Ieder jaar had 't Barontje voor vaste gewoonte zijn wethouders en
gemeenteraadsleden op een groot diner in het kasteel te nooden. Dat was
goed, het hield den band aan, 't was telkens weer als een nieuwe
bevestiging van heerschappij en invloed, want iemand die zoo in 't
kasteel met den baron en zijn vrouw en zijn schoonzuster aan den disch
had mogen zitten, iemand die daar al dat lekkers had gegeten en
gedronken, iemand die door die prachtige, indrukwekkende zalen had
gewandeld, voorafgegaan of gevolgd door gegaloneerde lakeien, zoo iemand
kon toch heusch, vooral de eerste tijden niet, iets doen, in iets een
stem uitbrengen, een houding aannemen, die zijn gastheer of gastvrouw op
onaangename wijze zou verrassen. En, om aan de jaarlijksche gebeurtenis
nog grooter plechtigheid te verleenen, werd ook telkens meneer de pastoor
uitgenoodigd, die daar dan bij zat als een herder en een vader, vol
zalving voor wie goed zijn vooruit aangewezen burgerlijken plicht
betrachtte, vol stil verwijt en blaam voor wie ook maar eenige neiging
zou vertoonen om tegen de traditioneele verwachtingen en gebruiken in te
gaan.
Tot nog toe hadden bewuste feestmaaltijden altijd om en bij nieuwjaar
plaats gehad. Dat leek wel zoo de best gekozen en geschikte tijd. Het was
om zoo te zeggen de belooning voor het jaar van gewillige gehoorzaamheid
dat pas verleden was en meteen een belofte in 't verschiet voor het jaar
van gewillige gehoorzaamheid dat aanbrak.
Een ieder was daar in zijn schik mee, toegevend en vriendelijk gestemd en
geneigd om alle mogelijke bezwaren over 't hoofd te zien. Telkens na die
plechtigheid voelde 't Barontje zich gesterkt in zijn positie; telkens
scheen de vage tegenkanting, die toch hier en daar, wel heimelijk
stookte, voor maanden lang ontzenuwd en verzwakt.
't Was dan ook best te begrijpen, dat het Barontje ten zeerste op het in
stand houden der jaarlijksche gebeurtenis, en wèl op vasten datum, om en
bij nieuwjaar, was gesteld. Maar nu had mevrouw de barones er iets anders
op verzonnen, en dit was het juist wat het Barontje zoo ontstemd, en
zooveel dubbel-arend-avonden veroorzaakt had: mevrouw de barones, die een
auto _wilde_, en, een auto willende, ook een harden weg tot aan haar
kasteel hebben _moest_... mevrouw de barones had het plan geopperd dit jaar
den traditioneelen feestmaaltijd drie maanden te vervroegen en daarmee
invloed uit te oefenen op de gemeenteraadsleden om de aanbesteding van
bewusten weg nog bijtijds op de jaarlijksche gemeentebegrooting, die
weldra opgemaakt zou worden, ingeschreven te krijgen.
- Ze zullen niet willen! had het Barontje met beslistheid uitgeroepen.
- Ze zullen wel moeten willen, had mevrouw de barones uitdagend
geantwoord.
- 't Is geld weggegooid, we zullen daarna toch nog ons nieuwjaarsdiner
moeten geven, verzekerde 't Barontje.
- Eenmaal de begrooting gestemd geven we niets meer, zei de barones; en
zelfs, al moesten we ook een tweede diner geven, nog ware 't geld
geplaatst op hooge, op zéér hooge rente.
't Barontje was het daar in 't geheel niet mee eens, had allerlei
bemerkingen en bezwaren, bromde, pruttelde en werd gedubbel-arend,
tot het ten slotte overwonnen als altijd het hoofd in den schoot
lei en de uitnoodigingsbrieven liet rondbrengen.