XII.

Toen het Barontje nu zijn weg en zijn automobiel bezat, en toen ook

weldra meneer François een auto had (opzettelijk gekocht, zeiden de

menschen, om er Plus-Que-Parfait mee te ergeren) toen bleef alleen nog

maar Plus-Que-Parfait als luxe-paarden-maniak in het dorp over.

Daags na de beruchte vergadering in het Gemeentehuis had hij zijn

ontslag als wethouder ingediend; en, sinds dien met alle leden

gebrouilleerd, vereenzaamd en verlaten, zich als 't ware uit het

maatschappelijk leven teruggetrokken. In Fietje's herberg zette hij geen

voet meer; 't Barontje, meneer François, Donckers, Schouwvlieghe en al

de anderen groette hij niet meer; en wijl een dorpsheer toch een

"stamenee" moet hebben waar hij zijn avonden doorbrengt, had hij dien

verlegd naar 't vunzig herbergje van den vroegeren, door 't Barontje

ontslagen veldwachter, die daardoor natuurlijk ook 's Barontje's

onverzoenlijksten vijand was geworden.

Daar zat hij nu avond aan avond, nurksch en somber, meestal alleen, want

andere heeren kwamen daar niet, soms in gezelschap van een paar

lawaaiige, half dronken kinkels, ofwel pratend met den baas, die nooit

heelemaal nuchter was. Veel praatten zij echter niet, zij rookten en

dronken aanhoudend potten bier of borrels, maar als zij praatten dan was

het altijd over 't zelfde onderwerp: over hun gezamenlijken haat tegen de

auto's, tegen 't Barontje en meneer François.

Al van den eersten avond had Plus-Que-Parfait geeischt, dat de

oud-veldwachter het uithangbord van zijn kroegje zou veranderen. Hij

had het immers na zijn afdanking, uit wraak en schimp op het Barontje,

_In den Auto_ gedoopt. Maar dat ging nu niet meer op; wat vroeger een

schimpscheut was tegen 't Barontje leek nu wel een spot en een smaad op

Plus-Que-Parfait zelf.

De oud-veldwachter zag dat in en stemde dadelijk in de verandering toe,

doch had er verder wel bezwaar tegen om de onkosten van een geheel nieuw

uithangbord te dragen. Er werd met Plus-Que-Parfait over gedebatteerd en

geconfereerd, tot eindelijk een oplossing gevonden werd, die geniaal

bleek: het oude uithangbord mocht blijven dienen, men zou er enkel 't

woordje "weg" bij laten schilderen; en zoo werd het _In den Autoweg_, een

dubbele, vlijmendscherpe ironie: eerst tegen 't Barontje, die den

beruchten auto-weg aan de gemeente opgedrongen had; en tweedens tegen de

gehate auto's zelven in den zin van "weg met de auto". Plus-Que-Parfait

was jubelend over zijn geniale vondst, en aan alle klanten legde hij die,

onder het drinken van veel borrels uit, echter niet steeds met evenveel

succes, want er kwamen daar wel van die dikke, logge hersenen, die de

fijne zetten van Plus-Que-Parfait's vernuftigen geest niet voldoende

begrepen.

Maar hoe dan ook, nooit geraakten zij over die dingen uitgepraat. Het was

de vaste en bestendige bekommering van heel hun futloos leven. Elken

avond ontlasten Plus-Que-Parfait en de baas grijnzend en spottend in

elkanders gemoed hun hart vol wrok en haat en gal en meer dan eens ook

hadden zij heerlijk en weldadig leedvermaak als een van hen toevallig had

vernomen, dat er iets in 't ongereede met de auto's was gekomen. Elke

springende band was als een balsemknal op Plus-Que-Parfait's bloedende

wonden; en eens, op een avond, was hij met opgewonden blijdschap in het

kroegje aangekomen; onderweg, heel verre van het dorp, op een eenzaam

gehucht, had hij meneer François' automobiel vinden staan, die heelemaal

niet meer vooruit kon, half verzonken in het slijk, de chauffeur buiten

adem zwoegend en zwengelend, zonder het tuig weer in gang te kunnen

krijgen. Meneer François stond er bij te vloeken en te schelden en

eindelijk had hij, in radelooze wanhoop, zijn toevlucht moeten nemen tot

een boer met twee paarden, die er nu op weg mee waren om het ding terug

te sjouwen.

Dien avond trakteerde Plus-Que-Parfait met champagne.

Plus-Que-Parfait · 第 14 / 15 题