Het lijkt een zeer gevaarlijk denkbeeld. Het is het inderdaad--alle

groote denkbeelden zijn gevaarlijk. Dat het Christus' geloof was,

daaromtrent is geen twijfel mogelijk. Dat het het ware geloof is, daar

twijfel ik zelf niet aan.

Natuurlijk moet de zondaar tot inkeer komen. Maar waarom? Eenvoudig

omdat hij anders niet instaat zoû zijn te beseffen wat hij gedaan

heeft. Het oogenblik van het berouw is het oogenblik der inwijding.

Meer dan dat: het is het middel waardoor men zijn verleden verandert.

De Grieken achtten dat onmogelijk. Zij zeggen vaak in hun gnomische

aphorismen: "Zelfs de Goden kunnen het verleden niet veranderen."

Christus toonde aan dat de gemeenste zondaar het kon, dat het het

eenige was, dat hij kon doen. Als men er hem naar gevraagd had, zoû

Christus--ik ben er volkomen zeker van--gezegd hebben dat de verloren

zoon in het oogenblik dat hij op zijn knieën viel en weende, de

verkwisting van zijn vermogen met lichtekooien, zijn zwijnenhoeden en

zijn hongeren naar den draf dien zij aten, tot schoone en heilige

oogenblikken in zijn leven maakte. Het is voor de meeste menschen

moeilijk het denkbeeld te vatten. Ik denk dat men gevangen moet zitten

om het te begrijpen. Als dat zoo is, is het der moeite waard gevangen

te zitten.

De figuur van Christus heeft iets zoo zeer eenigs. Zeker, evenals er

schijnbare dageraden aan den dageraad zelf voorafgaan, en winterdagen

zoo vol plotselingen zonneschijn kunnen zijn, dat zij de wijze crocus

misleiden om haar goud te verkwisten vóor den tijd en een of ander

onnoozel vogeltje er toe brengen zijn gaaike te roepen om op naakte

takken een nest te bouwen, waren er Christenen vóor Christus. Daarvoor

kunnen wij slechts dankbaar zijn. Het ongeluk is dat er sindsdien geen

geweest zijn. Ik maak éen uitzondering, den heiligen Franciscus van

Assisi. Maar God had hem bij zijn geboorte de ziel van een dichter

gegeven, en hij zelf had in prille jeugd in een mystiek huwelijk

armoede als bruid genomen: met de ziel van een dichter en het lichaam

van een bedelaar vond hij den weg ter volkomenheid niet moeilijk. Hij

begreep Christus, en werd zoo aan hem gelijk. Wij hebben het _Liber

Conformitatum_ niet noodig om te leeren dat het leven van den

heiligen Franciscus de ware _Imitatio Christi_ was, een gedicht

in vergelijking waarmede het boek van dien naam slechts proza is.

Inderdaad, dat is, alles te zamen genomen, de bekoring die van

Christus uitgaat: hij is volkomen als een kunstwerk. Onderwijzen doet

hij ons in werkelijkheid niets, maar door het feit dat men in zijn

tegenwoordigheid gebracht wordt, wordt men iets. En ieder is bestemd

voor zijn tegenwoordigheid. Eenmaal tenminste in zijn leven wandelt

ieder mensch met Christus naar Emmaüs.

Wat aangaat het andere onderwerp, "de Verhouding van het

kunstenaarsleven tot het levensgedrag", zal mijn voorkeur u

ongetwijfeld vreemd lijken. De menschen wijzen naar de gevangenis te

Reading en zeggen: "Daarheen leidt het kunstenaarsleven". Ik zeg u,

het zoû iemand naar erger plaatsen kunnen voeren. Meer werktuigelijke

menschen voor wie het leven een listige speculatie is, die afhangt van

een zorgvuldige berekening van wegen en middelen, weten altijd

waarheen zij op weg zijn en geraken daar. Zij zetten af met als ideaal

voor oogen de gegalonneerde jas van gemeentebode, en in welke sfeer

zij ook geplaatst worden, slagen zij er in gemeentebode te worden en

niet meer. Een man wiens streven is iets te worden buiten zichzelf,

lid van het Parlement, een voorspoedig kruidenier, een uitstekend

advocaat, rechter of iets even vervelends, slaagt onverbiddelijk en

wordt wat hij wenscht te zijn. Dat is zijn straf. Zij die een masker

begeeren, hebben het te dragen.

Maar met de dynamische krachten des levens en hen in wie die

dynamische krachten belichaamd zijn, is het anders gesteld. Menschen

wier enkel streven gaat naar zelfverwezenlijking, weten nooit waarheen

zij op weg zijn. Zij kunnen het niet weten. Naar de éene beteekenis

des woords is het natuurlijk noodzakelijk om, zooals het Grieksche

orakel zeide, zichzelf te kennen: dat is de eerste vrucht der kennis.

Maar in te zien dat de ziel eens mensehen onkenbaar is, is de opperste

vrucht der wijsheid. Het eindmysterie blijven wijzelf. Als de mensch

de zon gewogen heeft in de weegschaal en de schreden der maan gemeten

en de zeven hemelen ster voor ster in kaart gebracht, blijft hij zelf

nog over. Wie kan de baan van zijn eigen ziel berekenen? Toen de jonge

Saul uitging om zijn vaders ezelinnen te zoeken, wist hij niet dat een

man Gods hem wachtte om hem tot koning te zalven, en dat zijn ziel

reeds de ziel eens konings was.

Ik hoop lang genoeg te leven en werk van zulk een hoedanigheid voort

te brengen, dat ik aan het eind mijner dagen instaat zal zijn te

zeggen: "Zie, hierheen leidt het kunstenaarsleven!" Twee van de meest

volmaakte levens waarmede ik bij eigen ervaring kennis heb gemaakt,

zijn die van Verlaine en van prins Kropotkin, twee mannen die beiden

jaren gevangen zaten. De eerste is de eenige Christelijke dichter

sinds Dante, de ander een man met de ziel van dien schoonen witten

Christus dien Rusland ons schijnt te beloven.

In de laatste zeven of acht maanden ben ik, ondanks een bijna

onafgebroken reeks kwellingen die uit de buitenwereld tot mij

doordrongen, in onmiddellijke aanraking geweest met een nieuwen geest

die in deze gevangenis door menschen en dingen werkzaam is, en die mij

geholpen heeft meer dan ik bij mogelijkheid met woorden kan

uitdrukken. In het eerste jaar van mijn gevangenschap deed ik niet

anders--ik kan mij niet herinneren iets anders gedaan te hebben--dan

mijn handen wringen in machtelooze wanhoop en zeggen: "Welk een einde!

Welk een ontzettend einde!" Nu tracht ik tot mijzelf te zeggen,--en

somtijds als ik niet bezig ben mijzelf te martelen, zeg ik het

werkelijk en eerlijk--: "Welk een begin, welk een wonderbaarlijk

begin!" Daar is kans dat het werkelijk zoo is. Daar is kans dat het

zoo wordt. Zoo ja, dan zal ik veel verplicht zijn aan deze nieuwe

persoonlijkheid die het leven van ieder mensch in deze plaats heeft

gewijzigd. Gij zult dit kunnen beseffen als ik u zeg dat ik, verleden

Mei ontslagen zooals ik trachtte gedaan te krijgen, van hier zoû zijn

gegaan met afschuw voor deze plaats en voor iederen beambte erin, met

een bitterheid van haat die mijn leven zoû vergiftigd hebben. Ik heb

nog een jaar gevangen moeten zitten, maar samen met ons allen heeft

menschelijkheid in de gevangenis gewoond, en wanneer ik thans heenga,

zal ik mij altijd groote bewijzen van goedheid herinneren, die ik

hier van bijna iedereen ontvangen heb, en op den dag van mijn ontslag

zal ik velen menschen veelvuldigen dank kunnen betuigen en hun vragen

aan mij te blijven denken als ik aan hen.

De wijze van behandeling in de gevangenis is in allen deele volstrekt

verkeerd. Ik zoû er alles voor willen geven om, als ik vrij kom,

instaat te zijn daar verandering in te brengen. Het is mijn plan het

te beproeven. Toch is er niets in de wereld zoo verkeerd of de geest

der menschelijkheid, die de geest der liefde is, de geest van den

Christus dien men niet in de kerken vindt, kan het zoo al niet goed

maken, dan toch te dragen zonder te groote verbittering van hart.

Ik weet ook dat buiten de gevangenis mij vele heerlijke dingen

wachten, van wat de heilige Franciscus van Assisi noemt "mijn broeder

den wind en mijn zuster de regen", beide even liefelijk, tot de

uitstallingen der winkels en de zonsondergangen in de groote steden.

Als ik alles opsomde wat mij nog overblijft, weet ik niet waar ik zoû

ophouden; want God heeft immers de wereld evenzeer voor mij als voor

ieder ander gemaakt. Misschien zal ik van hier gaan rijker om iets dat

ik vroeger niet had. Ik behoef u niet te zeggen dat voor mij

hervormingen op zedelijk gebied even zinloos en oppervlakkig zijn als

hervormingen in de theologie. Maar laat het voornemen een beter mensch

te worden een stuk zijn van domme kwezelarij, een dieper mensch te

zijn geworden is het voorrecht van hen die geleden hebben. En dat meen

ik te zijn geworden.

Indien na mijn invrijheidstelling een mijner vrienden een feest gaf en

mij niet uitnoodigde, zoû mij dat geheel onverschillig zijn. Ik kan

volmaakt gelukkig zijn met mijzelf alleen. Vrijheid, bloemen, boeken

en de maan--wie zoû daarmede niet volmaakt gelukkig zijn? Bovendien

zijn feesten niet meer voor mij. Ik heb er te veel gegeven om er op

gesteld te zijn. Die kant van het leven is voor mij voorbij, tot mijn

groot geluk, geloof ik. Maar als na mijn ontslag een mijner vrienden

een verdriet had en mij niet toestond het te deelen, zoû mij dat

bitter krenken. Als hij de deuren van het huis van rouw voor mij

sloot, zoû ik telkens weêr terugkomen en om toegang verzoeken totdat

ik deel mocht nemen aan wat mijn recht is. Als hij mij onwaardig

oordeelde, ongeschikt om met hem te weenen, zoû dat voor mijn gevoel

de grievendste vernedering zijn, de verschrikkelijkste smaadheid die

men mij kon aandoen. Maar dat zoû niet mogelijk wezen. Het is mijn

recht deel te hebben aan smart, en hij die tegelijk de liefelijkheid

der wereld kan zien en deelen in haar smart, en iets van beider wonder

beseffen, is in onmiddellijke aanraking met het goddelijke, en is zoo

dicht tot Gods geheim genaderd als eenig mensch komen kan.

Mogelijk zal ook in mijn kunst, evenzeer als in mijn leven, een nog

dieper toon opkomen, een toon van meer eenheid-van-hartstocht, meer

onmiddellijkheid-van-drang. Niet veelomvattendheid, maar verdieping is

het waarachtige doel der moderne kunst. Wij houden ons in kunst niet

langer bezig met het algemeene type. Met de uitzondering hebben wij

vandoen. Nu kan ik wel geen kunst maken van mijn lijden in den vorm

dien het aannam, dat is duidelijk. Kunst begint waar navolging

ophoudt. Maar iets nieuws moet er in mijn werk komen, mogelijk een

overvloediger beschikken over woorden, een rijker klankval,

merkwaardiger werkingen, eenvoudiger orde van bouw, in elk geval iets

van een nieuwe aesthetische hoedanigheid.

Toen Marsyas werd "gescheurd uit de scheede zijner leden"--_della

vagina delle membra sue_, om een van Dantes schrikkelijkste

Taciteïsche wendingen te gebruiken--was het met zijn lied uit, zeiden

de Grieken. Apolloon was overwinnaar gebleven. De lier had de

herdersfluit tot zwijgen gebracht. Maar misschien vergisten de Grieken

zich. Ik hoor in de moderne kunst herhaaldelijk den roep van Marsyas.

Hij is bitter in Baudelaire, zoet en klagend in Lamartine, mystiek in

Verlaine. Hij keert terug in de uitgestelde oplossingen van Chopins

muziek. Hij is in de mistroostigheid die hangt over Burne-Jones'

vrouwenfiguren. Zelfs Matthew Arnold wiens zang van "Callicles" in zoo

hellen toon van lyrische schoonheid verhaalt van "den triomf der zoet

overredende lier" en van "den roem der eindelijke zege", heeft hem

meer dan eens. Tegen den onrustigen ondertoon van twijfel en ellende,

die zijn verzen niet loslaat, konden Goethe noch Wordsworth hem baten,

al volgde hij beiden beurtelings na, en als hij wil rouwen om

_Thyrsis_ of zingen van den _Scholar Gipsy_, moet hij wel de

herdersfluit ter hand nemen om de gewenschte wijs te vinden. Maar laat

de Phrygische Faun verstomd zijn of niet, mij is dat onmogelijk.

Uiting is even noodzakelijk voor mij als blad en bloemen voor de

zwarte takken der boomen die boven de muren der gevangenis uitkijken

en zoo rusteloos zijn in den wind. Tusschen mijn kunst en de wereld is

nu een wijde kloof, maar tusschen de kunst en mij is er geen. Ik hoop

tenminste dat er geen is.

Elk van ons wordt een verschillend lot toegemeten. Mijn deel is een

geweest van openbare schande, van lange gevangenschap, van ellende,

van maatschappelijken ondergang, van smaadheid, maar ik ben mijn lot

niet waardig--nog niet, tenminste. Ik herinner mij hoe ik vroeger vaak

zeide dat ik een werkelijke ramp wel zoû kunnen dragen als zij tot mij

kwam in purperen mantel en met een masker van edele smart, maar dat

het vreeselijke van onzen modernen tijd was, dat hij het treurspel

steekt in de kleedij van het blijspel, zoodat de groote rampen

alledaagsch lijken of bespottelijk of gebrekkig in stijl. Het is

volkomen waar wat betreft den modernen tijd. Het is waarschijnlijk

altijd waar geweest voor het leven van den dag. Men zegt dat alle

martelaarschap minwaardig was in de oogen van den toeschouwer. De

negentiende eeuw maakt geen uitzondering op den regel.

Alles in het treurspel van mijn ramp is afzichtelijk geweest,

minwaardig, terugstootend, gebrekkig in stijl. Onze kleedij zelf maakt

ons bespottelijk. Wij zijn de hansworsten der smart. Wij zijn clowns

met gebroken harten. Wij zijn bij uitstek aangewezen als mikpunten

voor den humor. Op den 13den November 1895 werd ik van Londen hierheen

gebracht. Van twee uur tot half drie dien dag moest ik staan wachten

op het hoofdperron van Clapham Junction in gevangeniskleêren, met de

handboeien aan, als een schouwspel voor de wereld. Ik was uit het

hospitaal weggehaald zonder ook maar even van te voren gewaarschuwd te

zijn. Ik kan mij niets bespottelijkers denken dan mijzelf op dat

oogenblik. Zoodra de menschen mij zagen, begonnen zij te lachen. Elke

trein die binnen kwam, verbreedde den kring der nieuwsgierigen. Zij

vermaakten zich bovenmate. Dat was, natuurlijk, zoolang zij niet

wisten wie ik was. Zoodra zij ingelicht waren, lachten zij meer dan

ooit. Een half uur lang stond ik daar in den grauwen Novemberregen

omringd door een schimpenden volkshoop.

Een jaar lang nadat dit mij was aangedaan, heb ik elken dag op

hetzelfde uur gedurende denzelfden tijd geweend. Dat is niet een zoo

tragisch feit als het misschien klinkt. Voor hen die in de gevangenis

zitten, maken tranen een deel der dagelijksche levenservaring uit. Een

dag in de gevangenis waarop iemand niet weent, is een dag dat zijn

hart verhard is, niet een dag dat zijn hart gelukkig is.

Welnu, ik begin thans meer beklag te gevoelen met de lachers dan met

mijzelf. Het is waar, toen zij mij zagen, stond ik niet op mijn

voetstuk, maar aan den schandpaal. Maar men moet heel arm aan

verbeelding zijn om enkel met menschen op te hebben als zij op hun

voetstuk staan. Een voetstuk kan iets zeer onwerkelijks zijn. De

schandpaal is een vreeselijke werkelijkheid. Ik heb boven gezegd dat

achter smart altijd smart schuilt. Het zoû nog wijzer zijn te zeggen

dat achter smart altijd een ziel schuilt. En den spot te drijven met

een ziel in lijden is een afgrijselijke daad. In de wonderlijk

eenvoudige huishouding dezer wereld krijgen de menschen enkel wat zij

zelf geven, en wie niet genoeg verbeelding hebben om door te dringen

achter den uitwendigen schijn en zelf medelijden te gevoelen--wat

medelijden kan hun geschonken worden dan dat der minachting?

Ik schreef dit verhaal hoe ik hierheen werd overgebracht, enkel neêr

opdat men zoû beseffen hoe zwaar het mij gevallen is om uit mijn straf

iets anders dan bitterheid en wanhoop te winnen. Toch sta ik voor deze

taak, en van tijd tot tijd bereik ik een oogenblik van onderworpenheid

en berusting. In éen enkelen knop kan een nieuwe volle lente zich

verschuilen, en het lage nest van den leeuwerik houdt de vreugde in,

die bestemd is als bode op te stijgen voor het aangezicht van menigen

rozigen dageraad. Zoo is mogelijk al de levensschoonheid die mij nog

overblijft, vervat in éen enkel oogenblik van overgave, vernedering en

deemoed. In elk geval kan ik uitsluitend voortgaan langs het spoor van

mijn eigen ontwikkeling, en berustende in alwat mij overkomen is, mij

dat waardig maken.

De menschen plachten van mij te zeggen, dat ik te individualistisch

was. Ik moet in de toekomst nog veel meer individualist zijn dan ooit

te voren. Ik moet nog veel meer uit mijzelf halen en de wereld nog

minder vragen dan ik al deed. De éene smadelijke, onvergetelijke en

voor altijd verachtelijke daad van mijn leven was dat ik er toe

overging een beroep op de maatschappij te doen om hulp en bescherming.

Alleen maar aan zulk een beroep gedacht te hebben, zoû uit het

individualistische oogpunt al erg genoeg zijn geweest, maar welke

verontschuldiging kan ooit ingebracht worden voor hem die dat beroep

deed? Toen ik eenmaal de machten der maatschappij in werking had

gezet, keerde natuurlijk de maatschappij zich tegen mij en zeide:

"Hebt gij al dezen tijd geleefd en mijne wetten getart, en doet gij nu

beroep op die wetten om bescherming? Gij zult die wetten in haar

volheid toegepast krijgen. Gij zult u moeten onderwerpen aan datgene

waarop gij u beroepen hebt." Het gevolg is dat ik hier in de

gevangenis zit. Voorzeker, geen man viel ooit op zoo onedele wijze en

door zoo onedele werktuigen. Ik zeg ergens in _Dorian Gray_: "Een

mensch kan niet te zorgvuldig zijn in de keuze zijner vijanden". Ik

kon toen niet vermoeden dat ik bestemd was door een paria zelf tot

paria te worden gemaakt.

Het Philistijnsche element in het leven bestaat niet in het onvermogen

om kunst te verstaan. Allerinnemendste menschen als visschers,

herders, veldarbeiders, boeren en dergelijken weten niets van kunst

af, en zijn juist het zout der aarde. De Philistijn is de man die

schraagt en bevordert de zware, hinderlijke, blinde, werktuigelijke

krachten der maatschappij en dynamische kracht niet als zoodanig

erkent, wanneer hij haar tegenkomt, hetzij in een mensch hetzij in een

beweging.

De menschen vonden het afgrijselijk van mij dat ik de slechte

elementen des levens ten eten vroeg en genoegen had in hun gezelschap.

Maar gezien van den kant vanwaar ik als belevend kunstenaar hen

naderde, waren zij heerlijk suggestief en opwekkend. Het was als

smullen met panters: de opwinding van het gevaar was het halve genot.

Ik had het gevoel van een slangenbezweerder die de cobra uit haar rust

lokt van den bonten lap of uit den teenen korf waarin zij ligt, tot

zij naar zijn wil haar schild ontplooit en rustig op de maat

heen-en-weêr deint in de lucht als een plant in het water. Zij waren

voor mij de glanzendste van alle vergulde slangen, en zonder hun

vergif zouden zij niet volmaakt zijn geweest. Ik wist niet dat, als

zij mij zouden bijten, zij dat zouden doen op het fluiten van een

ander en door dien ander betaald. Ik schaam mij volstrekt niet dat ik

hen gekend heb, zij waren hoogst belangwekkend. Waar ik mij wel over

schaam, is de atmosfeer van gruwelijke Philistijnschheid, waarin ik

door hen geraakte. Mijn werk als kunstenaar was aan de zijde van

Ariël, ik gaf er de voorkeur aan te worstelen met Caliban. In plaats

van kostelijk kleurige, muzikale dingen te schrijven als _Salomé_

en _A Florentine Tragedy_ en _La Sainte Courtisane_, dwong

ik mijzelf lange juridische brieven op te stellen en zag mij aan het

eind genoodzaakt mij juist op die dingen te beroepen, waartegen ik

altijd verzet had gepredikt. Jan Rap en Jan Tuig waren

bewonderenswaardig in hun gewetenloozen oorlog tegen het leven. Hen

ten eten te hebben was een geweldig avontuur: Dumas père, Cellini,

Goya, Edgar Allan Poe of Baudelaire zouden volkomen gedaan hebben als

ik. Maar walgelijk voor mij is de herinnering aan mijn eindelooze

bezoeken aan den advokaat H-----, hoe ik keer op keer in het

spokigwitte licht van een kille kamer met een ernstig gezicht ernstige

leugens zat te vertellen aan een man met een kaal hoofd, tot ik

letterlijk steende en gaapte van verveling. Daar, midden in het hart

van Philistia, bevond ik mij eerst ver van al wat schoon was en

schitterend en bewonderenswaardig en stoutmoedig. Ik had mijzelf

gedoodverfd als de kampvechter van rechtschapenheid van wandel,

puriteinschheid van leven, zedelijkheid in de kunst. _Voilà oùmènent

les mauvais chemins_.... Maar aan den anderen kant, met hoe groote

dankbaarheid kan ik denken aan hen die met onbeperkte hartelijkheid,

onbegrensde toewijding, blijmoedigheid en vreugde in geven, mijn

donkeren last voor mij verlicht, mij telkens weêr bezocht, mij schoone

brieven vol medegevoel geschreven, mijn zaken voor mij bestuurd, mijn

toekomstig leven hebben geregeld, en aan mijn zijde stonden onder den

beet van laster, smaad, openlijken schimp, tot hoon toe. Ik ben hun

alles verplicht. Tot de boeken toe in mijn cel worden betaald door

Robbie van zijn zakgeld; uit dezelfde beurs worden kleêren voor mij

bekostigd tegendat ik vrij kom. Ik schaam mij niet iets aan te nemen,

dat in liefde en genegenheid gegeven wordt. Ik ben er trotsch op. Ik

denk hierbij aan mijn vrienden als More Adey, Robbie, Robert Sherard,

Frank Harris, Arthur Clifton, en wat zij voor mij geweest zijn door

mij steun, genegenheid en sympathie te geven. Ik denk hierbij aan

ieder afzonderlijk, die vriendelijk voor mij geweest is in mijn leven

als gevangene, tot den bewaarder toe, die mij goedenmorgen en

goedenavond zegt, hoewel dat niet tot zijn voorgeschreven plichten

behoort; ik denk aan de gewone dienders die op mijn reizen

heen-en-weêr naar het Bankroetiershof mij in mijn vreeselijken

toestand van geestelijke ellende op hun gemeenzame ruwe manier

trachtten op te beuren; ik denk aan den armen dief die mij herkende,

terwijl wij in de rij liepen op de binnenplaats te Wandsworth en mij

toefluisterde met de heesche gevangenisstem die men krijgt van lang

gedwongen stilzwijgen: "Ik heb met u te doen; het is erger voor

menschen als u dan voor menschen als ons."

Een groot vriend van me--een vriend van tien jaar her--kwam mij

eenigen tijd geleden opzoeken, en zeide mij dat hij geen enkel woord

geloofde van wat tegen mij beweerd werd, en verzekerde mij

nadrukkelijk dat hij mij voor volkomen onschuldig hield en voor het

slachtoffer van een afgrijselijk complot. Zijn woorden deden mij in

tranen uitbarsten. Ik vertelde hem, dat, al mocht onder de

uitgebrachte beschuldigingen veel zijn, dat geheel onwaar was en mij

aangewreven door weêrzinwekkende boosaardigheid, mijn leven toch vol

pervers genot geweest was, en dat ik, indien hij dat niet als een feit

aannam en het zich volkomen indacht, onmogelijk langer met hem

bevriend kon zijn of nog ooit in zijn gezelschap verkeeren. Het was

een vreeselijke slag voor hem, maar nog zijn wij vrienden, en ik bezit

zijn vriendschap niet op grond van leugenachtige aanspraken. Zooals ik

al zeî, het is pijnlijk de waarheid te zeggen. Maar gedwongen liegen

is veel erger.

Toen ik bij de eindzitting van mijn proces op de zondaarsbank zat te

luisteren naar Lockwoods vernietigende aanklacht tegen mij--het klonk

als een stuk uit Tacitus of uit Dante, als een van Savonarola's

boetpredikingen tegen de Roomsche pausen--, herinner ik mij hoe,

midden in den walg van afgrijzen voor wat ik hoorde, plotseling de

gedachte bij mij opkwam, _hoe grootsch het zoû wezen, indien ik zelf

daar stond en al deze dingen tegen mij inbracht_. Ik zag toen op

eenmaal in dat het waardeloos is, wat men van iemand zegt. De vraag is

wie het zegt. Het allerhoogste levensoogenblik eens menschen, ik heb

daaromtrent geen twijfel, is wanneer hij nederknielt in het stof en

zich op de borst slaat en al de zonden van zijn leven uitspreekt.

De profundis(#13585) · 第 4 / 8 段