EVANS. Petenk toch, William, de focatief is caret.
VROUW HAASTIG. Een karretje, goed op een zandweg.
EVANS. Frouw, houd op.
JUFFROUW PAGE. Stil toch!
EVANS. Hoe is de genitivus in de pluralis, William?
WILLIAM. De genitivus?
EVANS. Ja.
WILLIAM. Genitivo: horum, harum, horum.
VROUW HAASTIG. Wat, harem en hoerem! Maar eerwaarde! O jongen, jongen,
dat is geen taal voor kinderen!
EVANS. Schaam u, frouwmensch!
VROUW HAASTIG. Gij doet verkeerd met het kind zulke woorden te
leeren.—Hij leert het kind van hikken en van hakkelen; en dat doen ze
wel van zelf; en dan dat hoerem, o, foei!
EVANS. Frouw, sijt chij maanziek? hebt chij tan cheen pechrip fan
cheslachten en de numeri en de casus? Chij sijt een dwaas
kristensmensch, als ik er maar een kan wenschen.
JUFFROUW PAGE. Ik bid u, zwijg.
EVANS. Seg mij nu, William, een paar declinaties fan de pronomens.
WILLIAM. O hé, die heb ik vergeten.
EVANS. Het is: qui, quae, quod; als chij vercheet uw qui’s, uw quae’s,
uw quod’s tan moest chij worden chepritst. Cha nu heen en speel; cha.
JUFFROUW PAGE. Hij weet er toch meer van dan ik dacht.
EVANS. Hij is een choede wierige kop. Faarwel, mistress Page.
(Sir Hugo Evans af.)
JUFFROUW PAGE. Goeden dag, beste Sir Hugo.—Ga naar huis, jongen.—Kom,
wij houden ons te lang op.
(Allen af.)