Tegelijk met dezen zend ik U afzonderlijk een handschrift waarvan ik

hoop dat het U behouden zal bereiken. Ik zag graag dat Gij, zoodra Gij

het gelezen hebt, het zorgvuldig liet copiëeren. Om verschillende

redenen wensch ik dit. Het zal voldoende zijn er éene aan te geven.

Mijn verlangen is dat Gij, voor het geval dat ik kom te sterven, mijn

letterkundige boedelredder zijt en volledig toezicht uitoefent over

mijn tooneelstukken, boeken en geschriften. Zoodra ik wettelijk het

recht zal hebben een testament te maken, zal ik dat doen. Mijn vrouw

begrijpt mijn kunst niet, en men kan van haar geen belangstelling

daarvoor verwachten, en Cyril is nog een kind. Daarom wend ik mij

natuurlijk tot U, zooals ik om de waarheid te zeggen in alle dingen

doe, en ik zoû gaarne hebben dat Gij al mijn werken onder U hadt. Het

tekort dat hun verkoop oplevert, kan op rekening van Cyril en Vivian

geplaatst worden. Welnu, als Gij mijn letterkundige boedelredder zijt,

moet Gij in bezit zijn van het eenige document dat eenige verklaring

geeft van mijn buitensporig gedrag.... Wanneer Gij den brief gelezen

hebt, zult Gij de psychologische verklaring inzien van een gedragslijn

die van buiten af een verbinding van volstrekte zwakhoofdigheid en

gemeenen bluf lijkt. Eéns moet de waarheid bekend worden--niet

noodzakelijk bij mijn leven. Maar het is mijn bedoeling niet om voor

altijd aan den bespottelijken schandpaal te staan, waar men mij

stelde, om de eenvoudige reden dat ik van mijn vader en moeder een

naam van hooge onderscheiding in letterkunde en kunst geërfd heb, en

ik kan niet gedoogen dat die naam voor de eeuwigheid zoû zijn

omlaaggehaald. Ik verdedig mijn gedrag niet. Ik verklaar het. Ook zijn

er in mijn brief enkele passages die loopen over mijn geestelijke

ontwikkeling in de gevangenis en de onvermijdelijke evolutie die

plaats gehad heeft in mijn karakter en mijn intellectueele houding

tegenover het leven. Ik wensch dat Gij en anderen die mij trouw

gebleven zijt en Uw genegenheid voor mij hebt bewaard, nauwkeurig weet

in wat geest en wijze ik de wereld hoop tegemoet te treden. Van den

éenen kant gezien, weet ik natuurlijk dat ik op den dag van mijn

ontslag enkel van de éene gevangenis in de andere zal overgaan, en

daar zijn oogenblikken dat de geheele wereld mij niet ruimer voorkomt

dan mijn cel en even vol verschrikking voor mij. Toch geloof ik dat

God in den beginne een wereld schiep voor ieder afzonderlijk mensch,

en in die wereld die binnen in ons is, moeten wij trachten te leven.

In elk geval zult Gij die gedeelten van mijn brief met minder leed

lezen dan de andere. Natuurlijk behoef ik U niet te herinneren welk

een onvast ding bij mij, en bij ons allen, de gedachte is, en van welk

een vluchtige stof onze aandoeningen zijn gemaakt. Toch zie ik een

soort van mogelijk doel waarop ik langs den weg der kunst zoû kunnen

afgaan. Het is niet onwaarschijnlijk dat Gij mij daarbij zult kunnen

helpen.

Wat de wijze van copiëeren aangaat: de brief is natuurlijk te lang om

hem door een of anderen klerk te laten overschrijven, en Uw eigen

schrift, waarde Robbie, in uw laatsten brief schijnt bij voorkeur

aangewezen om mij te waarschuwen dat de taak niet aan U mag worden

opgedragen. Het eenige wat overblijft, lijkt mij, is door en door

modern te werk te gaan en de copie te laten maken op de

schrijfmachine. Natuurlijk moet het handschrift onder Uw toezicht

blijven, maar zoudt Gij Mevrouw Marshall niet kunnen bewegen een harer

meisjes-typisten--op vrouwen kan men het meest aan, daar zij geen

geheugen hebben voor wat belangrijk is--naar Hornton Street of

Phillimore Gardens te sturen om het onder Uw leiding te doen? Ik kan U

verzekeren dat de schrijfmachine wanneer zij met gevoel wordt

bespeeld, niet onaangenamer is dan het pianospel van een zuster of een

naverwante. Ja zelfs geven velen onder hen die dwepen met het

familieleven, aan haar de voorkeur. Ik zoû de copie willen hebben niet

op satijnpapier, maar op kloek papier zooals gebruikt wordt voor de

rollen van tooneelstukken, met een breeden roodafgezetten rand voor

verbeteringen.... Indien de copie in Hornton Street gemaakt wordt, zou

men de typiste eten kunnen geven door een schuif in de deur, zooals de

Cardinalen het krijgen, wanneer zij bezig zijn een Paus te kiezen, tot

zij op het balkon zoû kunnen verschijnen om de wereld te verkondigen:

"Habet Mundus Epistolam"; want de brief is inderdaad een Encycliek, en

evenals de bullen van den Heiligen Vader genoemd worden naar haar

beginwoorden, zou men er van kunnen spreken als: "_Epistola in Carcere

et Vinculis_"....

Het is maar al te waar, Robbie, het leven in de gevangenis doet ons de

menschen en de dingen zien zooals zij in werkelijkheid zijn. Daarom

verandert het iemand in steen. De menschen buiten worden misleid door

de schijnverbeeldingen van een leven in voortdurende beweging. Zij

draaien mede met het leven en dragen bij tot zijn onwerkelijkheid. Wij

die onbewegelijk zijn, zien en weten. Laat de brief deugen of niet

voor enge naturen en koortsige hersenen, mij heeft hij deugd gedaan.

Ik heb "mijn borst verlucht van veel gevaarlijk tuig" om een zegswijze

te borgen bij den dichter dien Gij en ik indertijd wilden redden uit

de handen der Philistijnen. Ik behoef U niet te herinneren dat uiting

op zichzelf voor een kunstnaar de opperste en eenige wijze van leven

is. Van uiting leven wij. Onder de oneindig vele dingen waarvoor ik

den Directeur te danken heb, is er geen waarvoor ik dankbaarder ben

dan voor zijn verlof om naar hartelust te schrijven en zoo lang als ik

wensch. Gedurende bijna twee jaar droeg ik binnen in mij een

toenemenden last van bitterheid waarvan ik mij nu grootendeels heb

verlicht. Aan den anderen kant van den gevangenismuur staan een paar

arme zwarte roetberookte boomen die op het oogenblik uitloopen in

knoppen van bijna schel groen. Ik weet heel goed wat zij ondergaan.

Zij vinden hun uiting.

Steeds de Uwe,

Oscar.

IV

6 April 1897.

Overweeg thans, mijn waarde Robbie, mijn voorstel. Ik denk dat mijn

vrouw die in geldzaken zeer eergevoelig en hooghartig is, de £75,

gestort voor mijn aandeel, zal terugbetalen. Zij zal het ongetwijfeld

doen. Maar ik vind dat het van mijne zijde behoort te worden

aangeboden, en dat ik niets bij wijze van inkomen van haar mag

aannemen. Ik kan aannemen wat in liefde en genegenheid voor mij

gegeven wordt, maar ik zoû niet kunnen aannemen wat mij met tegenzin

of met voorwaarden wordt uitgekeerd. Eer zoû ik mijn vrouw haar

volkomen vrijheid geven. Zij kan dan hertrouwen. In elk geval vertrouw

ik dat zij, als zij vrij was, mij vergunnen zoû van tijd tot tijd mijn

kinderen te zien. Daar heb ik behoefte aan. Maar eerst moet ik haar

haar vrijheid geven, en het is het beste, dit als een man van eer te

doen door met gebogen hoofd in alles te berusten. Overweeg de zaak nog

eens in haar geheel; want door U en Uw slecht overlegd optreden is de

moeilijkheid ontstaan. En laat mij weten hoe Gij en anderen er over

denkt. Natuurlijk hebt Gij uit bestwil gehandeld. Maar Uw kijk op de

zaak was verkeerd. Ik kan in alle oprechtheid zeggen dat ik

geleidelijk kom tot den geestesstand van te denken dat al wat gebeurt,

om bestwil gebeurt. Mogelijk is het wijsgeerig inzicht of een gebroken

hart of godsdienst of de stompe gevoelloosheid van de wanhoop. Maar,

wat er de oorsprong van zij, dit gevoel is machtig in mij. Mijn vrouw

aan mij te binden tegen haar wil zoû verkeerd zijn. Zij heeft volkomen

recht op haar vrijheid. En dan zoû het mij een genoegen zijn, niet

door haar ondersteund te worden. Door haar onderhouden te worden is

vernederend. Bespreek deze zaak met More Adey. Verzoek hem U den brief

te laten zien, dien ik hem geschreven heb. Vraag uw broeder Aleck mij

zijn raad te willen geven. Hij heeft een uitnemend oordeel.

Maar nu wat anders. Ik heb nooit gelegenheid gevonden U te bedanken

voor de boeken. Zij waren allerwelkomst. Dat men mij de tijdschriften

niet toestond, was een slag voor mij, maar Meredith's roman was

verrukkelijk. Welk een gezonde kunstenaarsnatuur! Hij heeft volkomen

gelijk met zijn betoog dat het gezonde het meest wezenlijke

bestanddeel in de romankunst is. Toch heeft tot op dezen dag alleen

het abnormale uitdrukking gevonden in het leven en de litteratuur.

Rossetti's brieven zijn afgrijselijk, in-'t-oog-loopend vervalscht

door zijn broeder. Toch wekte het mijn belangstelling te zien hoe mijn

oudooms _Melmoth_ en mijn moeders _Sidonia_ twee van de boeken waren,

die zijn jeugd boeiden. Wat de samenzwering tegen hem betreft in later

jaren, ik geloof dat die werkelijk bestond, en dat de fondsen

verschaft werden door Hake's Bank.[4] Het gedrag van een merel in

Cheyne Walk lijkt mij zeer verdacht, al zegt William Rossetti: "Ik kon

niets buitengewoons in het zingen van den merel ontdekken." Stevensons

brieven zijn ook een groote teleurstelling. Ik zie dat een romantische

omgeving de slechtst mogelijke omgeving is voor een romantisch

schrijver. In Gower Street had Stevenson een nieuwen _Trois

Mousquetaires_ kunnen schrijven. Op Samoa schreef hij brieven aan de

_Times_ over de Duitschers. Ik zie ook de sporen van een vreeselijke

inspanning om een natuurlijk leven te leiden. Om hout te hakken tot

eenig nut voor zichzelf of voordeel voor anderen, moet men niet

instaat zijn te beschrijven hoe men het doet. Feitelijk is het

natuurlijke leven het onbewuste leven. Stevenson verruimde enkel den

kring van het kunstmatige leven door zich aan het delven te zetten.

Uit het geheele onverkwikkelijke boek heb ik éen les gehaald. Als ik

mijn toekomstig leven doorbreng met Baudelaire te lezen in een

koffiehuis, zal ik een natuurlijker leven leiden dan wanneer ik heggen

zoû gaan knippen of cacao planten in slijkpoelen. _En Route_ wordt erg

overschat.

Het is simpel journalisme. Het doet iemand nooit éen noot hooren van

de muziek die het beschrijft. Het onderwerp is natuurlijk kostelijk,

maar de stijl is waardeloos, slofferig, slap. Het is slechter Fransch

dan dat van Ohnet. Ohnet wil afgezaagd zijn en het gelukt hem.

Huysmans wil het niet zijn en is het toch. Hardy's roman is een

aangenaam boek, en de stijl volmaakt, en die van Harold Frederic is

zeer belangwekkend om zijn inhoud. Daar er zoo goed als geen romans in

de gevangenisbibliotheek zijn voor de arme opgesloten kerels met wie

ik leef, denk ik later eens de bibliotheek te beschenken met

bijvoorbeeld een dozijn goede romans: die van Stevenson (geen aanwezig

dan _The Black Arrow_), enkele van Thackeray (geen aanwezig), van Jane

Austen (geen aanwezig), en enkele goede boeken in den trant van Dumas

père, door Stanley Weyman bijvoorbeeld of eenig ander modern jong

schrijver. Gij noemdet een protégé van Henley[5], nietwaar? Ook den

beschermeling van Anthony Hope zouden wij kunnen nemen. Na Paschen

zoudt Gij een lijst van zoowat veertien boeken kunnen opmaken en

aanvragen ze mij te mogen zenden. Zij zouden goed bevallen aan de

enkelen die niet geven om het _Journal des Goncourt_.[6] Denk er aan

dat ik ze zelf wil betalen. Ik zelf vind het afschuwelijk om in de

wereld terug te komen zonder een enkel boek in mijn bezit. Zouden er

niet onder mijn vrienden zijn, als Cosmo Lennox, Reggie Turner,

Gilbert Burgers, Max en anderen, die mij enkele boeken zouden willen

geven? Gij weet wat soort boeken ik wensch: Flaubert, Stevenson,

Baudelaire, Maeterlinck, Dumas père, Keats, Marlowe, Chatterton,

Coleridge, Anatole France, Gautier, Dante en de geheele

Dante-literatuur, Goethe en de Goethe-literatuur, enzoovoort. Ik zoû

het als een bijzondere vriendelijkheid waardeeren als boeken mij

wachtten, en daar zijn misschien wel onder mijn vrienden enkele die

het op prijs stellen iets voor mij te doen. Ik ben werkelijk heel

dankbaar, al vrees ik dat het dikwijls lijkt van niet. Maar bedenk dat

ik naast het gevangenisleven nog onophoudelijke kwellingen heb gehad.

In antwoord op dezen moogt Gij mij een langen brief schrijven enkel

over tooneelstukken en boeken. Uw schrift, in Uw laatsten, was zoo

verfoeilijk slecht dat het leek of Gij een roman in drie deelen aan 't

schrijven waart over de vreeswekkende uitbreiding der communistische

denkbeelden onder den gegoeden stand, of U op eenige andere wijze

bezig hieldt met het verkwisten van een jeugd die altijd rijk aan

beloften is geweest en blijven zal. Als ik U grief door het aan zulk

een oorzaak toe te schrijven, stel het op rekening van de

overprikkeldheid eener lange gevangenis. Maar schrijf werkelijk

duidelijk. Anders lijkt het alsof Gij iets te verbergen hadt.

Daar staat heel wat afschuwelijks in dezen brief, geloof ik. Maar ik

moest mij over U beklagen bij Uzelf en niet bij anderen. Lees mijn

brief aan More voor. Harris komt mij aanstaanden Zaterdag bezoeken,

hoop ik. Groet Arthur Clifton van mij, en zijn vrouw die, vind ik, zoo

zeer lijkt op Rossetti's vrouw--hetzelfde prachtige haar--maar

natuurlijk een liever natuur is, hoewel Miss Siddal bekorend is en

haar gedicht prima.

Steeds de Uwe,

Oscar.

Noten:

[4] Egmont Hake, schrijver van _Free Trade_ in _Capital_ en

voorvechter van een nieuw systeem van bankwezen, waarover Wilde zich

zeer scheen te vermaken.

[5] Bedoeld is de bekende schrijver H. G. Wells.

[6] Een nieuw deel van het Journal des Goncourt, waarin ook Wilde

besproken werd, was hem toegezonden in de gevangenis.

TWEE BRIEVEN, OVER HET LEVEN IN DE GEVANGENIS, AAN DE "DAILY

CHRONICLE."

I

HET ONTSLAG VAN DEN GEVANGENBEWAARDER MARTIN

D. C. van 28 Mei 1897.

WelEdelgeboren Heer,

Met groot leedwezen lees ik in Uw blad dat de gevangenbewaarder Martin

van de gevangenis te Reading ontslagen is door de Commissie van

Toezicht omdat hij aan een klein kind dat honger had, enkele koekjes

heeft gegeven. Op den Maandag voorafgaande aan mijn ontslag zag ik

zelf de drie bedoelde kinderen. Zij waren juist gevonnist en stonden

in de groote hal op een rij in hun gevangeniskleêren met hun

beddelakens onder hun arm op het punt om weggebracht te worden naar de

voor hen bestemde cellen. Op dat oogenblik kwam ik door een der

zijgangen op weg naar de ontvangkamer om daar een onderhoud met een

vriend te hebben. Het waren heel kleine kinderen, de jongste--aan wien

de gevangenbewaarder de koekjes gafwas een tenger kereltje waarvoor

men klaarblijkelijk geen kleêren had kunnen vinden klein genoeg om te

passen. Ik had natuurlijk veel kinderen in de gevangenis gezien in de

twee jaar dat ik zelf opgesloten was. Vooral de gevangenis te

Wandsworth bevatte steeds een groot aantal kinderen. Maar het kind dat

ik in den namiddag van Maandag 17 dezer te Reading zag, was kleiner en

tengerder dan een van hen. Ik behoef U niet te zeggen hoezeer ontdaan

ik was over het zien dezer kinderen daar; want ik wist welke

behandeling hen wachtte. De wreedheid waarmede dag en nacht kinderen

in Engelsche gevangenissen worden behandeld, is ongeloofelijk behalve

voor hen die haar hebben bijgewoond en de onmenschelijkheid van het

stelsel beseffen.

De menschen van tegenwoordig begrijpen niet wat wreedheid is. Zij

beschouwen haar als een soort schrikkelijken middeleeuwschen

hartstocht, en denken haar verbonden met mannen als Eccelino da Romano

en zijnsgelijken, wien het doordacht pijnigen van anderen een feilen

roes van genot gaf. Maar menschen van het allooi van Eccelino zijn

enkel abnormale typen van een verdorven individualisme. De

alledaagsche wreedheid is eenvoudig stompzinnigheid. Het is volslagen

gebrek aan verbeelding. Zij is in onze dagen het gevolg van

vastgelegde stelselen, van hartvochtig-onwrikbare regelen, en van

stompzinnigheid. Overal waar centralisatie is, is stompzinnigheid.

Het onmenschelijke in het moderne leven is de ambtelijkheid. Gezag is

even afbrekend voor hen die het uitoefenen, als voor hen over wie het

wordt uitgeoefend. Van het gevangenisbestuur en van het stelsel dat

het toepast, gaat in de eerste plaats de wreedheid uit, waarmeê een

kind in de gevangenis behandeld wordt. De menschen die het stelsel

handhaven, hebben uitmuntende bedoelingen. Zij die het toepassen zijn

eveneens menschlievend in bedoeling. De verantwoordelijkheid wordt

geschoven op de verordeningen van tucht. Men gaat van de

veronderstelling uit dat een ding dat eenmaal voorschrift is, daarom

rechtvaardig is.

De huidige behandeling der kinderen is verschrikkelijk, voornamelijk

van de zijde van menschen die de bijzondere zielkunde van de

kindernatuur niet verstaan. Een kind kan een straf begrijpen, die hem

opgelegd wordt door een persoon, bijvoorbeeld een ouder of voogd, en

haar met een zekere berusting dragen. Wat het niet kan begrijpen, is

een straf opgelegd door de maatschappij. Het kan niet beseffen wat de

maatschappij is. Bij volwassenen is het natuurlijk juist andersom.

Diegenen van ons, die in de gevangenis zijn of geweest zijn, kunnen

begrijpen, en doen dat inderdaad, wat die collectieve macht die men

maatschappij noemt, beduidt; en wat wij ook denken over haar wijze van

doen en haar eischen, wij kunnen ons er toe brengen haar te

aanvaarden. Straf, aan den anderen kant, die ons opgelegd wordt door

een persoon, is iets dat geen volwassene verdraagt of verwacht wordt

te verdragen.

Dientengevolge wordt het kind dat van zijn ouders wordt weggenomen

door menschen die het nooit gezien heeft en van wie het niets afweet,

en dat te zitten komt in een eenzame onbekende cel, bewaakt door

vreemde gezichten, onder voordurende bevelen en bestraffingen van de

vertegenwoordigers van een stelsel dat het niet kan begrijpen, een

onmiddellijke prooi van de eerste en meest voor de hand liggende

aandoening die het moderne gevangenisleven veroorzaakt: angst. De

angst van een kind in de gevangenis is volkomen mateloos. Ik herinner

mij hoe ik eens te Reading, op weg naar buiten ter dagelijksche

oefening, in de schemerlichte cel vlak tegenover mijn eigene een

kleinen jongen zag. Twee bewaarders--geen onwelwillende

menschen--spraken met hem, klaarblijkelijk eenigszins streng, of

misschien ook gaven zij hem een of andere nuttige vermaning omtrent

zijn gedrag. De éene was bij hem in de cel, de ander stond buiten. Het

gezicht van het kind was zoo wit als een doek van louter angst. In

zijn oogen was de angst van een gejaagd dier. Den volgenden ochtend

hoorde ik onder het morgeneten hem huilen en roepen om naar buiten

gelaten te worden. Hij riep om zijn ouders. Van tijd tot tijd hoorde

ik de zware stem van den bewaarder die dienst had, hem zeggen dat hij

zich stil moest houden. Toch was hij zelfs nog niet gevonnist voor

het kleine misdrijf, wat het ook geweest moge zijn, dat men hem ten

laste had gelegd. Hij was eenvoudig in arrest. Dat wist ik, omdat hij

zijn eigen kleêren droeg, die er vrij netjes uitzagen. Toch droeg hij

gevangenissokken en -schoenen. Hieruit bleek dat hij een heel arme

jongen was, wiens eigen schoenen, als hij er had, in slechten staat

waren. Rechters en overheden, door de bank een volslagen onwetende

classe, geven kinderen vaak een week arrest, en schelden hun dan

mogelijk een of ander vonnis kwijt, dat zij recht hebben over hen te

spreken. Zij noemen dat "een kind niet naar de gevangenis sturen". Het

is natuurlijk een domme kijk op de zaak. De fijne onderscheiding in

maatschappelijke positie, of hij in de gevangenis is in arrest of

gevonnist, kan een klein kind niet vatten. Enkel daar te zijn is voor

hem een afgrijselijk ding. Enkel dat hij daar is, behoort een

afgrijselijk ding te zijn in de oogen der menschelijkheid.

Deze angst die het kind, evengoed als den volwassene, aangrijpt en

beheerscht, wordt natuurlijk nog op onbeschrijfelijke wijze versterkt

door het systeem der afzonderlijke cellen in onze gevangenissen. Een

kind gedurende drie-en-twintig van de vier-en-twintig uren op te

sluiten in een schemerlichte cel is een voorbeeld van de wreedheid der

stompzinnigheid. Als een gewoon mensch, een ouder of een voogd, dit

met een kind deed, zoû hij streng gestraft worden. Het Genootschap ter

voorkoming van mishandeling van kinderen zoû de zaak terstond ter

hand nemen. Van alle kanten zoû de grootste afschuw blijken voor

iemand die zich aan zulk een wreedheid had schuldig gemaakt. Een zware

straf zoû ongetwijfeld volgen op de gebleken schuld. Maar onze huidige

maatschappij doet zelf erger, en voor een kind is het veel erger zoo

behandeld te worden door een vreemde onpersoonlijke macht, van wier

eischen het geen begrip heeft, dan het zoû wezen om dezelfde

behandeling te ondergaan van zijn vader of moeder of iemand dien het

kende. De onmenschelijke behandeling van een kind is altijd

onmenschelijk, wie haar ook aandoet. Maar onmenschelijke behandeling

door de maatschappij is voor een kind des te schrikkelijker omdat geen

beroep mogelijk is. Een ouder of voogd kunnen vermurwd worden om het

kind uit de donkere eenzame kamer te laten, waarin het opgesloten zit.

Maar een bewaarder kan dat niet. De meeste bewaarders houden veel van

kinderen. Maar het stelsel verhindert hen het kind eenigen bijstand te

geven. Als zij het zouden doen, getuige Martin, worden zij ontslagen.

Een tweede ding waarvan een kind in de gevangenis te lijden heeft, is

honger. Het voedsel dat het krijgt, bestaat uit een stuk gemeenlijk

slecht gebakken gevangenisbrood en een kroes water als ontbijt om half

acht. Om twaalf uur krijgt het middageten in den vorm van een portie

grove maïsbrij; en om half zes krijgt het een stuk droog brood met

een kroes water voor avondeten. Deze dagkost is bij een krachtig man

altijd aanleiding tot een of andere ongesteldheid, voornamelijk, als

in de rede ligt, buikloop met zijn verzwakkende gevolgen. In een

groote gevangenis worden dan ook door de bewaarders geregeld

stopmiddelen uitgereikt als iets dat van zelf spreekt. Maar een kind

is in den regel onbekwaam om het voedsel ook maar te eten. Elk die

iets van kinderen afweet, weet hoe licht de spijsvertering van een

kind gestoord wordt door een huilbui, door alle soort verdriet en

geestelijk lijden. Een kind dat den geheelen dag en misschien den

halven nacht in een eenzame schemerlichte cel heeft gehuild en

vervolgd wordt door angst, kan zulk grof afschuwelijk voedsel

eenvoudig niet eten. Zoo huilde het kleine kind waaraan de bewaarder

Martin de koekjes gaf, op Dinsdagmorgen van honger, en was volkomen

onmachtig het brood en water dat het voor ontbijt gekregen had, te

nuttigen. Nadat het ontbijt was uitgereikt, ging Martin uit en kocht

de enkele koekjes voor het kind liever dan het te zien honger lijden.

Het was een edele daad van hem, en werd als zoodanig erkend door het

kind, dat, volkomen onbekend met de voorschriften van het

gevangenisbestuur, een der oudere bewaarders vertelde hoe lief deze

jongere bewaarder voor hem geweest was. Het gevolg was natuurlijk een

rapport en ontslag.

Ik ken Martin buitengewoon goed en stond onder zijn toezicht

gedurende de laatste zeven weken van mijn gevangenschap. Bij zijn

aanstelling te Reading kreeg hij het toezicht over de zijgang C waarin

ik opgesloten zat, en dus zag ik hem voortdurend. Ik werd getroffen

door de uitzonderlijke vriendelijkheid en goedhartigheid in zijn wijze

van spreken tot mij en de overige gevangenen. Vriendelijke woorden

beduiden veel in de gevangenis, en met een aangenaam "goedenmorgen" of

"goedenavond" maakt men iemand zoo gelukkig als hij dat in de

gevangenis wezen kan. Hij was altijd toeschietelijk en welwillend. Ik

weet bij toeval van een ander geval af, waarin hij zich zeer

vriendelijk betoonde tegenover een der gevangenen, en ik aarzel niet

het te vermelden. Een der meest afgrijselijke dingen in de gevangenis

is de slechte inrichting op sanitaire gebied. Geen gevangene mag,

onder welke omstandigheden ook, zijn cel verlaten na half zes in den

namiddag. Indien hij derhalve aan buikloop lijdt, moet hij zijn cel

gebruiken als privaat en den nacht doorbrengen in de meest vunze en

ongezonde atmosfeer. Enkele dagen vóor mijn ontslag deed Martin met

een der oudere bewaarders de ronde met het doel om het uitgeplozen

touw en de gereedschappen der gevangenen in te zamelen. Een man die

pas gevangen zat, en tengevolge van het voedsel, zooals steeds het

geval is, aan hevigen buikloop leed, vroeg den ouderen bewaarder

vergunning zijn vuilnisvat te mogen leêgmaken wegens den

afgrijselijken stank der cel en de mogelijkheid van een nieuwen

aanval in den nacht. De oudere bewaarder weigerde onverbiddelijk; het

was tegen de voorschriften. De man zoû den nacht hebben moeten

doorbrengen in dezen vreeselijken toestand. Martin echter kon dezen

ongelukkige niet in zulk een walgelijken staat zien en zeide dat hij

zelf het voor hem zoû doen en deed naar zijn woorden. Dat een

bewaarder het vuilnisvat van een gevangene leêgmaakt, is natuurlijk in

strijd met de voorschriften, maar Martin bewees deze daad van

welwillendheid aan den man uit eenvoudige natuurlijke goedhartigheid,

en de man, als van zelf spreekt, was hem er zeer dankbaar voor.

De profundis(#13585) · 第 6 / 8 段