XIII.

Maar dergelijke geluksmomenten waren, helaas! hoogst zeldzame

uitzonderingen. Meestal liepen de beide mooie auto's prachtig door de

straten en zegevierend-toeterend snorden zij Plus-Que-Parfait's

sukkelspannetje voorbij, hem in een stinkende rook- en -stofwolk

achterwege latend.

O, die haat, die ziedende haat van Plus-Que-Parfait, wanneer hij hen zoo

langs zich heen zag vliegen! Wat wenschte hij dat ze zich tegen de boomen

zouden te pletter loopen, dat ze in de slooten zouden storten en

verdrinken! Het werd in hem een ziekelijken hartstocht, een obsessie. Hij

verafschuwde ze en wilde ze toch telkens weer zien; hij ging ze zoeken

langs de wegen, steeds hopende de catastrofe bij te wonen en zijn dag was

niet volbracht als hij ze niet ontmoet had.

Hij kwam ze tegen of ze reden hem voorbij en vlug keek hij, met

schuinschen haatblik, naar de glimmende paneelen, naar de

genietend-inzittenden, naar de vlug-snorrende- en -ronkende wielen.

Zij schenen zoo zacht als een wieg op hun zoemende banden te deinen

en 't waren als voorbijflitsende vizioenen van pracht en van weelde.

Nu eens zag hij enkel 't onnoozel gezicht van 't Barontje of de

rood-gezwollen tronie van meneer François; dan weer de kleurrijke hoeden

en mantels van dames; en eens, op een stillen, eenzamen weg, in den wagen

van meneer François, naast hem gezeten op de achterbank, Fietje uit _Het

Huis van Commercie_, frisch-blozend en zalig-glimlachend, gansch opgewekt

en als ’t ware geprikkeld en gekitteld van genot. Hij zag en herkende

haar heel duidelijk ondanks het snelle voorbijsnorren; en ook zij zagen en

herkenden hem en schenen met hem te schimplachen; en dat stak hem een

priem in het hart, die heel zijn verderen dag vergalde.

Trouw en onwrikbaar elken dag bleef hij, als vroeger, met zijn paard en

karretje uitrijden, maar 't was niet meer het Plus-Que-Parfait-spannetje

der schoone jaren. Het paard werd oud, het karretje was niet meer zoo

smetteloos-blinkend onderhouden, 't koetsiertje en Plus-Que-Parfait zelf

zagen er zoo onberispelijk-correct ais vroeger niet meer uit. Langzamerhand

kwam er over het geheel als een waas van moedeloosheid en

versletenheid. Het was alsof Plus-Que-Parfait den zoolang

hardnekkig-volgehouden strijd toch eindelijk zou opgeven. Eens struikelde

het paard over een steen en viel. Dat waren de knieën al die niet meer

deugden. Het dier bezeerde zich vrij ernstig en bleef sindsdien veel

strammer loopen.

Als het moe werd ging het zelfs hinken en zwollen de knieën. De veearts,

die er eindelijk bij ter hulp geroepen werd, haalde bedenkelijk zijn

schouders op.

- Versleten, komt niet meer terecht. Beter afmaken en 'n ander koopen,

bromde hij.

Plus-Que-Parfait werd chagrijnig en boos en geloofde daar niets van. Maar

't kwam zooverre dat het paard zich niet meer neerlei om te rusten, en,

als het eindelijk van afgematheid neerviel, niet meer op kon staan. Toen

moest het wel... Plus-Que-Parfait hield zich goed en wilde geen

ontroering laten merken; maar de tranen stonden hem in de oogen, toen het

arme beest op een wagen werd geladen en naar het paardenslachthuis

heengevoerd.

Daar stond het karretje nu doelloos in de remise, uit oude, zorgzame

gewoonte, naast het eertijds zoo glimmend-gepoetste harnas, nog onder

een wit dekzeil tegen stof beschermd. Het heette dat Plus-Que-Parfait

zich wel spoedig een nieuw paard zou aanschaffen. Maar de dagen, de

weken, de maanden verliepen en Plus-Que-Parfait schafte zich geen nieuw

paard aan.

Nu hij niet meer uit kon rijden ging hij soms korte wandelingetjes te

voet maken. Daar vond hij echter geen de minste bekoring in. Hij liep

maar even zonder doel langs achterwegen om het dorp heen en al heel gauw

was hij weer thuis en ging dan machinaal in den leegen stal en de

somberig-kille remise rondslenteren. Daar scheen hij iets te zoeken wat

niet meer te vinden was.

Hij keek en speurde langs de naakte, stille muren, hij snoof de vage,

muffe lucht van leer en ammoniak op, die daar nog te hangen scheen; hij

tilde even 't dekzeil van de dogcart op en bevoelde de kussens; hij

haalde de zweep uit den koker en klopte eens met de vingerknoksels op de

spaken van de wielen,... maar neen, 't was niets meer, het boeide niet

meer, het leefde niet meer, er zat geen fut meer in die oude dingen. Met

strak gefronste wenkbrauwen kwam hij al gauw weer buiten en slenterde

zijn verveling en zijn levens-doelloosheid naar 't kroegje van den

oud-veldwachter toe.

Daar kon hij dan lange, lange uren blijven zitten, wrokkig-stug

pijprookend en borrels drinkend, soms heftig afgevend op het Barontje en

meneer François en al de andere verraders van het dorp,... soms uren

lang, roerloos en sprakeloos, met strak-starende oogen, verdiept in

somber-nijdige gepeinzen. Hij zag er oud uit en vervallen, de koonen

rood-en-paars-gevlamd van alcoholuitslag onder de rimpelhuid der

waterzakkerige oogen; en zijn mond, die tandeloos werd, rekte zich scheef

naar omlaag, alsof hij voortdurend hatelijkheden uitbromde.

Toen werd hij ziek en kwijnde...

* * * * *

Verleden week is hij gestorven en begraven...

Verwonderd hebben vele menschen ervan opgekeken, want velen hadden reeds

vergeten, dat hij nog bestond.

Maar, toen men wist dat hij werkelijk dood was, is het geweest alsof hij

even weer herleefde. 't Was zoo’n type; de menschen herinnerden zich nog

eens hoe zij hem, jarenlang in zijn eigenaardigen dagelijkschen handel en

wandel hadden gekend; 't was of ze eensklaps heel veel van hem hielden en

zijn dood innig betreurden en velen hebben dan ook zijn begrafenis

bijgewoond. Zelfs 't Barontje en meneer François,--hun vroegere

vijandschap vergetend--zijn gekomen; meneer François te voet en 't en

Barontje in zijn mooie automobiel.

De mooie auto heeft daar langen tijd vóór 't kerkhof stilgehouden, door

nieuwsgierige straatbengels omringd, terwijl de klokken op den toren

plechtig luidden en de kist met kruis en vanen, naar de groeve werd

gedragen.

- Oo! als Plus-Que-Parfait dat weten kon, hij zou er in zijn graf van

omkeeren! meenden de menschen.

Maar zij vonden 't toch heel aardig van meneer François en van 't

Barontje, dat zij wel naar de begrafenis gekomen waren.

NOTEN

* De laatste twee alinea’s aan het einde van hoofdstuk XI zijn dezelfde

als de eerste twee alinea’s van het boek: waarschijnlijk fout gezet.

Plus-Que-Parfait · 第 15 / 15 题