zichtbaar teeken van
Gods nabijheid en hulp en steun. Elk verlies, elke nederlaag was hun
slechts ter loutering en reiniging, en dus ter voorbereiding voor groote
daden in de toekomst gezonden. Vandaar hunne taaie hardnekkigheid, hun'
moed na moedeloosheid, hunne hoop na wanhoop, hunne volharding tot het
bitter einde toe. Zij geloofden letterlijk:
»Er reikt van den Hemel onzichtbaar een Hand,
Om 't lot van de menschen te meten.”