XI

Eerst waren er een paar zaken van minder belang af te handelen: een

kwestie van onvoldoende straatverlichting, waarin enkele inwoners

verbetering vroegen, en het beantwoorden van een brief, onderteekend door

vrij talrijke hoofden van gezinnen, waarin geklaagd werd over de

onbevoegdheid van den onderwijzer, bij wien de schoolkinderen haast niets

meer leerden. Er werd namelijk verlangd dat hij of wel door een ander zou

vervangen worden, of dat hem nog een hulponderwijzer zou worden

toegevoegd.

't Barontje, die van ambtswege de vergadering voorzat, gaf enkele

toelichtingen. Hij zag de noodzakelijkheid niet in meer geld te

spendeeren aan nachtelijke verlichting van de straten. De gemeente was 's

avonds zeer behoorlijk verlicht, aanmerkelijk beter dan veel andere

gemeenten en 't Barontje achtte het gansch overbodig des nachts lichten

te laten branden, die uitsluitend van nut konden zijn voor enkele

slampampers, die toch al te laat in de herbergen bleven pleisteren en

veel beter op tijd in hun bed zouden liggen. Wat de aanklacht tegen den

onderwijzer betrof, deze verbaasde 't Barontje ten zeerste. Bedoelde

onderwijzer was een hoog moreel en zeer godvruchtig man, die zeker zijn

scholieren niets verkeerds zou leeren; daar had hij 't nog pas met meneer

de pastoor over gehad; en, aangaande hem nog een hulponderwijzer toe te

voegen, dat was weeral gansch overbodig en geld weggegooid; de bestaande

onderwijzer was volkomen goed berekend voor zijn taak en had meer dan

twintig jaren aan het hoofd der school gestaan, zonder dat ooit, van wege

zijn overheden, een klacht over hem was gehoord. 't Barontje stelde dus

voor beide verzoeken, als niet strookende met de belangen der gemeente,

eenvoudig van de hand te wijzen. Had een der leden daar iets tegen in te

brengen?

Een der boerenleden, Vreeze, waagde een schuchtere opmerking. Hij had

zeven kinderen, waarvan er vijf naar school gingen. Hij moest wel

bekennen, dat zij bitter weinig leerden. De meester hield zich om zoo te

zeggen niet met de leerlingen bezig. Hij zat soms halve dagen in zijn

tuin en zijn serre, of knutselde boven op zijn zolder, waar hij duiven

hield. Vreeze kon het wel eenigszins begrijpen, dat er geklaagd werd;

hij zou het met geen leede oogen aanzien als de meester eens tot beter

betrachten van zijn plicht werd aangewakkerd.

't Barontje verklaarde notitie te nemen van de opmerkingen van zijn

medelid, maar drukte daarbij toch zijn verwondering uit, dat Vreeze, als

hij werkelijk te klagen had, dan toch maar niet het verzoekschrift der

andere aanklagers mede had onderteekend.

Dit scheen een harde knauw voor Vreeze, die blijkbaar deze zeer logische

tegenwerping ('t Barontje haalde er alle eer van en kon dit merken aan de

houding zijner medeleden) niet verwacht had. Hij brabbelde enkele

onduidelijke woorden en gaf zich terstond gedwee overwonnen; en, daar

verder niemand eenig belang in de zaak scheen te stellen, werd deze ook

beschouwd als afgehandeld en kon men tot het laatste en gewichtigste

punt van de agenda overgaan.

- Een plan wordt den gemeenteraad voorgelegd, zoo begon met onvaste stem

het Barontje, om den landweg bekend onder den naam van Vierboomstraat,

Sectie A. litt. D. en G. van het kadastraal plan, loopende van den kom

der gemeente naar het gehucht Peperhol, met grint te bestraten. De

onkosten worden geraamd op 32.800 frank en zullen worden gedekt door een

leening van het Onderling Gemeentefonds, aflosbaar over een termijn van

twintig jaren tegen betaling van een jaarlijksche rente á 4 per cent.

Zooals den heeren raadsleden bekend is, mag de gemeente zich heden ten

dage verheugen in een zóó gunstigen finantieelen toestand, dat èn de

aflossing én de betaling der jaarlijksche rente, geen het minste bezwaar

kunnen opleveren. Is er iemand onder de leden, die verdere toelichting

verlangt?

Plus-Que-Parfait draaide zich op zijn stoel half om en stak zijn

rechterhand in de hoogte.

- Ik, zei hij, kortaf.

- 't Woord es aan Meneer Vermeulen, antwoordde dadelijk 't Barontje.

Meneer Vermeulen! Wat klonk dat gek ineens, Plus-Que-Parfait's

familienaam te hooren! Zoo ging het altijd: een echte verassing! Sommige

leden keken om zich heen, alsof er iemand anders werd verwacht. Alleen

Plus-Que-Parfait liet geen verbazing blijken.

Plus-Que-Parfait was niet bepaald een geboren redenaar. Dat waren die

andere heeren trouwens ook niet. Plus-Que-Parfait was een stugge,

chagrijnige grijnskerel, die slechts enkele bekrompen gedachten in zijn

harden kop had zitten, maar die zaten er dan ook muurvast en waren er

niet uit te hameren. Plus-Que-Parfait had zich nu eenmaal

halsstarrig-vast voorgenomen 't Barontje's plan te dwarsboomen en,

zoo mogelijk te verijdelen; en daar begon hij maar dadelijk mee zonder

discussie uit te lokken noch omwegen te zoeken, ineens de harde,

naakte waarheid als een steen in 't midden gooiend.

- Dat 'n es giene publieke wig! riep hij 't Barontje in 't gezicht. Die

wig 'n es nie anders as de dreve van ou kasteel en niemand anders as gij

hêt doar ienig belang bij dat hij begrint wordt!

't Barontje schokte toornig op en wrong zich zenuwachtig op zijn stoel.

Maar reeds stak meneer François zijn hand in de hoogte en riep op zijn

beurt:

- Menier den burgemiester, 'k vroag het woord!

- 't Woord es aan menier François, zei 't Barontje.

Misschien nog minder dan die andere heeren was meneer François een

redenaar. Meestal kon hij zelfs heelemaal niet uit zijn woorden komen.

Hij sprak haast altijd met korte, doorgehakte zinnen, die brabbelend over

elkaar struikelden en duister door elkaar verwarden.

En bij de minste tegenspraak zwol zijn gezicht vuurrood en toornig op.

- Die wig moe gegrint worden! riep hij uitdagend. Da zal scheune zijn

veur de gemiente. 't Land dat er nevens ligt zal beiwgrond worden.

D'r zillen scheune huizen en villas gezet worden. 't Zal 'n scheune

verbeterijnge zijn. 'k Ben d'r veuren. Ik stem er veuren!

- Wel zeu! gilde Plus-Que-Parfait verontwaardigd. En aan wie es da land,

dat er nevens ligt? Weet-e gij aan wie dat 't es?

- Dat `n kan mij nie schelen! riep meneer François vijandig-uitdagend,

't Es aan wie da' 't es! Ik stem er veuren!

- Hawèl, 'k zal ik ou zeggen aan wie dat 't es! kreet Plus-Que-Parfait

met nijdasserig-fonkelende oogen. Aan den baron es 't, veur mier dan den

helft; en de rest aan vrende luizen, die we nie 'n zien noch kennen en

die nooit giene cens belasting in de gemiente betoalen!

De stemmen begonnen erg kijvend-hoog op te galmen. 't Barontje zat als op

spelden en de boeren-leden keken elkander schuw en stom, met

wantrouwig-scheeve blikken aan. Zelfs Cocksken, die anders praats

genoeg had, wist geen raad; en de veldwachter, die daar stond om

eventueel, bij een mogelijk opkomen van het publiek, de orde te

handhaven, ging op zijn teenen naar de deur en voelde of die wel goed

dicht was. De dikke secretaris, met het opmaken van het verslag der zitting

belast, keek angstig door de ramen in de straat, of daar soms geen

nieuwsgierigen samentroepten, die het gekibbel konden hooren.

Nieuwsgierigen waren er niet. Maar eensklaps, terwijl de discussie,

waarin zich nu ook scherp en bitsig het Barontje mengde, al hooger en

hooger opgalmde, weerklonk daarbuiten in de straat een deftig getrappel

van hoeven, en heel héél langzaam schoof een luxe-rijtuig rakelings

voorbij de ramen: een mooie phaëton bespannen met twee schimmels, en

waarin mevrouw de barones zat, die zelve mende, met naast zich haar

koetsier in livrei, correct en stijf en strak, gelijk een opgezette pop.

Zij keek opvallend naar binnen in de vergaderingszaal toen ze langs reed

en te nauwernood was ze voorbij of reeds kwam ze terug, nu deftig weer de

andere richting uitrijdend, en bleef zoo deftig-langzaam heen en weer

toeren, als in parade-vertooning. De boeren-leden hadden haar dadelijk

opgemerkt en bukten sidderend het hoofd, begrijpend hoe zij door haar

enkele verschijning de stemming kwam beïnvloeden; en Plus-Que-Parfait

had binnensmonds een vloek geslaakt, ziedend-verontwaardigd over zulke

schaamtelooze drijverij, terwijl toch van een anderen kant zijn

opgezweepte paardenhart onwillekeurig werd geboeid door 't zien der

welbekende, mooie schimmels. Zijn vertoornde, maar geboeide oogen waren

van de ramen niet meer afgewend; zijn éen oor was vinnig bij de nijdige

discussie en zijn ander oor bij het voorname heen en weer getrappel van

de hoeven; hij raakte er weldra de kluts door kwijt en besefte nog te

nauwernood wat het Barontje zei, toen het voorstelde de discussie maar

te sluiten en tot de stemming over te gaan.

Hij besefte 't eerst duidelijk toen de stembus werd te voorschijn gehaald

en op de groene tafel neergezet. Hij deed nog een uiterste wanhopige

poging om de boeren op zijn kant te krijgen, maar juist toevallig op

datzelfde oogenblik hield de phaëton vlak vóór de ramen stil en mevrouw

de barones, met haar vriendelijksten glimlach vooroverbuigend, sprak in

de straat meneer den pastoor aan: meneer de pastoor, die daar ook precies

toevallig op het zelfde oogenblik van zijn kerk terugkeerde. De boeren

zagen het, en mevrouw de barones, even fluks naar binnen kijkend, merkte

ook dat de boeren het zagen: zij hield haar paarden daar stil, zoo stil

als de lakei, die gelijk een ziellooze pop naast haar gezeten was. Alleen

met den pastoor bleef zij, vlak onder de ramen, in haar levendig gesprek

verdiept en 't was alsof een plechtig rituaal gebeurde: de boeren,

daarbinnen, stemden met gebukte hoofden; zij stemden schuw en nederig als

honden, zooals zij om de tafel van 't kasteel aanzaten of het sermoen van

den pastoor in de kerk aanhoorden; en 't oogenblik daarna was alles

afgeloopen en kwam 't Barontje glunderend naar buiten, hartstochtelijk

schuddend de hand van meneer den pastoor en geestdriftig stijgend in het

rijtuig, waar de koetsier al gauw de plaats ontruimd had, terwijl

daarbinnen, in 't Gemeentehuis, een stilte van verslagenheid heerschte,

alleen gestoord door het sarrend hoongelach van meneer François en het

woedend getoorn van Plus-Que-Parfait. Met algemeene stemmen behalve één

enkele, die van Plus-Que-Parfait, had het Barontje zijn grintweg

verkregen.

In kudde stommelden de boeren-leden de raadzaal uit en gingen in Fietje's

herberg een sterkende verversching gebruiken. Dat fleurde hen wat op; en

Cocksken, door de ramen kijkend, waar het mooie rijtuig nu als 't ware in

vluggen triomfdraf langs reed, waagde even een ondeugende bemerking, die

hen allen lachen deed:

- Zeg, 't 'n zal van den oavond gienen dobbelen-oarend zijn op 't

kastiel.

Zij schaterden, en klapten op hun dijen van de pret; zij tikten met hun

borrels aan en smakten aan hun pijpen; en al spoedig zaten zij gezellig

bij een kaarttafeltje en hadden al die narigheid en dat gezeur

vergeten...

Plus-Que-Parfait is verleden week gestorven en begraven...

Plus-Que-Parfait is gestorven als slachtoffer der automobiel. Niet dat

hij in een ongeluk is omgekomen: de ramp, waaronder hij verloren ging,

was van meer gecompliceerden aard: Plus-Que-Parfait is langzaam aan te

niet gegaan als moreel slachtoffer van de automobiel.

Plus-Que-Parfait · 第 13 / 15 题