Ik was een man die in symbolische betrekking stond tot de ku

OSCAR WILDE

DE PROFUNDIS

GEAUTORISEERDE VERTALING VAN P.C. BOUTENS

MET ENKELE BRIEVEN VAN WILDE

* * * * *

TWEEDE DRUK, (6e, 7e, 8e DUIZEND)

WERELDBIBLIOTHEEK ONDER LEIDING VAN L. SIMONS

UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE

LECTUUR--AMSTERDAM

De eerste oplaag van dit werk, groot 5000 ex., verscheen September

1911.

Deze tweede oplaag, groot 3000 ex., verschijnt in Januari 1913.

* * * * *

INLEIDING

Verbis meis addere nihil audebant et super illos stillabat

eloquium meum.

JOB XXIX, 22.

Grafschrift van O. W., Bagneux-Parijs.

Oscar Fingal O'Flahertie Wills Wilde (1854-1900), de befaamde

schrijver van den roman "The Picture of Dorian Gray", van verscheidene

bundels sprookjes, essays, gedichten, van "Salomé", van vier

blijspelen wier vertooningen niet ophielden volle schouwburgen in

Londen te trekken, werd den 25en Mei 1895 veroordeeld tot twee jaar

tuchthuisstraf. Zijn veroordeeling, om misdrijf tegen de zeden, was

een onmiddellijk gevolg van zijn eigen aanklacht wegens laster tegen

den Markies van Queensberry, den vader van Lord Alfred Douglas,

Wilde's jongen, door hem verafgoden vriend. De veroordeelde onderging

zijn straf in de gevangenis te Wandsworth en daarna in die te Reading,

en het is in den allerlaatsten tijd van zijn verblijf hier, toen men

hem toestond te schrijven wanneer en zoo lang als hij verkoos, dat

"de Profundis" ontstaan is. De titel is niet van hem, maar van zijn

literairen boedelredder, den Heer Robert Ross. Wilde zelf spreekt in

een zijner brieven van het geschrift als: "Epistola in carcere et

vinculis".

In Mei 1897 vrijgekomen, vestigde hij zich onder den schuilnaam

Sebastian Melmoth eerst te Berneval in de buurt van Dieppe. Hier

schreef hij het eenige werk dat hij na zijn gevangenschap volbracht:

"The Ballad of Reading Gaol". Het was zijn bedoeling Berneval niet

eerder te verlaten vóór hij zijn ontworpen drama "Pharaon" zou hebben

voltooid. Maar reeds in October van hetzelfde jaar gaf hij gehoor aan

Douglas' aanhoudend dringen en had een samenkomst met hem te Rouaan.

Daarna waren de beide vrienden korten tijd samen op Douglas' villa te

Posilippo bij Napels, maar werden gedwongen--vrienden en verwanten

hielden beider toelagen in--opnieuw te scheiden. Wilde vertrok naar

Parijs en leefde daar in betrekkelijk behoeftige omstandigheden. Hij

stierf er aan meningitis den 30sten November 1900.

Oscar Wilde is zeker de meest tragische kunstenaarsfiguur uit onzen

tijd. Niet in de allereerste plaats om zijn botsing met de geboekte

zedelijkheidsbegrippen eener schijnheilige samenleving. Een

onverzwakte persoonlijkheid zou dien slag met al zijn gevolgen van

botte verguizing en redelooze krenking zonder doodsgevaar zijn

tebovengekomen. Minder blinde moedwil zou aan de offerzucht van laster

en liederlijkheid een zoo bandelooze orgie niet eens hebben gegund.

Evenals alle hoogste geluk valt alle moordend leed buiten de grenzen

onzer materieele gemeenschap. Het is niet de maatschappij die Wilde

tot paria heeft gemaakt. Zij kon het niet. Omdat hij kunstenaar, dat

is maatschappelijk reeds een paria was. Zijn ondergang is een evenzeer

psychisch proces als b.v. de jarenlange geestesverduistering van

Hölderlin of het wegzinken van Nietzsche. Maar er laait om hem een

schijn van feller tragiek, omdat een onzichtbaar noodlot hem dreef tot

de schijnbaar vrijwillige keuze van het verderf. Hij is als een

slaapwandelaar die met open oogen zoû spelen om het leven: door zijn

bejuweelde vingeren glijden en verglijden alle schatten tot den

glimlach der hooghartige spilzucht verstart in de bewuste grijns van

den dood.

* * * * *

De kunstenaar staat buiten de maatschappij in wier midden hij leeft.

Het leven zelf scheidt hen. De kunstenaar kan de maatschappij als

zoodanig verstaan of niet verstaan, maar de maatschappij den

kunstenaar nimmer. Hun verband is daarom steeds een eenzijdig verbond,

en wordt door elken oprechten kunstenaar verbroken zoodra zijn

onafhankelijkheid gevaar loopt. Want onafhankelijkheid is voor den

kunstenaar de eenige mogelijkheid van leven. Hij is de opperste

individualist. Volstrekte zelfstandigheid is zijn levensadem. Niemand

staat daarom zoo ver als hij van het individualisme als leuze. Want

tot een leus maakt men alleen wat men niet heeft of slechts meent te

bezitten. Het individualisme der leuze sterft zijn eigen dood, daar

het geen doel heeft buiten zich. Dat van den kunstenaar is meteen het

hoogste voorbeeld van altruïsme. Alleen de kunstenaar bezit het geloof

dat het hoogste altruïsme bereiken kan waardoor alleen het te bereiken

is: door het zuivere individualisme heen. Zoo een heeft met

maatschappelijke wetten weinig te maken. Zij bestrijken een gebied dat

niet reikt tot zijn grenzen. Zedelijkheidswetten begrijpt hij niet,

maar hij heeft haar niet noodig. Zijn eigen moraal is hem genoeg. Zij

bestaat in een onwrikbaren eerbied voor zijn eigen persoonlijkheid,

een eerbied waarvan die voor andere persoonlijkheden voorwaarde en

gevolg is. Wanneer een kunstenaar in botsing komt met de wetten der

maatschappij, wanneer hij volgens die wetten veroordeeld en gestraft

wordt, zal dit hem in zijn eigen oog niet vernederen; want de

strafbare daad die hij beging, moet voor hem een even, misschien meer

waardevolle plaats innemen in zijn leven dan andere daden waarom

dezelfde maatschappij hem bewierookt. Hij zal zulk een straf ondergaan

als de bezegeling zijner onafhankelijkheid. Evenmin als hij er aan

denkt de wetten der gemeenschap te tarten, evenmin zal hij in vreeze

voor haar kunnen leven. Wanneer de maatschappij met den zuiveren

kunstenaar in botsing komt, kan men van haar niet anders verwachten

dan dat zij zich belachelijk maakt. Haar optreden kan slechts beduiden

een minderwaardig feit in de geschiedenis der emancipatie van den

geest. In de laatste eeuw heeft zij gelukkig groote vorderingen

gemaakt op den weg harer noodzakelijke evolutie. Toch is zij nog lang

niet wat zij mettertijd wezen moet: een eerlijk gewaarborgde

administratie der materiëele belangen. Alleen voor den kunstenaar is

zij, gebrekkig als zij het moge zijn, nu reeds niet méer, omdat hij de

voortijdig geestelijk geëmancipeerde is.

Oscar Wilde, die zeker geen zuiver kunstenaar was, zocht zijn

ondergang door het noodlottige dualisme van zijn aanleg. Wat voor

iederen onbevangene thans duidelijk is, dat zijn tehuis eer zijn cel

in de gevangenis was dan de woningen der Engelsche grooten, voorvoelde

hij met de noodlottige zekerheid van wie niet aan hun bestemming

ontkomen, en hij maakte die verheimelijkte bewustheid tot den pervers

bekorenden inhoud van een ledig mondain leven. Hij versmeet en

verkwistte zich aan onwaardigen. Hij weigerde te zien wat hij maar al

te scherp zag: dat de kunstenaar het leven niet doorkent door een

alzijdige deelneming, maar door een eerlijke verdieping in zijn eigen

bestaan. Toen zijn kennismaking met Douglas hem de hoogste

mogelijkheden van zijn kunstenaarschap openbaarde, moet hem meteen

zijn alzijdige gebondenheid zijn bewust geworden. Zoo viel een zuiver

psychische crisis samen met een geruchtmakende veroordeeling om

kwalijk bewezen beschuldigingen, en na zijn gevangenschap oneindige

geestelijke verarming met maatschappelijken ondergang.

"De Profundis" is geschreven in de gevangenis, toen ophanden vrijheid

zijn betrekkelijke ongemoeidheid tot nieuwe levenshoop prikkelde. Er

is geen eenheid van gedachte in. Het werd stuksgewijze geschreven,

zonder bezonken inzicht, naar oogenblikkelijke stemmingen, onder den

druk van lichamelijk lijden en geestelijke hulpbehoevendheid welke hem

onder den invloed hield van welwillenden die hem niet verstonden. Maar

vaak stijgt de ziende geest boven den oogenblikkelijken toestand. Voor

wie lezen kan, zijn de waardevolle gedeelten van den brief gemakkelijk

te vinden.

Een leven van Oscar Wilde is nog niet geschreven. Het centrale punt is

zijn vriendschap met Douglas. Daarheen en vandaaruit behoort het te

worden geschreven en verklaard.

Douglas zelf is Wilde's onvoorwaardelijke vriend gebleven. Hoe de

doode leeft in zijn herinnering, kan men lezen in een zijner laatste

sonnetten, waarvan hier de vertaling volgt:

DE DOODE DICHTER

'k Droomde vannacht van hem: 'k zag zijn gelaat

Stralend en zonder schijn of schaûw van wee,

En hoorde als altijd de muziek dier zee,

Zijn gouden stem. Hij wekte in veil geraad

Verholen gratie waar zijn ooglicht glee.

Uit niets bezwoer hij wonders overdaad.

Tot 't minste ding in schoonheid ging verwaad,

En heel de weerld was éen bekoorde steê.

Dan, leek mij, buiten dicht gesloten poort

Rouwde ik om woorden ongeboekt verloren,

Verschald verhaal, geheimnis half gehoord,

Wondren verstoken van der wereld ooren,

Gedachten stom als vogelen vermoord--

En waakte en wist hem dood gelijk tevoren.

Den Haag, Maart 1911.

* * * * *

Het uitgegeven gedeelte van "de Profundis" is nauwelijks een derde van

den geheelen tekst. Dezelfde persoonlijke redenen, die den heer Robert

Ross, ondanks veler verzoek, weêrhielden het leven van Oscar Wilde te

schrijven, waren oorzaak dat hij het handschrift in bewaring gaf in

het Britsch Museum met de bepaling dat het eerst zeventig jaren na

zijn, Ross', dood volledig zal mogen worden openbaargemaakt.

September 1912.

DE PROFUNDIS

"Mijn plaats zou zijn tusschen Gilles de Retz en den markies de Sade."

Ik heb er vrede meê. Ik gevoel geen lust mij te beklagen. Een van de

vele lessen die men in de gevangenis leert, is dat men best doet de

dingen, nu en altijd, te nemen voor wat zij zijn. Ook heb ik niet den

minsten twijfel of de schandvlek der middeleeuwen en de schrijver van

"Justine" zullen op den duur beter gezelschap zijn dan menige Brave

Hendrik....

* * * * *

Dit alles greep plaats in de eerste helft van November van het

voorlaatste jaar. Het leven stroomt als een breede rivier tusschen mij

en een zoo verwijderd tijdstip. Gij die vrij man zijt, kunt niet of

nauwelijks zulk een wijde uitgestrektheid overzien. Doch mij schijnt

het, laat ik niet zeggen gisteren, maar vandaag te zijn gebeurd.

Lijden is éen oneindig lang oogenblik. Wij kunnen het niet in getijden

verdeelen. Wij kunnen slechts zijn stemmingen aanteekenen en haar

terugkeer boeken. Voor ons heeft de tijd zelf geen voortgang. Hij

wentelt om. Hij schijnt rond te draaien om éen middelpunt: leed. De

verlammende onbewegelijkheid van een leven waarvan elke bijkomstigheid

geregeld wordt naar een onveranderlijk voorbeeld, zoodat wij eten en

drinken en nederliggen en bidden, of tenminste onze knieën buigen,

volgens de onwrikbare wetten van een ijzeren voorschrift,--deze

eigenschap van onbewegelijkheid, die elken dag met zijn

verschrikkingen tot in het haarkleinste onderdeel gelijk maakt aan

zijn broeder, schijnt zich mede te deelen aan die uitwendige krachten

wier eigenste wezenheid van bestaan onafgebroken wisseling is. Van

zaai- en oogsttijd, van de snijders die buigen over het graan of de

druivenlezers die zich pad banen door de wijngaarden, van het gras in

den boomgaard dat wit is van den bloesemregen of overstrooid ligt met

afgevallen ooft,--daarvan weten wij niets en kunnen wij niets te weten

komen.

Voor ons bestaat er slechts éen getijde, het getijde der smart. Zelfs

de zon en de maan schijnen van ons te zijn weggenomen. Buiten is de

dag misschien blauw en gouden, maar het licht dat neêrzeeft door het

dicht gedempte glas van het kleine raam met zijn ijzeren traliën,

waaronder wij zitten, is grijs en karig. Het is altijd schemering in

onze cel zooals het altijd schemering is in ons hart. En in den kring

der gedachte, evenzeer als in den kring van den tijd, bestaat beweging

niet meer. Het voorval dat gij persoonlijk allang vergeten zijt of

gemakkelijk kunt vergeten, overkomt mij nu op het oogenblik, en zal

mij morgen opnieuw overkomen. Houd dit in gedachte, en gij zult

instaat zijn eenigszins te begrijpen waarom ik schrijf en waarom op

deze wijze....

Een week later word ik hierheen overgebracht. Nog drie maanden

verstrijken, en mijn moeder sterft. Niemand wist hoe diep ik haar

beminde en vereerde. Haar dood was verschrikkelijk voor mij. Maar ik,

eens een machthebber over de taal, heb geen woorden om mijn benauwing

en mijn schaamte uit te drukken. Nooit, zelfs niet in de meest

volmaakte dagen van mijn ontwikkeling als kunstenaar, zoû ik woorden

hebben kunnen vinden geëigend tot het dragen van een zoo verheven

last, of om te bewegen met toereikende statigheid van muziek door den

purperen optocht van mijn onuitsprekelijk wee. Zij en mijn vader

hadden mij een naam nagelaten, dien zij tot adel en eer hadden

opgevoerd, niet enkel in letterkunde, kunst, oudheidsleer en

natuurwetenschappen, maar in de openbare geschiedenis van mijn eigen

land, in zijn ontwikkelingsgang als een natie. Ik had dien naam voor

eeuwig onteerd. Ik had hem gemaakt tot een gemeen spreekwoord onder

gemeene lieden. Ik had hem door het slijk gesleept. Ik had hem

overgegeven aan de redeloozen om hem even redeloos te maken als

zichzelf, en aan dwazen om hem te veranderen in een naamgenoot voor

waanzin. Wat ik toen leed en nog lijd, kan geen pen schrijven en geen

geschrift verhalen. Mijn vrouw, onveranderlijk lief en zacht voor mij,

reisde, liever dan dat ik het nieuws van onverschillige lippen hooren

zou, ziek als zij was, heel van Genua naar Engeland om zelf het eerst

mij de tijding te brengen van een zoo onherstelbaar, zoo onvergoedbaar

verlies. Betuigingen van medegevoel kwamen tot mij van allen die nog

eenige genegenheid voor mij hadden. Zelfs menschen die mij nooit

persoonlijk hadden gekend, schreven, toen zij hoorden dat een nieuwe

smart over mijn leven losgebroken was, met verzoek dat hun deelneming

in een of anderen vorm aan mij zoû worden overgebracht....

Drie maanden gaan voorbij. De daglijst van mijn gedrag en mijn taak,

die aan den buitenkant op de deur van mijn cel hangt, met mijn naam en

vonnis als hoofd, zegt mij dat het Mei is....

Voorspoed, vreugde en welslagen kunnen ruw van nerf en grof van vezel

zijn, maar smart is het fijngevoeligste van al het geschapene. Daar

kan niets verroeren in de gansche wereld der gedachte, of smart trilt

na met vreeselijke en teeder-heftige polskloppen. Het dun uitgeslagen

sidderend stukje bladgoud, dat de richting aangeeft van krachten die

het oog niet kan waarnemen, is in vergelijking grof. Smart is een wond

die bloedt zoovaak eenige andere hand dan die der liefde daaraan

raakt, en die zelfs dan nog, al is het pijnloos, bloeden moet.

Waar smart is, daar is gewijde grond. Daar zal een dag komen dat de

menschen beseffen wat dat beteekent. Tot dan zullen zij niets van het

leven weten. Robbie en naturen als hij kunnen het zich invoelen. Toen

ik overgebracht werd uit mijn gevangenis naar het Bankroetiershof

tusschen twee man van de politie, wachtte Robbie in de lange sombere

gang om voor de oogen der geheele menigte, welke een zoo lieve en

eenvoudige handelwijze in plotseling stilzwijgen deed verstommen, mij

eerbiedig te groeten terwijl ik met de handboeien aan en met gebogen

hoofd langs hem kwam. Er zijn menschen die den hemel verdiend hebben

met geringere dingen dan dit. In dezen geest en in dezen aard van

liefde knielden de heiligen neder om de voeten der armen te wasschen

of bukten zij om den wang van den melaatsche te kussen. Nooit heb ik

een enkel woord tot hem gezegd over wat hij deed. Tot op het oogenblik

weet ik niet of het hem bekend is dat ik mij zijne handelwijze ook

maar bewust was. Het is geen ding waarvoor men iemand vormelijken dank

kan brengen in vormelijke woorden. Ik heb het weggeborgen in de

schatkamer van mijn hart. Ik bewaar het daar als een geheime schuld

die ik blijde ben te bedenken dat ik nooit bij mogelijkheid kan

terugbetalen. Het wordt gebalsemd en frisch gehouden door de myrrhe en

cassia van vele tranen. Wanneer wijsheid mij nutteloos was en

wijsbegeerte dor, en de spreuken en zinsneden van hen die mij

trachtten troost te geven, als stof en asch in mijn mond, heeft de

herinnering aan die kleine, liefelijke, stilzwijgende daad van liefde

voor mij al de bronnen van medelijden doen stroomen, heeft "de

woestijn doen bloeien als een roos", en mij uit de bitterheid van

eenzame ballingschap in harmonische gemeenschap gebracht met het

groote wonde gebroken hart der wereld. Wanneer de menschen instaat

zullen zijn te verstaan niet enkel hoe schoon Robbie's handelwijze

was, maar waarom zij zooveel voor mij beteekende en voor altijd

beteekenen zal, dan misschien zullen zij begrijpen hoe en in welken

geest zij mij behooren te naderen....

* * * * *

Het eerste boek met verzen dat een jong mensch in de prille lente van

den manlijken leeftijd de wereld inzendt, moet als bloesems zijn of

als lentebloemen, als de witte meidoorn op de weide van Magdalen

College of de sleutelbloemen op de velden van Cumnor. Het behoort niet

belast te worden met den druk van een vreeselijk en weêrzinwekkend

treurspel, een vreeselijk weêrzinwekkend zedendrama. Als ik er in

toegestemd had dat mijn naam als heraut zoû dienen voor zulk een boek,

zoû dat uit een oogpunt van kunst een zware fout zijn geweest; het zoû

rondom het geheele werk een verkeerde atmosfeer hebben aangebracht, en

in moderne kunst is atmosfeer van zooveel belang. Het moderne leven is

gecompliceerd en relatief; dat zijn zijn twee onderscheidende

kenteekenen; om de eerste eigenschap weêr te geven hebben wij

atmosfeer noodig met haar verfijndheid van kleurschakeeringen, van

suggestieve werkingen, van wondere verschieten; voor het wedergeven

van de tweede eigenschap behoeven wij achtergrond. Dat is de reden

waarom beeldhouwkunst opgehouden is een representatieve kunst te zijn,

en waarom muziek dat wel is, en waarom literatuur is en was en altijd

blijven zal de opperste representatieve kunst....

* * * * *

Om de drie maanden schrijft Robbie mij een kort overzicht van het

letterkundige nieuws. Zijne brieven zijn allerbekoorlijkst in hun

geestigheid, hun knap en bondig oordeel, hun lichten taal-aanslag: het

zijn heusche brieven, zij zijn als iemand die met u zit te praten; zij

hebben het gehalte eener Fransche "causerie intime"; en in de kiesche

vereering die hij voor mij heeft, doet hij nu eens beroep op mijn

scherpzinnigheid, dan weêr op mijn zin voor humor, een anderen keer op

mijn instmktmatig schoonheidsgevoel of op mijne ontwikkeling, en

herinnert mij met honderd kleine trekken dat ik eens voor velen een

scheidsrechter was over stijl in kunst, voor sommigen zelfs de

opperste scheidsrechter, en toont zoo dat hij naast literairen takt

evenzeer den takt der liefde bezit. Zijn brieven zijn de boodschappers

geweest tusschen mij en die schoone onwezenlijke wereld der kunst,

waar ik eenmaal koning was en zeker koning zoû gebleven zijn indien

ik mij niet had laten lokken in de gebrekkige wereld van den gemeenen

onvolgroeiden hartstocht, van lust zonder onderscheiding, begeerte

zonder grenzen en honger naar wat geen gedaante heeft. Toch, alles wel

beschouwd, had Robbie zeker kunnen begrijpen, of in elk geval

vermoeden, dat om voor de hand liggende redenen van zuiver

psychologische merkwaardigheid het belangwekkender voor mij geweest

zoû zijn te hooren omtrent ... dan te vernemen dat Alfred Austin

beproefde een bundel gedichten ter wereld te brengen, dat George

Street dramatische kritieken schreef voor de Daily Chronicle, of dat

door iemand die niet instaat is een lofrede uit te spreken zonder

stamelen, Mevrouw Meynell uitgeroepen was als de nieuwe Sibylle van

den stijl....

* * * * *

Wanneer andere ongelukkigen in de gevangenis worden geworpen, zijn

zij, indien zij al beroofd worden van de schoonheid der wereld,

tenminste in zekere mate beveiligd tegen der wereld doodelijkste

slinger worpen en schrikkelijkste schichten. Zij kunnen schuilen in de

donkerheid van hun cel en van hun schande zelf een soort heiligdom

maken. De wereld heeft voldoening gehad en gaat haars weegs, en men

laat hen verder ongestoord lijden. Met mij is het anders gegaan. Smart

is herhaaldelijk op zoek naar mij komen kloppen aan de deuren der

gevangenis. Men heeft de poorten wijd geopend om dat bezoek binnen te

laten. Zoo goed als nooit heeft men mijn vrienden vergund mij te zien.

Maar mijn vijanden hebben steeds ongehinderd toegang gehad. Tweemaal

terwijl ik openlijk terecht stond voor het Bankroetiershof, nog

tweemaal terwijl ik openlijk overgebracht werd van de eene gevangenis

naar de andere, ben ik in een toestand van onuitsprekelijke

vernedering tentoongesteld aan de blikken en de bespotting der

menschen. De boodschapper van den dood heeft mij zijne tijding

gebracht en is weêr heengegaan; en in volslagen eenzaamheid en

afgezonderd van alles wat mij troost of schijn van verlichting kon

geven, heb ik den onduldbaren last moeten dragen van ellende en

wroeging, waarmede de gedachtenis mijner moeder mij bezwaarde en mij

nog immer bezwaart. Nauwelijks is die wond door den tijd niet geheeld,

maar gelenigd, of heftige verbitterde en ruwe brieven van

zaakgelastigden bereiken mij. Men bedreigt mij en hoont mij tegelijk

met armoede. Dat kan ik dragen. Ik kan mij wennen aan erger dan dat.

Doch mijn beide kinderen worden mij langs gerechtelijken weg ontnomen.

Dat is en zal altijd voor mij blijven een bron van oneindigen nood,

van oneindig leed, van verdriet zonder duur of grens. Dat de wet kan

beslissen en zich aanmatigt te beslissen dat ik iemand ben ongeschikt

om met mijne eigen kinderen samen te zijn, is iets volslagen

afschuwwekkends voor mij. De schande der gevangenis is daarmede

vergeleken niets. Ik benijd de andere mannen die samen met mij de

binnenplaats treden. Ik weet zeker dat hun kinderen hen wachten, naar

hun komst uitzien en goed voor hen zullen zijn.

De armen zijn wijzer, liefderijker, vriendelijker, gevoeliger dan wij.

In hun oogen is de gevangenis een ramp in iemands leven, een ongeluk,

een speling van het toeval, iets dat medegevoel opwekt in anderen. Zij

spreken van iemand die in de gevangenis is, eenvoudig als van een "in

moeite". Het is hun gewone zegswijze, en de uitdrukking heeft in zich

de volmaakte wijsheid der liefde. Bij menschen van onzen eigen stand

is het anders. Bij ons maakt de gevangenis iemand tot paria. Ik en

menschen als ik hebben nauwelijks recht op lucht en zon. Onze

tegenwoordigheid smet de genoegens van anderen. Wij zijn nergens

welkom wanneer wij weêr voor den dag komen. Het schemerlicht der maan

wordt ons niet gegund. Zelfs onze kinderen worden van ons weggenomen.

Deze liefelijke banden met de menschheid worden verscheurd. Wij worden

veroordeeld tot eenzaamheid terwijl onze zonen nog leven. Men onthoudt

ons het éene dat ons zoû kunnen heelen en ophouden, dat balsem zoû

kunnen strijken op het gekneusde hart en vrede schenken aan de ziel in

haar leed....

Ik moet mij bekennen dat ik zelf mij te gronde richtte, en dat niemand

groot of klein te gronde gericht kan worden dan door zijn eigen hand.

Ik ben volkomen bereid het te bekennen. Ik tracht het te bekennen al

denkt men op het oogenblik dat het niet zoo is. Deze meêdoogenlooze

aanklacht breng ik zonder mededoogen tegen mijzelf in. Wat de wereld

mij aandeed, moge verschrikkelijk zijn geweest,--wat ik mijzelf

aandeed, was verreweg verschrikkelijker.

Ik was een man die in symbolische betrekking stond tot de kunst en de

geestesbeschaving van mijn tijd. Ik had dit zelf in den vroegen

dageraad van den mannelijken leeftijd ingezien en had daarna mijne

tijdgenooten gedwongen het in te zien. Weinigen nemen zulk een

stelling in tijdens hun eigen leven en zien die stelling op zulk een

wijze erkend. Gewoonlijk wordt zij, indien ooit, bepaald door den

geschiedschrijver of den criticus lang nadat zoowel de man als zijn

tijd zijn voorbijgegaan. Met mij ging het anders. Ik heb het zelf

gevoeld, en heb het anderen doen gevoelen. Byron was eene symbolische

figuur, maar hij stond in betrekking met den hartstocht van zijn tijd

en diens uitputting van hartstocht. Ik stond in betrekking met iets

edelers en duurzamers, iets van meer levenskrachtige gevolgen, van

wijder doeleinden.

De goden hadden mij bijna alleding geschonken. Ik had genie, een

klinkenden naam, een hooge maatschappelijke stelling, de gave van te

kunnen schitteren, intellectueelen durf. Ik maakte kunst tot een

wijsbegeerte en wijsbegeerte tot een kunst. Ik wijzigde den geest der

menschen en de kleur der dingen. Daar was niets wat ik zeide of deed,

dat de menschen niet in verwondering bracht. Ik nam het drama, den

meest objectieven vorm dien de kunst kent, en maakte het tot een even

persoonlijke wijze van uiting als het lyrisch vers of het sonnet.

Tegelijkertijd verruimde ik zijn gebied en verrijkte zijn

karakterbeelding. Het drama, de novelle, het gedicht in proza, het

gedicht op rijm, den subtiel realistischen of fantastischen dialoog,

al wat ik aanraakte, maakte ik schoon in een nieuwen aard van

schoonheid. Aan de waarheid zelf gaf ik wat onwaar is evenzeer als wat

waar is, tot haar rechtmatig rijksgebied, en toonde aan dat het onware

en het ware enkel intellectueele bestaansvormen zijn. Ik behandelde de

kunst als de opperste werkelijkheid en het leven als niets meer dan

een soort verdichtsel. Ik maakte de verbeelding mijner eeuw wakker,

zoodat zij mythe en legende om mij heen schiep. Ik vatte alle

wijsgeerige systemen samen in een zinsnede en alle bestaan in een

epigram. Daarnaast hield ik mij met andere dingen bezig. Ik liet mij

verlokken tot de langdurige begoochelingen van zinneloos en zinlijk

welbehagen. Ik vermaakte mij er mede een flaneur te zijn, een dandy,

een man van den dag. Ik omringde mij met kleine naturen en

minderwaardige geesten. Ik werd de verzwendelaar van mijn eigen genie,

en het schonk mij een bijzondere vreugde een eeuwigdurende jeugd te

verkwisten. Vermoeid van op de hoogten te verkeeren, daalde ik

opzettelijk af naar de laagten op zoek naar nieuwe zinnenprikkeling.

Wat de paradox voor mij was in de sfeer der gedachte, werd het

perverse voor mij in de sfeer van den hartstocht. Ten laatste was

begeerte een ziekte of een waanzin of wel beide. Onverschillig werd

mij het leven van een ander. Ik bevredigde mijn genotzucht waar het

mij behaagde, en ging verder. Ik vergat dat iedere kleine daad van het

dagelijksch leven vormend of vernietigend op het karakter inwerkt, en

dat men daarom wat men in zijn binnenkamer heeft gedaan, eenmaal zal

moeten verkondigen van de daken. Ik hield op meester over mijzelf te

zijn. Ik stond niet langer aan het roer mijner ziel, en wist het niet.

Ik liet mij door genot beheerschen. Ik eindigde in afgrijselijke

schande. Nu blijft er slechts éen ding voor mij over, volstrekte

deemoed.

Bijna twee jaar heb ik nu in de gevangenis gezeten. De natuurlijke

mensch in mij verviel tot woeste wanhoop, tot een verslagenheid van

leed, die deerniswaardig was ook maar om aan te zien, tot

schrikkelijke en onmachtige woede, tot bitterheid en haat, tot

benauwdheid die luid weende, tot ellende die geen stem kon vinden, tot

smart die stom bleef. Iedere mogelijke stemming van lijden heb ik

doorgemaakt. Beter dan Wordsworth zelf weet ik wat Wordsworth bedoelde

toen hij zeide:

"Leed is bestendig, lichteloos en donker, En draagt de

trekken der oneindigheid."

Maar terwijl er oogenblikken waren dat ik vreugde vond in het

denkbeeld dat mijn lijden eindeloos wezen zoû, kon ik toch niet dragen

dat het zonder bedoeling was. Nu vind ik ergens verweg in mijn natuur

een verborgen ding dat mij zegt dat niets in de geheele wereld zonder

bedoeling is, en lijden allerminst. Dat ding diep in mij begraven als

een schat in een akker, is Deemoed.

Het is het laatste wat in mij overgebleven is, en het beste: de

uiterste ontdekking waartoe ik geraakt ben, het uitgangspunt voor eene

vernieuwde ontwikkeling. Het is tot mij gekomen rechtstreeks uit

mijzelf, daarom weet ik dat het op het juiste oogenblik gekomen is.

Het kon niet eerder gekomen zijn, en ook niet later. Indien iemand er

mij over gesproken had, zoû ik het verworpen hebben. Als het tot mij

gebracht was, zoû ik het geweigerd hebben. Nu ik het zelf gevonden

heb, wensch ik het te behouden. Ik moet wel. Het is het eenige wat in

zich de grondstoffen heeft ten leven, tot een nieuw leven, een "Vita

Nuova" voor mij. Van alle dingen is het het wonderbaarste: men kan het

niet weggeven, en een ander zoû het ons niet kunnen geven. Men kan het

niet verwerven dan door alles op te geven wat men bezit. Slechts

wanneer men alles verloren heeft, weet men dat men het bezit.

Nu ik tot de zekerheid ben gekomen dat het in mij is, zie ik volkomen

helder wat ik behoor te doen, of beter, moet doen. En wanneer ik zulk

een uitdrukking gebruik, behoef ik niet te zeggen dat ik niet zinspeel

op eenige wet of gebod van buiten af. Ik erken er geen. Ik ben veel

meer individualist dan ooit te voren. Niets komt mij van de geringste

waarde voor dan wat men uit zichzelf wint. Mijn natuur zoekt naar eene

nieuwe wijze van zelf-verwezenlijking. Dat is het eenige waar ik mede

heb te maken. En het eerste ding dat voor mij te doen staat, is

mijzelf te bevrijden van alle mogelijke verbitterdheid tegenover de

wereld.

Ik ben volkomen zonder middelen en volstrekt zonder tehuis. Toch, er

zijn erger dingen dan dit in de wereld. Ik ben volkomen oprecht

wanneer ik zeg dat ik, liever dan uit deze gevangenis te gaan met

bitterheid tegen de wereld in mijn hart, blij en reede mijn brood zoû

willen bedelen van deur tot deur. Indien ik niets kreeg aan het huis

der rijken, zoû ik iets krijgen aan het huis der armen. Zij die veel

bezitten, zijn vaak gierig, zij die weinig hebben, deelen steeds. Het

zoû mij niet kunnen schelen des zomers in het koele gras te slapen, en

als de winter kwam, te schuilen in den warm en dicht met riet gedekten

hooiberg of onder het afdak eener groote schuur, als ik maar liefde

had in mijn hart. De uitwendige dingen des levens schijnen mij nu van

niet het minste belang toe. Gij ziet tot wat hoogeren trap van

individualisme ik gekomen ben--of liever bezig ben te komen, want de

weg is lang en "daar zijn doornen waar ik ga".

Ik weet natuurlijk wel dat het mijn lot niet zal zijn aalmoezen te

vragen langs den weg, en dat als ik ooit bij nachttijd nederlig in het

koele gras, het wezen zal om sonnetten te schrijven op de maan.

Wanneer ik uit de gevangenis kom, zal Robbie op mij wachten aan de

andere zijde der groote met ijzer beslagen poort, en hij is het

zinnebeeld niet enkel van zijn eigen genegenheid, maar van veler

anderen genegenheid buitendien. Ik denk dat ik genoeg zal hebben om

ongeveer achttien maanden in ieder geval te kunnen leven, zoodat ik,

al schrijf ik voorshands geen schoone boeken, tenminste schoone boeken

zal kunnen lezen; en is er wel grooter vreugde dan deze?

Na dien tijd hoop ik instaat te zijn mijn scheppingsvermogen te

herscheppen.

Maar stonden de zaken anders: had ik geen vriend over in de wereld,

stond geen eenig huis in medelijden voor mij open, moest ik den

bedelzak en lompenmantel der uitgeschudde armoede dragen--zoo lang als

ik vrij ben van alle wrokgevoel, hardheid en haat, zoû ik instaat zijn

het leven met veel grooter gerustheid en vertrouwen in het gelaat te

zien dan wanneer mijn lichaam in purper en fijn linnen gekleed zoû

zijn, en de ziel binnenin mij krank van haat.

En ik zal inderdaad geen moeilijkheden ondervinden. Wanneer gij

liefde werkelijk behoeft, zult gij haar op u vinden wachten.

Ik behoef niet te zeggen dat mijn taak daarmede niet ophoudt. Het zoû

vergelijkelijkerwijze gemakkelijk zijn als dit zoo was. Daar ligt veel

meer vóor mij. Ik moet veel steiler heuvelen beklimmen en veel

donkerder valleien doorgaan. En allen bijstand moet ik uit mijzelf

halen. Noch godsdienst of moraal, noch rede kan mij eenigszins helpen.

De moraal komt mij niet te hulp. Ik ben buiten de wet geboren. Ik ben

een van hen die geschapen zijn voor uitzonderingen, niet voor wetten.

Maar al zie ik dat er niets verkeerds is in wat men doet, ik zie

tevens dat er iets verkeerds kan wezen in wat men wordt. Het is goed

dat ik dit geleerd heb.

Godsdienst helpt mij niet. Het geloof dat anderen geven aan wat

onzienlijk is, geef ik aan wat men kan aanraken en aanschouwen. Mijn

goden wonen in tempelen met handen gemaakt; en binnen den kring der

feitelijke ervaring heb ik mijn geloof volkomen en volledig gemaakt,

te volledig mogelijk, want als velen of allen van diegenen die hun

hemel op deze aarde hebben geplaatst, heb ik er niet enkel de

schoonheid van den hemel, maar ook den afschuw der hel gevonden.

Wanneer ik over godsdienst hoegenaamd denk, gevoel ik als lust een

orde te stichten voor hen die niet kunnen gelooven: de Broederschap

der Vaderloozen zoû men haar kunnen noemen, waarin op een altaar

waarop geen kaars brandde, een priester in wiens hart vrede geen

woning had, de mis zoû dienen met ongeheiligd brood en een ledigen

wijnkelk. Om waar te zijn, moet alles een voorwerp van godsdienst

worden. En agnosticisme behoort zijn eeredienst te hebben evenzeer als

geloof. Het heeft zijn martelaren gezaaid, het behoort zijn heiligen

te oogsten, en God dagelijks te prijzen dat hij zich voor den mensch

verstoken heeft. Maar hetzij mijn godsdienst geloof of agnosticisme

zij, het mag niets wezen, dat uitwendig voor mij is. Zijn zinnebeelden

moeten mijn eigen schepping zijn. Slechts datgene is geestelijk, dat

zijn eigen gedaante schept. Indien ik zijn geheim niet in mijzelf

vind, zal ik het nergens vinden: als ik het niet reeds bezit, zal het

nimmer tot mij komen.

De rede helpt mij niet. Zij zegt mij dat de wetten waaronder ik

veroordeeld ben, verkeerde en onrechtvaardige wetten zijn, en dat het

stelsel waaronder ik geleden heb, een verkeerd en onrechtvaardig

stelsel is. Maar op een of andere manier moet ik deze beide

rechtvaardig en goed voor mij maken. En juist zooals men in kunst er

enkel mede vandoen heeft wat een bijzonder ding op een bijzonder

tijdstip voor onszelf is, zoo gaat het ook toe bij de ethische

ontwikkeling van ons karakter. Alles wat mij overkomen is, moet ik

maken tot iets dat goed voor mij is. De houten brits, het walgelijke

voedsel, het harde touw dat tot werk wordt geplozen totdat de

vingertoppen gevoelloos worden van pijn, het knechtswerk waarmede

iedere dag begint en eindigt, de barsche bevelen die een noodzakelijk

gevolg schijnen te zijn van de sleur, de afschuwelijke kleeding die

smart bespottelijk maakt om aan te zien, de stilte, de eenzaamheid, de

schaamte--al deze dingen afzonderlijk en gezamenlijk moet ik omzetten

in een geestelijke ervaring. Daar is geen enkele vernedering van het

lichaam, die ik niet moet trachten te maken tot een vergeestelijking

der ziel.

Ik wil zoo ver komen dat ik instaat ben in allen eenvoud en zonder

inbeelding te zeggen dat de twee voorname keerpunten in mijn leven

waren, toen mijn vader mij naar Oxford zond, en toen de maatschappij

mij naar de gevangenis stuurde. Ik bedoel niet dat de gevangenis het

beste is wat mij kon zijn overkomen, want die uitspraak zoû smaken

naar te groote bitterheid tegen mijzelf. Ik zoû eerder zeggen, of zoû

het van mij willen hooren zeggen, dat ik zulk een eigenaardig kind van

mijn tijd was dat ik in mijne verkeerdheid en om die verkeerdheid de

goede dingen in mijn leven tot booze en de booze dingen in mijn leven

tot goede omzette.

Doch wat ik zelf of anderen mogen zeggen, komt er weinig op aan. Het

ding van belang, de taak die voor mij ligt, wat ik te doen heb, zal

het kortstondig overschot mijner dagen niet verminkt, verdorven en

onvolledig zijn, is dat ik in mijn natuur moet opnemen en verwerken al

wat mij is aangedaan, dat ik het tot een deel van mijzelf moet maken,

dat ik het moet leeren aannemen zonder klacht, vrees of verzet. De

opperste ondeugd is oppervlakkigheid. Al wat men doorkend heeft, is

goed.

Toen ik pas in de gevangenis werd gezet, raadden enkele menschen mij

aan, dat ik trachten zoû te vergeten wie ik was. Het was een

verderfelijke raad. Enkel door mij bewust te maken wat ik ben, heb ik

eenigszins troost gevonden. Nu raden anderen weêr mij aan om wanneer

ik ontslagen word, mijn best te doen te vergeten dat ik ooit van mijn

leven in een gevangenis geweest ben. Ik weet dat dit evenzeer

noodlottig zoû zijn. Het zoû beduiden dat ik voor altijd vervolgd zoû

worden door een ondragelijk gevoel van schande, en dat die dingen die

voor mij evenzeer als voor ieder ander bedoeld zijn--de schoonheid van

zon en maan, de feeststoet der jaargetijden, de muziek van den

dageraad en de stilte der groote nachten, de regen die komt vallen

door de bladeren, of de dauw die het gras besluipt en verzilvert--dat

dat alles voor mij bezoedeld zoû zijn en zijn heelkracht en

vreugdmeêdeelende macht zoû verliezen. Onze eigen ervaringen betreuren

is onze eigen ontwikkeling tot staan brengen. Onze eigene ervaringen

verloochenen is een leugen leggen op de lippen van ons eigen leven.

Het is niet meer of minder dan een verloochening der ziel.

Want juist zooals het lichaam allerhande dingen verwerkt, dingen

gemeen en onrein evenzeer als wat de priester of een visioen heeft

gereinigd, en hen omzet in snelheid of kracht, in het spel van schoone

spieren en de vorming van bloeiend vleesch, in de golvingen en de

kleuren van haar, lippen en oogen, zoo heeft de ziel op haar gebied

ook hare voedingsverrichtingen en kan omzetten in edele

gedachtestemmingen en hartstochten van hooge waarde wat in zichzelf

laag, wreed en vernederend is; ja, wat nog meer is, de ziel kan hierin

vinden de meest verheven wijzen van zelfbevestiging en vermag vaak

zichzelf op de meest volmaakte wijze te openbaren door tusschenkomst

van wat bedoeld was haar te ontheiligen of te verwoesten.

Het feit dat ik een gemeen gevangene in een gemeene gevangenis geweest

ben, moet ik onvoorwaardelijk aannemen, en, al moge het buitengewoon

schijnen, een der dingen die ik mijzelf zal te leeren hebben, is

daarover niet beschaamd te zijn. Ik moet het aannemen als een

bestraffing, en als men beschaamd is over het feit dat men bestraft

is, kon men even goed in het geheel niet bestraft zijn. Natuurlijk

zijn er vele dingen waarvoor ik veroordeeld werd zonder dat ik ze

gedaan had, maar daar waren ook vele dingen waarvoor ik veroordeeld

werd, die ik wel gedaan had, en een nog grooter aantal dingen in mijn

leven, waarvoor ik nooit of nimmer terecht stond. En daar de goden

ondoorgrondelijk zijn en ons straffen voor wat goed en mensonwaardig

in ons is, evenzeer als voor wat boos en ontaard is, moet ik het feit

aannemen dat men voor het goede dat men doet, even goed gestraft wordt

als voor het booze. Ik twijfel niet of men wordt dit volkomen terecht.

Het helpt ons, of behoort ons te helpen, om beide te doorkennen en

niet te ingebeeld te zijn over een van twee. En als ik dan niet

beschaamd zal zijn over mijn straf, zooals ik hoop dat ik niet wezen

zal, zal ik instaat zijn te denken en te wandelen en te leven in

vrijheid.

Velen dragen, als zij vrijgelaten worden, hun gevangenis met zich mede

naar buiten, en verbergen haar als een geheime schande in hun hart en

kruipen ten slotte als arme vergiftigde wezens in een of ander hol om

te sterven. Het is erbarmelijk dat zij daartoe moeten komen, en het is

een onrecht, een verschrikkelijk onrecht van den kant der maatschappij

hen daartoe te dwingen. De maatschappij matigt zich het recht aan het

individu een afschrikwekkende straf op te leggen, maar zij heeft ook

de opperste ondeugd der oppervlakkigheid en laat na zich rekenschap te

geven van wat zij gedaan heeft. Wanneer 's mans straftijd voorbij is,

laat zij hem aan zichzelf over, dat wil zeggen, zij laat hem in den

steek juist op het oogenblik wanneer haar hoogste plicht tegenover hem

begint. In waarheid is zij beschaamd over haar eigen daden, en schuwt

diegenen die zij gestraft heeft, zooals de menschen een schuldeischer

schuwen, aan wien zij hun schuld niet kunnen betalen, of iemand wien

zij een onherstelbaar, een onvergoedbaar kwaad hebben aangedaan. Ik

kan van mijne zijde eischen dat indien ik mij rekenschap geef van wat

ik geleden heb, de maatschappij zich rekenschap geeft van wat zij mij

heeft aangedaan, en dat er geen verbittering of haat zal zijn van

weêrszijden.

Natuurlijk weet ik dat, van éen kant beschouwd, de zaken anders zullen

staan voor mij dan voor anderen, dat dit uit den aard zelf van mijn

geval moet. De arme dieven en verschoppelingen die hier met mij

gevangen zitten, zijn in menig opzicht beter af dan ik. Het klein

bestek in de grauwe stad of op het groene land, dat hun zonde zag, is

beperkt; om menschen te vinden, die niets weten van wat zij gedaan

hebben, behoeven zij niet verder te gaan dan een vogel zoû vliegen

tusschen de morgenschemering en den dageraad. Maar voor mij is de

wereld tot een handbreed ineengekrompen, en overal waar ik mij wend,

slaat mijn naam in looden letters op de rotsen geschreven. Want ik ben

niet uit de duisternis tot de oogenblikkelijke bekendheid van de

misdaad gekomen, maar uit een soort eeuwigheid van roem tot een

eeuwigheid van eerloosheid, en soms komt liet mij voor dat ik bewezen

heb, indien daarvoor inderdaad bewijs noodig is, dat tusschen roem en

eerloosheid maar éen schrede is of nog minder dan dat.

Toch, juist in het feit dat de menschen mij zullen herkennen overal

waar ik ga, en wat zijn dwaasheden aangaat, alles omtrent mijn leven

zullen weten, kan ik ook iets goeds voor mij ontdekken. Het zal mij de

noodwendigheid inprenten van mij weêr als kunstenaar te doen gelden,

en dat zoo snel als ik bij mogelijkheid kan. Indien ik slechts éen

enkel schoon kunstwerk zal kunnen voortbrengen, zal ik instaat zijn

boosaardigheid haar venijn en lafhartigheid haar grijns te ontrooven,

en de tong van den smaad bij den wortel uit te rukken.

En als ik, zooals ik werkelijk doe, tegenover het leven als tegenover

een raadsel sta, staat het leven niet minder tegenover mij als

tegenover een raadsel. De menschen moeten een of andere houding tegen

mij aannemen en zoodoende een oordeel vellen zoowel over zichzelven

als over mij. Ik behoef wel niet te zeggen dat ik geen bepaalde

persoonlijkheden bedoel. De eenige menschen met wie ik nu gaarne zoû

omgaan, zijn kunstenaars en menschen die geleden hebben: menschen die

weten wat schoonheid is, en menschen die weten wat smart is. Niemand

anders boezemt mij belangstelling in. Ook stel ik geen enkelen eisch

aan het leven. Alles wat ik besproken heb, heeft enkel te maken met

mijn eigen geestelijke houding tegenover het leven in zijn geheel, en

ik gevoel dat niet beschaamd te zijn over het feit dat ik straf

ondergaan heb, een der eerste dingen is, die ik moet bereiken, ter

wille van mijn eigen vervolmaking en omdat ik zoo onvolkomen ben.

Dan moet ik leeren gelukkig zijn. Eenmaal wist ik het, of dacht het te

weten, bij instinkt. Toen was het altijd lente in mijn hart. Mijn

gemoedsgesteldheid was verwant met vreugde. Zooals men een beker tot

den rand vult met wijn, vulde ik mijn leven tot den rand met genot. Ik

nader het leven nu van een volslagen nieuwen kant. En zelfs mij een

denkbeeld te maken van geluk is vaak uiterst moeilijk voor mij. Ik

herinner mij hoe ik eens in mijn eerste jaar te Oxford las in Pater's

_Renaissance_ (dat boek dat zulk een wonderbaren invloed op mijn

leven heeft gehad) hoe Dante diep in den Inferno hen plaatst, die

eigenzinnig leven in droefenis, en hoe ik naar de boekerij van het

College ging en de plaats opsloeg in de _Divina Commedia_ waar

onderin het sombere moeras diegenen liggen die "gemelijk waren in de

zoete lucht", die altijd door zeggen door hun zuchten heen:

"Tristi fummo

Nell' aere dolce, che dal sol s'allegra."

Ik wist dat de Kerk _acidia_ veroordeelde, maar het gansche

denkbeeld leek mij volkomen fantastisch, juist de soort van zonde,

verbeeldde ik mij, om uit te vinden voor een priester die niets van

het werkelijke leven afwist. Ook kon ik niet begrijpen hoe Dante die

zegt dat "smart ons herhuwt met God", zoo hard kon geweest zijn voor

hen die op den weemoed verliefd waren, indien er werkelijk zulke

wezens bestonden. Ik vermoedde niet dat dit eenmaal voor mij een der

grootste verzoekingen van mijn leven zoû worden. Terwijl ik in de

gevangenis te Wandsworth was, haakte ik naar den dood. Het was mijn

eenige begeerte. Toen ik na twee maanden hospitaal hierheen

overgebracht werd en ik bevond dat mijn lichamelijke gezondheid

gaandeweg verbeterde, kwam ik tot de heftigste verwoedheid. Ik besloot

zelfmoord te plegen op den eigen dag waarop ik de gevangenis verlaten

zoû. Mettertijd ging die booze stemming over, en ik vatte het plan op

om te leven, maar om neêrslachtigheid te dragen zooals een koning zijn

purper draagt: nooit zoû ik weêr glimlachen, ieder huis waar ik

binnentrad, zoû ik maken tot een huis van rouw, ik zoû mijn vrienden

in loome droefenis met mij doen wandelen, ik zoû hun leeren dat

droefgeestigheid het ware geheim des levens is, ik wilde hen verlammen

met de smart van een ander, ik wilde hun leven verderven met mijn

eigen leed. Nu ben ik volkomen anders gestemd. Ik zie in dat het

zoowel ondankbaar als onvriendelijk van mij zoû zijn een zoo lang

gezicht te trekken, dat wanneer mijn vrienden mij kwamen bezoeken, zij

een nog langer gezicht moesten zetten om hun medegevoel te toonen; of

om, als ik hen te gast wilde hebben, hen uit te noodigen in

stilzwijgen aan te zitten bij bittere kruiden en gerechten van een

begrafenismaal. Ik moet leeren opgewekt te zijn en gelukkig.

De laatste twee gelegenheden dat het mij vergund was mijn vrienden

hier bij mij te zien, deed ik mijn best zoo opgewekt mogelijk te zijn

en mijne opgewektheid te toonen om hun een kleine vergoeding te geven

voor de moeite die zij namen om heel uit de stad mij te komen

bezoeken. Ik weet wel, het is slechts een geringe vergoeding, maar

die, daar ben ik zeker van, hun meest genoegen doet. Zaterdag vóor

acht dagen had ik Robbie hier een uur lang bij mij en ik deed mijn

best zoo vol mogelijk uiting te geven aan het genot dat ik werkelijk

in ons samenzijn gndervond. En dat ik in de beschouwingen en

denkbeelden die ik hier op eigen gelegenheid vorm, op het rechte pad

ben, blijkt mij uit het feit dat ik nu voor het eerst sinds mijn

gevangenschap een werkelijke begeerte heb om te leven.

Er wacht mij zooveel werk dat ik het als een verschrikkelijke ramp zoû

beschouwen indien ik stierf vóor het mij vergund werd er tenminste een

klein deel van te volbrengen. Ik zie nieuwe mogelijkheden van

ontwikkeling in de kunst en in het leven, waarvan elk een nieuwe vorm

van vervolmaking is. Ik begeer te leven om te kunnen onderzoeken wat

voor mij niet meer of minder dan een nieuwe wereld is. Wenscht gij te

weten wat deze nieuwe wereld is? Gij kunt het wel raden, denk ik. Het

is de wereld waarin ik geleefd heb. Smart en al wat smart ons

onderwijst, is mijn nieuwe wereld.

Vroeger leefde ik uitsluitend voor genot. Ik schuwde lijden en smart

van welken aard ook. Ik haatte beide. Ik besloot, voor zoover dat

mogelijk was, geen acht op hen te geven, om hen, wil ik zeggen, te

behandelen als vormen van gebrekkigheid. Zij maakten geen deel uit van

mijn levensplan. Zij hadden geen plaats in mijn wijsbegeerte. Mijn

moeder die het leven in zijn geheel kende, placht mij vaak enkele

regels van Goethe aan te halen, die door Carlyle geschreven waren in

een boek dat hij haar jaren geleden gegeven had, en die door hem, als

ik het goed heb, als volgt vertaald waren:

"Who never ate his bread in sorrow,

Who never spent the midnight hours

Weeping and waiting for the morrow,--

He knows you not, ye heavenly powers."

Deze regels placht die edele koningin van Pruisen, welke Napoleon met

zoo grove ruwheid behandelde, aan te halen in haar vernedering en

ballingschap. Deze regels haalde mijne moeder vaak aan in de

moeilijkheden van haar meergevorderd leven. Ik weigerde volstrekt de

ontzaggelijke waarheid die er in geborgen ligt, aan te nemen of toe te

geven. Ik kon ze niet bevatten. Ik herinner mij zeer wel, hoe ik haar

placht te zeggen dat ik geen lust had mijn brood in smart te eten of

éen enkelen nacht door te brengen in weenen en wachten op een

bitterder dageraad.

De profundis(#13585) · 第 1 / 8 段