't Kasteel van het Barontje was een mooi kasteel. 't Was mooi vooral door
't prachtig-uitgestrekte park vol reuzen van boomen, dat er omheen lag,
doch het had één gebrek: het zat diep in de bebouwde akkerlanden
weggedoken en was slechts door een mulligen, langen zandweg aan den
grooten, geplaveiden verkeersweg verbonden.
's Zomers was dat nog zoo erg niet, hoewel lastig voor de paarden, want
men waadde er diep door 't zand. Maar 's winters was het dikwijls niet te
doen door modderplassen en vieze wagenspoorgeulen; en, voornamelijk voor
mevrouw de barones, bleef het een durende ergernis, dat haar mooie
rijtuigen toch nooit anders dan beslijkt en nat met haar heen en weer
konden komen. Herhaaldelijk was er dan ook sprake van geweest, dat die
ellendige weg eindelijk eens goed geplaveid of gegrint zou moeten worden;
doch alleen 't Barontje had daar feitelijk belang bij; en tot nog toe,
ondanks het sterk aandringen van zijn vrouw, was hij er nooit, in den
gemeenteraad, officieel mee voor den dag durven komen. Hij vreesde
ontstemming en impopulariteit van wege zijn ondergeschikten, een
ontstemming, die zich wel eens door een nederlaag in de eerstvolgende
verkiezingen zou kunnen wreken, en hij wachtte en tobde maar, loerend op
een gunstig oogenblik, gesard en geprikkeld door zijn vrouw, nu eens
durvend en dan weer niet durvend, zoodat het bleef hangen en sleepen,
zonder tot eenig resultaat te komen.
Zoolang echter 't Barontje slechts paarden en rijtuigen voerde kon de
weg, hoe ellendig ook, wel gebruikt worden; doch met een auto werd het
eenvoudig onmogelijk. Die zou er in 't zand of in 't slijk blijven steken
en er door eigen krachten nooit meer uitkomen. De vraag of het Barontje
al of niet een auto zou koopen en gebruiken, was geheel en al afhankelijk
van de vraag of de landweg die naar zijn kasteel leidde al of niet met
grint of steenen of hoe dan ook hard geplaveid zou worden.
Dat wist meneer François, dat wist Plus-Que-Parfait, dat wist Jan en
alleman in 't dorp, en iedereen wachtte, met oolijk verlangen, hoe 't
Barontje het nu wel aan boord zou leggen om dàt te bekomen wat hij
wenschte en volstrekt noodig had.
* * * * *
De dorpsgemeenteraad bestond, behalve 't Barontje, meneer François en
Plus-Que-Parfait, verder alleen uit boeren. Hij telde elf leden, 't
Barontje en de heeren inbegrepen en had voor vaste gewoonte, altijd en
in alles, den zin van 't Barontje te volgen. Mocht er soms een neiging
tot verschil van opinie voorkomen, dan ging 't Barontje even met meneer
den pastoor spreken en alles kwam direct op orde. Doch nu in dit geval,
was het zoo duidelijk en zoo absoluut een zaak van persoonlijk belang,
dat meneer de pastoor, toen 't Barontje hem daarover ging onderhouden,
zijn ernstige bezwaren niet bedwingen kon en geen stellige belofte durfde
geven, dat hij 't Barontje onvoorwaardelijk hierin steunen zou. Hij
raadde hem liever aan zijn vrienden en medeleden eens voorzichtig over
de aangelegenheid te polsen en zijn verdere handelswijs eenigszins
daarnaar te schikken.
't Barontje aldus door den behendigen pastoor met een kluitje in 't riet
gestuurd, ging aan 't prakkizeeren hoe hij dat "polsen" wel zou kunnen
aanpakken. Hij was niet zeer vindingrijk van geest, en ook niet bizonder
slim of handig; hij begon er zoo een paar keeren over, met die heeren,
zoo van heel héél verre, terwijl ze samen in _Het Huis van Commercie_
zaten, maar zonder eenig succes, want meneer François leek bepaald te
plomp van brein om de bedoeling te snappen, terwijl Plus-Que-Parfait, die
anders sluw genoeg was, zich van den domme hield, en trouwens in 't
onderwerp van 't gesprek aanleiding vond, om nog eens kras en nurksch
zijn gloeienden haat tegen het nieuw vervoermiddel te luchten. Dat vlotte
dus hoegenaamd niet en 't Barontje keerde telkens onverrichterzake en
chagrijnig op 't kasteel terug, waar mevrouw de barones hem op een meer
dan zuur gezicht onthaalde. Er vielen zelfs onaangename woorden, 's
avonds als zij alleen in hun kamer waren. Mevrouw verweet hem vrij kras
zijn onbenulligheid, waarop 't Barontje vinnig riposteerde of zij het
wellicht beter kon; waarop mevrouw de barones snibbig van ja antwoordde,
dát ze 't werkelijk beter kunnen zou; waarop 't Barontje nog eens
repliceerde, dat ze 't zaakje dan maar zelf moest aanpakken; waarop
mevrouw uitdagend riep dat ze 't ook zóu aanpakken; waarop 't Barontje
haar verwoed den rug toekeerde en zei dat zij 't dan ook maar doen moest
en dat hij zelf er zich absoluut in 't geheel niets meer van aantrok.
Soortgelijke standjes gebeurden wel meer op 't kasteel; het ging er soms
nogal luidruchtig toe, zoo, dat de bedienden het hoorden; en dat lekte
dan wel eens uit tot in 't dorp, voornamelijk uit den mond der kamenier,
die vertelde dat meneer en mevrouw op zulke avonden als den dubbelen,
Oostenrijkschen arend te bed lagen; 't is te zeggen met den rug náár
elkaar en met het aangezicht ván elkaar afgewend. Die spreuk was in 't
dorp bekend; en niet zelden als't Barontje er wat chagrijnig en mevrouw
er wat zuur uitzag, terwijl ze toch samen in hun rijtuig door de straten
reden, werd er met leedvermaak stil-grinnikend gefluisterd:
- 't Hé nog ne kier den dobbelen-oarend geweest, gister oavend!...
Dat was het nu ook blijkbaar weer, en sinds verscheidene dagen al, want
zij zagen er uit om elkaar te verscheuren. De barones, die een hautaine,
mooie vrouw was, wel niet jong meer, maar elegant en knap, domineerde
natuurlijk 't Barontje geheel, maar hij kon koppig zijn, als alle
dommerikken, en 't duurde soms een heelen tijd vooraleer mevrouw er in
slaagde die koppigheid te breken. Het eenige middel met hem was
volhouden: hardnekkig en stug volhouden; maar dat kende mevrouw dan ook
bizonder. Eigenaardig was 't dat zij hem in die oogenblikken om zoo te
zeggen niet meer losliet en voortdurend met hem uitreed. Zij beroofde hem
letterlijk van alle vrijheid. Stijf als twee vijandige poppen zaten ze
dubbelarendachtig in het mooie rijtuig naast elkaar; en al de menschen
die hen zoo zagen wisten dat mevrouw nog eens iets aan 't veroveren was,
hetwelk 't Barontje slechts met hoogsten tegenzin, maar toch onder finale
nederlaag zou toestaan.
Wat nu ook eindelijk weer gebeurde! Na enkele dagen van hopeloos
rondtoeren vertoonde 't Barontje's gezicht opnieuw zijn gewone,
onnoozel-verwonderde uitdrukking van glimlachende onbenulligheid--; en nog
dienzelfden dag ging de nieuwe veldwachter rond, bij de wethouders en bij
de gemeenteraadsleden, aan wie hij plechtig en gewichtig een gesloten
enveloppe overhandigde, prachtig bestempeld met het wapen van 't kasteel.