VIII.

Ieder jaar had 't Barontje voor vaste gewoonte zijn wethouders en

gemeenteraadsleden op een groot diner in het kasteel te nooden. Dat was

goed, het hield den band aan, 't was telkens weer als een nieuwe

bevestiging van heerschappij en invloed, want iemand die zoo in 't

kasteel met den baron en zijn vrouw en zijn schoonzuster aan den disch

had mogen zitten, iemand die daar al dat lekkers had gegeten en

gedronken, iemand die door die prachtige, indrukwekkende zalen had

gewandeld, voorafgegaan of gevolgd door gegaloneerde lakeien, zoo iemand

kon toch heusch, vooral de eerste tijden niet, iets doen, in iets een

stem uitbrengen, een houding aannemen, die zijn gastheer of gastvrouw op

onaangename wijze zou verrassen. En, om aan de jaarlijksche gebeurtenis

nog grooter plechtigheid te verleenen, werd ook telkens meneer de pastoor

uitgenoodigd, die daar dan bij zat als een herder en een vader, vol

zalving voor wie goed zijn vooruit aangewezen burgerlijken plicht

betrachtte, vol stil verwijt en blaam voor wie ook maar eenige neiging

zou vertoonen om tegen de traditioneele verwachtingen en gebruiken in te

gaan.

Tot nog toe hadden bewuste feestmaaltijden altijd om en bij nieuwjaar

plaats gehad. Dat leek wel zoo de best gekozen en geschikte tijd. Het was

om zoo te zeggen de belooning voor het jaar van gewillige gehoorzaamheid

dat pas verleden was en meteen een belofte in 't verschiet voor het jaar

van gewillige gehoorzaamheid dat aanbrak.

Een ieder was daar in zijn schik mee, toegevend en vriendelijk gestemd en

geneigd om alle mogelijke bezwaren over 't hoofd te zien. Telkens na die

plechtigheid voelde 't Barontje zich gesterkt in zijn positie; telkens

scheen de vage tegenkanting, die toch hier en daar, wel heimelijk

stookte, voor maanden lang ontzenuwd en verzwakt.

't Was dan ook best te begrijpen, dat het Barontje ten zeerste op het in

stand houden der jaarlijksche gebeurtenis, en wèl op vasten datum, om en

bij nieuwjaar, was gesteld. Maar nu had mevrouw de barones er iets anders

op verzonnen, en dit was het juist wat het Barontje zoo ontstemd, en

zooveel dubbel-arend-avonden veroorzaakt had: mevrouw de barones, die een

auto _wilde_, en, een auto willende, ook een harden weg tot aan haar

kasteel hebben _moest_... mevrouw de barones had het plan geopperd dit jaar

den traditioneelen feestmaaltijd drie maanden te vervroegen en daarmee

invloed uit te oefenen op de gemeenteraadsleden om de aanbesteding van

bewusten weg nog bijtijds op de jaarlijksche gemeentebegrooting, die

weldra opgemaakt zou worden, ingeschreven te krijgen.

- Ze zullen niet willen! had het Barontje met beslistheid uitgeroepen.

- Ze zullen wel moeten willen, had mevrouw de barones uitdagend

geantwoord.

- 't Is geld weggegooid, we zullen daarna toch nog ons nieuwjaarsdiner

moeten geven, verzekerde 't Barontje.

- Eenmaal de begrooting gestemd geven we niets meer, zei de barones; en

zelfs, al moesten we ook een tweede diner geven, nog ware 't geld

geplaatst op hooge, op zéér hooge rente.

't Barontje was het daar in 't geheel niet mee eens, had allerlei

bemerkingen en bezwaren, bromde, pruttelde en werd gedubbel-arend,

tot het ten slotte overwonnen als altijd het hoofd in den schoot

lei en de uitnoodigingsbrieven liet rondbrengen.

Plus-Que-Parfait · 第 10 / 15 题