VII

't Kasteel van het Barontje was een mooi kasteel. 't Was mooi vooral door

't prachtig-uitgestrekte park vol reuzen van boomen, dat er omheen lag,

doch het had één gebrek: het zat diep in de bebouwde akkerlanden

weggedoken en was slechts door een mulligen, langen zandweg aan den

grooten, geplaveiden verkeersweg verbonden.

's Zomers was dat nog zoo erg niet, hoewel lastig voor de paarden, want

men waadde er diep door 't zand. Maar 's winters was het dikwijls niet te

doen door modderplassen en vieze wagenspoorgeulen; en, voornamelijk voor

mevrouw de barones, bleef het een durende ergernis, dat haar mooie

rijtuigen toch nooit anders dan beslijkt en nat met haar heen en weer

konden komen. Herhaaldelijk was er dan ook sprake van geweest, dat die

ellendige weg eindelijk eens goed geplaveid of gegrint zou moeten worden;

doch alleen 't Barontje had daar feitelijk belang bij; en tot nog toe,

ondanks het sterk aandringen van zijn vrouw, was hij er nooit, in den

gemeenteraad, officieel mee voor den dag durven komen. Hij vreesde

ontstemming en impopulariteit van wege zijn ondergeschikten, een

ontstemming, die zich wel eens door een nederlaag in de eerstvolgende

verkiezingen zou kunnen wreken, en hij wachtte en tobde maar, loerend op

een gunstig oogenblik, gesard en geprikkeld door zijn vrouw, nu eens

durvend en dan weer niet durvend, zoodat het bleef hangen en sleepen,

zonder tot eenig resultaat te komen.

Zoolang echter 't Barontje slechts paarden en rijtuigen voerde kon de

weg, hoe ellendig ook, wel gebruikt worden; doch met een auto werd het

eenvoudig onmogelijk. Die zou er in 't zand of in 't slijk blijven steken

en er door eigen krachten nooit meer uitkomen. De vraag of het Barontje

al of niet een auto zou koopen en gebruiken, was geheel en al afhankelijk

van de vraag of de landweg die naar zijn kasteel leidde al of niet met

grint of steenen of hoe dan ook hard geplaveid zou worden.

Dat wist meneer François, dat wist Plus-Que-Parfait, dat wist Jan en

alleman in 't dorp, en iedereen wachtte, met oolijk verlangen, hoe 't

Barontje het nu wel aan boord zou leggen om dàt te bekomen wat hij

wenschte en volstrekt noodig had.

* * * * *

De dorpsgemeenteraad bestond, behalve 't Barontje, meneer François en

Plus-Que-Parfait, verder alleen uit boeren. Hij telde elf leden, 't

Barontje en de heeren inbegrepen en had voor vaste gewoonte, altijd en

in alles, den zin van 't Barontje te volgen. Mocht er soms een neiging

tot verschil van opinie voorkomen, dan ging 't Barontje even met meneer

den pastoor spreken en alles kwam direct op orde. Doch nu in dit geval,

was het zoo duidelijk en zoo absoluut een zaak van persoonlijk belang,

dat meneer de pastoor, toen 't Barontje hem daarover ging onderhouden,

zijn ernstige bezwaren niet bedwingen kon en geen stellige belofte durfde

geven, dat hij 't Barontje onvoorwaardelijk hierin steunen zou. Hij

raadde hem liever aan zijn vrienden en medeleden eens voorzichtig over

de aangelegenheid te polsen en zijn verdere handelswijs eenigszins

daarnaar te schikken.

't Barontje aldus door den behendigen pastoor met een kluitje in 't riet

gestuurd, ging aan 't prakkizeeren hoe hij dat "polsen" wel zou kunnen

aanpakken. Hij was niet zeer vindingrijk van geest, en ook niet bizonder

slim of handig; hij begon er zoo een paar keeren over, met die heeren,

zoo van heel héél verre, terwijl ze samen in _Het Huis van Commercie_

zaten, maar zonder eenig succes, want meneer François leek bepaald te

plomp van brein om de bedoeling te snappen, terwijl Plus-Que-Parfait, die

anders sluw genoeg was, zich van den domme hield, en trouwens in 't

onderwerp van 't gesprek aanleiding vond, om nog eens kras en nurksch

zijn gloeienden haat tegen het nieuw vervoermiddel te luchten. Dat vlotte

dus hoegenaamd niet en 't Barontje keerde telkens onverrichterzake en

chagrijnig op 't kasteel terug, waar mevrouw de barones hem op een meer

dan zuur gezicht onthaalde. Er vielen zelfs onaangename woorden, 's

avonds als zij alleen in hun kamer waren. Mevrouw verweet hem vrij kras

zijn onbenulligheid, waarop 't Barontje vinnig riposteerde of zij het

wellicht beter kon; waarop mevrouw de barones snibbig van ja antwoordde,

dát ze 't werkelijk beter kunnen zou; waarop 't Barontje nog eens

repliceerde, dat ze 't zaakje dan maar zelf moest aanpakken; waarop

mevrouw uitdagend riep dat ze 't ook zóu aanpakken; waarop 't Barontje

haar verwoed den rug toekeerde en zei dat zij 't dan ook maar doen moest

en dat hij zelf er zich absoluut in 't geheel niets meer van aantrok.

Soortgelijke standjes gebeurden wel meer op 't kasteel; het ging er soms

nogal luidruchtig toe, zoo, dat de bedienden het hoorden; en dat lekte

dan wel eens uit tot in 't dorp, voornamelijk uit den mond der kamenier,

die vertelde dat meneer en mevrouw op zulke avonden als den dubbelen,

Oostenrijkschen arend te bed lagen; 't is te zeggen met den rug náár

elkaar en met het aangezicht ván elkaar afgewend. Die spreuk was in 't

dorp bekend; en niet zelden als't Barontje er wat chagrijnig en mevrouw

er wat zuur uitzag, terwijl ze toch samen in hun rijtuig door de straten

reden, werd er met leedvermaak stil-grinnikend gefluisterd:

- 't Hé nog ne kier den dobbelen-oarend geweest, gister oavend!...

Dat was het nu ook blijkbaar weer, en sinds verscheidene dagen al, want

zij zagen er uit om elkaar te verscheuren. De barones, die een hautaine,

mooie vrouw was, wel niet jong meer, maar elegant en knap, domineerde

natuurlijk 't Barontje geheel, maar hij kon koppig zijn, als alle

dommerikken, en 't duurde soms een heelen tijd vooraleer mevrouw er in

slaagde die koppigheid te breken. Het eenige middel met hem was

volhouden: hardnekkig en stug volhouden; maar dat kende mevrouw dan ook

bizonder. Eigenaardig was 't dat zij hem in die oogenblikken om zoo te

zeggen niet meer losliet en voortdurend met hem uitreed. Zij beroofde hem

letterlijk van alle vrijheid. Stijf als twee vijandige poppen zaten ze

dubbelarendachtig in het mooie rijtuig naast elkaar; en al de menschen

die hen zoo zagen wisten dat mevrouw nog eens iets aan 't veroveren was,

hetwelk 't Barontje slechts met hoogsten tegenzin, maar toch onder finale

nederlaag zou toestaan.

Wat nu ook eindelijk weer gebeurde! Na enkele dagen van hopeloos

rondtoeren vertoonde 't Barontje's gezicht opnieuw zijn gewone,

onnoozel-verwonderde uitdrukking van glimlachende onbenulligheid--; en nog

dienzelfden dag ging de nieuwe veldwachter rond, bij de wethouders en bij

de gemeenteraadsleden, aan wie hij plechtig en gewichtig een gesloten

enveloppe overhandigde, prachtig bestempeld met het wapen van 't kasteel.

Plus-Que-Parfait · 第 9 / 15 题