Naar de Tugela

Het begon ons weldra boos te vervelen bij Ladysmith. Onze voornaamste

vijand was: de kleine Natalsche vlieg, koppiger dan eenig ding in de

wijde wereld. De hitte werd ook al meer ondragelijk. Wij bezochten vele

lagers, en vonden, dat lusteloosheid de algemeene kwaal was. De mannen

van intellect en energie waren bepaald ziek van dat nietsdoen en werden

somber en neerslachtig wanneer zij aan de toekomst dachten. De groote

meerderheid der burgers, zijnde vaders van huisgezinnen en boeren,

bezonnen allerlei plannen om een »verlofbriefje” meester te worden.

Slechts de »arme blanken” waren in een Paradijs. Voor hen was de

omgeving van Ladysmith »een land van melk en honig”—er was overvloedig

versch vleesch en gedroogd brood, koffie en thee _en galore_, tabak _ad

libitum_ alles _gratis_, en een lui lekker leven _ad infinitum_—naar

het scheen. Ze waren er allen van top tot teenen in nieuwe kleederen

gestoken. Er werd oorlog gemaakt! »Wat een aardig geval!” Hoe langer het

duurde, hoe beter. Voor de eerste maal in hun leven waren zij bij eene

plek aangeland, waar er »_genoeg_” van alles was: zoo als zekere oude

vrouw uitriep, toen zij voor 't eerst bij den oceaan kwam.

In de eerste week van December gingen wij op reis naar de Tugela, waar

Generaal Louis Botha bezig was zijn commando's voor den grooten aanval

van Generaal Buller voortebereiden. Generaal Lucas Meijer was nog

ongesteld te Pretoria, en zijn mantel viel als van zelven op zijn

jongeren wapenbroeder en vriend, wiens magnetische persoonlijkheid,

dapperheid en buitengewone populariteit hem als de beste man om te

Colenso den post van gevaar en van eere te vervullen aanwezen. Hem werd

het opperbevel over de federale machten aan de Tugela opgedragen en hij

was inderdaad »de rechte man op de rechte plek.” De Regeering had even

veel vertrouwen in hem als de Commandant-Generaal had, en de burgers in

't algemeen kleefden hem aan. Hij werd weldra de Held van de Tugela.

Wij gingen per bicycle tot aan het Artilleriekampje van Majoor

Wolmarans, achter Bulwana Berg. Opweg maakten wij een korte halt bij het

Middelburg lager, dat toen op 't punt stond naar de Tugela verplaatst te

worden. Een fraaie schets en een paar nieuwe laarzen werden door mijn

vriend daar in der haast opgedaan.

Het orakel werd aldus bewerkt:—Bij elk lager was er eene tent of soms

ook eene kamer, die als een »Algemeene Kleeren en Schoenen Winkel” onder

toezicht van een paar burgers gedreven werd. Daar moet de behoeftige

burger aankloppen en zijn nood klagen. Niemand kreeg er echter iets

zonder een bewijs te teekenen, de ontvangst van een pak kleeren of

een paar laarzen enz. erkennend, met den naam van zijn commando en

veldkornetschap erbij gevoegd. Onze artist had verbeeldingskracht

genoeg, om zich als tot »het commando van Generaal Joubert” behoorende

aantemelden. Het maakte effect, en het zaakje liep flink van stapel.

Inderdaad was onze Transvaalsche Washington ook de eenige authoriteit

waarop wij ons in dergelijke gevallen steeds beroepen konden, daar ik

de volgende kennisgeving van hem in mijn zak droeg:

_Hoofdlager, 30 October 1899._

_Aan alle officieren, burgers en ambtenaren. Zij het mits dezen

kennelijk, dat de heer N. Hofmeyr met mijn verlof en toestemming de

verschillende lagers bezoekt en van een en ander merkwaardige

gebeurtenis aanteekening houdt._

Zes maanden bij de commando's · 第 45 / 79 题