Maar dergelijke geluksmomenten waren, helaas! hoogst zeldzame
uitzonderingen. Meestal liepen de beide mooie auto's prachtig door de
straten en zegevierend-toeterend snorden zij Plus-Que-Parfait's
sukkelspannetje voorbij, hem in een stinkende rook- en -stofwolk
achterwege latend.
O, die haat, die ziedende haat van Plus-Que-Parfait, wanneer hij hen zoo
langs zich heen zag vliegen! Wat wenschte hij dat ze zich tegen de boomen
zouden te pletter loopen, dat ze in de slooten zouden storten en
verdrinken! Het werd in hem een ziekelijken hartstocht, een obsessie. Hij
verafschuwde ze en wilde ze toch telkens weer zien; hij ging ze zoeken
langs de wegen, steeds hopende de catastrofe bij te wonen en zijn dag was
niet volbracht als hij ze niet ontmoet had.
Hij kwam ze tegen of ze reden hem voorbij en vlug keek hij, met
schuinschen haatblik, naar de glimmende paneelen, naar de
genietend-inzittenden, naar de vlug-snorrende- en -ronkende wielen.
Zij schenen zoo zacht als een wieg op hun zoemende banden te deinen
en 't waren als voorbijflitsende vizioenen van pracht en van weelde.
Nu eens zag hij enkel 't onnoozel gezicht van 't Barontje of de
rood-gezwollen tronie van meneer François; dan weer de kleurrijke hoeden
en mantels van dames; en eens, op een stillen, eenzamen weg, in den wagen
van meneer François, naast hem gezeten op de achterbank, Fietje uit _Het
Huis van Commercie_, frisch-blozend en zalig-glimlachend, gansch opgewekt
en als t ware geprikkeld en gekitteld van genot. Hij zag en herkende
haar heel duidelijk ondanks het snelle voorbijsnorren; en ook zij zagen en
herkenden hem en schenen met hem te schimplachen; en dat stak hem een
priem in het hart, die heel zijn verderen dag vergalde.
Trouw en onwrikbaar elken dag bleef hij, als vroeger, met zijn paard en
karretje uitrijden, maar 't was niet meer het Plus-Que-Parfait-spannetje
der schoone jaren. Het paard werd oud, het karretje was niet meer zoo
smetteloos-blinkend onderhouden, 't koetsiertje en Plus-Que-Parfait zelf
zagen er zoo onberispelijk-correct ais vroeger niet meer uit. Langzamerhand
kwam er over het geheel als een waas van moedeloosheid en
versletenheid. Het was alsof Plus-Que-Parfait den zoolang
hardnekkig-volgehouden strijd toch eindelijk zou opgeven. Eens struikelde
het paard over een steen en viel. Dat waren de knieën al die niet meer
deugden. Het dier bezeerde zich vrij ernstig en bleef sindsdien veel
strammer loopen.
Als het moe werd ging het zelfs hinken en zwollen de knieën. De veearts,
die er eindelijk bij ter hulp geroepen werd, haalde bedenkelijk zijn
schouders op.
- Versleten, komt niet meer terecht. Beter afmaken en 'n ander koopen,
bromde hij.
Plus-Que-Parfait werd chagrijnig en boos en geloofde daar niets van. Maar
't kwam zooverre dat het paard zich niet meer neerlei om te rusten, en,
als het eindelijk van afgematheid neerviel, niet meer op kon staan. Toen
moest het wel... Plus-Que-Parfait hield zich goed en wilde geen
ontroering laten merken; maar de tranen stonden hem in de oogen, toen het
arme beest op een wagen werd geladen en naar het paardenslachthuis
heengevoerd.
Daar stond het karretje nu doelloos in de remise, uit oude, zorgzame
gewoonte, naast het eertijds zoo glimmend-gepoetste harnas, nog onder
een wit dekzeil tegen stof beschermd. Het heette dat Plus-Que-Parfait
zich wel spoedig een nieuw paard zou aanschaffen. Maar de dagen, de
weken, de maanden verliepen en Plus-Que-Parfait schafte zich geen nieuw
paard aan.
Nu hij niet meer uit kon rijden ging hij soms korte wandelingetjes te
voet maken. Daar vond hij echter geen de minste bekoring in. Hij liep
maar even zonder doel langs achterwegen om het dorp heen en al heel gauw
was hij weer thuis en ging dan machinaal in den leegen stal en de
somberig-kille remise rondslenteren. Daar scheen hij iets te zoeken wat
niet meer te vinden was.
Hij keek en speurde langs de naakte, stille muren, hij snoof de vage,
muffe lucht van leer en ammoniak op, die daar nog te hangen scheen; hij
tilde even 't dekzeil van de dogcart op en bevoelde de kussens; hij
haalde de zweep uit den koker en klopte eens met de vingerknoksels op de
spaken van de wielen,... maar neen, 't was niets meer, het boeide niet
meer, het leefde niet meer, er zat geen fut meer in die oude dingen. Met
strak gefronste wenkbrauwen kwam hij al gauw weer buiten en slenterde
zijn verveling en zijn levens-doelloosheid naar 't kroegje van den
oud-veldwachter toe.
Daar kon hij dan lange, lange uren blijven zitten, wrokkig-stug
pijprookend en borrels drinkend, soms heftig afgevend op het Barontje en
meneer François en al de andere verraders van het dorp,... soms uren
lang, roerloos en sprakeloos, met strak-starende oogen, verdiept in
somber-nijdige gepeinzen. Hij zag er oud uit en vervallen, de koonen
rood-en-paars-gevlamd van alcoholuitslag onder de rimpelhuid der
waterzakkerige oogen; en zijn mond, die tandeloos werd, rekte zich scheef
naar omlaag, alsof hij voortdurend hatelijkheden uitbromde.
Toen werd hij ziek en kwijnde...
* * * * *
Verleden week is hij gestorven en begraven...
Verwonderd hebben vele menschen ervan opgekeken, want velen hadden reeds
vergeten, dat hij nog bestond.
Maar, toen men wist dat hij werkelijk dood was, is het geweest alsof hij
even weer herleefde. 't Was zoon type; de menschen herinnerden zich nog
eens hoe zij hem, jarenlang in zijn eigenaardigen dagelijkschen handel en
wandel hadden gekend; 't was of ze eensklaps heel veel van hem hielden en
zijn dood innig betreurden en velen hebben dan ook zijn begrafenis
bijgewoond. Zelfs 't Barontje en meneer François,--hun vroegere
vijandschap vergetend--zijn gekomen; meneer François te voet en 't en
Barontje in zijn mooie automobiel.
De mooie auto heeft daar langen tijd vóór 't kerkhof stilgehouden, door
nieuwsgierige straatbengels omringd, terwijl de klokken op den toren
plechtig luidden en de kist met kruis en vanen, naar de groeve werd
gedragen.
- Oo! als Plus-Que-Parfait dat weten kon, hij zou er in zijn graf van
omkeeren! meenden de menschen.
Maar zij vonden 't toch heel aardig van meneer François en van 't
Barontje, dat zij wel naar de begrafenis gekomen waren.
NOTEN
* De laatste twee alineas aan het einde van hoofdstuk XI zijn dezelfde
als de eerste twee alineas van het boek: waarschijnlijk fout gezet.