volgende? In Uw hoofdartikel deedt Gij het denkbeeld aan de hand dat
geen aan de gevangenis verbonden geestelijke tegelijk eenige bemoeiïng
of bezigheid zoû mogen hebben buiten de gevangenis zelf. Maar dit is
een zaak van geen gewicht. Die geestelijken hebben volstrekt geen nut.
Zij zijn in hun soort welmeenende, maar dwaze, ja onnoozele menschen.
Geen enkele gevangene ondervindt van hen eenige hulp. Eens in de zes
weken of zoo gaat de sleutel in het slot van iemands celdeur over, en
de geestelijke komt binnen. De gevangene gaat natuurlijk in de houding
staan. De geestelijke vraagt hem of hij in zijn bijbel gelezen heeft.
Hij antwoordt "ja" of "neen", naar het geval is. De geestelijke haalt
een paar bijbelteksten aan en gaat weg en sluit de deur. Van tijd tot
tijd laat hij een traktaatje achter.
De beambten die geen betrekking buiten de gevangenis behoorden te
mogen aanhouden, en geen burgerpraktijk te hebben, zijn de
gevangenisdokters. Thans hebben de gevangenisdokters, zoo al niet
altijd, toch geregeld een uitgebreide burgerpraktijk en zijn tegelijk
aangesteld in andere inrichtingen. Het gevolg is dat de
gezondheidstoestand der gevangenen geheel verwaarloosd wordt, en de
sanitaire staat der gevangenis volkomen onverzorgd gelaten. In zijn
soort beschouw ik--en ik heb dat altijd gedaan van kindsbeen af--het
beroep van dokter als het meest menschelijke beroep in de gemeenschap.
Maar gevangenisdoktoren moet ik uitzonderen. Voorzoover ik hen
ontmoet heb en naar wat ik in het hospitaal en elders van hen zag,
zijn zij ruw in hun optreden, van grove ongevoeligheid en volslagen
onverschillig voor de gezondheid der gevangenen en hun goede
verpleging. Indien den gevangenisdokters burgerpraktijk verboden was,
zouden zij genoodzaakt worden eenige belangstelling te hebben in den
gezondheidstoestand en de sanitaire omstandigheden van de menschen die
onder hun behandeling zijn.
Ik heb in dit schrijven getracht enkele der hervormingen aan te
wijzen, die in ons Engelsch gevangenisstelsel noodzakelijk zijn. Zij
zijn eenvoudig, praktisch en menschelijk. Natuurlijk zijn zij maar een
begin. Maar het wordt tijd dat er een begin gemaakt wordt, en hiertoe
kan alleen de stoot gegeven worden door den sterken druk der openbare
meening, verwoord in en aangekweekt door Uw machtig blad.
Maar om te maken dat zelfs deze hervormingen iets uitwerken, moet
eerst heel wat gedaan worden. En de eerste en misschien moeilijkste
taak is van de directeurs beter menschen, van de bewaarders beschaafde
lieden en van de geestelijken beter Christenen te maken.
Uw dienstwillige dienaar,
de schrijver van "The Ballad of Reading Gaol".
23 Maart 1898.