Eerst waren er een paar zaken van minder belang af te handelen: een
kwestie van onvoldoende straatverlichting, waarin enkele inwoners
verbetering vroegen, en het beantwoorden van een brief, onderteekend door
vrij talrijke hoofden van gezinnen, waarin geklaagd werd over de
onbevoegdheid van den onderwijzer, bij wien de schoolkinderen haast niets
meer leerden. Er werd namelijk verlangd dat hij of wel door een ander zou
vervangen worden, of dat hem nog een hulponderwijzer zou worden
toegevoegd.
't Barontje, die van ambtswege de vergadering voorzat, gaf enkele
toelichtingen. Hij zag de noodzakelijkheid niet in meer geld te
spendeeren aan nachtelijke verlichting van de straten. De gemeente was 's
avonds zeer behoorlijk verlicht, aanmerkelijk beter dan veel andere
gemeenten en 't Barontje achtte het gansch overbodig des nachts lichten
te laten branden, die uitsluitend van nut konden zijn voor enkele
slampampers, die toch al te laat in de herbergen bleven pleisteren en
veel beter op tijd in hun bed zouden liggen. Wat de aanklacht tegen den
onderwijzer betrof, deze verbaasde 't Barontje ten zeerste. Bedoelde
onderwijzer was een hoog moreel en zeer godvruchtig man, die zeker zijn
scholieren niets verkeerds zou leeren; daar had hij 't nog pas met meneer
de pastoor over gehad; en, aangaande hem nog een hulponderwijzer toe te
voegen, dat was weeral gansch overbodig en geld weggegooid; de bestaande
onderwijzer was volkomen goed berekend voor zijn taak en had meer dan
twintig jaren aan het hoofd der school gestaan, zonder dat ooit, van wege
zijn overheden, een klacht over hem was gehoord. 't Barontje stelde dus
voor beide verzoeken, als niet strookende met de belangen der gemeente,
eenvoudig van de hand te wijzen. Had een der leden daar iets tegen in te
brengen?
Een der boerenleden, Vreeze, waagde een schuchtere opmerking. Hij had
zeven kinderen, waarvan er vijf naar school gingen. Hij moest wel
bekennen, dat zij bitter weinig leerden. De meester hield zich om zoo te
zeggen niet met de leerlingen bezig. Hij zat soms halve dagen in zijn
tuin en zijn serre, of knutselde boven op zijn zolder, waar hij duiven
hield. Vreeze kon het wel eenigszins begrijpen, dat er geklaagd werd;
hij zou het met geen leede oogen aanzien als de meester eens tot beter
betrachten van zijn plicht werd aangewakkerd.
't Barontje verklaarde notitie te nemen van de opmerkingen van zijn
medelid, maar drukte daarbij toch zijn verwondering uit, dat Vreeze, als
hij werkelijk te klagen had, dan toch maar niet het verzoekschrift der
andere aanklagers mede had onderteekend.
Dit scheen een harde knauw voor Vreeze, die blijkbaar deze zeer logische
tegenwerping ('t Barontje haalde er alle eer van en kon dit merken aan de
houding zijner medeleden) niet verwacht had. Hij brabbelde enkele
onduidelijke woorden en gaf zich terstond gedwee overwonnen; en, daar
verder niemand eenig belang in de zaak scheen te stellen, werd deze ook
beschouwd als afgehandeld en kon men tot het laatste en gewichtigste
punt van de agenda overgaan.
- Een plan wordt den gemeenteraad voorgelegd, zoo begon met onvaste stem
het Barontje, om den landweg bekend onder den naam van Vierboomstraat,
Sectie A. litt. D. en G. van het kadastraal plan, loopende van den kom
der gemeente naar het gehucht Peperhol, met grint te bestraten. De
onkosten worden geraamd op 32.800 frank en zullen worden gedekt door een
leening van het Onderling Gemeentefonds, aflosbaar over een termijn van
twintig jaren tegen betaling van een jaarlijksche rente á 4 per cent.
Zooals den heeren raadsleden bekend is, mag de gemeente zich heden ten
dage verheugen in een zóó gunstigen finantieelen toestand, dat èn de
aflossing én de betaling der jaarlijksche rente, geen het minste bezwaar
kunnen opleveren. Is er iemand onder de leden, die verdere toelichting
verlangt?
Plus-Que-Parfait draaide zich op zijn stoel half om en stak zijn
rechterhand in de hoogte.
- Ik, zei hij, kortaf.
- 't Woord es aan Meneer Vermeulen, antwoordde dadelijk 't Barontje.
Meneer Vermeulen! Wat klonk dat gek ineens, Plus-Que-Parfait's
familienaam te hooren! Zoo ging het altijd: een echte verassing! Sommige
leden keken om zich heen, alsof er iemand anders werd verwacht. Alleen
Plus-Que-Parfait liet geen verbazing blijken.
Plus-Que-Parfait was niet bepaald een geboren redenaar. Dat waren die
andere heeren trouwens ook niet. Plus-Que-Parfait was een stugge,
chagrijnige grijnskerel, die slechts enkele bekrompen gedachten in zijn
harden kop had zitten, maar die zaten er dan ook muurvast en waren er
niet uit te hameren. Plus-Que-Parfait had zich nu eenmaal
halsstarrig-vast voorgenomen 't Barontje's plan te dwarsboomen en,
zoo mogelijk te verijdelen; en daar begon hij maar dadelijk mee zonder
discussie uit te lokken noch omwegen te zoeken, ineens de harde,
naakte waarheid als een steen in 't midden gooiend.
- Dat 'n es giene publieke wig! riep hij 't Barontje in 't gezicht. Die
wig 'n es nie anders as de dreve van ou kasteel en niemand anders as gij
hêt doar ienig belang bij dat hij begrint wordt!
't Barontje schokte toornig op en wrong zich zenuwachtig op zijn stoel.
Maar reeds stak meneer François zijn hand in de hoogte en riep op zijn
beurt:
- Menier den burgemiester, 'k vroag het woord!
- 't Woord es aan menier François, zei 't Barontje.
Misschien nog minder dan die andere heeren was meneer François een
redenaar. Meestal kon hij zelfs heelemaal niet uit zijn woorden komen.
Hij sprak haast altijd met korte, doorgehakte zinnen, die brabbelend over
elkaar struikelden en duister door elkaar verwarden.
En bij de minste tegenspraak zwol zijn gezicht vuurrood en toornig op.
- Die wig moe gegrint worden! riep hij uitdagend. Da zal scheune zijn
veur de gemiente. 't Land dat er nevens ligt zal beiwgrond worden.
D'r zillen scheune huizen en villas gezet worden. 't Zal 'n scheune
verbeterijnge zijn. 'k Ben d'r veuren. Ik stem er veuren!
- Wel zeu! gilde Plus-Que-Parfait verontwaardigd. En aan wie es da land,
dat er nevens ligt? Weet-e gij aan wie dat 't es?
- Dat `n kan mij nie schelen! riep meneer François vijandig-uitdagend,
't Es aan wie da' 't es! Ik stem er veuren!
- Hawèl, 'k zal ik ou zeggen aan wie dat 't es! kreet Plus-Que-Parfait
met nijdasserig-fonkelende oogen. Aan den baron es 't, veur mier dan den
helft; en de rest aan vrende luizen, die we nie 'n zien noch kennen en
die nooit giene cens belasting in de gemiente betoalen!
De stemmen begonnen erg kijvend-hoog op te galmen. 't Barontje zat als op
spelden en de boeren-leden keken elkander schuw en stom, met
wantrouwig-scheeve blikken aan. Zelfs Cocksken, die anders praats
genoeg had, wist geen raad; en de veldwachter, die daar stond om
eventueel, bij een mogelijk opkomen van het publiek, de orde te
handhaven, ging op zijn teenen naar de deur en voelde of die wel goed
dicht was. De dikke secretaris, met het opmaken van het verslag der zitting
belast, keek angstig door de ramen in de straat, of daar soms geen
nieuwsgierigen samentroepten, die het gekibbel konden hooren.
Nieuwsgierigen waren er niet. Maar eensklaps, terwijl de discussie,
waarin zich nu ook scherp en bitsig het Barontje mengde, al hooger en
hooger opgalmde, weerklonk daarbuiten in de straat een deftig getrappel
van hoeven, en heel héél langzaam schoof een luxe-rijtuig rakelings
voorbij de ramen: een mooie phaëton bespannen met twee schimmels, en
waarin mevrouw de barones zat, die zelve mende, met naast zich haar
koetsier in livrei, correct en stijf en strak, gelijk een opgezette pop.
Zij keek opvallend naar binnen in de vergaderingszaal toen ze langs reed
en te nauwernood was ze voorbij of reeds kwam ze terug, nu deftig weer de
andere richting uitrijdend, en bleef zoo deftig-langzaam heen en weer
toeren, als in parade-vertooning. De boeren-leden hadden haar dadelijk
opgemerkt en bukten sidderend het hoofd, begrijpend hoe zij door haar
enkele verschijning de stemming kwam beïnvloeden; en Plus-Que-Parfait
had binnensmonds een vloek geslaakt, ziedend-verontwaardigd over zulke
schaamtelooze drijverij, terwijl toch van een anderen kant zijn
opgezweepte paardenhart onwillekeurig werd geboeid door 't zien der
welbekende, mooie schimmels. Zijn vertoornde, maar geboeide oogen waren
van de ramen niet meer afgewend; zijn éen oor was vinnig bij de nijdige
discussie en zijn ander oor bij het voorname heen en weer getrappel van
de hoeven; hij raakte er weldra de kluts door kwijt en besefte nog te
nauwernood wat het Barontje zei, toen het voorstelde de discussie maar
te sluiten en tot de stemming over te gaan.
Hij besefte 't eerst duidelijk toen de stembus werd te voorschijn gehaald
en op de groene tafel neergezet. Hij deed nog een uiterste wanhopige
poging om de boeren op zijn kant te krijgen, maar juist toevallig op
datzelfde oogenblik hield de phaëton vlak vóór de ramen stil en mevrouw
de barones, met haar vriendelijksten glimlach vooroverbuigend, sprak in
de straat meneer den pastoor aan: meneer de pastoor, die daar ook precies
toevallig op het zelfde oogenblik van zijn kerk terugkeerde. De boeren
zagen het, en mevrouw de barones, even fluks naar binnen kijkend, merkte
ook dat de boeren het zagen: zij hield haar paarden daar stil, zoo stil
als de lakei, die gelijk een ziellooze pop naast haar gezeten was. Alleen
met den pastoor bleef zij, vlak onder de ramen, in haar levendig gesprek
verdiept en 't was alsof een plechtig rituaal gebeurde: de boeren,
daarbinnen, stemden met gebukte hoofden; zij stemden schuw en nederig als
honden, zooals zij om de tafel van 't kasteel aanzaten of het sermoen van
den pastoor in de kerk aanhoorden; en 't oogenblik daarna was alles
afgeloopen en kwam 't Barontje glunderend naar buiten, hartstochtelijk
schuddend de hand van meneer den pastoor en geestdriftig stijgend in het
rijtuig, waar de koetsier al gauw de plaats ontruimd had, terwijl
daarbinnen, in 't Gemeentehuis, een stilte van verslagenheid heerschte,
alleen gestoord door het sarrend hoongelach van meneer François en het
woedend getoorn van Plus-Que-Parfait. Met algemeene stemmen behalve één
enkele, die van Plus-Que-Parfait, had het Barontje zijn grintweg
verkregen.
In kudde stommelden de boeren-leden de raadzaal uit en gingen in Fietje's
herberg een sterkende verversching gebruiken. Dat fleurde hen wat op; en
Cocksken, door de ramen kijkend, waar het mooie rijtuig nu als 't ware in
vluggen triomfdraf langs reed, waagde even een ondeugende bemerking, die
hen allen lachen deed:
- Zeg, 't 'n zal van den oavond gienen dobbelen-oarend zijn op 't
kastiel.
Zij schaterden, en klapten op hun dijen van de pret; zij tikten met hun
borrels aan en smakten aan hun pijpen; en al spoedig zaten zij gezellig
bij een kaarttafeltje en hadden al die narigheid en dat gezeur
vergeten...
Plus-Que-Parfait is verleden week gestorven en begraven...
Plus-Que-Parfait is gestorven als slachtoffer der automobiel. Niet dat
hij in een ongeluk is omgekomen: de ramp, waaronder hij verloren ging,
was van meer gecompliceerden aard: Plus-Que-Parfait is langzaam aan te
niet gegaan als moreel slachtoffer van de automobiel.