EERSTE TOONEEL.

Voor Page’s huis.

Juffrouw Page komt op, met een brief.

JUFFROUW PAGE. Wat! Ben ik in den feesttijd van mijn schoonheid

minnebrieven ontgaan, en moet ik er nu aan blootgesteld zijn? Laat

zien. (Zij leest).

„Vraag mij niet naar de reden, waarom ik u bemin; want schoon

de Liefde het Verstand als haar verkenner gebruike, laat zij

het toch niet als haar raadsman toe. Gij zijt niet jong meer,

ik ben het ook niet; welnu dan hier is sympathie;—gij zijt

vroolijk, dat ben ik ook; aha dus, nog meer sympathie;—gij houdt

van sek, dat doe ik ook; kunt gij beter sympathie verlangen? Laat

het u dan voldoende zijn, mistress Page,—ten minste, als eens

soldaats liefde voldoende kan zijn,—dat ik u bemin. Ik wil niet

zeggen: heb medelijden met mij, want dit is geen krijgsmanstaal,

maar ik zeg: bemin mij. Geschreven door mij, uw getrouwen ridder,

Die naar u smacht,

En meen’ge nacht

Aan u slechts dacht,

Wiens geest met macht,

Wiens arm met kracht,

Uw heil betracht:

John Falstaff.”

Welk een Herodes van Judea is dit!—O booze, booze wereld! een kerel,

die van ouderdom bijna tot flarden is versleten, en die den jeugdigen

galant wil spelen! Wat in ’s duivels naam heeft die Vlaamsche dikzak

van een dronkaard in mijn gedrag voor onvoorzichtigs opgespoord, dat

hij het wagen durft mij zoo aan boord te komen? Hij is geen driemaal

met mij in gezelschap geweest.—Wat kan ik dan toch tegen hem gezegd

hebben?—Ik was dan toch telkens,—God vergeev’ mij!—gematigd in mijn

vroolijkheid.—Nu, ik wil een wet in het parlement brengen om de mannen

af te danken. Hoe kan ik mij op hem wreken? want wreken wil ik mij, zoo

waar als zijn ingewanden uit louter poddingen bestaan. 32

(Juffrouw Ford komt op.)

JUFFROUW FORD. Zie daar, juffrouw Page! ik wilde zoo waar juist naar uw

huis gaan.

JUFFROUW PAGE. En ik kwam zoo waar juist naar u toe. Maar wat ziet gij

er slecht uit!

JUFFROUW FORD. Neen, dat geloof ik nooit; ik kan u het tegendeel

bewijzen.

JUFFROUW PAGE. Neen maar het is toch zoo, naar ik vind.

JUFFROUW FORD. Nu, het zij zoo, maar zooals ik zeg, ik heb het bewijs

van het tegendeel in handen. O, juffrouw Page, geef mij raad.

JUFFROUW PAGE. Wat is er dan, melieve?

JUFFROUW FORD. O lieve, als er niet een klein ietsje tegen was, kon ik

tot hooge eer stijgen!

JUFFROUW PAGE. Nu, geef dat ietsje den bons en neem de eer. Wat is

het?—zet ietsjes op zij;—wat is het?

JUFFROUW FORD. Als ik maar voor een oogenblikje eeuwigheid of zoo in de

hel wilde komen, kon ik geridderd worden.

JUFFROUW PAGE. Wat?—daar jokt gij mij voor;—Sir Alice Ford!—die ridders

willen er op inhakken; en daarom moet gij van uw stand niets willen

opgeven.

JUFFROUW FORD. Wij branden licht bij dag;—lees hier, lees;—zie eens,

hoe ik geridderd kan worden.—Ik zal in het vervolg het ergste van

dikzakken denken, zoolang ik oogen heb om den eenen man van den anderen

te onderscheiden. En toch pleegde hij niet te vloeken; hij was vol lof

voor de zedigheid der vrouwen, en sprak met zooveel behoorlijke en

betamelijke afkeuring van alles wat onwelvoeglijk was, dat ik had

willen zweren op de overeenstemming van zijn bedoelingen met zijn

woorden. Maar zij hangen niet meer samen en komen niet beter overeen

dan de wijs van den honderdsten psalm met die van het lied van

„Juffrouw Groenmouw.” Welke stormwind, vraag ik, wierp dien walvisch,

met zooveel tonnen traan in zijn buik, te Windsor op het strand? Hoe

kan ik mij op hem wreken? Ik denk, dat het best is, hem met hoop aan

het lijntje te houden, tot het booze vuur van den lust hem in zijn

eigen vet gesmolten heeft.—Hebt gij ooit zoo iets gehoord?

JUFFROUW PAGE. Woord voor Woord, alleen de namen van Page en Ford

verschillend!—Tot uw grooten troost bij dezen geheimzinnigen kwaden

naam,—zie hier den tweelingbroer van uw brief; maar laat den uwen eerst

erven, want ik zweer, de mijne zal het nimmer. Ik sta er voor in, hij

heeft een duizendtal van deze brieven, met open ruimte voor

verschillende namen, ja nog wel meer, en deze zijn van de tweede

uitgaaf. Hij zal ze laten drukken, buiten twijfel; want hij geeft er

niet om, wat hij onder de pers brengt, daar hij er ons alle twee onder

zou willen brengen. Ik zou nog liever een reuzin zijn en onder den berg

Pelion liggen. Waarlijk, ik wil u eer twintig ontuchtige tortelduiven

opzoeken, dan één kuischen man.

JUFFROUW FORD. Waarachtig, geheel hetzelfde, dezelfde hand, dezelfde

woorden. Wat denkt hij van ons?

JUFFROUW PAGE. Ja, dit weet ik niet; maar het brengt er mij bijna toe

mijn eigen eerbaarheid te bekijven. Ik wil met mijzelve omgaan als met

iemand, die ik nog niet ken; want zeker, als hij niet een zwak in mij

gevonden heeft, dat ikzelf nog niet ken, zou hij mij nooit met zulk een

woede aan boord geklampt hebben.

JUFFROUW FORD. Aanklampen noemt gij het? Nu, ik ben er gerust op, dat

ik hem wel bovendeks zal houden.

JUFFROUW PAGE. En ik ook; als hij mij ooit onder de luiken komt, dan

wil ik nooit meer in zee steken. Laten wij wraak op hem nemen; laten

wij hem een onderhoud toestaan, hem een schijn van verhooring van zijn

wenschen voorhouden, en hem met het fijne lokaas van uitstel bij den

neus leiden, tot hij zelfs zijn paarden aan den waard van den Kouseband

verpand heeft.

JUFFROUW FORD. Goed, ik doe mee, om hem iederen schelmschen trek te

spelen, die geen vlek kan werpen op de zuiverheid van onzen goeden

naam. O, als mijn man dezen brief eens te zien kreeg! dat zou een

eindeloos voedsel geven aan zijn jaloerschheid.

JUFFROUW PAGE. Kijk, daar komt hij juist, en mijn goede man ook. Die is

zoo ver van jaloerschheid, als ik er van af ben, hem er reden toe te

geven, en dit is, zoo ik hoop, een onmetelijke afstand.

JUFFROUW FORD. Des te gelukkiger voor u.

JUFFROUW PAGE. Laat ons samen te rade gaan tegen dien smeerbuik van een

ridder; kom mede.

(Beiden af, in huis.)

(Ford en Pistool, Page en Nym komen op.)

FORD. Nu, ik hoop, het is zoo niet.

PISTOOL. De hoop is vaak een kortstaart, die als jachthond

Is afgekeurd. Sir John begeert uw vrouw.

FORD. Kom, man, mijn vrouw is de eerste jeugd voorbij.

PISTOOL. O hoog en laag, en rijk en arm begeert hij,

En jong en oud, het eene en ’t andre, Ford.

Hij houdt van mengelmoesjes; Ford, bedenk dit.

FORD. Hij mijne vrouw beminnen?

PISTOOL. Met gloeiend heete lever. Stuit, o stuit hem,

Of loop voortaan, met Phyllax op de hakken,

Als Sir Actæon rond.—O haat’lijk woord!

FORD. Welk woord, heer?

PISTOOL. De horen, ja. Vaarwel, wees op uw hoede;

’s Nachts sluipen dieven rond, heb de oogen open;

Geef acht, eer ’t zomert en de koekoek roept!—

Kom mede, korporaal! vriend Nym, ga meê!

Geloof hem, Page, het is verstand, zijn spreken.

(Pistool af.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 13 / 61 题