't Had twee uur op den kerktoren geslagen.
Op de stoep van het Gemeentehuis, zich koesterend in 't weeke
najaarszonnetje, stonden 't Barontje en meneer François naar de komst
der andere raadsleden te wachten.
't Barontje was onrustig en gejaagd. Zenuwachtig beet hij het eind van
zijn sigaar tot een viesbruine prop en kon geen minuut op dezelfde plaats
blijven. Meneer François, daarentegen, bleef heel kalm en bedaard, zijn
bolle oogen zonder uitdrukking vettig-glimmend als gelei in zijn
hoogrooden kop.
- Zeu da ge peist, da z'er toch nie 'n zillen durven tegen stemmen? vroeg
't Barontje voor de zooveelste maal.
- Natuurlijk niet, herhaalde meneer François, minachtend
schouderophalend.
Sinds het diner op 't kasteel en de daarna volgende, onaangename
woordenwisseling, die hij met Plus-Que-Parfait in de gelagkamer van _Het
Huis van Commercie_ had gehad, was meneer François heelemaal op de hand
van 't Barontje overgegaan. Hij zou vóór den steenweg stemmen, daar
maakte hij nu geen geheim meer van, al was 't maar om Plus-Que-Parfait te
duvelen; en er werd zelfs verteld, dat ook hij zijn paarden van de hand
zou doen en zich een auto aanschaffen, ook al weer om Plus-Que-Parfait te
duvelen.
't Barontje haalde zenuwachtig zijn horloge uit: Reeds kwart over twee!
Zouden ze dan niet komen!
In de stille straat kwam een meisje aan, in nette, boersche kleedij, die
een brief droeg in haar hand. Zij kreeg een lichte kleur toen zij beide
heeren op de stoep zag staan en, na een aarzeling, klom ze de treden op
en overhandigde den omslag aan 't Barontje.
- Veur mij? riep 't Barontje verbaasd.
- As 't ou b'lieft, menier den b'ron.
- Wie zij-de gij? vroeg 't Barontje.
- De dochter van boer Donckers, antwoordde 't meisje blozend. Zij ging
haastig weer weg en 't Barontje scheurde den omslag open.
- Nom de Dieu! riep toornig het Barontje, toen hij een paar regels had
gelezen.
- Qu'est ce que c'est, monsieur le baron? vroeg meneer François
verwonderd.
- Mais... mais... mais... cet animal de Donckers, nom de Dieu! Donckers
et Schouwvlieghe qui ne viennent pas, omda ze'n prijzije van land moeten
doen. Al konten, natuurlijk. Valschoards zijn 't, die nog vóór nog tegen
durven stemmen, schouw om ulder te compromitteeren.
- Hoho, die lafoars! schimplachte meneer François. Moar, voegde hij er
troostend bij, w'en hên ze nie neudig, 't zal zonder ulder euk wel goan.
In de straat kwam de secretaris, vergezeld door den nieuwen veldwachter
aan. De secretaris, kort en dik, met een puntbuikje en schrale beentjes,
droeg een paar lijvige registers; de veldwachter, in zijn groen uniform
met glimmende knoopen, liep er lummelend naast. Zij groetten alle bei
diep de twee heeren terwijl zij de stoep opklommen en verdwenen dadelijk
in de gang van het Gemeentehuis.
Toen hadden die heeren een korte emotie. Gansch aan 't uiteinde der
straat zagen zij den geduchten tegenstrever Plus-Que-Parfait aankomen.
Zouden ze binnengaan? Zouden ze blijven staan? Met het Barontje
verkeerde Plus-Que-Parfait nu op een voet van gespannen, plichtmatige
beleefdheid, maar hij en meneer François groetten elkander, sinds de
kijfpartij in het _Huis van Commercie_, niet meer.
- Bah! Ik 'n goa veur hem giene voet uit de wig, zei meneer François
uitdagend.
- Ik euk niet, 'antwoordde 't Barontje. En zij bleven staan.
Maar het liep eenvoudiger af dan zij wel dachten: op het oogenblik dat
Plus-Que-Parfait over de dorpsplaats stapte, kwamen uit een zijstraat ook
de boerenleden aan, zij vereenigden zich tot één groep en zoo geraakten
zij aan het Gemeentehuis, waar vagelijk, zonder onderscheid van vriend of
vijand werd gegroet. In kudde gingen zij binnen, stonden daar even in de
gang op elkaar gepropt, verdwenen eindelijk door de openstaande deur van
't secretariaat in de gemeente-raadzaal, waar de gewichtige vergadering
plaats zou hebben.