Met betrekking tot kinderen is er in den laatsten tijd heel wat

gepraat en geschreven over den bezoedelenden invloed van de gevangenis

op jonge kinderen. Wat men beweert, is volkomen waar. Een kind wordt

op de ergste wijze bezoedeld door het leven in de gevangenis. Maar de

bezoedelende invloed gaat niet uit van de gevangenen. Hij gaat uit van

het gevangenisstelsel in zijn geheel: den directeur, den geestelijke,

de bewaarders, de eenzame cel, de afzondering, het weêrzinwekkend

voedsel, de voorschriften van de commissie van toezicht, de

tuchtmatigheid, zooals men den term ijkt, van het leven. Geen voorzorg

laat men achterwege om een kind af te zonderen zelfs van het gezicht

van alle gevangenen boven de zestien. De kinderen zitten achter een

gordijn in de kerk, en worden ter openluchtoefening gestuurd naar

nauwe zonlooze binnenplaatsen--soms naar een steenen binnenplaats,

soms naar een binnenplaats achter de molens--om te beletten dat zij de

andere gevangenen in oefening zouden zien. Maar de eenige werkelijk

vermenschelijkende invloed in de gevangenis is die der gevangenen. Hun

blijmoedigheid in vreeselijke omstandigheden, hun onderling

medegevoel, hun deemoed, hun zachtzinnigheid, de gulle glimlach

waarmede zij elkaêr begroeten, hun volkomen berusting in hun straf

zijn zonder uitzondering bewonderenswaardig, en ik zelf heb menige

deugdelijke les van hen geleerd. Ik bedoel niet voor te stellen dat de

kinderen niet achter een gordijn moeten zitten in de kerk, of dat zij

lichaamsbeweging behooren te nemen in een hoek van de gemeene

binnenplaats. Ik wil er enkel op wijzen dat de slechte invloed op

kinderen niet is en nimmer zoû kunnen wezen die der gevangenen, maar

is en altijd blijven zal die van het gevangenisstelsel zelf. Daar is

geen enkel man in de gevangenis te Reading, die niet met vreugde den

straftijd der drie kinderen voor hen zoû hebben uitgezeten. Den

laatsten keer dat ik hen zag, was op Dinsdag na hun opneming. Ik was

met misschien een dozijn anderen met de openluchtoefening bezig om

half twaalf, toen de drie kinderen onder toezicht van een bewaarder

vlak langs ons kwamen van de vochtige sombere steenen binnenplaats

waar zij oefening hadden gehad. Ik zag het groote medelijden en

medegevoel in de oogen mijner gezellen terwijl ze naar de kinderen

keken. Gevangenen zijn als stand uiterst vriendelijk en medegevoelig

voor elkander. Lijden en de gemeenschappelijkheid van lijden maakt de

menschen vriendelijkgezind, en dag aan dag placht ik, terwijl ik de

binnenplaats op en neêr stapte, met vreugde en vertroosting te

gevoelen wat Carlyle ergens noemt "de stilzwijgende rhythmische

bekoring van menschelijke kameraadschap". In dit punt zoo goed als in

alle andere zijn philanthropen en menschen van dat slag in den dool.

Niet de gevangenen hebben verbetering noodig, maar de gevangenissen.

Natuurlijk behoort geen kind onder de veertien ook maar thuis in de

gevangenis. Een kind daarheen sturen is een ongerijmdheid en, evenals

zoovele ongerijmdheden, volstrekt rampzalig in zijn gevolgen. Als zij

toch naar de gevangenis moeten, behoorden zij overdag in een

werkplaats of in een schoollokaal met een bewaarder. 's Nachts

behoorden zij te slapen in een slaapzaal met een nachtbewaarder om op

hen te passen. Lichaamsbeweging behooren zij minstens drie uur per dag

te krijgen. De donkere, slecht geluchte, kwalijk riekende

gevangeniscellen zijn verschrikkelijk voor een kind, eigenlijk voor

iedereen. Men ademt altijd bedorven lucht in de gevangenis. Het

voedsel voor kinderen moest bestaan in thee met boterhammen en soep.

De gevangenissoep is zeer smakelijk en gezond. Een besluit van het

Lagerhuis kon de behandeling der kinderen in een half uur regelen. Ik

hoop dat U Uw invloed daartoe zult aanwenden. De huidige behandeling

van kinderen is werkelijk een schimp voor menschelijkheid en gezond

verstand. Zij komt voort uit stompzinnigheid.

Laat mij nu nog Uw aandacht mogen vestigen op een ander vreeselijk

ding dat voorkomt in Engelsche gevangenissen of liever in de

gevangenissen over de geheele wereld, waar het stelsel van

stilzwijgendheid en cellulaire opsluiting wordt toegepast. Ik bedoel

het groot aantal menschen die krankzinnig of zwakhoofdig worden in de

gevangenis. In strafgevangenissen is dit natuurlijk heel gewoon, maar

in gewone gevangenissen, als waarin ik opgesloten zat, komt het

eveneens voor.

Ongeveer drie maanden geleden merkte ik onder de gevangenen die met

mij lichaamsbeweging namen, een jongman op, die mij onnoozel of onwijs

leek. Elke gevangenis natuurlijk heeft haar halfwijze patiënten, die

telkens terugkomen en van wie men zeggen kan dat zij in de gevangenis

wonen. Maar het trof mij dat deze jonge man erger onwijs leek dan

gewoonlijk het geval is, als bleek uit zijn onnoozele grijns en zijn

idiote manier van in zichzelf te lachen en de in 't oog vallende

rusteloosheid van zijn eeuwig knijpwringende handen. Al de andere

gevangenen merkten de vreemdheid van zijn gedrag op. Van tijd tot tijd

verscheen hij niet op de oefening, waaruit ik begreep dat hij straf

had en in zijn cel moest blijven. Ten slotte merkte ik dat hij onder

voortdurend toezicht stond, en dag en nacht door bewaarders werd

bewaakt. Als hij wel op de oefening verscheen, leek hij steeds een

zenuwaanval te hebben, en liep geregeld te huilen en te lachen. In de

kerk moest hij zitten onder onmiddellijk toezicht van twee bewaarders,

die hem den geheelen tijd nauwlettend in 't oog hielden. Soms liet hij

telkens het hoofd zakken in zijn open handen, een overtreding van de

voorschriften in de kerk, en telkens werd zijn hoofd oogenblikkelijk

omhoog geduwd door een der bewaarders, zoodat hij gedwongen werd zijn

oogen onafgebroken gericht te houden op de avondmaalstafel. Een

anderen keer zat hij te huilen--zonder de minste stoornis te

veroorzaken--met de tranen stroomend langs zijn gezicht en een

zenuwachtig snikken in zijn keel. Dan weêr grijnsde hij voor zichzelf

als een idioot en trok gezichten. Meer dan eens werd hij de kerk

uitgestuurd naar zijn cel, en natuurlijk kreeg hij voortdurend straf.

Daar de bank waar ik gewoonlijk zat in de kerk, vlak achter de bank

was, aan het eind waarvan deze ongelukkige zijn plaats had, had ik

ruim gelegenheid hem gade te slaan. Ik zag hem vanzelf ook aanhoudend

bij de oefening, en ik zag dat hij bezig was krankzinnig te worden,

terwijl men hem behandelde alsof hij zich aanstelde.

Zaterdag vóor een week was ik omtrent éen uur in mijn cel bezig het

tingerei dat ik voor mijn middageten gebruikt had, te reinigen en te

poetsen. Plotseling werd ik opgeschrikt doordat de stilte van de

gevangenis verbroken werd door het meest afgrijselijke en

weêrzinwekkende gegil, of liever gehuil; want eerst dacht ik dat men

bezig was een of ander dier, een stier of een koe, op onbedreven wijze

te slachten buiten de gevangenismuren. Weldra echter bleek het mij dat

het gehuil beneden uit de gevangenis kwam, en ik begreep dat men bezig

was een of anderen ongelukkige af te ranselen. Ik behoef niet te

zeggen hoe gruwelijk en schrikkelijk het mij aandeed, tot ik mij begon

af te vragen wie het kon zijn, dien men op zoo weêrzinwekkende wijze

afstrafte. Plotseling ging mij een licht op, dat zij waarschijnlijk

dezen ongelukkigen waanzinnige aan 't ranselen waren. Mijn gevoelens

dienomtrent behoef ik niet te boeken; zij hebben niets te maken met de

zaak.

Den volgenden dag, Zondag den 16den, zag ik den armen vent bij de

oefening; zijn ziekelijk, leelijk ellende-gezicht was bijna niet te

herkennen, opgezwollen als het was van tranen en zenuwlijden. Hij liep

in den binnensten kring met de oude mannen, de bedelaars en de

kreupelen, zoodat ik hem den geheelen tijd kon waarnemen. Het was mijn

laatste Zondag in de gevangenis, volmaakt heerlijk weder, het mooiste

weêr van het gansche jaar, en daar in het schoone zonnelicht liep dit

arme schepsel, eenmaal gemaakt naar het beeld van God, te grijnzen

als een aap en met zijn handen de meest fantastische gebaren te maken

alsof hij in de lucht een onzichtbaar snareninstrument bespeelde of

bezig was fiches te schikken en uit te deelen in een of ander zeldzaam

spel. Onderhand liepen in gore stralen de zenuwlijderstranen

waarzonder niemand van ons hem ooit zag, voortdurend over zijn wit

gezwollen gezicht. De afzichtelijke en bedachtzame manierlijkheid van

zijn gebaren maakte hem gelijk aan een hansworst. Hij was een levend

grotesk. Al de andere gevangenen keken naar hem, en niet éen van hen

glimlachte. Ieder begreep wat hem overkomen was, en dat men bezig was

hem krankzinnig te maken,--dat hij reeds krankzinnig was. Na een half

uur werd hij door den bewaarder naar binnen geleid en denkelijk

gestraft. Hij was tenminste Maandag niet op de oefening, hoewel ik

meen hem even gezien te hebben in den hoek van de steenen binnenplaats

onder toezicht van een bewaarder.

Dinsdag daarop, mijn laatsten dag in de gevangenis, zag ik hem bij de

oefening. Hij was nog erger dan den vorigen keer, en werd weêr naar

binnen gestuurd. Sindsdien weet ik niets van hem, maar van een der

gevangenen, die op de oefening vlak bij mij liep, kwam ik te weten dat

hij Zaterdagmiddag in het kookhuis vier-en-twintig slagen gekregen had

op bevel van de rechters op bezoek en na rapport van den dokter. Het

gehuil dat ons allen verschrikt had, was van hem geweest. Deze man is

ongetwijfeld op weg krankzinnig te worden. De gevangenisdokters hebben

geen verstand van eenige ziekte van den geest. Zij zijn in hun soort

onwetende lieden. De pathologie van den geest is hun onbekend. Als

iemand krankzinnig wordt, behandelen zij hem alsof hij zich aanstelde.

Zij laten hem telkens weêr straffen. Natuurlijk wordt de man hoe

langer hoe erger. Wanneer de gewone straffen zijn uitgeput, brengt de

dokter rapport uit van het geval aan de rechters. Het gevolg is

afranselen. Natuurlijk doet men dat niet met een karwats. Het is wat

men "berken" noemt. Het werktuig is een berkeroede. Maar de uitwerking

op den rampzaligen halfwijze kan men zich verbeelden.

Zijn nummer is, of was in elk geval, A.2.11. Het gelukte mij ook zijn

naam uit te vinden. Hij heet Prince. Daar moet terstond iets voor hem

gedaan worden. Hij is soldaat en veroordeeld door den krijgsraad. Zijn

straftijd is zes maanden. Hij heeft nog drie maanden voor den boeg.

Mag ik U verzoeken Uw invloed te gebruiken om dit geval te doen

onderzoeken en maatregelen te doen nemen dat de waanzinnige gevangene

behoorlijk behandeld wordt?

Een rapport van de Medische Commissie baat niets. Men kan het niet

vertrouwen. De mannen van het medisch toezicht schijnen het verschil

niet te begrijpen tusschen idiootheid en waanzin, tusschen de volkomen

afwezigheid van een functie of een orgaan en de ziekte van een

functie of een orgaan. Deze man A.2.11 zal ongetwijfeld instaat zijn

zijn naam op te geven, den aard van zijn misdrijf, den dag der maand,

den datum van aanvang en einde van zijn straftijd, en zal antwoord

kunnen geven op iedere gewone eenvoudige vraag. Maar dat zijn geest

ziek is, lijdt geen twijfel. Op het oogenblik is een vreeselijk duel

aan den gang tusschen hem en den dokter. De dokter vecht voor een

theorie. De man vecht voor zijn leven. Ik zoû graag zien dat de man

het won. Maar laat het geheele geval onderzocht worden door

zaakkundigen die van hersenziekten verstand hebben, en door menschen

van menschlievende gevoelens, die nog wat gezond verstand en wat

medelijden hebben. Er bestaat geen reden de tusschenkomst in te roepen

van de sentimenteelen. Zij schaden altijd.

Het geval is een bijzonder voorbeeld van de wreedheid die

onafscheidelijk is van een stompzinnig stelsel; want de tegenwoordige

directeur van Reading is een man van een zachtaardig en menschlievend

karakter, en die bij al de gevangenen grootelijks bemind en geacht is.

Hij werd verleden Juli aangesteld, en hoewel hij de voorschriften van

het gevangenisstelsel niet kan wijzigen, heeft hij den geest

gewijzigd, waarin zij onder zijn voorganger werden toegepast. Hij is

zeer geliefd onder de gevangenen en onder de bewaarders. Hij heeft

inderdaad den geheelen toon van het gevangenisleven veranderd. Aan

den anderen kant ligt het systeem natuurlijk buiten zijn bereik, wat

aangaat het wijzigen der voorschriften. Ik twijfel niet of hij moet

dagelijks veel zien wat hij voor onrechtvaardig, stompzinnig en wreed

houdt. Maar zijn handen zijn gebonden. Vanzelf weet ik niets af van

zijn eigenlijken kijk op het geval van A.2.11, evenmin als van zijn

opvattingen over ons tegenwoordig stelsel. Ik beoordeel hem enkel naar

de volslagen verandering die hij te weeg bracht in de gevangenis te

Reading. Onder zijn voorganger werd het stelsel toegepast met de

grootste hardvochtigheid en stompzinnigheid.

Uw dienstwillige,

OSCAR WILDE.

27 Mei 1897.

II

VERBETERINGEN INZAKE DE GEVANGENIS

("Lees dit niet, als gij vandaag gelukkig wilt zijn.")

D.C. van 24 Maart 1898.

WelEdelgeboren Heer,

Ik verneem dat het wetsvoorstel van den minister van binnenlandsche

zaken tot verbeteringen inzake de gevangenis deze week in eerste en

tweede lezing gaat, en daar Uw dagblad het eenige blad in Engeland

geweest is, dat van een werkelijke en levenskrachtige belangstelling

in deze gewichtige zaak heeft blijk gegeven, hoop ik dat Gij mij, als

iemand die een lange persoonlijke ervaring heeft opgedaan van het

leven in een Engelsche gevangenis, vergunnen zult uiteen te zetten

welke verbeteringen in ons tegenwoordig stompzinnig en barbaarsch

stelsel dringend noodzakelijk zijn.

In een hoofdartikel dat ongeveer een week geleden in Uwe kolommen

verscheen, lees ik dat de voornaamste verbetering die voorgesteld

wordt, een vermeerdering bedoelt van het aantal toezieners en

officiëele bezoekers die toegang zullen hebben tot onze Engelsche

gevangenissen.

Zulk een hervorming is volkomen nutteloos. De reden is uiterst

eenvoudig. De toezieners en vrederechters die de gevangenis bezoeken,

komen daar met de bedoeling om na te gaan of de

gevangenisvoorschriften behoorlijk worden uitgevoerd. Zij komen voor

geen ander doel en hebben, zelfs als zij het zouden begeeren,

volstrekt geen macht om éen enkele bepaling in de voorschriften te

wijzigen. Geen gevangene heeft ooit de minste verlichting, of

oplettendheid, of zorg van eenigen officiëelen bezoeker ondervonden.

De bezoekers komen niet om de gevangenen te helpen, maar om na te gaan

of de voorschriften worden uitgevoerd. Het doel van hun komst is de

bevestiging te verzekeren van een dwaas en onmenschelijk wetsgeheel.

En daar zij toch iets te doen moeten hebben, besteden zij daar zeer

goede zorg aan. Een gevangene wien de geringste bevoorrechting is

toegestaan, vreest de komst der toezieners. En zoovaak er een

inspectie plaats heeft, zijn de beambten ruwer dan gewoonlijk voor de

gevangenen. Hun bedoeling is natuurlijk te toonen welk een

schitterende tucht zij handhaven.

De noodzakelijke hervormingen zijn zeer eenvoudig. Zij betreffen de

lichamelijke en de geestelijke behoeften van iederen ongelukkigen

gevangene afzonderlijk.

Wat de eerste aangaat, daar zijn in de Engelsche gevangenissen drie

bestendige straffen, door de wet bekrachtigd:

1° honger,

2° slapeloosheid,

3° ziekte.

Het voedsel dat aan de gevangenen wordt verstrekt, is geheel en al

onvoldoende. Het grootste deel ervan is van weêrzinwekkende

hoedanigheid. Het geheel is ontoereikend. Elke gevangene lijdt dag en

nacht aan honger. Een bepaalde hoeveelheid voedsel wordt zorgvuldig

bij onsen afgewogen voor iederen gevangene. Het is juist genoeg, om

niet bepaald het leven, maar het voortbestaan in stand te houden. Men

wordt voortdurend gefolterd door het knagen en de weeheid van den

honger.

Het gevolg van het voedsel--dat in de meeste gevallen bestaat uit

slappe gruttenpap, varkensreuzel en water--is ongesteldheid in den

vorm van onafgebroken buikloop. Deze ziekte die ten slotte bij de

meeste gevangenen een chronische kwaal wordt, is een erkende

instelling in iedere gevangenis. In de gevangenis te Wandsworth

bijvoorbeeld--waar ik twee maanden zat opgesloten tot ik naar het

hospitaal moest overgebracht worden, waar ik nog twee maanden

verbleef--gaan de bewaarders twee- of driemaal daags rond met

stopmiddelen die zij aan de gevangenen uitreiken als een ding dat

vanzelf spreekt. Het is onnoodig te zeggen dat na een dusdanige

behandeling van een week of zoo het geneesmiddel volstrekt geen

uitwerking meer heeft. De rampzalige gevangene wordt dan ten prooi

gelaten aan de meest verzwakkende, nederdrukkende en vernederende

ziekte die men bedenken kan; en als hij, zooals vaak gebeurt, uit

lichamelijke zwakte tekort schiet in het volbrengen van zijn

voorgeschreven omwentelingen aan de kruk of den molen, wordt van hem

rapport gemaakt als lui en wordt hij met de grootste strengheid en

ruwheid gestraft. En dat is nog niet alles.

Niets is in zoo slechten toestand als de sanitaire inrichtingen in een

Engelsche gevangenis. In vroeger dagen was iedere cel voorzien van een

soort privaat. Deze privaten zijn nu afgeschaft. Zij komen nergens

meer voor. Een klein tinnen vat wordt in plaats daarvan aan elken

gevangene verstrekt. Drie keer daags mag de gevangene zijn vuil

verwijderen. Maar de toegang tot de gevangenisprivaten wordt hem enkel

toegestaan gedurende het éene uur der openluchtoefening En na vijf uur

's namiddags mag hij zijn cel onder geen enkel voorwendsel en om geen

enkele reden verlaten. Dientengevolge bevindt zich iemand die aan

buikloop lijdt, in een zoo walgelijken toestand dat het onnoodig is,

of liever dat het onwelvoegelijk zoû zijn er bij stil te staan. De

ellende en kwellingen die de gevangenen doormaken ten gevolge van de

weêrzinwekkende inrichtingen op sanitaire gebied zijn volkomen

onbeschrijfelijk. En de bedorven lucht in de gevangeniscellen, die nog

verergerd wordt door een volslagen uitwerkingloos ventilatiesysteem,

is zoo wee en ongezond, dat het geregeld voorkomt dat bewaarders, als

zij 's morgens uit de frissche lucht komen en elke cel openen en

inspecteeren, hevig onpasselijk worden. Ik zelf heb dit minstens drie

maal bijgewoond, en verscheidene bewaarders hebben er mij over

gesproken als een der vele tegenzinwekkende duigen die hun ambt

meêbrengt.

Het voedsel dat den gevangenen verstrekt wordt, behoorde in allen

deele voldoende en gezond te zijn. Het behoort niet van zulk een

hoedanigheid te wezen, dat het voortdurenden buikloop ten gevolge

heeft, die, eerst een ziekte, allengs een chronische kwaal wordt.

De inrichtingen op sanitaire gebied in de Engelsche gevangenissen

behooren in den grond gewijzigd te worden. Elke gevangene moet toegang

hebben tot de privaten zoovaak dat noodig is, en moet even vaak zijn

vuil kunnen verwijderen. Het tegenwoordige ventilatiesysteem in elke

cel afzonderlijk is geheel en al nutteloos. De versche lucht komt door

dichtgesperd rasterwerk en dan door een kleinen ventilator in het

smalle getraliede venster, die veel te klein is en te slecht

geconstrueerd om eenige voldoende hoeveelheid versche lucht binnen te

laten. Iemand wordt enkel gedurende éen uur van de vier-en-twintig die

den langen dag uitmaken, uit zijn cel gelaten, en hij ademt dus

gedurende drie-en-twintig uren de meest bedorven lucht in.

Slapeloosheid als straf bestaat slechts in Chineesche en in Engelsche

gevangenissen. In China wordt zij toegepast doordat men den gevangene

plaatst in een enge bamboekooi, in Engeland door middel van de houten

brits. Het doel van de houten brits is het veroorzaken van

slapeloosheid. Zij heeft geen enkel ander doel, en het doel dat zij

heeft, wordt zonder uitzondering bereikt. En zelfs wanneer men

naderhand een harde matras krijgt, zooals het gaat in den loop der

gevangenschap, lijdt men nog steeds aan slapeloosheid. Want slaap is,

evenals alle gezonde dingen, een gewoonte. Elke gevangene die een tijd

lang op een houten brits heeft gelegen, lijdt aan slapeloosheid. Het

is een weêrzinwekkende en domme straf.

Nu zoû ik gaarne wat in 't midden brengen over de geestelijke

behoeften van den gevangene.

Het tegenwoordige gevangenisstelsel lijkt bijna als doel te hebben het

te gronde richten en vernietigen der verstandelijke vermogens. Of

indien het veroorzaken van krankzinnigheid hier niet het doel is, het

is zeker het gevolg. Dat is een welbewezen feit. De oorzaken liggen

voor de hand. Verstoken van boeken, van alle menschelijke omgeving,

afgezonderd van elken menschelijken en vermenschelijkenden invloed,

veroordeeld tot eeuwigdurend stilzwijgen, beroofd van alle verkeer met

de buitenwereld, behandeld als een verstandeloos dier, verredeloosd

onder het peil van welk redeloos schepsel ook, kan de ongelukkige die

opgesloten zit in een Engelsche gevangenis, nauwelijks aan

krankzinnigheid ontkomen. Het is mijn wensch niet lang bij deze

afgrijselijkheden stil te staan, nog veel minder eenige voorbijgaande

sentimenteele belangstelling er voor te wekken. Dus zal ik enkel, met

Uw goedvinden, aangeven wat men behoorde te doen.

Elke gevangene behoort een voldoende hoeveelheid boeken tot zijn

beschikking te hebben. Op het oogenblik krijgt men in de eerste drie

weken van zijn gevangenschap volstrekt geen boeken behalve een bijbel,

een gebeden- en een gezangboek. Daarna krijgt men éen boek per week.

Dat is niet alleen onvoldoende, maar de boeken die een gewone

gevangenisbibliotheek vormen, zijn volmaakt nutteloos. Zij bestaan

hoofdzakelijk uit derderangsche, slecht geschreven, zoo-genaamd

godsdienstige boeken, klaarblijkelijk geschreven voor kinderen en

volkomen ongeschikt voor kinderen of voor iemand anders. De gevangenen

behoorden aangemoedigd te worden tot lezen, en alle boeken te krijgen

die zij noodig hebben, en de boeken behoorden goed gekozen te zijn.

Thans geschiedt de keuze der boeken door den aan de gevangenis

verbonden geestelijke.

Onder het huidige stelsel staat men een gevangene toe zijn vrienden

slechts vier keer in 't jaar te zien, telkens gedurende twintig

minuten. Dit is geheel verkeerd. Een gevangene behoort zijn vrienden

eens per maand te zien en gedurenden een redelijken tijd. In de thans

gebruikelijke wijze van een gevangene voor zijn vrienden ten toon te

stellen behoort verandering gebracht te worden. Onder het

tegenwoordige stelsel wordt de gevangene opgesloten hetzij in een

groote ijzeren kooi of in een groote houten kast met een kleine

opening, bedekt met ijzergaas, waardoor men hem toestaat te gluren.

Zijn vrienden worden in een gelijke kooi gezet op een afstand van drie

of vier voet, en twee bewaarders staan in de tusschenruimte om toe te

luisteren en, als het hun goeddunkt, het gesprek te doen ophouden of

afbreken, naar het uitkomt. De nu gebruikelijke regeling is

onuitsprekelijk weêrzinwekkend en kwellend. Een bezoek van zijn

verwanten of vrienden beduidt voor elken gevangene dieper vernedering,

feller geestelijke ellende. Vele gevangenen willen hun vrienden

volstrekt niet ontvangen, liever dan zulk een kruisgang te doorstaan.

En dit verwondert mij niet. Wanneer iemand bezoek krijgt van zijn

advocaat, spreekt men hem in een kamer met een glazen deur, aan de

andere zijde waarvan de bewaarder staat. Wanneer iemand bezoek krijgt

van zijn vrouw en kinderen, of zijn ouders of zijn vrienden, behoort

hem hetzelfde voorrecht te worden toegestaan. Om als een aap in een

kooi tentoongesteld te worden voor menschen die van ons houden en van

wie wij houden, is een noodelooze en afgrijselijke vernedering. Iedere

gevangene behoorde tenminste eens in de maand te mogen schrijven en

een brief ontvangen. Op 't oogenblik mag men maar vier maal in 't jaar

schrijven. Dit is geheel onvoldoende. Éen van de rampen van het leven

in de gevangenis is dat het iemands hart versteent. De gevoelens der

natuurlijke genegenheid hebben evenals andere gevoelens behoefte aan

voeding. Zij sterven licht aan gebrek. Een korte brief vier keer in 't

jaar is niet voldoende om de meer zachtzinnige en menschelijke

genegenheden in 't leven te bewaren, die ten slotte onze natuur

gevoelig houden voor goede en schoone invloeden, het eenige dat een

verbrijzeld en gebroken leven kan heelen.

Aan de gewoonte om de brieven der gevangenen te verminken en te

besnoeien behoort een eind te worden gemaakt. Wanneer tegenwoordig een

gevangene in een brief eenige klacht uit tegen het gevangenisstelsel,

wordt dat gedeelte van zijn brief met een schaar uitgeknipt. Als hij,

aan den anderen kant, eenige klacht uit bij het spreken met zijn

vrienden door de traliën der kooi of de opening in de houten kast,

wordt hij op ruwe wijze tot de orde geroepen door de bewaarders en

krijgt rapport en straf die wekelijks terugkeert totdat hij weêr een

volgenden keer bezoek mag ontvangen, in welken tusschentijd men

verwacht dat hij niet verstandig, maar listig zal zijn geworden; en

listigheid leert iemand altijd. Het is een van de weinige dingen die

men in de gevangenis leert. Gelukkig zijn in een enkel geval die

andere weinige dingen van hooger waarde.

De profundis(#13585) · 第 7 / 8 段