krachten beperkt in uitgestrektheid en in duur evenzeer als de
krachten der physische energie. De kleine wijnbeker die gemaakt is om
een zekere hoeveelheid in te houden, houdt zooveel in en niet meer, al
staan al de purperen kuipen van Bourgondië boordevol wijn en zinken de
treders tot hun knieën in de saamgelezen druiven van de steenige
wijngaarden van Spanje. Geen dwaling is meer algemeen dan dat men
denkt dat zij die de oorzaak of aanleiding xijn van des levens groote
treurspelen, de gevoelens zouden deelen, die passen bij de tragische
stemming; geen dwaling is noodlottiger dan het van hen te verwachten.
De martelaar in zijn "mantel van vlammen" moge het aangezicht van God
aanschouwen, maar voor hem die de takkebossen opstapelt of in de
vlammende houtblokken rakelt, is het geheele tooneel niet meer dan het
kelen van een os is voor den slager, of het vellen van een boom voor
den kolenbrander in het bosch of het vallen van een bloem voor den man
die het gras neêrmaait met de zeis. Groote hartstochten zijn voor de
grooten van ziel, en groote gebeurtenissen kunnen alleen gezien worden
door hen die op dezelfde hoogte staan als zij. Wij denken dat wij onze
gevoelsaandoeningen voor niets krijgen. Dat is niet zoo. Zelfs de
uitgelezenste en meest zelfopofferende aandoeningen moeten betaald
worden. Vreemd genoeg, dit juist maakt haar uitgelezen. Het
verstands-en gevoelsleven van de doorsneê-menschen is een zeer
verachtelijk gedoe. Volmaakt als zij hun denkbeelden borgen uit een
soort gedachten-leesgezelschap--den _Zeitgeist_ van een eeuw
zonder ziel--en hen aan het eind van iedere week beduimeld
terugzenden, zoo beproeven zij altijd hun aandoeningen op crediet te
krijgen of weigeren de rekening te betalen als die aangeboden wordt.
Wij moeten die levensopvatting te boven komen; zoodra wij te betalen
hebben voor een aandoening, leeren wij haar soortelijke waarde kennen
en behalen winst met die kennis. Bedenk dat de sentimenteele altijd
een cynicus is in zijn hart. In werkelijkheid is sentimentaliteit
enkel cynisme op zijn uitgaansdag. En al is cynisme vermakelijk om
zijn intellectueelen kant, nu het heerenmanieren heeft aangeleerd en
in fatsoenlijk gezelschap komt, kan het toch nooit meer zijn dan de
volmaakte philosophie voor een man zonder ziel. Het heeft zijn
maatschappelijke waarde, en voor een kunstenaar zijn alle wijzen van
uitdrukking belangwekkend. Maar op zichzelf is het een poovere zaak,
want daar is niets wat zich ooit aan den waarachtigen cynicus
openbaart.
* * * * *
Ik ken in de geheele dramatiek niets onvergelijkelijkers uit het
oogpunt van kunst, niets suggestievers in zijn verfijndheid van
waarneming, dan Shakespeare's karakter-teekening van Rosencrantz en
Guildenstern. Zij zijn akademie-vrienden van Hamlet. Zij zijn zijne
kameraden geweest. Zij brengen met zich herinneringen aan aangename
dagen samen doorgebracht. Op het oogenblik dat zij hem ontmoeten in
het spel, wankelt hij onder het gewicht van een last ondragelijk voor
iemand van zijn gemoedsaard. De dooden zijn gewapend en wel uit het
graf gekomen om hem een zending op te leggen, die tegelijk te groot en
te min voor hem is. Hij is een droomer en hij wordt opgeroepen om te
handelen. Hij heeft den aanleg van den dichter, en men vraagt hem het
op te nemen met de alledaagsche verwikkeldheid van oorzaak en gevolg,
met het leven in zijn praktische toepassing, waarvan hij niets
afweet, en niet met het leven in zijn ideëele wezenheid, dat hem zoo
welbekend is. Hij heeft geen flauw begrip van wat hij doen moet, en
zijn krankzinnigheid is het veinzen van krankzinnigheid. Brutus
gebruikte den waanzin als een mantel om het zwaard van zijn
bedoelingen, den dolk van zijn streven te verbergen, maar bij Hamlet
is de waanzin slechts een masker waarachter zich zwakheid verschuilt.
In gril en kortswijl ziet hij een kans tot uitstel. Aldoor speelt hij
met de daad zooals een kunstenaar zijn spel drijft met een
levensbeschouwing. Hij wordt de bespieder zijner eigen handelingen, en
terwijl hij luistert naar zijn eigen woorden, weet hij dat het slechts
"woorden, woorden, en nog eens woorden" zijn. In steê te beproeven de
held van zijn eigen geschiedenis te zijn, tracht hij de toeschouwer
van zijn ondergang te wezen. Hij gelooft in niets, zichzelf
meêgerekend, en toch baat zijn twijfel hem niet, daar deze niet
voortkomt uit bewuste twijfelzucht, maar uit een verdeelden wil.
Van dit alles worden Guildenstern en Rosencrantz niets gewaar. Zij
buigen en meesmuilen en glimlachen, en wat de een zegt, herhaalt de
ander als een ziekelijke echo. Wanneer ten slotte, door middel van de
marionettenvertooning van het tooneelspel in het tooneelspel, Hamlet
's konings "geweten betrapt", en den rampzaligen schelm in angst en
beven van zijn troon jaagt, zien Guildenstern en Rosencrantz in zijn
gedraging niet meer dan een vrij pijnlijke inbreuk op de hofetikette.
Zoo ver kunnen zij het brengen in "het gadeslaan van des levens
schouwspel met geëigende ontroeringen". Zij branden zich aan Hamlets
geheim en weten er niets van. Ook zoû het niet baten hen in te
lichten. Zij zijn de kleine bekers die een zekere hoeveelheid kunnen
inhouden en niet meer. Tegen het eind van het stuk wordt er op
gezinspeeld dat zij, gevangen in een listigen val die voor een ander
gezet was, een gewelddadigen en plotselingen dood hebben gevonden of
mogelijk zullen vinden. Maar zulk een tragisch uiteind, al kleurt
Hamlets humor het eenigszins met de verrassende vergelding die op het
tooneel mogelijk is, bestaat in de werkelijkheid niet voor
persoonlijkheden als zij. Zij sterven nooit. Horatio, die, "om Hamlet
en zijn zaak naar waarheid voor te dragen aan de onbevredigden",
"De zaligheid een wijl den rug toekeert
En moeizaam ademt in dees wrange weerld,"
een als Horatio sterft, al is het niet voor de oogen der toeschouwers,
en laat geen broeder na. Maar Guildenstern en Rosencrantz zijn even
onsterfelijk als Angelo en Tartuffe, en behooren met hen op hetzelfde
plan gesteld te worden. Zij zijn de bijdrage van het moderne leven tot
het antieke ideaal der vriendschap. Wie een nieuw "De Amicitia"
schrijft, moet daarin een nis voor hen uitvinden en hen prijzen in
Tusculaansch proza. Zij zijn typen voor altijd vastgesteld. Hun de les
te willen lezen zoû "gebrek aan waardeeringsvermogen" bewijzen. Zij
zijn enkel buiten hun sfeer, anders niet. Verhevenheid van ziel is
niet aanstekelijk. Hooge gedachten en hooge aandoeningen zijn, door
het feit zelf van haar bestaan, vereenzaamd.
Als alles goed gaat, reken ik vrij te komen tegen het eind van Mei en
hoop dan dadelijk met Robbie en More naar een of ander buitenlandsch
dorpje aan zee te gaan. De zee, zooals Euripides zegt in een van zijn
Iphigeneia-drama's, wascht der wereld smetten en wonden weg.
Ik hoop minstens een maand met mijn vrienden samen te zijn om vrede en
evenwicht, een minder bedrukt hart en een zachtere gestemdheid te
winnen; en dan als ik mij sterk genoeg voel, zal ik door tusschenkomst
van Robbie schikkingen nemen om te gaan wonen in een of andere rustige
buitenlandsche stad, bijvoorbeeld Brugge, waarvan jaren geleden de
grauwe huizen en groene grachten en koele stille wandelwegen mij
bekoorden. Ik voel een ongewoon verlangen naar de groote eenvoudige
dingen van den oertijd, zooals naar de zee die niet minder dan de
aarde aandoet als een moeder. Het komt mij voor dat wij allen te veel
naar de natuur kijken en te weinig met haar leven. In de houding der
Grieken tot haar onderscheid ik iets zeer gezonds. Zij hadden nooit
den mond vol van zonsondergangen, zij kenden geen lange besprekingen
over de vraag of de schaduwen op het gras werkelijk paars zien of
niet. Maar zij zagen dat de zee voor den zwemmer was, en het zand
voor de voeten van den hardlooper. Zij hielden van de boomen om de
schaduw die zij werpen, en van het woud om zijn stilte op den middag.
De wijngaardenier omwond zijn haren met klimop om de stralen van de
zon te weren als hij bukte over de jonge scheuten, en voor den
kunstenaar en den athleet, de beide typen die Griekenland ons
geschonken heeft, vlochten zij in kransen de bladeren van den bitteren
laurier en van de wilde eppe, die anders den menschen tot geen dienst
zouden geweest zijn.
Wij noemen onzen tijd den tijd der nuttigheid, en daar is niet éen
enkel ding waarvan wij het nut kennen. Wij zijn vergeten dat het water
kan reinigen, en het vuur zuiveren, en dat de aarde ons aller moeder
is. Het gevolg is dat onze kunst, een kunst van maneschijn, speelt met
schimmen, terwijl de Grieksche, de kunst van zonneschijn, de dingen
rechtstreeks hanteert. Ik ben overtuigd dat in de krachten der
elementen loutering te vinden is, en ik wil tot hen wederkeeren en
leven in hun tegenwoordigheid.
* * * * *
Niet zonder reden of doel heb ik mij in mijn levenslangen dienst der
letteren gemaakt
"Niet minder vrek om klank en lettergreep
Dan Midas om zijn goud."
Ik mag niet bang zijn voor mijn verleden; als de menschen mij
vertellen dat het onherroepelijk is, zal ik hen niet gelooven;
verleden, heden, toekomst zijn éen oogenblik in de oogen van God,
onder wiens oogen het ons trachten moet zijn te leven. Tijd en ruimte,
opvolging en uitgestrektheid, zijn enkel toevallige staten der
gedachte; de verbeelding laat hen achter zich en beweegt zich in een
vrije sfeer van ideëele bestaanswijzen. De dingen zijn in hun
wezenheid wat wij hen believen te maken; een ding bestaat naar de
wijze waarop wij het bezien. "Waar anderen", zegt Blake, "enkel den
dageraad zien komen van over den heuvel, zie ik de zonen Gods jubelen
van vreugde." Wat der wereld en mijzelf mijn toekomst leek, verbruide
ik toen ik mij door smading liet verlokken tot een proces tegen
Queensberry; eigenlijk verbruide ik haar lang vóordien. Wat voor mij
ligt, is mijn verleden. Ik moet dat leeren aanzien met andere oogen om
te maken dat God het met andere oogen aanziet. Dit kan ik niet door
het te negeeren of gering te schatten of te prijzen of te loochenen;
het is enkel mogelijk door het aan te nemen als een onvermijdelijk
deel van de ontwikkeling van mijn leven en aanleg: door mijn hoofd te
buigen onder al wat ik geleden heb. Hoe ver ik verwijderd ben van den
waarachtigen stand der ziel, komt duidelijk aan den dag uit dezen
brief met zijn veranderlijke onzekere stemmingen, zijn haat en
bitterheid, zijn bestrevingen en zijn tekortschieten in het
verwezenlijken dier bestrevingen. Maar vergeet niet in welk een
schrikkelijke school ik voor mijn taak zit, en bij mijn
onvolledigheid en onvolmaaktheid kunnen mijn vrienden nog veel winnen.
Zij kwamen tot mij om levensgenot en kunstgenot te leeren. Misschien
ben ik uitverkoren om hun iets wonderbaarlijkers te onderwijzen, de
beteekenis van smart en hare schoonheid.
Natuurlijk zal voor iemand zoo modern als ik, "enfant de mon siècle",
alleen al de aanblik der wereld steeds een verrukking zijn. Ik beef
van het blijde bedenken dat op den eigen dag waarop ik uit de
gevangenis kom, zoowel de goudenregen als de seringen zullen bloeien
in de tuinen, en dat ik zal zien hoe de wind het luchtige goud tot
rustelooze schoonheid aanzet en het bleeke purper der trossen doet
deinen, zoodat het mij wezen zal als ademde ik onder den hemel van
Arabië. Linnaeus viel op zijn knieën en weende van vreugde toen hij
voor het eerst zag de wijde heide van een of andere Engelsche
hoogvlakte geel van de taankleurige reukige bloesems der gemeene brem;
en ik weet dat mij, die geen verlangen kan denken zonder bloemen,
tranen wachten ergens in de bladen eener roos. Zoo ben ik altijd
geweest van jongen af. Daar is niet éen tint verscholen in den kelk
van een bloem of in de ronding eener schelp, of, door een ragteeder
medevoelen met de ziel zelf der dingen, doet zij mijn diepste wezen
aan. Evenals Gautier ben ik altijd een geweest van hen "pour qui le
monde visible existe".
Toch ben ik mij nu bewust dat achter al deze schoonheid, hoezeer zij
mij voldoening geeft, een geest verscholen is, waarvan de kleurige
vormen en gedaanten slechts wijzen van openbaring zijn, en met dezen
geest begeer ik in harmonisch verband te komen. De zin-tastbare
uitdrukkingen van menschen en dingen ben ik moede geworden. Het
mystieke in de kunst, het mystieke in het leven, het mystieke in de
natuur--dat is het waar ik naar speur. Het is een volstrekte behoefte
voor mij het ergens te vinden.
Wie terecht stond, staat terecht voor zijn heele leven, evenals alle
vonnissen doodvonnissen zijn. En ik heb driemaal terechtgestaan. Den
eersten keer verliet ik de getuigenbank om gevangen gezet te worden,
den tweeden keer om teruggebracht te worden naar het huis van
bewaring, den derden keer om voor twee jaar naar de gevangenis te
gaan. De maatschappij, zooals wij die eenmaal hebben ingericht, zal
mij geen plaats willen geven en heeft die ook niet beschikbaar, maar
de natuur wier zoete regen valt op onrechtvaardigen en rechtvaardigen
zonder onderscheid, heeft kloven in de rotsen waar ik mij zal kunnen
verschuilen, en heimelijke dalen waar ik ongestoord zal kunnen weenen.
Zij zal den nacht behangen met sterren dat ik dolen kan in de
duisternis zonder struikelen, en zal den wind zenden over mijn
voetsporen dat niemand mij zal kunnen achtervolgen om mij kwaad te
doen: zij zal mij reinigen in hare groote wateren en met hare bittere
kruiden mij heelen.
Bijlagen
VIER BRIEVEN UIT DE GEVANGENIS TE READING AAN ROBERT ROSS
I
10 Maart 1896.
Mijn waarde Robbie,
Ik zag gaarne dat Gij dadelijk aan den advocaat den Heer--per brief
liet weten dat, aangezien mijne vrouw beloofd heeft, bij geval van
vroeger overlijden, mij een derde deel van haar vermogen na te laten,
ik niet het minste bezwaar heb tegen haar wensch om mijn recht op het
vruchtgebruik af te koopen. Ik gevoel dat ik zulk een leed over haar
gebracht heb, en zulk een ongeluk over mijne kinderen, dat ik geen
recht heb haar wenschen in eenig ding tegen te gaan. Zij was minzaam
en goed jegens mij, toen zij mij hier bezocht. Ik vertrouw haar
tenvolle. Wilt Gij hier dadelijk voor zorgen, en ook aan mijne
vrienden mijn dank overbrengen voor hun goedheid? Voor mijn gevoel
handel ik naar plicht, wanneer ik dit aan mijn vrouw overlaat.
Schrijf ook, als Gij wilt, aan Stuart Merrill te Parijs of aan Robert
Sherard om hun te zeggen hoe gelukkig ik was met de vertooning van
mijn stuk, en breng mijn dank over aan Lugne-Poë[1]. Het is een heel
ding dat ik in een tijd van smaad en schande nog als kunstenaar
beschouwd word. Ik zoû wel willen dat het mij meer vreugde gaf, maar
ik schijn dood voor alle aandoening behalve die van hartzeer en
wanhoop. Wees toch zoo goed aan Lugne-Poë te laten weten dat ik
gevoelig ben voor de eer die hij mij heeft aangedaan. Hij is zelf
dichter. Ik vrees dat het U moeilijk zal vallen dezen te lezen, maar
daar men mij geen schrijfgereedschap veroorlooft, schijn ik het
schrijven te hebben verleerd. In elk geval neem het niet kwalijk.
Bedank More voor de moeite die hij genomen heeft met de boeken.
Ongelukkig krijg ik hoofdpijn als ik mijn Grieksche en Romeinsche
dichters lees. Ik heb er dus niet veel aan gehad. Maar het was
buitengewoon vriendelijk van hem de boeken voor mij aan te schaffen.
Vraag hem mijn dankbaarheid te uiten aan de dame die te Wimbledon
woont. Wacht niet te lang met een antwoord, en vertel mij wat van de
literatuur, van nieuwe boeken, enz.--ook van het stuk van Jones en van
Forbes-Robertson als tooneeldirecteur--en van elke nieuwe strooming in
het tooneelleven te Parijs of te Londen. Beproef ook onder oogen te
krijgen wat Lemaître, Bauer en Sarcey gezegd hebben over _Salomé_, en
geef er mij een kort overzicht van; schrijf aan Henri Bauer dat ik
getroffen ben door zijn vriendelijk opstel; Robert Sherard kent hem
persoonlijk. Het was lief van U mij op te zoeken. Gij moet den
volgenden keer weêr komen. Ik heb hier de verschrikking om mij van den
dood, waarbij de nog grooter verschrikking komt van te leven, en in
stilzwijgen en ellende....[2]
...Ik denk altijd aan U met diepe genegenheid. Ik zag graag dat Ernest
in Oakley Street mijn handkoffer haalde, mijn pels, mijn kleêren en de
exemplaren van mijn eigen werken, die ik aan mijn lieve moeder schonk.
Informeer bij Leverson, op wiens naam mijn moeders graf genomen werd.
Steeds Uw vriend,
Oscar Wilde.
Noten:
[1] In 1896 werd Salomé het eerst opgevoerd te Parijs door Lugne-Poë,
die zelf Herodes speelde.
[2] Hier werd een stuk uit den brief geknipt door den toenmaligen
directeur der gevangenis te Reading, den majoor Isacson. Hij werd nog
in Wilde's tijd opgevolgd door den majoor Nelson.
II
Zonder datum. Geschreven na September 1896.
...De laatste punten die uitsluitend zaken betreffen, zal More Adey
wel zoo vriendelijk zijn te beantwoorden. Men zal geen bezwaar maken
dat ik zijn brief ontvang, als die enkel over zaken loopt. Zijn
schrijven, bedoel ik, zal Uw letterkundigen brief niet in den weg
staan, waarvan de directeur mij zooeven Uwe vriendelijke aankondiging
heeft voorgelezen.
Over mijzelf, mijn waarde Robbie, heb ik weinig wat U aangenaam kan
zijn, mede te deelen. De weigering om mijn straftijd te verkorten was
mij als een loodzware sabelhouw. Een dof gevoel van smart versuft mij.
Ik had geteerd op hoop, en nu teert het ziele wee na zijn lang vasten
tot verzadiging toe op mij, alsof zijn eigen honger het had
uitgemergeld. Toch zijn er vriendelijker elementen werkzaam in deze
bedorven gevangenislucht dan vroeger: menigmaal is mij medegevoel
betoond, en ik gevoel mij niet langer volslagen verstoken van
menschelijke invloeden, wat voordien een bron van verschrikking en
kwelling voor mij was. En ik lees Dante, en maak uittreksels en
aanteekeningen om het loutere genot van met pen en inkt bezig te zijn.
En het lijkt mij dat het mij in vele opzichten beter gaat, en ik ben
van plan hier Duitsch te gaan studeeren. Inderdaad schijnt de
gevangenis mij de aangewezen plaats voor zulk een studie. Toch heb ik
een doorn in mijn vleesch--even pijnlijk, schoon van een andere soort,
als die waarvan Paulus spreekt--een doorn dien ik nog in dezen brief
moet uittrekken. Hij is het gevolg van een bericht dat Gij mij op een
stuk papier geschreven hebt toegezonden. Ik gevoel dat, als ik hem
verheimlijkte, hij in mijn geest groeien zoû (zoo als vergiftige
dingen groeien in het donker) en met éen vermeerderen de andere
schrikkelijke gedachten die aan mij knagen. Want voor hen die eenzaam
en zwijgend in banden zitten, is de gedachte niet, zooals Platoon het
voorstelt, een "gevleugeld levend wezen", maar een dood ding dat
afgrijzen teelt, evenals een poel die gedrochten toont aan de maan.
Ik doel natuurlijk op Uwe woorden, dat de sympathie der anderen van
mij vervreemdde of dreigde te vervreemden om de diepe verbittering
mijner gevoelens, en ik geloof dat mijn brief werd uitgeleend en
getoond aan derden.... Welnu, ik houd er niet van, dat mijn brieven te
kijk gegeven worden als curiositeiten: dat is bijzonder grievend voor
mij. Ik schrijf U open en eerlijk als aan een der bemindste vrienden
die ik heb en ooit gehad heb, en, op een enkele uitzondering na,
raakt de sympathie en vooral het verlies der sympathie van anderen mij
zeer weinig. Geen man van mijn positie kan in levens slijk vallen
zonder zich heel wat medelijden te berokkenen van zijn minderen; ook
weet ik dat, wanneer een tooneelspel te lang duurt, de toeschouwers
moede worden. Mijn tragedie heeft veel te lang geduurd, haar
hoogtepunt is voorbij, de afloop is alledaagsch; en ik ben volkomen
overtuigd dat, als het einde komt, ik wederkeeren zal als een onwelkom
bezoeker voor een wereld die mij niet gebruiken kan, _un revenant_
zooals de Franschen zeggen, een spook wiens gelaat vergrauwd is van
lange gevangenschap en verwrongen van lijden. Schrikkelijk zijn de
dooden wanneer zij rijzen uit hun graven, maar de levenden die uit hun
graven komen, zijn nog schrikkelijker. Van dit alles ben ik mij maar
al te zeer bewust. Wanneer iemand achttien vreeselijke maanden lang in
een gevangeniscel geweest is, ziet hij de dingen en de menschen zooals
zij werkelijk zijn. Dat gezicht verkeert iemand in steen.
Denk niet dat ik wien ook verwijt zoû willen maken van mijne
ondeugden. Mijn vrienden hadden daarmeê even weinig te maken als ik
met de hunne. De natuur was in dit opzicht ons aller stiefmoeder. Wat
ik hun wel verwijt, is dat zij den mensch dien zij te gronde richtten,
niet waardeerden. Wat kon het hun schelen zoolang mijn tafel rood was
van wijn en rozen? Mijn genie, mijn leven als kunstenaar, mijn werk en
de rust die ik daarvoor noodig had, golden hun niets. Ik geef toe dat
ik mijn hoofd kwijt raakte. Ik was buiten zinnen, onmachtig tot
oordeel. Ik deed den éenen noodlottigen stap. En nu zit ik hier op een
houten bank in een gevangeniscel. In alle treurspelen is een
belachelijk element. Gij kent het in het mijne. Denk niet dat ik
mijzelf geen verwijt maak. Ik vervloek mijzelf dag en nacht om de
dwaasheid dat ik iets buiten mij mijn leven liet beheerschen. Als er
een echo was in deze muren, zoû zij voor eeuwig het woord "dwaas"
herhalen. Ik schaam mij uitermate over mijn vriendschappen.... Want
naar hun vrienden kan men de menschen beoordeelen. Het is de toets
voor iedereen. En ik onderga als een grievende verlaging de schaamte
over mijne vriendschappen waarvan gij een volledig verslag kunt lezen
in mijn proces. Het is voor mij een dagelijksche bron van geestelijke
vernedering. Aan sommige van haar denk ik nooit. Zij vallen mij niet
lastig. Maar wat doet het er toe?.... Om de waarheid te zeggen, lijkt
mijn geheele tragedie mij belachelijk en niets meer. Want doordat ik
mij liet lokken in een val ... in den vuilsten modder van Malebolge,
zit ik nu tusschen Gilles de Retz en den markies de Sade. Er zijn
plaatsen waar het niemand geoorloofd is te lachen behalve werkelijk
krankzinnigen, en zelfs in hun geval is het nog een inbreuk op het
voorgeschreven gedraganders geloof ik dat ik er om zou kunnen lachen.
.... Laat overigens niemand veronderstellen, dat ik anderen onwaardige
beweegredenen toeschrijf. In waarheid waren zij in het leven
beweegredenen rijk. Beweegredenen zijn intellectueele dingen. Zij
hadden enkel hartstochten, en dergelijke hartstochten zijn valsche
goden die slachtoffers eischen tot elken prijs, en in dit geval een
slachtoffer hebben gehad, bekranst met laurier.
Nu heb ik den doorn uitgetrokken. Die weinige neêrgekrabbelde woorden
van U woekerden vreeselijk. Nu denk ik enkel aan Uw ophanden herstel
en hoe gij mij eindelijk het wonderbaarlijke verhaal van.... schrijven
zult.
Breng mijne dankbare groeten over aan Uw lieve moeder en ook aan
Aleck. De "Vergulde Sphinx"[3] is, denk ik, even bewonderenswaardig
als ooit. En zend uit mijn naam al wat er goeds is in mijn gedachten
en gevoelens en alle herdenken en vereering die zij wil aannemen, aan
de dame te Wimbledon, wier ziel een heiligdom is voor de gewonden en
een huis van toevlucht voor de lijdenden. Laat dezen brief niet zien
aan anderen, en kom in Uw antwoord niet weêr terug op wat ik
geschreven heb. Vertel mij van die wereld van schimmen, waar ik
zooveel van gehouden heb. En ook van het leven en van de ziel. Ik ben
benieuwd naar de angels die mij hebben, en in mijn smart is
medelijden.
De Uwe,
Oscar.
Noten:
[3] Bijnaam van de knappe schrijfster van "_The Twelfth Hour_."
Zij maakte kennis met Wilde naar aanleiding van haar vermakelijke
parodieën van zijn werk in _Punch_. Zij ontving hem in haar huis in
1895, toen hij in den loop van zijn proces vrijgelaten was tegen
borgtocht.
III
1 April 1897.
Mijn waarde Robbie,