voor mij had weggelegd, dat ik inderdaad een heel jaar lang van mijn
leven bestemd was weinig anders te doen. Doch zoo is mijn deel mij
toegemeten, en pas in de laatste maanden na verschrikkelijke
moeilijkheden en worstelingen is het mij gelukt enkele der lessen te
verstaan, die verscholen liggen in het hart van het leed. Geestelijken
en menschen die zegswijzen gebruiken zonder wijsheid, spreken soms van
lijden als van een geheimenis. In werkelijkheid is het een openbaring.
Men nadert de wereldgeschiedenis van een gansch anderen kant. Wat men
vroeger bij instinkt duister had gevoeld omtrent kunst, wordt door
verstand en gemoed beleefd met volmaakte helderheid van aanschouwing
en hoogste spanning van waarneming.
Ik zie nu in dat smart de opperste aandoening is, waarvoor een mensch
vatbaar is, en dat zij daarom tegelijk de grondvorm en de toetssteen
van alle kunst is. Waar de kunstenaar altijd op uit is, is de
bestaansvorm waarin ziel en lichaam éen en ondeelbaar zijn, waarin het
uitwendige uitdrukking geeft aan het inwendige, waarin de stof
openbaring wordt. Zulke bestaansvormen zijn er verscheidene. Het éene
oogenblik kan de jeugd en de kunsten die zich uitsluitend met de jeugd
bezighouden, ons als voorbeeld dienen. Het andere oogenblik zijn wij
geneigd te denken dat de moderne landschapkunst met haar verfijndheid
en gevoeligheid voor indrukken, met hare suggestie als van een geest
die in de uitwendige dingen woont en gelijkelijk van aarde en lucht,
van mist en stad zijn kleed maakt, met haar ziekelijk gevoelige
harmonie van stemmingen, tonen en kleuren, voor ons schilderkunstig
verwezenlijkt wat zoo volmaakt plastisch verwezenlijkt werd door de
Grieken. De muziek waarin alle onderwerp wordt opgelost in de
uitdrukking, zoodat het er niet meer van gescheiden kan worden, is een
ingewikkeld, en een bloem of een kind een eenvoudig voorbeeld van wat
ik bedoel. Maar smart is de uiterst bereikbare grondvorm zoowel in het
leven als in de kunst.
Achter vreugde en lach kan zich een gemoed verschuilen, grof, hard en
ongevoelig. Maar achter smart schuilt altijd smart. Leed, in
tegenstelling met vreugde, draagt geen masker. Waarheid in kunst is
volstrekt niet overeenstemming tusschen de ideëele werkelijkheid en
den toevalligen bestaansvorm, het is niet de gelijkenis van de
gestalte met haar schaduw, of van het spiegelbeeld in het kristal met
de gedaante zelf, het is niet een echo die antwoordt uit de holling
van den heuvel, evenmin als het een zilveren waterspiegel in de vallei
is, die de maan toont aan de maan en Narkissos aan Narkissos. Waarheid
in kunst is de eenheid van een ding met zichzelf, het uitwendige
gemaakt tot de uitdrukking van het inwendige, de vleeschwording der
ziel, het lichaam doordrongen van den geest. Daarom is geen waarheid
te vergelijken met smart. Er zijn oogenblikken dat smart mij voorkomt
de eenige waarheid te zijn. Andere dingen zijn misschien
begoochelingen van het oog of van de begeerte, dingen die enkel
bestaan om het oog te verblinden of de begeerte te verzadigen, maar
uit smart zijn de werelden opgebouwd, en geen kind of ster wordt
geboren zonder pijn.
Buitendien nog heeft smart een felle, geheel eigen werkelijkheid. Ik
heb van mijzelf gezegd dat ik iemand was, die in symbolische
betrekking stond met de kunst en de beschaving van mijn tijd. Geen
enkel ellendig man is hier saam met mij op deze ellendige plaats, die
niet in symbolische betrekking staat met de geheimenis zelf des
levens. Want de geheimenis des levens is lijden. Dat is liet wat
verscholen is achter alles. Wanneer wij beginnen te leven, is het
zoete ons zoo zeer zoet, en het bittere zoo zeer bitter, dat wij
onvermijdelijk al onze verlangens richten naar genietingen, en er op
uit zijn niet enkel "voor een maand of twee op honing te teren", maar
al onze jaren lang geen ander voedsel te proeven, zonder onderwijl te
beseffen, dat wij eigenlijk bezig zijn de ziel te laten verhongeren.
Ik herinner mij hoe ik eens over dit onderwerp sprak met een der
schoonste persoonlijkheden die ik ooit gekend heb: een vrouw wier
medegevoel en edele goedheid jegens mij, zoowel vóor als na de ramp
van mijn gevangenisschap, alle macht van beschrijving te boven zijn
gegaan, eene die mij, hoewel zij het niet weet, meer dan iemand anders
ui de gansche wereld werkelijk bijstand gegeven heeft bij het dragen
van den last mijner kwellingen, en dat alleen door het enkele feit van
haar bestaan, doordat zij is wat zij is: een ideaal zoowel als een
invloed: een wezen dat niet alleen de gedachte ingeeft aan wat men zoû
kunnen worden, maar ook feitelijke hulp verleent om het te worden, een
ziel die de gemeene lucht zoet maakt, en al wat geestelijk is, zoo
eenvoudig en natuurlijk doet schijnen als het zonlicht of de zee: eene
voor wie schoonheid en smart hand in hand gaan en dezelfde zending
hebben. Bij de gelegenheid die ik bedoel, zeide ik tot haar--ik
herinner het mij zeer duidelijk,--dat er genoeg lijden was in éen
nauwe Londensche steeg om aan te toonen dat God de menschen niet
liefhad, en dat, als ergens eenige smart heerschte, al was het slechts
het verdriet van een kind dat in zijn stadstuintje zit te weenen om
iets dat het al of niet misdreven heeft, het gelaat der gansche
schepping geschonden was. Ik had geheel en al ongelijk. Zij zeide het
mij, maar ik kon haar niet gelooven. Ik was niet in de sfeer waarin
men dat geloof behalen kan. Nu komt het mij voor dat de éene liefde of
de andere de eenig mogelijke verklaring is van de buitengewoon groote
som van lijden op de wereld. Ik kan geen andere verklaring beseffen.
Ik ben overtuigd dat er geen andere is, en dat, als de wereld
wezenlijk, zooals ik zeide, opgebouwd is uit smart, zij opgebouwd is
door de handen der liefde, omdat op geen andere wijze de ziel des
menschen, voor wie de wereld geschapen werd, de volle gestalte van
hare volmaaktheid kon bereiken. Genot voor het schoone lichaam, maar
leed voor de schoone ziel.
Wanneer ik zeg dat ik hiervan overtuigd ben, spreek ik met te veel
hoovaardij. Veraf, als een volkomen parel, kan men de stad Gods zien
liggen. Het is zoo'n wonderbaarlijk gezicht, dat het lijkt als kon een
kind haar bereiken binnen een zomerdag. En een kind kan dat ook. Maar
voor mij en mijns gelijken gaat het niet zoo gemakkelijk. Wat wij ons
éen enkel oogenblik misschien eigen maken, verliezen wij weêr in de
lange uren die volgen met haar looden voeten. Het is zoo moeilijk de
ziel te houden op "de hoogten die zij machtig is te winnen". Wij
denken in de eeuwigheid, maar wij bewegen traag door den tijd; en hoe
traag de tijd gaat voor ons die gevangen zitten, behoef ik niet nog
eens te vertellen, evenmin als van de loomheid en de wanhoop die komen
terugkruipen in onze cel en in de cel van ons hart met zulk een
vreemdsoortige volharding dat wij om zoo te zeggen ons huis voor haar
komst moeten sieren en bezemen als voor een onwelkom gast of voor een
bitsen meester of voor een slaaf wiens slaaf het ons lot of onze keus
is te zijn.
En, al kunnen op het oogenblik mijn vrienden, dit slecht gelooven,
toch is het niet minder waar dat voor hen die leven in vrijheid,
ledigheid en gerief, het gemakkelijker is de lessen van den deemoed te
leeren dan voor mij die den dag begin met neder te knielen om den
vloer mijner cel te reinigen. Want het leven in de gevangenis met zijn
eindelooze onthoudingen en beperkingen maakt ons opstandig. Het
schrikkelijkste er van is niet dat het iemands hart breekt--harten
zijn er voor om gebroken te worden--maar dat het iemands hart tot een
steen maakt. Van tijd tot tijd heeft men het gevoel dat men enkel met
een bronshard voorhoofd en hoonstarre lippen door den dag kan heen
komen. En hij die in den staat der weêrspannigheid is, kan de genade
niet ontvangen, om de uitdrukking te gebruiken, die de Kerk zoo zeer
bemint,--zoo zeer te recht bemint, dunkt mij--; want in het leven
zoowel als in de kunst stopt de opstandige gestemdheid de toegangen
der ziel en sluit de ademen des hemels buiten. Toch moet ik deze
lessen hier leeren, als ik ze ergens zal leeren, en moet vervuld
worden van vreugde, indien mijn voeten op den rechten weg zijn en mijn
gelaat gekeerd is naar "de poort die de Schoone genaamd wordt", al val
ik ook vaak neder in het slijk en verdool ik dikwijls in den mist.
Dit "Nieuwe Leven", zooals ik het soms om mijn liefde voor Dante
gaarne noem, is natuurlijk volstrekt geen nieuw leven, maar eenvoudig
bijwege van ontwikkeling en evolutie, de voortzetting van mijn vroeger
leven. Ik herinner mij hoe ik eens in Oxford, het jaar vóor ik
afstudeerde, tot een van mijn vrienden zeide op een morgen qat wij
ronddwaalden door de nauwe vogelendoorkwetterde wandelpaden van
Magdalen College, dat ik begeerde te eten van de vrucht van al de
boomen in den tuin der wereld, en dat ik de wereld inging met dien
hartstocht in mijn ziel. En zoo ging ik werkelijk het leven in, en zoo
heb ik geleefd. Mijn eenige fout was dat ik mij uitsluitend beperkte
tot de boomen van wat mij de bezonde kant van den tuin leek, en de
andere zijde schuwde om haar schaduw en mistroostigheid. Mislukking,
schande, armoede, smart, wanhoop, lijden, tranen zelfs, de gebroken
woorden die over lippen in leed komen, wroeging die den mensch op
doornen doet wandelen, schuldbesef dat veroordeelt, zelfverlaging die
zich wreekt, ellende die asch op haar hoofd strooit, benauwing die een
zak kiest voor haar kleedij en gal stort in haar eigen
drinkwater,--voor al deze dingen was ik bevreesd. En terwijl ik
besloten had daarvan niets te willen weten, werd ik gedwongen elk van
hen op de beurt te proeven, op hen te teren, voor een bestemden tijd
in waarheid geen ander voedsel te hebben.
Geen enkel oogenblik heb ik spijt dat ik geleefd heb voor genot. Ik
deed het tenvolle, zooals men alles wat men doet, behoort te doen.
Daar was geen genot waarvan ik geen ervaring maakte. Ik wierp de parel
mijner ziel in een beker wijn. Het pad der, vroege-lentebloemen ging
ik onder den klank der fluiten. Ik leefde van honing en honingzeem,
Maar als ik hetzelfde leven had voortgezet, zoû dat verkeerd geweest
zijn, daar het beperkend zoû gewerkt hebben. Ik moest verder. De
andere helft van den hof had ook hare geheimen voor mij. Natuurlijk
ligt van dit alles de voorschaduwing en voorbeelding in mijn boeken.
Iets er van vindt men in "De Gelukkige Prins", iets ook in "De Jonge
Koning", voornamelijk waar onder andere de bisschop zegt tot den
knielenden knaap: "Is Hij die de ellende schiep, niet wijzer dan gij
zijt?", een volzin, die, toen ik hem neerschreef, mij niet veel meer
dan een fraze leek; veel er van ligt verholen in den doemdreigenden
ondertoon die als een purperen draad loopt door het weefsel van
"Dorian Gray"; in "De Kritikus als kunstenaar" is het uitgewerkt in
vele kleuren; in "De Ziel des Menschen" is het neêrgeschreven, en dat
in letterteekens meer dan gemakkelijk om te lezen; het is een der
refereinen wier terugkeerende motieven "Salome" zoo zeer gelijk aan
een muziekstuk maken en het tezamen binden als een ballade; in het
prozagedicht van den man die uit het brons van het beeld van "Genot
dat een oogenblik leeft" maken moet het beeld van "Smart die eeuwig
duurt", is het lichaam geworden. Het had niet anders gekund. Ieder
afzonderlijk oogenblik van zijn leven is men wat men zal zijn evenzeer
als wat men geweest is. De kunst is een symbool, omdat de mensch een
symbool is.
Als ik het volkomen bereiken kan, is dit Nieuwe Leven de uiterste
verwezenlijking van het kunstenaarsbestaan. Immers het leven van den
kunstenaar is eenvoudig zelfontwikkeling. De deemoed bij den
kunstenaar bestaat in zijn onvoorwaardelijk aannemen van alle
ervaringen, volkomen als de liefde bij den kunstenaar eenvoudig de zin
der schoonheid is, die der wereld haar lichaam en ziel openbaart. In
"Marius the Epicurean" tracht Pater het kunstenaarsleven te verzoenen
met het godsdienstige leven in de diepe, zoete en gestrenge beteekenis
van het woord. Maar Marius is niet veel meer dan een toeschouwer,
zeker een ideaal toeschouwer en een aan wien het gegeven is "het
schouwspel des levens gade te slaan met geëigende ontroeringen", wat
Wordsworth bepaalt als het waarachtige doel des dichters; toch is hij
uitsluitend toeschouwer, en misschien een weinig te beziggehouden met
de sierlijkheid der banken van het heiligdom om op te merken dat het
het heiligdom der smart is, dat hij voor oogen heeft.
Ik zie een veel inniger en onmiddellijker verband tusschen het
werkelijke leven van Christus en het werkelijke leven van den
kunstenaar; en het is een ongemeene verheuging voor mij te bedenken
dat ik, lang vóor smart mijn dagen haar eigendom had gemaakt en mij
gebonden aan haar rad, geschreven had in "De Ziel des Menschen" dat
hij die een leven gelijk aan dat van Christus wil leiden, geheel en
volstrekt zichzelf moet zijn, terwijl ik als voorbeelden niet enkel
den schaapherder aan den heuvelkant en den gevangene in zijn cel had
genomen, maar ook den schilder voor wien de wereld een kleurige
optocht, en den dichter voor wien de wereld een lied is. Ik herinner
mij hoe ik eens zeide tot André Gide, toen wij samen in een of ander
Parijsch café zaten, dat, terwijl metaphysica maar weinig wezenlijk
belang voor mij had en zedeleer volstrekt geen, er niets was, dat
hetzij Platoon of Christus gezegd hadden, dat niet onmiddellijk kon
worden overgebracht op het gebied der kunst en daar zijn volledige
vervulling vinden.
Ook onderscheiden wij in Christus niet alleen die nauwe vereeniging
van persoonlijkheid met volmaaktheid, die het feitelijke onderscheid
uitmaakt tusschen de classieke en de romantieke strooming in het
leven, maar de grondslag zelf van zijn natuur was dezelfde als bij de
natuur van den kunstenaar--een felle en vlamgelijke verbeelding. Hij
bracht in toepassing op het geheele gebied der menschelijke
verhoudingen dat medegevoel der verbeelding, dat op het gebied der
kunst het eenige geheim van scheppen is. Hij verstond de melaatschheid
der melaatschen, de duisternis der blinden, de grimmige ellende van
hen die leven voor genot, de vreemde armoede der rijken. Iemand
schreef mij in mijn ongeluk: "Wanneer gij niet op uw voetstuk staat,
zijt gij niet belangwekkend." Hoe ver stond de schrijver van wat
Matthew Arnold noemt "het geheim van Jezus". Van beiden had hij kunnen
leeren dat al wat onzen naaste overkomt, onszelf overkomt, en als gij
een spreuk begeert, om te lezen bij den dageraad en in den avond, een
voor vreugde en voor leed, schrijf op de wanden van uw huis in letters
die de zon verguldt en de maan verzilvert: "Al wat onszelf overkomt,
overkomt onzen naaste."
Christus' plaats is inderdaad bij de dichters. Zijn geheele opvatting
der menschheid kwam rechtstreeks voort uit de verbeelding, en kan
alleen door haar worden begrepen. Wat God was voor den pantheïst, was
de mensch voor hem. Hij was de eerste die de verdeelde rassen als een
eenheid opvatte. Vóor zijn tijd waren er goden en menschen geweest, en
daar hij door de mystiek van het medegevoel erkende dat elk van beiden
in hemzelf vleesch-geworden was, noemt hij zich, naar zijn
oogenblikkelijke stemming, den Zoon van God en den Zoon des menschen.
Meer dan wie ook in de wereldgeschiedenis wekt hij in ons de
ontvankelijkheid voor het wonder, waartoe het romantieke zich altijd
richt. Daar blijft voor mij iets bijna ongeloofelijks in het denkbeeld
van een jong Gallilaiër van het land, die zich voorstelt dat hij op
zijn eigen schouders zoû kunnen dragen den last der geheele wereld,
al wat reeds gedaan en geleden was, en alles wat nog gedaan en geleden
moest worden: de zonden van Nero, van Cesare Borgia, van Alexander VI,
van hem die keizer van Rome was en priester van de Zon; het lijden van
hen wier namen legio zijn en wier woning is tusschen de graven,
onderdrukte volkeren, fabriekskinderen, dieven, gevangenen,
uitgeworpenen, diegenen die stom zijn onder de verdrukking en wier
stilte gehoord wordt alleen door God--, en die zich dat niet enkel
voorstelt, maar het in werkelijkheid volvoert, zoodat nog op dit
oogenblik al wie in aanraking komen met zijn persoonlijkheid, zelfs al
buigen zij zich niet voor zijn altaar noch knielen voor zijn priester,
meer of min ervaren dat het terugstootende van hun zonde is
weggenomen, en de schoonheid van hun smart hun is geopenbaard.
Ik had van Christus gezegd dat hij in de rij der dichters behoort. Dat
is zoo. Shelley en Sophokles zijn van zijn broederschap. Maar ook zijn
geheele leven is het wonderbaarlijkste aller gedichten. Wil men
"medelijden en vrees"--, daar is niets in den geheelen kring van het
Grieksche treurspel, dat dit gedicht raakt. De volstrekte reinheid van
den protagonist verheft het geheele plan tot een hoogte van romantieke
kunst, vanwaar de rampen van Thebai en van Pelops' huis door haar
gruwelijkheid zelf zijn uitgesloten, en bewijst hoezeer Aristoteles
ongelijk had toen hij in zijn verhandeling over het drama zeide dat
het onmogelijk zoû zijn het schouwspel te verduren van den vlekkelooze
in lijden. Noch in Aischylos, noch in Dante, die stroeve meesters der
teederheid, noch in Shakespeare, den zuiverst menschelijken van alle
groote kunstenaars, noch in de gezamenlijke Celtische mythen en
legenden waar de liefelijkheid der wereld zich vertoont door een mist
van tranen, en het leven van een mensch niet meer is dan het leven van
een bloem, is er iets dat, om zuiveren eenvoud van ontroerendheid,
vereend en vereenzelvigd met verhevenheid van tragische werking, kan
gezegd worden te evenaren of ook maar te benaderen het laatste bedrijf
van Christus' lijden. Het eenvoudige avondmaal met zijn gezellen, van
wie een hem reeds voor een som gelds verkocht heeft; zijn zielsangst
in den rustigen maanverlichten hof; de valsche vriend die hem nadert
om hem te verraden met een kus; de vriend die nog in hem geloofde en
op wien hij als op een rots gehoopt had een huis van toevlucht voor
den mensch te bouwen, die hem verloochent op het oogenblik dat de haan
kraaide naar den dageraad; zijn eigen volstrekte verlatenheid, zijn
onderworpenheid, zijn berusting in alles; en daartusschendoor zulke
tooneelen als de hoogepriester der orthodoxie, die in toorn zijn kleed
verscheurt, en de ambtenaar der wereldlijke rechtspraak, die om water
roept in de ijdele hoop zich te reinigen van dien vlek onschuldig
bloed, die hem tot de scharlaken figuur der geschiedenis maakt; de
kroningsplechtigheid der smart, een der wonderbaarlijkste dingen in de
kronieken der tijden; de kruisiging van den Gerechte voor de oogen van
zijn moeder en van den discipel dien hij liefhad; de soldaten die het
lot werpen om zijne kleederen; de vreeselijke dood waardoor hij der
wereld haar eeuwigste symbool schonk; en ten laatste zijn bijzetting
in het graf van den rijken man, zijn lijk gezwachteld in Aigyptisch
lijnwaad met kostbare specerijen en reukwerken als ware hij een
koningszoon geweest.... Wanneer men dit alles enkel uit het
gezichtspunt der kunst beschouwt, kan men niet dan dankbaar zijn dat
de hoogdienst der Kerk de opvoering van het treurspel is zonder
vergieten van bloed, de mystieke voorstelling van het lijden van haren
Heer door middel van dialoog en gewaad en zelfs van gebaar; en het is
steeds een bron van vreugde en ontzag voor mij te bedenken dat men het
Grieksche koor dat elders voor de kunst verloren is gegaan, in zijn
laatsten overlevenden vorm kan vinden in den dienaar die den priester
antwoordt bij de bediening der mis.
Toch is het geheele leven van Christus--zoo geheel en al kan smart en
schoonheid eengemaakt worden in haar beteekenis en openbaring--in
werkelijkheid een idylle, al is de afloop dat het voorhangsel van den
tempel in tweeë scheurt, en de duisternis het gelaat der aarde bedekt,
en de steen gewenteld wordt voor de deur van het graf. Men denkt
altijd aan hem als aan een jongen bruidegom met zijn gezellen, zooals
hij zelf inderdaad zich ergens beschrijft; als aan een schaapherder
die met zijn schapen door de vallei dwaalt op zoek naar groene weide
of koelen stroom; als aan een zanger die tracht op te bouwen uit
muziek de muren van de Stad Gods; of als aan een minnaar voor wiens
liefde de geheele wereld te klein was. Zijne wonderen lijken mij even
kostelijk als de komst der lente, en even natuurlijk. Ik zie geen
bezwaar te gelooven dat de bekoring zijner persoonlijkheid een
zoodanige was, dat zijn enkele aanwezigheid vrede kon brengen aan
beangste zielen, en dat zij die zijn kleederen of zijn handen
aanraakten, hun pijnen vergaten, of dat als hij voorbijkwam langs de
heirbaan des levens, menschen die nooit iets hadden gezien van levens
geheimenis, die helder zagen, en anderen die doof waren geweest voor
elke andere stem dan die van het genot, voor het eerst de stem der
liefde hoorden en haar vonden "zoetluidig als Apolloons lier"; of dat
booze hartstochten vluchtten bij zijn naderen en menschen wier
stompzinnige verbeeldinglooze levens slechts een wijze van doodzijn
waren geweest, als het ware uit hun graven opstonden wanneer hij hen
riep; of dat wanneer hij leerde aan de berghelling, de schare haar
honger en dorst en de zorgen der wereld vergat; en dat als zijn
vrienden naar hem luisterden terwijl hij met hen aanzat, het gemeene
voedsel hun kostelijk scheen en het water hun smaakte als uitgelezen
wijn en bet geheele huis vervuld werd met de reuk en de zoetheid van
nardus.
In zijn Leven van Jezus--dat bevallige vijfde evangelie, het evangelie
naar den Heiligen Thomas, zoû men het kunnen noemen--zegt Renan ergens
dat de grootste levensdaad die Christus tot stand bracht, was dat hij
na zijn dood even bemind bleef als hij bij zijn leven was geweest. En
als zijn plaats onder de dichters is, is hij zeker de voorganger van
alle minnaren. Hij zag dat de liefde het hoofdgeheim der wereld was,
waarnaar de wijzen hadden gezocht, en dat men alleen door liefde kon
naderen hetzij tot het hart van den melaatsche hetzij tot de voeten
van God.
En bovenal is Christus de opperste der individualisten. Zijn godsleer
is, evenals het aannemen van alle levenservaringen door den
kunstenaar, enkel een wijze van openbaring. De ziel des menschen is
het, die Christus altijd zoekt. Hij noemt haar het "Koninkrijk Gods"
en vindt haar in iedereen. Hij vergelijkt haar bij luttele dingen, bij
een nietig zaad, een handvol zuurdeesem, een parel. Dat komt omdat men
het bestaan der ziel enkel bewust wordt door zich los te maken van
alle vreemde hartstochten, alle aangeleerde beschaving, alle
uitwendige bezittingen, zoo goed als kwaad.
Ik bood het hoofd aan alles met een soort hartnekkigheid van wil en
veel ingeboren opstandigheid, tot ik volstrekt niets in de wereld
overhad dan éen enkel ding. Ik had naam, positie, geluk, vrijheid,
rijkdom verloren. Ik was een gevangene en een arm man. Maar nog had ik
mijn kinderen over. Plotseling werden zij mij door de wet ontnomen.
Het was zulk een verbijsterende slag voor mij, dat ik niet wist wat te
doen. Ik wierp mij op de knieën en boog het hoofd en weende en zeide:
"Het lichaam van een kind is als het lichaam onzes Heeren; ik ben geen
van beide waardig". Dat oogenblik, scheen het, redde mij. Ik zag dat
het eenige wat mij overbleef te doen, was alles voor lief te nemen.
Van toen af--het zal ongetwijfeld vreemd klinken--heb ik mij
gelukkiger gevoeld. Ik was doorgedrongen tot de ziel in haar uiterste
wezenheid. In vele opzichten was ik haar vijand geweest, maar ik vond
haar op mij wachten als een vriend. Wanneer men in beroering komt met
de ziel, wordt men eenvoudig als een kind: zooals Christus zeide dat
men behoort te worden.