Klokslag twaalf, volgens onderlinge afspraak en traditioneele gewoonte,
waren zij allen in de gelagkamer van _Het Huis van Commercie_ vergaderd.
Daar vandaan zouden zij samen naar 't kasteel vertrekken. Allen? Toch
niet. Eén ontbrak er: Plus-Que-Parfait!
Meneer François werd door de andere raadsleden ondervraagd. "Zou
Plus-Que-Parfait niet komen? Zou het waar zijn, zooals in 't geheim verteld
werd, dat hij de uitnoodiging niet had willen aannemen en dat 't Barontje
en vooral mevrouw de barones daar ten hoogste ontstemd over waren?"
Meneer François kon in 't geheel geen opheldering geven. Hij had ook
iets hooren verluiden, doch wist niets bepaalds. Alleen wist hij, dat
Plus-Que-Parfait drie opeenvolgende avonden in _Het Huis van Commercie_
niet verschenen was. "Es 't nie woar, Fietje?" Fietje, die een paar
raadsleden borreltjes inschonk, liet haar flesch op de schenktafel staan
om zich in 't gesprek der anderen te komen mengen.
- Nien hij, sedert drei oavonden 'n was hij op stamenee nie mier gekomen:
en dat 'n was in gien vijftien joar gebeurd! Dinsdag in den vooravond was
hij er voor 't laatst geweest; en toen had hij een stuk papier in zijn
hand, een soort van brief, dien hij eerst met aandacht gelezen en dan
kwaadaardig aan stukken gescheurd en in de kachel gegooid had. 't Was
eigenlijk heel jammer, zei Fietje nog, dat hij dien brief in 't vuur en
niet in den kolenbak gooide; want uit den kolenbak had men nog de
gescheurde stukken kunnen opgraven en ze weer aan elkaar plakken om te
zien wat hem zoo boos had gemaakt.
De heeren raadsleden waren het met Fietje's beschouwingen volkomen eens,
maar zij twijfelden niet, dat hetgeen Plus-Que-Parfait zoo nijdig aan
stukken scheurde, de invitatie was; en, daar het zoo langzaam aan tijd
begon te worden, besloten zij niet langer op de hoogst twijfelachtige
komst van Plus-Que-Parfait te wachten; en, na aan Fietje hun gelag
betaald te hebben, verlieten zij in kudde de ouderwetsche herbergkamer.
Zij waren al gauw buiten de kom van het dorp, hier en daar door enkele
nieuwsgierigen van op hun drempels nagekeken, en kwamen in de lange,
rechte beukendreef die ginds, heel in de verte, op het te nauwernood
zichtbaar kasteel, als op een schitterend sterretje scheen dood te
loopen. Toen zij voorbij Plus-Que-Parfait's villa passeerden, keken zij
allen scherp op; maar 't buitentje lag als uitgestorven: geen levend
wezen op het erf noch achter de ramen: die heeren zagen enkel hun eigen,
gedrochtelijk-misvormd beeld, weerspiegeld in den glazen bol die prijkte
boven 't spuitfonteintje, midden in het beton-vijvertje met roode
visschen.
- Parti! zei meneer François, terwijl hij even lachte, met plompen lach.
Die andere heeren lachten ook wel eventjes, maar gedwongen, en schuw als
't ware, terwijl zij elkaar met vaag-wantrouwige blikken van terzijde
aankeken. En inderdaad: daar betraden zij reeds het terrein waarover zij
wel voelden dat het gaan zou: de weg, de akelige weg aan welks bestrating
niemand iets had, maar die wel gehard moest worden, wilde 't Barontje er
ooit met een auto overheen kunnen rijden.
In den grond van hun hart waren zij er tegen, allen. De boerenleden:
Vreeze, Grondnagel, Magerman, Picavet, Cocksken, en Van Speybroeck,
zoowel als de heeren- of- halve- heerenleden: Schouwvheghe, Donckers en
meneer François, àllen, àllen waren zij er tegen, maar durfden niet, als
Plus-Que-Parfait, hun meening openlijk uiten. Zij waren bang, zij waren
schuchter, zij vreesden dingen die ze niet eens goed konden uitdrukken;
vage schade of onaangenaamheden die over hen zouden komen als ze 't
Barontje in zijn wensch dwarsboomden; en van een anderen kant voelden ze
zich gansch onverantwoord tegenover hun kiezers; zij twijfelden geenszins
of zulk een besluit zou hoogst onsympathiek ontvangen worden onder de
bevolking; het waren alweer nieuwe lasten, door jan en alleman te dragen;
kortom: 't was nutteloos en overbodig geld weggegooid en heimelijk waren
zij meest allen heel blij dat Plus-Que-Parfait zulk een beslist-vijandige
houding aangenomen had en hoopten zij maar dat die geduchte tegenkanting
de plannen van het Barontje tenslotte verijdelen zou. Waarom ook liet het
Barontje dien weg op eigen kosten niet hard leggen? Dat zou toch niet
meer dan strikt billijk zijn. Hij toch, en niemand anders, had iets aan
't harden van dien weg.
't Kasteel blonk in de verte, tintlend-roze bezonneglansd, aan 't
uiteinde der prachtige beukendreef in gouden herfsttooi. Het scheen hen
allen te zien komen, en te coquetteeren en te souriëeren om hun komst,
gelijk een mooie dame doet wanneer zij iemand wil verleiden. En reeds van
verre geraakten zij onder den indruk: den indruk van beklemdheid, ongemak
en vrees, waarmee ze daar die uren lang aan tafel zouden zitten.
Even gingen zij allen wat op zij van den weg achter de boomen staan.
't Was altijd goed die voorzorg te nemen, want je kon toch moeilijk midden
in 't diner van tafel opstaan. Alleen Cocksken, die zich nooit erg
geneerde, durfde dat wèl; maar het was ook duidelijk genoeg te zien dat
mevrouw de barones zich daar telkens zeer over ergerde.
Ze kwamen terug in de laan, nog even de laatste knoopen dichtmakend, en
heel correct en deftig nu, schreden zij door het wijd-openstaande
ingangshek en sloegen rechts een mooie allee in, om den vijver heen.
Trotsch kwamen de blanke zwanen langs den oever naar hen toegedreven, als
't ware vol toorn en verontwaardiging over zulk een plebeïsch bezoek; en
't oogenblik daarna beklommen zij de treden der monumentale stoep, waar
't Barontje, glimlachend in een grijs pak met witte vest en strooien
hoed, al vast op hen te wachten stond.
Zij werden binnengeleid in de ruime, met bloemen en planten versierde
hall, die door breede ramen en glazen deuren, uitzicht op het heel mooi
park had; en dadelijk was daar een gegaloneerde lakei in kuitenbroek en
witte handschoenen, die machinaal met glazen witte en roode port rondging
en zwijgend sigaren en sigaretten aanbood, terwijl 't Barontje hen met
vriendelijkheidspraatjes overraasde.
Die heeren bedienden zich en gingen zitten. Zij hadden het al dadelijk
benauwd-warm daarbinnen, want ondanks 't mooie najaarsweer werkte reeds
de centrale verwarming en zij konden niet goed tegen dat soort bedompte
warmte, waaraan zij in 't geheel niet gewend waren. Dat ontnam hen als 't
ware terstond, iets van hun zelfstandigen wil; 't viel als een
verlammende drukking op hun oogen en de koppen glommen al, nog voor ze
iets gebruikt hadden. 't Geraas van 't Barontje en de port en de sigaren
deden 't overige. Wellicht hadden ze die beter niet genomen, maar 't leek
zoo onbeleefd te weigeren, en ook, zij hadden niet eiken dag de
gelegenheid.... Zij ledigden dus maar hun glaasje en, toen de zwijgende
lakei voor de tweede maal rondging, lieten, onder Barontje's aandringen,
de meesten zich ook nog een tweede maal inschenken.
Toen ging heel zacht een zijdeur open en glimlachend, in licht
zij-geruisch, trad de barones te voorschijn, door mejonkvrouw Caroline,
haar zuster, die permanant op het kasteel vertoefde, vergezeld.
Mevrouw de barones, hoewel niet jong meer, was een knappe en elegante
vrouw, met grijzend haar en levendige wangen. Zij had bizonder mooie,
violette oogen, die aan haar frisch gezicht een gansch aparte distinctie
gaven en haar mond met gave, witte tanden kon zeer bekoorlijk glimlachen.
De meeste buitenheeren en boeren vonden haar wel wat te mager, maar
begrepen toch heel goed dat het Barontje bij haar onder de plak zat en
dat de wat lang volgehouden dubbel-arendstraf hem gansch niet
onverschillig liet.
Mejonkvrouw Caroline leek op haar oudere zuster, maar niet in 't mooie.
Het was zoowat 't zelfde figuur en 't waren ongeveer dezelfde trekken,
maar heel veel minder fijn en gaaf en regelmatig. Het was alsof de
natuur met kunstenaarsliefde de beide zusters uit één en dezelfde stof
onder precies gelijke vormen had geschapen en dan de eene zoo in haar
frissche schoonheid had gelaten, terwijl de andere door een vandalenhand
verfrommeld en verknoeid werd. 't Gezicht was minder frisch en meer
gerimpeld, de oogen leefden niet, de glimlach bleef zonder bekoring en
over het gansche gelaat lag als 't ware de geconsterneerde uitdrukking
van iets dat eindeloos lang verwacht en nooit gekomen was. Mejonkvrouw
Caroline leek wel de karikatuur van mevrouw de barones en bij den
eersten oog-opslag begreep men duidelijk dat de eene ontelbare aanbidders
of bewonderaars moest hebben, terwijl de andere door de natuur was
voorbestemd om alleen de wrangheid van het celibaat te proeven. Soms
verbaasden zich de menschen, dat de keuze van de mooie barones op een zoo
onbenullig ventje als 't Barontje was gevallen. Dit had echter een
grondige reden: mevrouw de barones, van burgerlijke afkomst, was door 't
prestige van den adelstand verblind geweest. Zij had het Barontje gehuwd
om den titel, en ook om 't fortuin; en, te dien einde de voorname
deftigheid er in haar omgeving in te houden, liet zij haar zuster, die
haar eigen, burgerlijken jonge-meisjes-naam toch droeg, in plaats van
juffrouw, steeds mejonkvrouw noemen.
Beminnelijk glimlachend trad mevrouw de barones naar voren en drukte om
beurten de hand van al de raadsheeren, die voor haar waren opgestaan.
Even ging zij naast meneer François zitten en wisselde met hem enkele
woorden in 't Fransch, zooals 't behoorde. Maar zij was niet bizonder op
meneer François gesteld, dien ze erg boersch vond ondanks zijn
kwasi-heerenachtigheid, en innemend glimlachend wendde ze zich
al spoedig rechts en links, haar beleefdheidsgunsten plichtmatig
verdeelend tusschen al de andere leden. Zoo deed ook haar zuster,
als in een aangeleerd lesje, zoo innemend als 't kon om zich heen
nijgend en buigend, zich inspannend om haar rimpelig gezicht,
waarop de consternatie van het ongebeurde grijnsde, tot een
vriendelijkheidsglimlach te ontplooien.
Trouwens, er kwam al spoedig afleiding: een donker, nog al viezig
huurkoetsje reed het erf op en 't oogenblik daarna trad meneer de pastoor
binnen, diep groetend voor de dames, de hand drukkend van het Barontje en
van meneer François en verder in het ronde familiair-beschermend
knikkend en knipoogend, zooals men doet met bizonder welbekenden of met
aardige kinderen. Hij wreef zijn handen door elkaar en jubelde over 't
heerlijk weer, maar klaagde toch meteen over den ellendigen hobbelweg,
waardoor hij met het dorpshuurkoetsje had moeten baggeren.
- Is 't niet afschuwelijk, meneer de pastoor? riep de barones.
Meneer de pastoor moest erkennen dat het inderdaad een foltering was. Hij
keek in 't ronde naar de boeren en ving ook hun bedeesde,
half-ontwijkende beaming op, dat die weg wel veel te wenschen overliet.
Ook meneer François knikte toestemmend, hoewel zwijgend, in dien zin,
terwijl hij nogeens zwaar haalde aan zijn stompje sigaar en zijn glas
port, met resoluut gebaar, gansch leeg dronk.
- Joa moar, 't es nou nog bijkans zomer; wa zal 't in de winter zijn!
meende 't Barontje tot versterking van 't geval te moeten aanbrengen.
Hoe het er in den winter wezen zou werd voorloopig niet verder besproken,
want een dubbele deur schoof als van zelf uit elkaar en de prachtige,
gekuitenbroekte-tafelknecht verscheen strak op den drempel, met de
sacramenteele woorden:
- Madame la baronne est servie.
Mevrouw de barones stond dadelijk op en aanvaardde den arm, dien meneer
de pastoor haar hoffelijk aanbood. Meneer François had een korte
aarzeling; toen bood hij ook, nog al onhandig, zijn arm aan jonkvrouw
Caroline en verder volgden al de anderen in kudde, vooruitgeduwd door 't
Barontje, die 't laatst van allen kwam, als aardigheid steeds schertsend
en herhalend, dat hij den weg wel kende en zijn plaats aan tafel vinden
zou.
Er werd in stilte gebeden. Mevrouw de barones bad heel mooi, zooals alles
mooi was wat zij deed, de fijne, witte handen boven het hoekje van haar
servet gevouwen, het hoofd een beetje scheef geheld, de oogen
neergeslagen. Meneer de pastoor bad in de houding die hij 's zondags op
den preekstoel aannam, voor hij zijn sermoen begon, de oogen beurtelings
strak vóór zich uit gericht en dan even, als geïnspireerd, ten hemel
opgeheven, en al de anderen baden machinaal, prevelend met de lippen, van
terzijde loerend naar meneer de pastoor, om toch vooral niet vóór hem hun
gebed te staken. Er was weldra een beweging van handen om de tafel, die
kruisteekens maakten en in 't wit fladderend ontplooien der servetten
begonnen de knechts in de soepborden te rommelen en klonken de gesprekken
weer op.
Zij kregen slechts een klein beetje bruine soep in mooie, diepe borden en
't was wel jammer, want ze smaakte zoo bizonder lekker. Graag hadden zij
er allen een vol bord van genomen, maar niemand durfde het zeggen: ze
zaten gegeneerd te slurpen en te lepelen om er het laatste uit te
krijgen, toen Cocksken, het bocheltje, de eenige die wel eens iets
durfde, van over tafel naar de barones toe riep:
- Verdeeke, mevreiwe, da es goeje soebe; moar 't es ieuwig spijtig dat er
zeu weinig van es!
Een bulderend gelach weergalmde, 't beklemmend gevoel was ineens
verbroken en mevrouw nam het trouwens bizonder goed op: "Maar, Cock, ge
kunt er immers meer van krijgen", glimlachte zij; en, zich tot den knecht
omkeerend, deed zij hem met de soep nog eens rondgaan, waarvan zich allen
gretig een tweede maal lieten bedienen.
De kuitenbroek-lakei kwam met den eersten wijn aan.
- Médoc Supérieur, fluisterde hij, meteen inschenkend.
- Wa belieft er ou? vroeg Cocksken, toen de knecht dat aan zijn oor kwam
murmelen.
Picavet en Grondnagel die naast hem zaten, kregen een lachbui.
- Médoc Supérieur, herhaalde onbewogen de bediende, even het inschenken
stakend.
- Owie, owie, zei Cocksken, schenk moar vul.
Cocksken was bepaald de reddingsbaak van het gezelschap. Hij was
buitengewoon op dreef, dien middag, en telkens als het gesprek zakte of
beklemmend werd, haalde hij ze allen met een aardigheid er uit.
Weldra begonnen de koppen vervaarlijk te glimmen.
't Was ook zoo warm daarbinnen en al die schotels met bruine of roomige
sausen waren zoo zwaar en de glazen werden aanhoudend volgeschonken. De
meesten zaten met hun servet in hun halskraag; en daaruit kwam een
vuurkop, op 't voorhoofd door benauwing en door inspanning met zweet
bepareld. Sommigen aten heel veel, omdat 't nu eenmaal zonde wezen zou
van zooveel lekkers niet te profiteeren, anderen slechts heel weinig,
omdat ze te zeer gegeneerd waren, omdat ze niet wisten hoe ze zich
moesten bedienen en vooral omdat ze 't werkelijk te folterend benauwd en
warm hadden. Grondnagel en Schouwvlieghe, twee dikke kerels, zaten
herhaaldelijk met hun eene hand onder tafel, waar ze blijkbaar iets dat
spande ongemerkt trachtten los te knoopen, terwijl Picavet en Van
Speybroeck, die mager waren, maar het daarom niet minder benauwd hadden,
nu en dan op hun stoel zaten te draaien en te wringen, alsof hen iets
kwelde dat zij weldra niet langer zouden kunnen uithouden. Meneer de
pastoor daarentegen, zat zich welgedaan te verkneuteren in zijn ruime
soutane naast mevrouw de barones, die er zoo frisch en zoo sereen uitzag
alsof zij pas aan tafel kwam; en jonkvrouw Caroline had haar gewoon,
verknoeid gezicht waarop de blijvende consternatie van het ongebeurde in
teleurgestelde trekken en rimpels stond te lezen, terwijl meneer
François, na een paar mislukte pogingen om het gesprek met de jonkvrouw
in 't leven te houden, zich meer speciaal tot het Barontje had gewend en
daar maar met gezwollen tronie en groote gebaren gewichtig zat te boomen,
alsof ze samen allerbelangrijkste onderwerpen af te handelen hadden.
Maar de champagne werd ontkurkt met dof geknal en terwijl de bekers
parelden en schuimden, rinkinkelde een fijn getik op een kristallen glas
en meteen stond meneer de pastoor overeind.
Hij stond fiks overeind met zijn beide witte handen even leunend op het
witte tafelkleed en de ontelbare knoopjes zijner soutane volgden een
bogende lijn van boven naar beneden, terwijl zijn lichte oogen achter hun
brilglazen vriendelijk schenen te blinken en het welgedaan gezicht met
grooten mond zich ontplooide in een goedmoedigen glimlach, alsof hij
niets dan aardige en aangename dingen zou gaan zeggen.
Zoo was ook wel klaarblijkelijk zijn bedoeling. Hij begon met in 't
algemeen te spreken over onderlinge goede verstandhouding en vriendschap.
Gelukkig de menschen die elkaar goed verstonden en de vriendschap
huldigden! Gelukkig zij, die eendrachtig streefden naar een zelfde doel.
Wat moest men doen om dit geluk verwezenlijkt te zien? Eenvoudig maar
elkander goed begrijpen en goed over elkander willen denken. Geen
verdeeldheid of twist trachten te zaaien; niet blindelings gelooven aan
kwaadaardige of zelfzuchtige bedoelingen: maar het goede en rechtvaardige
willen zien en waardeeren in zijn evenmensch.
Het dorp, Goddank, was tot nog toe een voorbeeld en een toonbeeld geweest
van de gelukkigste, onderlinge verstandhouding. Dank zij het
voortreffelijk beheer van zijn burgervader (meneer de pastoor onderbrak
even zijn rede om hoffelijk in de richting van 't Barontje te buigen)
bijgestaan door zijn edele echtgenoote (nieuwe buiging naar de barones
toe en beweging op de boerenstoelen) behoorde deze gemeente tot de
vreedzaamste en voorspoedigste van Vlaanderen.
Meneer de pastoor greep naar zijn beker en hief hem in de hoogte.
- Heeren, riep hij plechtig uit, het zou zonde en doodzonde zijn indien
deze zoo gelukkige toestand niet mocht blijven duren. Maar hij zal blijven
duren, daar wil ik geen oogenblik aan twijfelen. Ik ledig mijn glas op de
goede onderlinge verstandhouding tusschen burgemeester en gemeenteraad,
op de gezondheid van meneer den baron en zijn edele echtgenoote en
verdere familie en op den welstand en den voorspoed onzer dierbare
gemeente.
Plichtmatig-warm handgeklap brak even los, terwijl meneer de pastoor, met
ietwat bevende hand zijn beker ledigend, weer ging zitten. 't Barontje
bewoog zich zenuwachtig en onnoozel op zijn stoel, maar mevrouw de
barones dankte den geestelijke met fijne gratie, de wangen blozend, de
mooie oogen stralend, tot tweemaal toe haar glas tegen het zijne
aantikkend. Mejonkvrouw Caroline, ook even, als "verdere familie" in den
speech van meneer den pastoor herdacht, klonk van haar kant met hem aan
en lachte daarbij heel vreemd, alsof zij plotseling door iets
heimelijk-prettigs gekitteld werd.
De boeren, na hun kort, plichtmatig handgeklap, zwegen. Zij voelden zich
niets op hun gemak, want zij begrepen heel goed wat er eigenlijk achter
de woorden van meneer den pastoor schuilde. Al die mooie woorden waren
maar praat in den wind en wat meneer de pastoor bedoelde zonder het uit
te drukken, was, dat ze zich naar den wil van het Barontje moesten
schikken als hij in den gemeenteraad met zijn voorstel van bestrating
voor den dag zou komen. Zij keken gegeneerd elkander aan om op elkanders
aangezicht te lezen welke houding hier nu paste; zij keken vooral naar
meneer François en naar Donckers, den gefortuneerden, invloedrijken boer,
die zoowat halvelings beloofd hadden toch eenige woorden van afkeuring en
verzet te laten hooren; maar meneer François zat met zulk een gloeikop,
dat de oogen hem uit het hoofd puilden, terwijl hij pertinent het
spraakvermogen scheen verbeurd te hebben; en Donckers was een zonderlinge
man: wijs en verstandig genoeg, maar altijd zoo precies, zoo voorzichtig,
zoo al het voor en al het tegen wikkende en wegende, dat het oogenblik
van daadwerkelijk handelen of spreken om zoo te zeggen nooit bij hem kon
opkomen. Hij zat zich op zijn stoel te wringen en te grijnzen, nu eens
ernstig, dan weer eigenaardig glimlachend; nu eens beslist opkijkend,
als of hij eindelijk spreken zou, maar dadelijk weer grijnzend 't hoofd
neerbuigend, als om te beduiden dat zwijgen toch maar 't beste was.
Eindelijk merkte hij hoe allen, nu meneer François zoo verstompt zat, op
een bemoedigend woord van hem wachtten, en dat gaf hem ook plotseling
moed: hij streek de hand over zijn voorhoofd, keek hen in 't ronde aan en
uitte, in langzame woorden, met een zucht als van bedwelming:
- 't Es hier toch oprecht te woarm in 't kastiel, mee da schoon zomersch
weere.
Groot was de teleurstelling.
- Verdeeke! Dát durve ik toch euk wel zeggen! flapte Cocksken er uit.
Allen lachten even, hardop, behalve Donckers, die heel nijdig Cocksken
aangrijnsde en meneer de pastoor, die zijn ooren spitste en wantrouwend
schuins keek.
Mevrouw de baronnes, en ook het Barontje, hadden er gelukkig niets van
gemerkt. Mevrouw de barones keek over de tafel rond, half opgestaan reeds
van haar stoel, nog even, met licht-gefronste wenkbrauwen, wachtend op
meneer François, die zijn laatste glas champagne in de hand hield maar
niet scheen te kunnen besluiten om het uit te drinken. Hij deed het dan
toch eindelijk, met inspanning, en morsend over zijn kin, alsof hij een
pil met water inslikte: en nog vóór het glas weer op tafel stond, was
mevrouw al overeind gerezen en had zij den arm van meneer de pastoor
genomen.
* * * * *
In de hall stond de kuitenbroeklakei met koffie, likeur en sigaren te
wachten. De kopjes waren fijn en klein en beefden op de schaaltjes, als
de boeren die aannamen. Ze konden ze niet staande gebruiken. 't Was net
of die kopjes er een eigen treiterige pret in hadden om maar telkens uit
de stramme vingers van de boeren weg te glippen. Ze draaiden er even
angstig mee rond en gingen eindelijk zitten in de rieten stoelen, bij de
rieten tafeltjes.
Zij waren blij als de nietige kopjes ongedeerd op hun schaaltjes stonden
en proefden rustiger van de likeur en smakten gul aan de lekkere sigaren.
Picavet en Van Speybroeck waren dadelijk door een zijdeur verdwenen en
kwamen na een poos terug met minder benauwde gezichten. Cocksken wenkte
oudervragend met het hoofd naar hen toe en, op hun bevestigend geknik,
verdween hij insgelijks door de zijdeur. Al de anderen, vuurrood, met
vlekken in 't gezicht en waterige oogen, zaten weldra in een soort
comateuze-toestand, roerloos uit te puffen en te rooken.
Het gesprek concentreerde zich tusschen 't Barontje, den pastoor, meneer
François, Donckers en beide dames. Mevrouw de barones deelde die heeren
op een toon van officieele vertrouwelijkheid mede, dat de baron en zij
inderdaad besloten hadden zich een automobiel aan te schaffen. Ja, zij
hadden er lang over geaarzeld, nauwkeurig het voor en het tegen
overwogen; de paarden werden oud en versleten, moesten vervangen worden,
en 't werd zoo lastig om nog geschikte paarden te vinden, kortom, alles
wel beschouwd hadden ze 't toch maar beter gevonden nu tot het nieuwe
vervoermiddel over te gaan. Het was natuurlijk een heele zware uitgaaf,
maar enfin 't zou ook iets nieuws zijn in de gemeente, iets moois, iets,
waarvan de menschen zouden zeggen: "daar is vooruitgang in het dorp".
Maar, natuurlijk, zoo iets moois en duurs mocht niet verknoeid worden,
niet vies en beslijkt voor den dag komen; daar moest zorg aan besteed
worden; zulk een mooie wagen moest een geschikten weg hebben om er
overheen te rijden, en wat was er wel mooier en beter voor een gemeente,
dan een keurig en gemakkelijk aangelegde weg, iets waar iedereen gebruik
van maakt en dat een weldaad blijft voor altijd en voor alleman!
't Barontje wrong zich zenuwachtig op zijn stoel, beaamde de woorden van
zijn vrouw, voegde daar nog overbodige, onbehendige beschouwingen aan
toe, die dadelijk, met een koelen blik vol dubbel-arenddreiging werden
afgescheept. Trouwens, die andere heeren waren het daar principieel wel
mee eens: meneer François betuigde gewichtig dat een mooie, harde
grintweg in het algemeen bepaald te verkiezen was boven een plasserigen
modderweg en Donckers zat met gebogen hoofd te grijnzen en te
glimlachen, dat hij ook die meening deelde; terwijl de verdere
boerenleden, vaag-luisterend, stilaan tot een kudde samentroepten, met
een bang gevoel van onderling steun zoeken in dreigend gevaar. Zij
voelden zich volkomen weerloos, alle eigen wil of meening was door de
dampen der digestie in hun brein verdoofd; zij snakten nu nog maar om weg
te mogen gaan en buiten in de vrije lucht te zijn; zij waren tot niets
anders meer in staat dan slaafsch en blindelings, op het eerste verzoek
en tegen hun zin hun woord aan de gril of het verlangen van hun
heerschers te verpanden; en toen mevrouw de barones zich eensklaps met
haar liefsten glimlach en haar streelendst-schoone oogen van verleiding
tot hun bange kudde omkeerde en vol bekoring uitriep: "Es 't nie woar
Picavet, en Vreeze, en Speybroeck, en Cock, en gulder allemoal, dat die
wig gemoakt moe worden?" knikten zij allen schuw en deemoedig als één
man en lachten zelfs nog hardop in hun eigen lafheid toen Cocksken voor
de grap uitschreeuwde.
- Bestel moar de zoavel en de stienen, mevreiwe, de boer zal 't ol
betoalen!
* * * * *
Meneer de pastoor was opgestaan, als tot sein van den aftocht. Zijn
koetsje stond al voor de stoep en hij nam afscheid van de dames met een
diepe, hoffelijke buiging en van 't Barontje met herhaalden en knellenden
handdruk, als om in vertrouwelijke geestdrift te betuigen, dat de
zegepraal behaald was.
Achter meneer de pastoor drong de kudde der raadsleden. Mevrouw de
barones glunderde van geluk, nog nooit was ze zoo mooi en verleidelijk
geweest en zij drukte beurtelings al die ruwe handen, alsof 't van haar
intiemste vrienden waren. En het Barontje jubelde; hij stond als 't ware
in de hall te trippelen en te dansen, hij klopte zijn mannetjes op den
schouder en nam hen vleierig bij den arm en op de stoep groette en wuifde
hij hen nog na, tot ze buiten 't hek en in de oprijlaan verdwenen waren.
Eerst daar konden zij eindelijk weer op adem komen. Even namen zij nog
diep den hoed af voor het voorbijrijdend koetsje van meneer den pastoor
en toen bliezen zij uit met puffende zuchten en lieten de frissche lucht
ruim in hun lang benauwde longen stroomen.
Net als bij hun aankomst, gingen zij eerst en vooral een poosje achter de
boomen van de dreef staan. Daar werden zij eerst goed weer zichzelven als
't ware. Zelfs Picavet en Van Speybroeck, die het nu niet meer zóó
benauwd hadden, deden toch ook, voor de gezelligheid, nog eens mee. Toen
konden zij eindelijk praten.
Zij waren niets over zichzelf tevreden. Na eenig gegrijns en
gezichtsvertrekken sprak Donckers het eindelijk in duidelijke woorden
uit:
- W'hén ons doar 'n onveurzichtige belofte loaten afpersen.
Niemand protesteerde. Allen waren zich hun eigen lafheid goed bewust.
- Wa moesten we anders doen!" trachtte Picavet nog vagelijk te
vergoelijken.
- 't Es de schuld van da vreiwevolk! viel meneer François eensklaps
heftig uit. "Mee 't Barontje aliiene zoén w'al doen da we willen: moar
zijn wijf, en die andere... en tons euk nog de páster....
Even praatten zij over de barones en allen vonden dat zij er zoo bizonder
knap uitzag. Grondnagel stompte Cocksken in de zij en lachte.
- 'k Weinschte da 'k ik 'n kier veur nen dag 't Barontje woare. En gij?
- 'k Doe mee! riep Cocksken.
- 't Zoe dobbelen-oarend zijn mee ulder! schaterde Schouwvlieghe.
Allen moesten even hartelijk schaterlachen en dat luchtte hen wat op. Zij
kwamen bij den ingang van het dorp, hielden zich daar weer deftig en
kalm, zooals het raadsleden past, die van een diner op het kasteel
terugkomen, en als van zelf, machinaal, zonder noodige afspraak, in
kudde, zooals zij gekomen waren, trokken zij weer naar _Het Huis van
Commercie_ om daar nog wat na te praten en wellicht een partijtje kaart
te spelen.
Daar wachtte hen echter een verrassing, die zij wel zoo graag zouden
misgeloopen hebben. Gansch alleen in de ruime, bruingerookte
herbergkamer, nurksch met een pijp en een borrel aan een tafeltje, zat
Plus-Que-Parfait zijn courant te lezen!
Blijkbaar zat hij daar op hun terugkomst te wachten; maar hij keek stug
op alsof het hem niet schelen kon, beantwoordde kort en als 't ware
onwillig hun groet, lei zijn courant even neer en nam die weer op, dronk
zijn borrel leeg en bestelde er een versche, terwijl zij allen langzaam
om hem heen draaiden en hier en daar, om zijn tafeltje en andere tafels,
gingen plaats nemen. Er was een korte stilte; Fietje stond achter haar
schenktafel in strak-roerloos-gespannen houding, alsof ze zich aan iets
onaangenaams verwachtte; en toen lei voor de tweede maal Plus-Que-Parfait
zijn dagblad neer, en slaakte nijdig-kort een spotlach, terwijl hij, met
onverholen minachting Van Speybroeck aankijkend, hardop, als 't ware
uitdagend, vroeg:
- Hawél, hét 't gesmoakt?
- Joa joa 't, meniere, antwoordde Van Speybroeck plomp en argeloos.
- En hoeveel hét 't gekost?
- Ha... ha... niemendalle, meniere, antwoordde Van Speybroeck gansch
verlegen.
- Niemendalle!... Zelfs giene nieuwe stienweg?
Daar had je 't al! Ineens begreep Van Speybroeck heel duidelijk, en ook
al de anderen begrepen. Weer was er een oogenblik stilte. Die heeren
trachtten zich echter goed te houden en bestelden aan Fietje wat ze
verlangden. Dat gaf een korte afwisseling, dat gunde althans tijd tot
verzinnen en denken. Meneer François haalde heftig zijn schouders op
alsof hij iets van zich afschudde en Donckers trok zuur-grijnzende
gezichten. Maar Plus-Que-Parfait liet niet los; hij zat daar
vinnig-kwaad te borrelen en hij raasde 't er maar ruw en onbeschroomd,
nu tegen allen, uit.
- G'hêt ulder verkocht, 'k zie 't aan ulder smoel! Zij je nie beschoamd!
Fietje, geef mij nog nen druppel.
- We'n hén wij ons nie verkocht, nondedzju! Wa es dá nou! beet meneer
François, onder de beleediging ook eensklaps boos wordend, toe.
- Doar 'n komt dus giene stienweg? vroeg dadelijk raak-scherp
Plus-Que-Parfait.
- Es 't hier meschien vergoarijnge van de gemienteroad? kaatste meneer
François nijdig terug.
- Ge'n antwoordt op mijn vroage niet, gilde Plus-Que-Parfait. 'k Vroag ou
of dat er gesproken es van ne stienweg te leggen in de kastieldreve en of
da g'er veur of tegen zijt?
- 'k 'N hé doar niets op t' antwoorden! kreet meneer François met
rood-gezwollen toornkop en keerde bruusk Plus-Que-Parfait den rug toe
en verliet woedend de herberg.
Maar Plus-Que-Parfait triomfeerde. Hij wist genoeg, hij wist van buiten
hoe het op 't kasteel gegaan was, schreeuwde hij; en nog eens verweet hij
den leden hun lafheid en hoe onverantwoord het was tegenover hun kiezers
de belangen van één enkele, en nog wel een rijkaard, die 't niet noodig
had, boven het collectief belang van de gemeente te stellen.
De raadsleden, vooral de boeren, waren zeer ontdaan. Schouwvlieghe en
Donckers, uit angst om het kasteel en ook veel uit angst om meneer den
pastoor te dwarsboomen, poogden het nog even, hoewel schuchter, goed, te
praten, maar de boeren, die er geen direkt belang bij hadden, voelden
duidelijk hoe dat alles zeer verkeerd was. En van een anderen kant
voelden zij ook wel, dat Plus-Que-Parfait daar zoo scherp tegen streed,
niet uit zorg voor 't algemeen belang, maar omdat hij zelf de geldelijke
middelen niet bezat om zich een auto aan te schaffen,... zij voelden en
wisten dat alles, de boeren; maar zij voelden ook en bovenal hun eigen
zwakheid en hun lafheid, hun ellendige, traditioneele, uit geslachten van
slaven overgeërfde lafheid, die hen als weerloos vee aan al den dwang en
al de grillen van hun heerschers onderwierp. Zij zaten daar, rood en dik
en laf gegeven en gedronken, en langzamerhand, onder de striemende
uitvallen van Plus-Que-Parfait, ontwaakte toch weer iets als een schim
van verzet tegen wat hen op 't kasteel met sluwen list reeds halvelings
was afgeperst. Halvelings, maar toch zonder stellige belofte noch
verbintenis. 't Barontje, en vooral de barones en de pastoor waren slim
geweest, maar ook zij konden slim zijn als 't hoefde, hun slimheid was
zelfs 't eenigste verweermiddel dat zij nog bezaten; en terwijl zij nu
rustiger, buiten de dwingende muren van 't kasteel over de zaak verder
nadachten, kwamen zij van lieverlede tot de concluzie, dat ze feitelijk
nog niet onherroepelijk verbonden waren, en rees meteen in hun beneveld
brein de listige verzoeking op om terug te nemen wat ze nog niet gansch
gegeven hadden. 't Was Cocksken, die dat plotselings verzon en zei;
Cocksken, eigenlijk de grootste schuldige met zijn onnoozelen uitroep
van "de boer zal 't al betalen". Dat was ook 't eenige wat bepaald als
een belofte had geklonken; maar in den mond van Cocksken had het al niet
veel beteekenis; Cocksken was een grappenmaker en hij had ook veel te
veel gedronken toen hij 't zei,... neen, door dien gekken uitval van
Cocksken konden zij zich niet gebonden achten; en eensklaps kwam er over
hun benauwde groep als een vleug van onverwachte energie en spraken zij
van misschien wel tegen Barontje's voorstel te stemmen, als hij er
werkelijk in den gemeenteraad mee durfde voor den dag komen.
- Ulder woord! Ulder woord da ge 'r zilt tegen stemmen! riep
Plus-Que-Parfait gansch opgewonden.
Dadelijk krompen zij weer als van schrik in elkaar.
Donckers trok grijnsgezichten, Picavet, Vreeze en Van Speybroeck keken
angstig om zich heen en Cocksken schreeuwde iets onsamenhangends, dat
niemand goed begreep.
- Niet t' hoastig, niet t' hoastig, besloot eindelijk Donckers. Loat ons
zien en afwachten en as 't zeuverre komt, loat ons allemoal goed accoord
zijn en lijk iene man stemmen.
Dat vonden zij goed, dat vonden zij allen uitstekend, behalve
Plus-Que-Parfait, die slechts half voldaan binnensmonds nijdig bromde
en met zuur gezicht nog eens een verschen borrel bestelde.
Ook al de anderen bestelden opnieuw en Picavet vroeg of men nu niet een
partijtje kaart zou spelen.
Fietje greep al vast naar het kleedje en de kaarten.