X.

't Had twee uur op den kerktoren geslagen.

Op de stoep van het Gemeentehuis, zich koesterend in 't weeke

najaarszonnetje, stonden 't Barontje en meneer François naar de komst

der andere raadsleden te wachten.

't Barontje was onrustig en gejaagd. Zenuwachtig beet hij het eind van

zijn sigaar tot een viesbruine prop en kon geen minuut op dezelfde plaats

blijven. Meneer François, daarentegen, bleef heel kalm en bedaard, zijn

bolle oogen zonder uitdrukking vettig-glimmend als gelei in zijn

hoogrooden kop.

- Zeu da ge peist, da z'er toch nie 'n zillen durven tegen stemmen? vroeg

't Barontje voor de zooveelste maal.

- Natuurlijk niet, herhaalde meneer François, minachtend

schouderophalend.

Sinds het diner op 't kasteel en de daarna volgende, onaangename

woordenwisseling, die hij met Plus-Que-Parfait in de gelagkamer van _Het

Huis van Commercie_ had gehad, was meneer François heelemaal op de hand

van 't Barontje overgegaan. Hij zou vóór den steenweg stemmen, daar

maakte hij nu geen geheim meer van, al was 't maar om Plus-Que-Parfait te

duvelen; en er werd zelfs verteld, dat ook hij zijn paarden van de hand

zou doen en zich een auto aanschaffen, ook al weer om Plus-Que-Parfait te

duvelen.

't Barontje haalde zenuwachtig zijn horloge uit: Reeds kwart over twee!

Zouden ze dan niet komen!

In de stille straat kwam een meisje aan, in nette, boersche kleedij, die

een brief droeg in haar hand. Zij kreeg een lichte kleur toen zij beide

heeren op de stoep zag staan en, na een aarzeling, klom ze de treden op

en overhandigde den omslag aan 't Barontje.

- Veur mij? riep 't Barontje verbaasd.

- As 't ou b'lieft, menier den b'ron.

- Wie zij-de gij? vroeg 't Barontje.

- De dochter van boer Donckers, antwoordde 't meisje blozend. Zij ging

haastig weer weg en 't Barontje scheurde den omslag open.

- Nom de Dieu! riep toornig het Barontje, toen hij een paar regels had

gelezen.

- Qu'est ce que c'est, monsieur le baron? vroeg meneer François

verwonderd.

- Mais... mais... mais... cet animal de Donckers, nom de Dieu! Donckers

et Schouwvlieghe qui ne viennent pas, omda ze'n prijzije van land moeten

doen. Al konten, natuurlijk. Valschoards zijn 't, die nog vóór nog tegen

durven stemmen, schouw om ulder te compromitteeren.

- Hoho, die lafoars! schimplachte meneer François. Moar, voegde hij er

troostend bij, w'en hên ze nie neudig, 't zal zonder ulder euk wel goan.

In de straat kwam de secretaris, vergezeld door den nieuwen veldwachter

aan. De secretaris, kort en dik, met een puntbuikje en schrale beentjes,

droeg een paar lijvige registers; de veldwachter, in zijn groen uniform

met glimmende knoopen, liep er lummelend naast. Zij groetten alle bei

diep de twee heeren terwijl zij de stoep opklommen en verdwenen dadelijk

in de gang van het Gemeentehuis.

Toen hadden die heeren een korte emotie. Gansch aan 't uiteinde der

straat zagen zij den geduchten tegenstrever Plus-Que-Parfait aankomen.

Zouden ze binnengaan? Zouden ze blijven staan? Met het Barontje

verkeerde Plus-Que-Parfait nu op een voet van gespannen, plichtmatige

beleefdheid, maar hij en meneer François groetten elkander, sinds de

kijfpartij in het _Huis van Commercie_, niet meer.

- Bah! Ik 'n goa veur hem giene voet uit de wig, zei meneer François

uitdagend.

- Ik euk niet, 'antwoordde 't Barontje. En zij bleven staan.

Maar het liep eenvoudiger af dan zij wel dachten: op het oogenblik dat

Plus-Que-Parfait over de dorpsplaats stapte, kwamen uit een zijstraat ook

de boerenleden aan, zij vereenigden zich tot één groep en zoo geraakten

zij aan het Gemeentehuis, waar vagelijk, zonder onderscheid van vriend of

vijand werd gegroet. In kudde gingen zij binnen, stonden daar even in de

gang op elkaar gepropt, verdwenen eindelijk door de openstaande deur van

't secretariaat in de gemeente-raadzaal, waar de gewichtige vergadering

plaats zou hebben.

Plus-Que-Parfait · 第 12 / 15 题