Toen het Barontje nu zijn weg en zijn automobiel bezat, en toen ook
weldra meneer François een auto had (opzettelijk gekocht, zeiden de
menschen, om er Plus-Que-Parfait mee te ergeren) toen bleef alleen nog
maar Plus-Que-Parfait als luxe-paarden-maniak in het dorp over.
Daags na de beruchte vergadering in het Gemeentehuis had hij zijn
ontslag als wethouder ingediend; en, sinds dien met alle leden
gebrouilleerd, vereenzaamd en verlaten, zich als 't ware uit het
maatschappelijk leven teruggetrokken. In Fietje's herberg zette hij geen
voet meer; 't Barontje, meneer François, Donckers, Schouwvlieghe en al
de anderen groette hij niet meer; en wijl een dorpsheer toch een
"stamenee" moet hebben waar hij zijn avonden doorbrengt, had hij dien
verlegd naar 't vunzig herbergje van den vroegeren, door 't Barontje
ontslagen veldwachter, die daardoor natuurlijk ook 's Barontje's
onverzoenlijksten vijand was geworden.
Daar zat hij nu avond aan avond, nurksch en somber, meestal alleen, want
andere heeren kwamen daar niet, soms in gezelschap van een paar
lawaaiige, half dronken kinkels, ofwel pratend met den baas, die nooit
heelemaal nuchter was. Veel praatten zij echter niet, zij rookten en
dronken aanhoudend potten bier of borrels, maar als zij praatten dan was
het altijd over 't zelfde onderwerp: over hun gezamenlijken haat tegen de
auto's, tegen 't Barontje en meneer François.
Al van den eersten avond had Plus-Que-Parfait geeischt, dat de
oud-veldwachter het uithangbord van zijn kroegje zou veranderen. Hij
had het immers na zijn afdanking, uit wraak en schimp op het Barontje,
_In den Auto_ gedoopt. Maar dat ging nu niet meer op; wat vroeger een
schimpscheut was tegen 't Barontje leek nu wel een spot en een smaad op
Plus-Que-Parfait zelf.
De oud-veldwachter zag dat in en stemde dadelijk in de verandering toe,
doch had er verder wel bezwaar tegen om de onkosten van een geheel nieuw
uithangbord te dragen. Er werd met Plus-Que-Parfait over gedebatteerd en
geconfereerd, tot eindelijk een oplossing gevonden werd, die geniaal
bleek: het oude uithangbord mocht blijven dienen, men zou er enkel 't
woordje "weg" bij laten schilderen; en zoo werd het _In den Autoweg_, een
dubbele, vlijmendscherpe ironie: eerst tegen 't Barontje, die den
beruchten auto-weg aan de gemeente opgedrongen had; en tweedens tegen de
gehate auto's zelven in den zin van "weg met de auto". Plus-Que-Parfait
was jubelend over zijn geniale vondst, en aan alle klanten legde hij die,
onder het drinken van veel borrels uit, echter niet steeds met evenveel
succes, want er kwamen daar wel van die dikke, logge hersenen, die de
fijne zetten van Plus-Que-Parfait's vernuftigen geest niet voldoende
begrepen.
Maar hoe dan ook, nooit geraakten zij over die dingen uitgepraat. Het was
de vaste en bestendige bekommering van heel hun futloos leven. Elken
avond ontlasten Plus-Que-Parfait en de baas grijnzend en spottend in
elkanders gemoed hun hart vol wrok en haat en gal en meer dan eens ook
hadden zij heerlijk en weldadig leedvermaak als een van hen toevallig had
vernomen, dat er iets in 't ongereede met de auto's was gekomen. Elke
springende band was als een balsemknal op Plus-Que-Parfait's bloedende
wonden; en eens, op een avond, was hij met opgewonden blijdschap in het
kroegje aangekomen; onderweg, heel verre van het dorp, op een eenzaam
gehucht, had hij meneer François' automobiel vinden staan, die heelemaal
niet meer vooruit kon, half verzonken in het slijk, de chauffeur buiten
adem zwoegend en zwengelend, zonder het tuig weer in gang te kunnen
krijgen. Meneer François stond er bij te vloeken en te schelden en
eindelijk had hij, in radelooze wanhoop, zijn toevlucht moeten nemen tot
een boer met twee paarden, die er nu op weg mee waren om het ding terug
te sjouwen.
Dien avond trakteerde Plus-Que-Parfait met champagne.