Dat was de laatste, gezamentlijke tocht van de drie heeren. Na dien dag
reden zij weer ieder voor zichzelf uit en van de auto-jacht en arrestatie
werd niet meer gesproken. En feitelijk bleef er maar één slachtoffer
in de geheele zaak: de veldwachter die er zijn baantje bijinschoot. Hij
was zulk een verstokte dronkaard geworden en hij had 't Barontje en die
andere heeren door zijn schandalig optreden zóó geërgerd en beleedigd,
dat zij hem niet langer als beambte konden of wilden dulden.
Met Nieuwjaar werd hij afgedankt en op een klein pensioen gesteld. Het
kon hem trouwens weinig schelen; hij had er al lang genoeg van, beweerde
hij; en hij ving dadelijk een zaakje aan: een kruidenierswinkeltje met
herberg, waarvan hij ook terstond een van de beste klanten werd. Hij
bracht er nog een schalksche aardigheid bij te pas: hij doopte zijn
vunzig kroegje _In de Auto_ en beweerde er vast op te mogen rekenen dat
de drie heeren voortaan Fietje's herberg wel zouden verlaten om bij hem,
als trouwe stamgasten, hun dagelijksche _stamenee_ te komen houden.
* * * * *
Intusschen scheen het wel of er langzamerhand iets in de wereld aan 't
veranderen was. Er kwamen al meer en meer van die duivelstuigen langs de
wegen; zij werden mooier en maakten veel minder gedruisch; de menschen,
en zelfs de dieren gingen er van lieverlede aan wennen en in den geest
van de bevolking kwam weldra belangstelling en zelfs bewondering in de
plaats van haat en afkeer, terwijl het vage, nog onuitgedrukt verlangen
van menigeen was: O, mocht ik daar toch eens in meerijden!
Aldus o.a. Fietje, uit _Het Huis van Commercie!_ Haast geen avond ging
voorbij of Fietje begon er weer over: " O! da 'k ik ne rijken hiere woare
gelijk gulder, dá zoe 'k toch euk moeten hen ". En geestdriftig ging ze
daarop door: ze was in de stad geweest, zij had daar meer en meer van die
auto's gezien: en zulke schoone! en zulke zachte!... en er waren er zelfs
waar dames in zaten, ja, waarachtig, jonge, mooie dames, zoo met
eigenaardige hoedjes en gekleurde voiletten over hun hoofd: en dat stond
toch zoo lief en verrukkelijk! O! Fietje was er dol op: ze kreeg er 't
water in haar mond van beweerde zij, zóó groot was haar verlangen, haar
hopeloos verlangen om daarin ook eens mee te mogen rijden.
Die heeren zaten op hun ongemak onder zulk een hartstochtelijken vloed
van verzuchtingen. Hun haat tegen het nieuw vervoermiddel bleef stug en
onveranderd, maar van een anderen kant vonden ze 't heel naar, dat ze
Fietje dit genoegen niet konden schenken: en nog veel naarder vonden ze
't, dat Fietje nu niet het minste genot meer scheen te vinden in de
rijtoertjes waarop zij haar, stiekum voor elkaar, af en toe weer
trakteerden, terwijl het reeds een paar keer gebeurd was, dat Fietje
gewoonweg, en niet zonder een greintje minachting, voor de eer bedankte,
en beweerde, dat ze net zoo graag te voet ging.
- C'est comme ma femme, schoot het Barontje op een avond verontwaardigd
uit zijn slof. Si j'en croyais ma femme j'achéterais une auto dès demain!
Die beide andere heeren schrikten. Zou het dan toch waar zijn, wat sinds
een tijdje in 't geheim verteld werd dat mevrouw de barones absoluut een
auto wilde en dat 't Barontje, met of tegen dank, er wel eindelijk, en
waarschijnlijk nog wel vroeger dan hij dacht, zou moeten aan gelooven.
Meneer François zei niets en dronk met gezwollen gezicht van zijn
Borrel; maar Plus-Que-Parfait nam de gelegenheid te baat om eens en voor
altijd, nijdig en krachtig, met een vuistslag op de tafel, te verklaren
dat, wat er ook gebeurde, en al was hij de eenige en de laatste van de
gansche wereld, hij nooit van zijn leven een voet in een van die smerige
stinktuigen zou zetten.