XXIII

De »Platte Rand”

Van de Tugela naar den zoogenaamden Platrand ging het te voet. Per spoor

waren wij Natal binnengekomen; per rijwiel zetten wij de reis voort;

later ging het in een rolwagentje; thans volgden wij het voorbeeld der

Duitsche studenten. Met Mauser-pistool en overjas over den schouder

geworpen en een paar blikjes vleesch in den zak, verlieten wij de Tugela

vroeg op een morgen. Wij bekommerden ons over geen pad, maar peilden

recht uit in de richting van zekere hooge kopjes, die wij op onze reis

naar Colenso langs den weg hadden opgemerkt. Het waren niets minder dan

de beroemde Pieter's hoogten, die wij in 't oog hielden. Het geval

wilde, dat Commandant Christiaan Botha, broeder van Generaal Louis

Botha, de laatste man was, wien wij de hand bij de Tugela-posities

drukten. Hij stond er dicht bij zijn lager (Zoutpansberg Politie), dat

wij voorbij moesten. In postuur en gelaatstrekken gelijkt hij veel op

zijn bekenden broeder. Later werd hij tot Vecht-Generaal verkozen en

toen Buller tot aan Laing's Nek was doorgedrongen, tegen het einde van

Mei 1900, was »Chris” Botha de eenig overgeblevene Boeren-Generaal in

Natal, die hem met een paar duizend moedelooze burgers den weg trachtte

te versperren. Vriendelijk, hartelijk en opgeruimd, groette hij ons

dien vroegen morgen en dapper gedroegen hij en zijne mannen zich in het

Colenso-gevecht.

Het was geen gemakkelijke taak, de steile hellingen van Pieter's hoogten

te beklimmen. De hitte was ook bijzonder sterk en het kostte ons menige

zweetdroppel. Wij wisten toen natuurlijk niet, dat die hoogten de

laatste stellingen onzer burgers in hun geweldigen strijd tegen Buller

zouden uitmaken, en dat er meer bloeddruppelen daar dan op eenige

plaats in Natal, behalve op Spionkop zouden vallen.

Op den namiddag van 23 Februari 1900 zouden eenige Iersche regimenten

twee maal alle krachten inspannen, om deze hoogten in te nemen, maar

telkenmale met groot verlies teruggeslingerd worden. Veel, veel bloeds

werd er daar verspild. Volgens Winston Churchill, die bij Buller was,

zijn er niet minder dan 2 Kolonels, 3 Majoors, 20 andere officieren

en 600 man op dien éénen namiddag daar gedood of gewond! Ook de onzen

hebben er zwaar geleden. Ongelukkig kunnen wij geen cijfers opnoemen.

Hoort ook hoe Conan Doyle zich over dit gevecht uitlaat:

»'t Was een uitermate brillante aanval tegen een uitermate standvastige

verdediging, want de Boeren vochten nooit beter, dan zij dien dag deden.

Onder een verpletterend kanonvuur, zooals geen levende schepsels ooit

hebben doorgemaakt, stonden zij pal en ferm, snel en juist op de Ieren

schietend. De Inniskillings waggelden, sprongen voorwaarts, waggelden

nogmaals, werden door afdeelingen van de Dublins en Connaughts gesteund,

snelden weer voorwaarts, waggelden nogeens en—werden nu eindelijk

opgelost in brokjes en reepjes, die haastig terugliepen, om schuiling te

zoeken. Nooit op deze aarde is er eene terugwijking geweest, waarover

de overgeblevenen zich minder behoefden te schamen. Zij hadden tot het

uiterste toe volhard. Menschelijke kracht kon niet meer verduren. Eere

aan hen, en eere ook den dapperen Hollandschen (Afrikaanders), die zulk

een hevigen aanval hebben getrotseerd. Vandaag voor hen, morgen voor

ons—maar het past een soldaat den God des oorlogs voor waardige

vijanden te danken!”

Hier op dezen heuvel viel de vroolijke, dappere Jan Luttig van Pretoria,

een oud-leerling van 't Victoria College te Stellenbosch en jaren

lang een trouwe ambtenaar der Zuid-Afrikaansche Republiek. Toen zijn

aangenomen Staat in gevaar kwam, was hij een van de eersten, om het

geweer in de vuist te nemen. Bij het opblazen van den Howitzer op

Surprise Hill door de Engelschen, in den nacht van 12 December, had hij

een nauwe ontkoming en onderscheidde hij zich op bijzondere wijze.

»Vier Engelschmans kregen Jan Luttig beet”, schreef een zoon van den

heer F. W. Reitz, die zich ook aldaar zeer flink gedroeg,—» zij sloegen

hem op 't hoofd met hun geweren en staken hem in den buik met een

bajonet. Hij greep er twee hunner bij de keel en schreeuwde: »Help

kerels”! Zijn naaste buren schoten er twee en de andere twee gingen

er van door”. Bij deze gelegenheid sneuvelden ook de flinke Johnnie

Niemeyer en Desiré de Villiers, van Pretoria. Jan Luttig keerde terug

naar Ladysmith, na zijne wonden genezen waren, en als vrijwilliger zien

wij hem te Pieter's vechten en helaas! sneuvelen.

»Geestige, grappige vriend! uw grafheuvel is ons niet bekend, maar uw

naam is voor duizenden in Zuid-Afrika onsterfelijk. Rust in vrede!”

Welk een ontzettende kanonnen-symphonie zou er gedurende de laatste,

donkere dagen van Februari—juist nu Generaal Cronjé zich had

overgegeven!—alhier gehoord worden. De breede vlakte aan den voet

der hoogten, van hier tot ver bij Bulwana, is betrekkelijk open en

effen, bij uitnemendheid voor een flankbeweging op onzen linkervleugel

geschikt. Zulks geschiedde dan ook, eer Buller de Pietershoogten in

bezit kon krijgen. Gemakkelijk kon hij met zijn scheepskanonnen tot over

de Kliprivier schieten, want de hooge en gewichtige Hlangwane was in

zijn bezit geraakt. Men verhaalde ons later, dat de lyddiet-bommen het

werkvolk aan den reusachtigen dam in de rivier op de vlucht sloegen.

»Duizenden zakken zands, minstens 40 voet hoog boven de oppervlakte der

wateren en zoo wat 70 tot 80 voet wijd over de rivier gestapeld”—zegt

Lord Rosslyn in zijn werk »Twice Captured”—»waren het middel, waardoor

men het grootste deel eener brug over de Kliprivier bouwde. 't Was

een wonderwerk!” Het doel ervan was, om de Engelschen uit hunne

schuilhoeken in de rivierwallen enz. te verjagen. Evenals menig

ander groot en kostbaar werk in oorlogstijden, bleek het een totale

mislukking—een Sisyphus arbeid—te zijn. Even als het beleg van

Ladysmith, moest ook dat reuzenwerk gestaakt en opgegeven worden.

Toornig en brullend verliet Long Tom No. II zijn hooge stelling op

Bulwana's kruin in het holle van een donkeren nacht, terwijl de

electrische zoeklichten en gevaarlijke scheepskanonnen van Ladysmith

op Majoor Wolmarans en zijn trouwe trawanten speelden. Ook die arbeid

was tevergeefs. Al de moeite en het lijden en de offers waren op

niets uitgeloopen. O! welk een treurige nacht voor onze Generaals,

toen zij, na Ladysmith 118 dagen te hebben ingesloten, de stad in

der haast moesten verlaten. Waar was onze Frederik Hendrik—onze

»Stedenbedwinger?”

Eén ding kon die ramp hebben voorkomen: de inneming van den Platrand.

Dat wist elkeen. Daarvoor ijverde onze Staatsprocureur en de Villebois

en ook andere mannen van invloed en energie, totdat het eindelijk, op 6

Januari 1900, zoo ver kwam—dat wij den Rand _bijna_ innamen. Bijna,

maar nog niet. Bijna.... dus geheel en al niet!

Wij stapten van Pieter's naar het lager der Duitschers (ongeveer 100

man), dat het naast aan den Platrand lag, omdat wij vermoedden, dat er

vroeger of later wat groots aldaar zou gebeuren. Wij wilden in elk geval

het terrein goed in oogenschouw nemen en ook den sterken, drie mijl

langen heuvel schetsen. Wederom ging het zonder wegwijzer of gids. Wij

liepen eenvoudig voort in de richting van den Platten Rand, in de hoop

er wel vroeger of later te zullen aanlanden. Een paar Kaffers werden

op weg door ons aangetroffen, die ons van eenige hulp waren, toen wij

verdwaald raakten. Zij konden ons tenminste met den vinger wijzen in de

richting, waar er Boerenlagers waren. Treffend was het ons een ploeg op

een stuk land door een os te zien trekken, onder toezicht van een paar

Kaffers. Nuttige arbeid te midden van een onnoodigen, verwoestenden

oorlog: landbouw tusschen gewapende legers! Zola heeft iets dergelijks

lang voor ons in de omgeving van Sedan met het oog der verbeelding

gezien, zooals de lezers van zijn »Débâcle” zich herinneren zullen.

Geheel en al uitgeput kwamen wij tegen één uur dien dag bij de gastvrije

tenten der Duitschers aan. De afstand van de Tugela naar het Duitsche

lager wordt op twaalf of dertien mijl geschat, maar wij kenden den

korsten weg niet en liepen eenvoudig »achter onzen neus aan”, zoo als

men het noemt. Commandant von Quitzow en zijn opvolger Commandant Krantz

behandelden ons beiden zeer vriendelijk. Wij waren hongerig, en wij

kregen overvloedig te eten; dorstig, en men gaf ons genoeg te drinken.

Een paar flesschen Duitsch bier, die wij met den heer Schmitz-Dumont in

diens tent ontkurkt hebben, bleven ons in aangename herinnering, vooral

toen de treurmare tot ons te Magersfontein de volgende maand doordrong:

dat ook hij te Spionkop gevallen was! Luitenant Groothaus deelde zijn

tent met mij en dikwijls bespraken wij de toestanden om Ladysmith met

elkaar. Hij liet zich natuurlijk sterk uit over het fiasco, in een

vroeger hoofdstuk beschreven, en ging met ons zoo na als mogelijk aan

de Britsche posities, om ons het een en ander duidelijk te doen zien.

Het was, terwijl wij door onze veldkijkers de menigte forten en fortjes,

sangars en schansen te Caesar's Kamp en Wagen Heuvel bekeken en

bespraken, dat het Engelsche kanon van den Heuvel een paar schoten in

onze richting loste. Geen seconde verliep er, naar het mij toescheen,

tusschen het dubbele geluid, in zulke gevallen zoo duidelijk hoorbaar:

het eerste wanneer de bom het kanon ontglipt, het tweede, wanneer hij in

uwe nabijheid tegen den grond ontploft. 't Was mij alsof een geweldige

Pom-pom twee harde schoten afvuurde. Zóó dicht bij de Engelsche

verdedigingslijn, als wij daar waren, bevonden wij ons slechts bij de

voorste posities der Pretoria-stedelingen, recht noord van de stad; maar

daar was geen grof geschut op »Observation Hill”, of wat het Engelsche

fort ook heeten moge. Er is trouwens ook slechts een breede, vruchtbare

vallei, waarin de prachtige boerenplaats van den heer Willem Bester Sr.

gelegen is, tusschen ons en Caesar's Kamp. Het woonhuis en de kraalmuren

en landerijen van mijn ouden vriend, den heer Bester voornoemd, konden

wij duidelijk onderscheiden. Twintig jaar geleden had ik het genot eene

aangename muzikale week, onder datzelfde gastvrije dak door te brengen:

thans is het huis verlaten en vliegen er Engelsche en Transvaalsche

bommen en kogels over de plaats henen. Cachet's »Worstelstrijd der

Transvalers” las ik voor het eerst daar in dat huis: thans zag ik een

nieuwen, oneindig grooteren Worstelstrijd voor Vrijheid met eigen oogen.

De eerste strijd bracht geen volkomene vrijheid: wat zou de tweede

opleveren?

_Apropos_: een onzer slachtossen, ver achter ons weidend, werd in 't

been dien dag door het kanon getroffen.

Laat ons het oog van deze hoogte wat rond werpen: links van ons, daar

onder dien hoogen kop, eenige mijlen van het Duitsche Kamp, is er

een lager. 't Is dat der Harrismithers onder hun dapperen Commandant

Cornelis de Villiers. Als jongeling, hoewel Vrijstater, nam hij aan de

bestorming van Majuba deel. Als grijsaard, hoewel nog in de volle kracht

zijns levens, zal hij aan een veel grootere onderneming op 6 Januari het

leven wagen. Boven op den top van de hoogte, bij zijn kamp, is er een

Boerenfort, waarin Long Tom No. 3 bij zijne aankomst geplaatst werd.

Spoedig echter, moest hij die gevaarlijke positie ontruimen, daar de

lyddietbommen het hem te lastig maakten. Aan de Tugela, echter, en bij

name in het gevecht tusschen de Pont- en Molendriften (Buller's _derde_

poging om door te breken), kreeg onze teleurgestelde Creusot zijne kans

om wraak te nemen. »Maar deze is een andere storie”—zoo als Kipling het

uitdrukt. Verder treffen wij de Winburgers, Heilbronners en een deel der

Kroonstadters aan, die allen tezamen met de Harrismithers op 6 Januari

de westelijke punt van den Platten Rand (Waggon Hill) zullen bestormen.

Rechts van ons zijn er de Vrijheid- en Utrecht-lagers, die, met

vrijwilligers uit de Pretoria stedelingen, de Heidelbergers en de

Lijdensburgers, de oostpunt (Caesar's Kamp) zullen bestoken.

Dat was een gevecht, zooals de oorlog er maar weinige heeft opgeleverd!

Van 4 uur in den vroegen morgen tot den avond duurde het onafgebroken

voort. De Vrijstaters verwierven zich grooten roem in den aanval en

verloren eenige voorname mannen zooals Veldkornet J. C. Cilliers van

Heilbron. De Transvalers hadden echter, volgens Conan Doyle, veel betere

versterkte posities tegenover zich dan de Vrijstaters. Gevolgelijk

kregen zij het wat zwaarder en verlieten zij het slagveld het eerst.

Long Tom No. 1 kon dien dag ongelukkig niet helpen, daar Generaal Hunter

hem en zijn zijmaat, den Howitzer, in den nacht van 9 December op Gun

Hill had vernield. Ook hij echter kreeg zijn _revanche_ te Kimberley,

waar hij onverwachts weer, als een Fenix uit de assche, te Kamfer's Dam

verrees. Van Bulwana's hoogen top deed Majoor Wolmarans wat hij kon met

Long Tom No. 2, om de twee Engelsche batterijen, die de verdediging

steunden, in haar werk te belemmeren. Volgens alle rapporten ging het er

woest en bloedig toe op den Heuvel op dien onvergetelijken dag. De

Boeren vermeesterden de helft des Heuvels; maar de Britten klemden zich

aan de andere helft zoo geducht vast, dat zij er niet van af te krijgen

waren.—»Hadden zij, zooals in de oude Majubatijden (schrijft Conan

Doyle) gevochten,—_en masse_ in gelid, bij hoopen en klompen schietend,

en zich overal aan de kogels der Boeren blootstellend—zij zouden in een

uur tijds van den Heuvel zijn afgeveegd.” De Brit had echter, ook al

oorlogende, oorlog leeren voeren! Van den Boer nam hij de kunst van

schuiling te zoeken en ook te vinden en te gebruiken over. Ook kregen de

verdedigers veel geregelder en beter en meer dan wij, de zoo noodige

versterking, die in zulke harde gevechten zoo onmisbaar zijn. In dat

opzicht viel er heel wat onzerzijds te klagen—vernam ik uit goede

bronnen. De samenwerking was nog niet, wat zij behoorde te zijn! En toch

is de Platrand dien dag bijna voor de Engelschen verloren. Meer dan eens

trilde het lot van Ladysmith op 6 Januari in de weegschaal. Getuige een

heliogram als dit, bijvoorbeeld, uit Ladysmith naar Buller verzonden:

»The attack received. Very hard pressed.” O! het was ongetwijfeld ook

voor den vijand een zware en bijna wanhopige worsteling. Het lot van de

stad stond op het spel. De val van Ladysmith zou noodwendig—volgens

deskundigen—op de inneming van den Platten Rand zijn gevolgd. En

dan?—Welk eene verandering had de oorlogsgeschiedenis niet mogelijk

ondergaan? Maar genoeg: het is niet gebeurd. De Brit vocht met moed en

de taaie Boer moest den strijd opgeven en den sleutel tot Ladysmith voor

altoos uit zijne bebloede hand laten vallen.

Opmerkelijk is het, dat tegen 4 uur in den namiddag er een geweldige

donderstorm, evenals te Elandslaagte, op de vechtenden losbrak. De

watervloed kon echter het bloedbad niet dempen. De Homerische strijd

duurde voort totdat de duisternis de aarde bedekte en de Federalen op

alle punten de wijk namen, ruim honderd dooden op 't veld latend.

Op Spionkop, geen drie weken later, zou het beter voor ons afloopen: De

Boer wordt wel ontmoedigd, maar zijn moed herleeft ook spoedig weer. Er

is pit, er is ruggegraat in hem; hij kan volharden met eene volharding,

die men zelden onder de meer beschaafde volkeren aantreft. Wij spreken

natuurlijk van het beste deel der Transvalers en Vrijstaters,—dat deel,

dat de onafhankelijkheid van land en volk liever had dan goud en gemak,

huis en akker, vrouw en kind, ja dan het leven zelf.

Toen de Harrismithers in den nacht den geduchten rand beklauterden, was

hun leeraar, Ds. J. D. Kestell, in hun midden. Hij ging meê, niet om te

vechten, maar om de gewonden te verplegen en de stervenden te troosten.

Tot bij de Engelsche _sangars_, die door onze mannen stormenderhand

werden ingenomen, volgde hij zijne gemeenteleden. Lezer! zijn geval

is typisch. Zoo waren er meer Hollandsche predikanten in den oorlog.

Hij is geene uitzondering op den regel: hij is één uit velen. Ik noem

geene namen, omdat hun getal te groot is. Groot is de achting, die de

Hollandsche Afrikaander zijn leeraar toedraagt; de oorlog heeft bewezen,

dat de meeste predikanten die achting ten volle waardig zijn. Heb ik ze

niet in regen, koude en zomerhitte bij de commando's aangetroffen? Waren

zij niet steeds vol ijver en liefde voor hun zwaar geteisterd volk?

Spraken zij niet altoos woorden van bemoediging en hoop en troost? De

eeuwigheid alleen zal openbaarmaken, hoe diep en innig en hartelijk

de band tusschen vele Hollandsche leeraren en hunne gemeenteleden op

commando geweest is, en hoe veel de arbeid en 't voorbeeld dier trouwe

herders hebben bijgedragen, om de burgers de wonderen van dapperheid en

volharding te doen verrichten, welke de wereld verbaasd hebben. Enkelen

gingen met 't geweer op den schouder; de meesten waren ongewapend; allen

waren echte patriotten en geestelijke leidslieden. Zij waren één met hun

volk: zij droegen de lasten en de belangen huns volks op 't hart, ja in

hun lichaam, het voorbeeld van een Jesaja en Jeremia, en Esra en Nehemia

volgend.

»Maar”—vraagt iemand—»wat heeft dit nu met den loop des oorlogs te

doen”? Veel mijn vriend, ontzaggelijk veel. De godsdienstoefeningen, de

krachtige preken, het voorbeeld, de geestdrift, de invloed der leeraren

werkten zeer heilzaam op het karakter der burgers en de algemeene tucht

en discipline der lagers. De meerderheid der Afrikaners hebben een

teeder hart voor den godsdienst. Zij gelooven nog in den Bijbel.

Zij respecteeren den Evangeliedienaar. Het kon niet anders, of de

tegenwoordigheid van zulke flinke mannen moest als een zuurdeesem

de commando's van ontaarding, achteruitgang en demoralisatie helpen

bewaren. De Boeren bleven alzoo zichzelven gelijk en getrouw.

De meeste burgers waren eenvoudig, ongeletterd, bijna kinderlijk van

aard. Hooge sentimenten, fijne gevoelens, eerzucht, hoogmoed en wat dies

meer zij hadden niet zoo veel vat op hun gemoed als de godsdienst had.

Of beter gezegd, de godsdienst was het kanaal, waardoor het hooge en het

edele hen bereikten. Ze zagen Gods wil in alles: in hun verleden, hunne

geschiedenis, hun nationaliteitsgevoel, hunnen vrijheidszin, hunnen

oorlog. Niets was voor de meesten hunner toevallig; alles kwam van

Boven. Natuurlijk was er ook geveinsdheid en bijgeloof onder de Boeren,

zooals onder elk volk, waar de godsdienst algemeen geëerd en gevierd

wordt. Maar het feit blijft: dat de Boeren, als volk, vroom en biddend

zijn. Zij gingen dus ten strijde als Cromwell's »Ironsides” en Gustav

Adolfs regimenten. Hunne predikanten waren hun een zichtbaar teeken van

Gods nabijheid en hulp en steun. Elk verlies, elke nederlaag was hun

slechts ter loutering en reiniging, en dus ter voorbereiding voor groote

daden in de toekomst gezonden. Vandaar hunne taaie hardnekkigheid, hun'

moed na moedeloosheid, hunne hoop na wanhoop, hunne volharding tot het

bitter einde toe. Zij geloofden letterlijk:

»Er reikt van den Hemel onzichtbaar een Hand,

Om 't lot van de menschen te meten.”

Zes maanden bij de commando's · 第 47 / 79 题