Het is bedroevend hoe weinig menschen ooit "hun ziel bezitten" vóor

zij sterven. "Niets is zeldzamer in eenig mensch," zegt Emerson, "dan

een daad die zijn eigen is." Het is volkomen waar. De meeste menschen

zijn andere menschen. Hun gedachten zijn iemand anders meeningen, hun

leven de kluchtige nabootsing, hun hartstochten de aanhaling van

anderen. Christus was niet alleen de opperste individualist, maar hij

was de eerste individualist der geschiedenis. De menschen hebben

getracht een gewoon philanthroop van hem te maken, of hebben hem als

altruïst gelijk gesteld met de onontwikkelden en de sentimenteelen.

Maar hij was in waarheid geen van twee. Medelijden had hij natuurlijk

met de armen, met hen die in gevangenissen zijn opgesloten, met de

nederigen van staat, met de ellendigen. Maar hij had veel meer

medelijden met de rijken, met de verharde hedonisten, met hen die hun

vrijheid verspillen door de slaven der dingen te worden, met hen die

zachte kleederen dragen en wonen in koningspaleizen. Rijkdommen en

genot schenen hem in werkelijkheid grooter ongelukken te zijn dan

armoede of smart. En wat altruïsme aangaat--wie wist beter dan hij dat

roeping en niet vrije wil ons leven bepaalt, en dat men geen druiven

kan lezen van doornen of vijgen van distelen?

Hij was niet van het geloof dat men behoort te leven voor anderen als

een vastgesteld zelfbewust doel. Het was niet de grondslag van zijn

geloof. Als hij zegt: "Vergeeft uwen vijanden", zegt hij dat niet ter

wille van den vijand, maar ter wille van onszelf, en omdat liefde

schooner is dan haat. Bij de vermaning die hij geeft aan den rijken

jongeling: "Verkoop al wat gij hebt en geef het den armen", denkt hij

niet aan den toestand der armen, maar aan de ziel van den jongeman, de

ziel die door rijkdom verdorven werd. In zijn levensopvatting is hij

éen met den kunstenaar die weet dat volgens de onontkoombare wet der

zelfvolmaking de dichter moet zingen en de beeldhouwer denken in

brons en de schilder de wereld maken tot den spiegel zijner

stemmingen, zoo vast en zeker als de meidoorn moet bloeien in de lente

en het koren gouden worden in den oogsttijd, en de maan op haar

voorgeschreven baan verkeeren van schijf tot sikkel en van sikkel tot

schijf.

Maar al heeft Christus niet tot de menschen gezegd: "Leeft voor

anderen", hij heeft duidelijk aangetoond dat er volstrekt geen

verschil bestond tusschen de levens der anderen en ons eigen leven.

Hierdoor gaf hij den mensch een wijdstrekkende, een Titanische

persoonlijkheid. Sinds zijn komst is de geschiedenis van elk

afzonderlijk individu de geschiedenis der wereld of kan dat worden.

Natuurlijk heeft de beschaving de persoonlijkheid der menschen

verscherpt. De kunst heeft onzen geest duizendvoudig gemaakt. Zij die

den gemoedsaanleg van den kunstenaar bezitten, gaan in ballingschap

met Dante, en leeren hoe bitter het brood van vreemden smaakt, en hoe

steil andermans trappetreden zijn; zij bereiken voor een oogenblik de

wolkelooze rust van Goethe, en toch weten zij maar al te wel hoe

Baudelaire kreet tot God:

"O Seigneur, donnez-moi la force et le courage

De contempler mon corps et mon coeur sans dégoût."

Uit Shakespeares sonnetten puren zij, mogelijk tot hun eigen schade,

het geheim zijner liefde en maken het tot hun eigen; zij zien met

nieuwe oogen het moderne leven aan, omdat zij geluisterd hebben naar

een van Chopins nocturnes, of omdat zij Grieksche kunst onder de oogen

hebben gehad, of omdat zij gelezen hebben het verhaal van den

hartstocht van een of anderen langgestorven man voor een of andere

langgestorven vrouw wier haar was gelijk draden fijn goud en wier mond

was als een granaatappel. Maar het medevoelen van den

kunstenaarsaanleg houdt zich noodzakelijk bezig met wat uiting

gevonden heeft. In woord of kleuren, achter de geverfde maskers van

een Aischyleïsch drama of door de doorboorde en onderling verbonden

rieten van een Siciliaanschen schaapherder,--man en boodschap moeten

zich hebben geopenbaard.

Voor den kunstenaar is uiting de eenige en uitsluitende vorm waaronder

hij het leven kan opvatten. Voor hem is wat stom is, dood. Maar voor

Christus was het anders. Met een onbegrensde en wonderbaarlijke

verbeelding die iemand bijna met vreeze vervult, nam hij de geheele

wereld van het onverwoorde, de sprakelooze wereld van het leed, als

zijn koninkrijk, en maakte zichzelf haar tolk naar buiten. Hen die ik

genoemd heb, die stom zijn onder de verdrukking en wier stilte gehoord

wordt enkel door God, koos hij tot broederen. Hij trachtte oogen te

worden voor den blinde, ooren voor den doove, een kreet op de lippen

van hen wier tong gebonden was. Zijn verlangen was om voor de

tienduizenden die geen uiting gevonden hadden, te zijn als een bazuin

waardoor zij konden roepen naar den hemel. En daar hij met de

kunstenaarsnatuur van een voor wien lijden en smart vormen waren,

waardoor hij zijn opvatting van het schoone kon verwezenlijken,

gevoelde dat een idee geen waarde heeft vóor zij belichaamd is en tot

een beeld gemaakt, maakte hij van zichzelf het beeld van den Man van

Smarten, en heeft als zoodanig de kunst geboeid en beheerscht zoo als

nooit eenigen Griekschen god gelukt is.

Want de Grieksche goden, in weerwil van het blank en rood van hun

schoone radde leden, waren in werkelijkheid niet wat zij leken te

zijn. Het gewelfde voorhoofd van Apolloon was gelijk aan de

zonneschijf die in den dageraad opkomt boven den heuvelrand, en zijn

voeten waren als de vleugelen van den morgen, maar hij zelf was wreed

geweest voor Marsyas en had Niobe van hare kinderen beroofd. In de

stalen schilden van Athena's oogen was geen medelijden geweest met

Arachne; het praalvertoon en de pauwen van Hera was werkelijk alles

wat edel omtrent haar was; en de vader der goden zelf had zich te zeer

verliefd op de dochteren der menschen. De twee figuren die den

diepsten indruk maken in de Grieksche mythologie, zijn, in

godsdienstigen zin, Demeter, eene aardgodin die niet behoorde tot de

Olympiërs, en, inzake kunst, Dionysos, de zoon van een sterfelijke

vrouw die op het oogenblik zijner geboorte den dood gevonden had.

Maar het leven zelf bracht uit zijn laagste en nederigste laag iemand

voort, wonderbaarlijker dan de moeder van Persephone of den zoon van

Semele. Uit den timmermanswinkel te Nazareth is een persoonlijkheid

voortgekomen, grooter dan eenige andere die mythe en legende geschapen

had, en die, wonderlijk genoeg, bestemd was aan de wereld de mystieke

beteekenis van den wijn en de wezenlijke schoonheden van de leliën des

velds te openbaren zooals geene andere, op den Kithairoon of in Enna,

ooit gedaan had.

De zang van Jesajas: "Hij was veracht en de onwaardigste onder de

menschen, een man van smarten en verzocht in krankheid, en een

iegelijk was als verbergende het aangezicht voor hem", had hem

toegeschenen hemzelven te voorbeelden, en in hem werd de prophetie

vervuld. Wij behoeven niet terug te schrikken voor zulk een gezegde.

Ieder afzonderlijk kunstwerk is de vervulling eener prophetie; want

ieder kunstwerk is de omzetting van een idee in een beeld. Elk

afzonderlijk menschelijk wezen behoort de vervulling eener prophetie

te zijn; want elk menschelijk wezen behoort de verwezenlijking van een

ideaal te zijn, hetzij in den geest van God, hetzij in den geest der

menschen. Christus vond den grondvorm en bestendigde hem, en de droom

van een Vergiliaansch dichter, te Jerusalem of te Babyloon, werd in

den langen loop der eeuwen vleesch in hem dien de wereld verwachtte.

"Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij hem aanzagen, zoo

was er geen gestalte dat wij hem zouden begeerd hebben", heeft Jesajas

onder meer als kenteekenen van het nieuwe ideaal opgeteekend; en

zoodra de kunst begreep wat dat bedoelde, ging zij open als een bloem

in de aanwezigheid van hem in wien waarheid in kunst aan het licht

trad als nooit te voren. Want is niet waarheid in kunst, zooals ik al

gezegd heb, "datgene waarin het uitwendige de uitdrukking is van het

inwendige, waarin de ziel tot vleesch is gemaakt en het lichaam

doordrongen van geest, waarin de stof openbaring wordt"?

Het meest betreurenswaardige feit in de geschiedenis is voor mij, dat

Christus' eigen renaissance die den dom te Chartres heeft

voortgebracht en den cyclus der Arthur-legenden en het leven van den

Heiligen Franciscus van Assisi en de kunst van Giotto en Dante's

_Divina Commedia_, geen vrijdom gehad heeft zich in haar eigen

richting te ontwikkelen, maar verstoord en bedorven werd door de

treurige classieke Renaissance die ons Petrarca schonk en Raphaëls

fresco's en Palladio's bouwstijl en het vormelijke Fransche treurspel

en de St. Paulskerk en Popes gedichten en alles wat van buiten af

gemaakt wordt en volgens doode regels, en niet uit het binnenste

opwelt door den bezielenden geest. Maar overal waar er een romantieke

beweging in de kunst is, daar is, hoe en onder wat gedaante dan ook,

Christus of de ziel van Christus. Hij is in _Romeo and Juliet_,

in _A Winter's Tale_, in de Provençaalsche poëzie, in Coleridges

_Ancient Mariner_, in Keats' _La Belle Dame sans merci_, in

Chattertons _Ballad of Charity_.

Wij zijn de meest uiteenloopende dingen en menschen aan hem verplicht.

Hugo's _Les Misérables_, Baudelaires _Les Fleurs du Mal_, de

toon van medelijden in de Russische romans, Verlaine en Verlaines

gedichten, het gebrande glas en de wandtapijten en de

quattrocento-arbeid van Burne-Jones en Morris komen hem niet minder

toe dan de toren van Giotto, dan Lancelot en Guinevere, dan

Tannhäuser, de onrustige romantieke marmers van Michele Angelo en de

spitsboogbouw. Zoo ook de liefde voor kinderen en bloemen. Want voor

hen beiden was eigenlijk in de classieke kunst maar weinig ruimte,

nauwlijks genoeg om te groeien of te spelen, maar van de twaalfde eeuw

af tot op onzen eigen tijd zijn zij voortdurend in de kunst verschenen

onder wisselend voorkomen en op wisselende tijden, grillig en

eigenzinnig in hun komst zooals men dat van kinderen en bloemen

verwachten kan. Immers, de lente heeft steeds den schijn alsof de

bloemen zich verscholen hadden en enkel uitkwamen in de zon als

vreesden zij dat de volwassen menschen moe zouden worden van naar haar

uit te zien en hun zoeken zouden opgeven; en het leven van een kind

is immers niet meer dan een Aprildag met regen zoowel als zon voor de

narcis.

Het is de hooge verbeeldingskracht in Christus' eigen aanleg, die hem

tot dit bloedlevende centrum der romantiek maakt. De wondere figuren

van het poëtische drama en de ballade zijn gemaakt door de verbeelding

van anderen, maar geheel uit zijn eigen verbeelding heeft Jezus van

Nazareth zichzelf geschapen. De roep van Jesajas had in werkelijkheid

niet meer met zijn komst te maken dan de zang van den nachtegaal met

het rijzen der maan--niets meer, maar wellicht ook niets minder. Hij

was de ontkenning zoowel als de bevestiging der prophetie. Tegenover

iedere verwachting die hij vervulde, was er een andere die hij

vernietigde. "In alle schoonheid", zegt Bacon, "is een zekere

vreemdheid van verhouding", en van hen die uit den geest geboren

zijn--dat is, van hen die evenals hij dynamische krachten zijn--, zegt

Christus dat zij zijn als de wind die "waait waarheen hij wil en

niemand weet vanwaar hij komt en waar hij henen gaat". Daarom oefent

hij zoo sterke bekoring op den kunstenaar. Hij heeft in zich al de

kleurelementen des levens: de geheimenis, de wonderlijkheid, het

suggestieve, de ekstase, de liefde. Hij beroept zich op den zin voor

het wonder en hij schept die zielsgesteldheid waarin alleen hij kan

begrepen worden.

En voor mij is het een vreugde te bedenken dat als hij "gedegen

verbeelding" is, de wereld uit dezelfde stof bestaat. Ik heb ergens in

_Dorian Gray_ gezegd dat de groote zonden der wereld plaats

hebben in de hersenen. Maar in de hersenen heeft alles plaats. Wij

weten nu dat wij niet zien met onze oogen en niet hooren met onze

ooren. Zij zijn in werkelijkheid kanalen voor het min of meer

nauwkeurig overbrengen der zinsindrukken. In de hersenen is de papaver

rood, is de appel geurig, zingt de leeuwerik.

In den laatsten tijd ben ik ijverig bezig geweest de vier

prozagedichten over Christus te bestudeeren. Met Kerstmis gelukte het

mij een Grieksch Testament machtig te worden, en elken morgen als ik

eerst mijn cel had schoongemaakt en mijn tingerei gepoetst, las ik een

stuk uit de Evangeliën, een twaalftal verzen op goed geluk opgeslagen.

Het is een verrukkelijke wijze van den dag aan te vangen. Iedereen,

zelfs in een verontrust slechtgeordend leven, moest evenzoo doen.

Eindelooze herhaling, te pas en ten ontijde, heeft voor ons de

frischheid, de naïeveteit, de eenvoudige romantieke bekoring der

Evangeliën bedorven. Wij hooren hen veel te vaak en veel te slecht

lezen, en alle herhaling is geestdoodend. Wanneer men tot den

Griekschen tekst terugkomt, is het alsof men uit een nauw en donker

huis treedt in een hof van leliën.

En voor mij wordt dat genot verdubbeld door de overweging dat wij naar

alle waarschijnlijkheid de levende woorden zelve, _ipsissima

verba_, zooals Christus hen uitte, bezitten. Er werd steeds

verondersteld dat Christus sprak in het Aramaiïsch. Zelfs Renan dacht

dat. Maar nu weten wij dat de Galilaische boeren, evenals de Iersche

boeren in onzen tijd, twee talen spraken, en dat Grieksch de

dagelijksche omgangstaal was over geheel Palaistina, of eigenlijk over

de geheele Oostersche wereld. Mij was altijd de gedachte onaangenaam,

dat wij Christus' eigen woorden slechts door een vertaling van een

vertaling kenden. Het is mij een genot te bedenken dat, tenminste wat

zijn uiterlijk gesprek aangaat, Charmides naar hem had kunnen

luisteren, en Sokrates met hem kunnen redeneeren, en Platoon hem zoû

hebben begrepen; dat hij in werkelijkheid zeide: [Greek: egô eimi ho

poimên ho kalos]; dat toen hij dacht aan de leliën des velds en hoe

zij niet arbeiden en niet spinnen, zijn woorden volmaakt kudden:

[Greek: katamathete ta krina tou agrou pôs auxanei ou kopia oude

nethei]; en dat zijn laatste woord, toen hij uitriep: "mijn leven is

volbracht, heeft zijn vervulling bereikt, is voleindigd", nauwkeurig

was wat Johannes ons mededeelt en niet meer: [Greek: tetelestai].

Bij het lezen der Evangeliën--in 't bijzonder dat van Johannes zelf,

of wat vroege Gnosticus zijn naam en mantel aannam--zie ik

onafgebroken van de verbeelding getuigd als van den grondslag van alle

geestelijk en materieel leven, maar daarnaast zie ik ook dat voor

Christus de verbeelding eenvoudig een vorm der liefde was, en dat voor

hem liefde soeverein was in de volste beteekenis van het woord. Een

week of zes geleden stond de dokter mij toe wittebrood te eten in

plaats van het grove zwart- of bruinbrood van den gewonen

gevangeniskost. Het is een groote lekkernij. Het klinkt misschien

vreemd dat droog brood bij mogelijkheid voor iemand ter wereld een

lekkernij kan zijn. Voor mij is het dat zoozeer, dat ik bij het einde

van ieder maal zorgvuldig al de kruimels opeet, die op mijn tinnen

bord zijn gebleven, of gevallen zijn op den handdoek dien wij als

laken gebruiken om onze tafel niet te bemorsen. En ik doe dit niet uit

honger--ik krijg nu geheel voldoende te eten--maar eenvoudig opdat

niets verloren ga van wat men mij geeft. Zoo behoort men liefde te

beschouwen.

Christus, evenals alle boeiende persoonlijkheden, had de macht om niet

alleen zelf schoone dingen te zeggen, maar ook om anderen schoone

dingen tot hem te doen zeggen. En ik bemin het verhaal dat Markus ons

doet van de Grieksche vrouw die, toen hij om haar geloof te beproeven

tot haar zeide, dat hij haar het brood van de kinderen Israël niet kon

geven, hem antwoordde dat de hondekens--er staat [Greek:

kunaria]--onder de tafel van de kruimkens eten, die de kinderen laten

valten. De meeste menschen leven voor liefde en bewondering. Maar van

liefde en bewondering behooren wij te leven. Indien ons eenige liefde

bewezen wordt, behooren wij te erkennen dat wij haar geheel onwaardig

zijn. Niemand is waardig bemind te worden. Het feit dat God de

menschen bemint, bewijst ons dat het in de goddelijke orde der ideëele

dingen geschreven staat dat eeuwige liefde zal gegeven worden aan wat

eeuwiglijk onwaardig is. Liefde is een sacrament waaraan men knielend

behoort deel te nemen, en "_Domine, non sumdignus_" behoort op de

lippen en in de harten te zijn van hen die het ontvangen.

Als ik nog ooit schrijf, ik meen als ik nog ooit kunstwerk voortbreng,

zijn er bij uitstek twee onderwerpen waarover en waardoor ik verlang

mij te uiten. Het éene is: "Christus als voorlooper der romantieke

beweging in het leven"; het andere is: "Het kunstenaarsleven beschouwd

in zijn betrekking tot het levensgedrag". Het eerste is zeker van een

felle bekoring; want ik zie in Christus niet enkel de wezenlijke

eigenschappen van den oppersten romantieken typos, maar evenzeer al de

toevalligheden, tot de grilligheden toe, van den romantieken

gemoedsaard. Niemand vóor hem had ooit tot de menschen gezegd dat zij

"bloemgelijke levens" behoorden te leiden. Hij drukte het uit eens en

voorgoed. Hij nam de kinderen aan als den typos van wat de volwassenen

moeten trachten te worden. Hij hield hen als voorbeeld voor aan hun

ouderen, wat ik mij altijd heb voorgesteld als het voornaamste nut

van kinderen, indien wat volmaakt is, nut moet hebben. Dante

beschrijft eens menschen ziel als komende uit de hand van God "lachend

en weenend als een klein kind", en Christus zag eveneens dat de ziel

van een elk behoort te zijn a _guisa di fanciulla che piangendo e

ridendo paroleggia_. Hij gevoelde dat het leven verandering,

strooming, werking is, en dat om het zich in eenigen vorm te laten

vastzetten de dood is. Hij zag dat de menschen niet te veel ernst

moeten maken met materiëele, dagelijksche belangen; dat onpraktisch

zijn een groot ding is; dat men zich niet te veel moet bekommeren om

wereldsche aangelegenheden. De vogels deden het ook niet, waarom zoû

de mensch het doen? Verrukkelijk zijn zijn woorden: "Wees niet bezorgd

voor den dag van morgen. Is niet de ziel meer dan het voedsel? Is niet

het lichaam meer dan de kleeding?" Een Griek zoû het laatste kunnen

gezegd hebben. Het is vol Grieksch gevoel. Maar Christus alleen kon

beide zeggen en zoo het leven volmaakt voor ons samenvatten.

Zijn moraal is geheel medegevoel, volkomen wat moraal behoort te zijn.

Indien hij nooit iets anders gezegd had dan: "Hare zonden zijn haar

vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad", zoû het der

moeite waard geweest zijn te sterven om dat gezegd te hebben. Zijn

rechtvaardigheid is geheel en al dichterlijke rechtvaardigheid, juist

wat rechtvaardigheid behoort te zijn. De bedelaar gaat naar den hemel,

omdat hij ongelukkig geweest is. Ik kan geen betere reden bedenken om

hem daarheen te zenden. De arbeiders die een enkel uur werken in den

wijngaard in de koelte van den avond, krijgen volmaakt hetzelfde loon

als zij die den geheelen langen dag onder de heete zon hebben

gezwoegd. Waarom niet? Waarschijnlijk verdiende geen van hen iets. Of

misschien waren zij een verschillend soort menschen. Christus kon niet

lijden de bekrompen levenlooze werktuigelijke systemen die menschen

als dingen, en dus ieder gelijk, behandelen. Voor hem bestonden er

geen wetten: hij kende enkel uitzonderingen. Alsof ook iemand of eenig

ding, als het er op aan komt, aan een tweede ter wereld gelijk was!

Dat wat juist de grondtoon is der romantieke kunst, was voor hem de

eigenlijke grondslag van het natuurlijke leven. Hij zag geen anderen.

En toen zij tot hem een vrouw brachten, die op heeter daad van

overspel was betrapt, en hem haar oordeel toonden als het in de wet

geschreven stond, en hem vraagden wat men moest doen, schreef hij met

zijn vinger in de aarde, en toen zij bij hem aanhielden, zag hij op en

zeide: "Die van u zonder zonden is, werpe het eerst den steen op

haar." Het was de moeite waard te leven om dat gezegd te hebben.

Als alle dichterlijke naturen beminde hij onwetende menschen. Hij wist

dat er in de ziel van een die onwetend is, altijd plaats is voor een

groot denkbeeld. Maar stompzinnig volk kon hij niet uitstaan, in 't

bijzonder hen die stompzinnig gemaakt zijn door hun opvoeding:

menschen die vol meeningen zijn, waarvan zij geen enkele ook maar

verstaan, een bij uitstek modern type, door Christus samengevat in

zijn beschrijving van den man die den sleutel der kennis heeft, hem

zelf niet gebruiken kan en niet toestaat dat anderen hem gebruiken

zelfs al zou hij de poort van Gods Koninkrijk kunnen openen. Zijn

voornaamsten krijg voerde hij tegen de Philistijnen. Dat is de krijg

dien elk kind van het licht heeft aan te gaan. Het Philistijnendom had

het hoogste woord in den tijd en de gemeenschap waarin hij leefde. Met

hun trage onvatbaarheid voor denkbeelden, hun bekrompen

rechtschapenheid, hun vervelende rechtgeloovigheid, hun aanbidding van

het gemeene welslagen, hun algeheele vooringenomenheid met den groven

materialistischen kant van het leven, hun belachelijke hoogschatting

van zichzelf en hun belangrijkheid, waren de Joden van Jerusalem in

Christus' dagen het volmaakte evenbeeld van den Engelschen Philistijn

in onzen eigen tijd. Christus bespotte het "gepleisterde graf" der

rechtschapenheid, en stelde dat woord vast voor altijd. Hij behandelde

wereldsch welslagen als een ding om volstrekt te verachten. Hij zag er

geen belang in. Hij beschouwde rijkdom als een hindernis voor den

mensch. Hij wilde er niet van hooren dat men het leven zoû opofferen

aan eenig systeem van gedachte of moraal. Hij wees er op dat vormen en

ceremoniën gemaakt waren voor den mensch, en niet de mensch voor

vormen en ceremoniën. Hij nam het Sabbatarianisme als voorbeeld van de

dingen die men niet behoorde te tellen. De daden van de koude

menschenliefde, de vertoonmakende openbare liefdadigheden, de

vervelende formaliteiten die zoo dierbaar zijn aan den middelmatigen

geest, stelde hij met een uiterste en onverzoenlijke verachting aan de

kaak. Voor ons is wat men den naam rechtgeloovigheid geeft, niet meer

dan een gemakzuchtige domme geloofsbeaming; maar voor hen en in hunne

handen was het een vreeselijke en verlammende tyrannie. Christus

vaagde haar uit den weg. Hij toonde aan dat de geest alleen waarde

had. Hij liet geen gelegenheid voorbijgaan om hun te bewijzen dat,

hoewel zij altijd bezig waren de wet en de profeten te lezen, zij

inderdaad niet het geringste denkbeeld hadden van de beteekenis van

een van beide. Tegenover hun vertienen van iederen afzonderlijken dag

in de vastgestelde sleur van voorgeschreven plichten, zoo goed als zij

de dille en de komijn vertienden, predikte hij het ontzaglijke belang

van volledig voor het oogenblik te leven.

Wie hij redde van hunne zonden, worden gered enkel om schoone

oogenblikken in hun leven. Als Maria Magdalena Christus ziet, breekt

zij de kostbare albasten flesch die een van haar zeven minnaars haar

gegeven had, en stort de welriekende zalf over zijn moede stoffige

voeten, en ter wille van dat éene oogenblik zit zij voor eeuwig, samen

met Ruth en Beatrice, omrankt van de sneeuwwitte rozen van het

Paradijs. Het eenige dat Christus ons in zijn korte vermaningen zegt,

is dat ieder levensoogenblik schoon behoort te zijn, dat de ziel

altijd bereid behoort te zijn voor de komst van den bruidegom, altijd

op wacht naar de stem van den minnaar. De Philistijnschheid is

eenvoudig die kant der menschelijke natuur, die niet verlicht wordt

door de verbeelding. Al wat liefelijken invloed op het leven heeft,

ziet hij als schakeeringen van licht: de verbeelding zelf is de wereld

des lichts. Onze wereld is haar maaksel, en toch kan de wereld haar

niet verstaan. Dat komt omdat de verbeelding eenvoudig een

openbaringsvorm der liefde is, en de mate van liefde en de vatbaarheid

voor liefde onderscheidt het éene menschelijke wezen van het andere.

Maar vooral wanneer Christus met een zondaar vandoen heeft, is hij

meest romantiek, in den zin van meest zichzelf. De wereld had altijd

den heilige bemind als de dichtst mogelijke benadering van Gods

volmaaktheid. Christus schijnt, door zeker goddelijk instinkt, altijd

den zondaar bemind te hebben als de dichtst mogelijke benadering van

des menschen volmaaktheid. Zijn oorspronkelijk streven was niet om de

menschen te verbeteren evenmin als zijn oorspronkelijk streven was om

het lijden te verlichten. Een belangwekkenden dief in een vervelend

fatsoenlijkman te veranderen was zijn doel niet. Hij zoû weinig hebben

opgehad met de Vereeniging om ontslagen gevangenen voort te helpen, en

andere soortgelijke moderne bewegingen. De bekeering van een tollenaar

tot een Pharizeër zoû hem geen sterk stuk geleken hebben. Maar op een

wijze als de wereld nog altijd niet heeft begrepen, beschouwde hij

zonde en lijden als dingen schoon en heilig in zichzelf en als graden

van volkomenheid.

De profundis(#13585) · 第 3 / 8 段