V.

Dat was de laatste, gezamentlijke tocht van de drie heeren. Na dien dag

reden zij weer ieder voor zichzelf uit en van de auto-jacht en –arrestatie

werd niet meer gesproken. En feitelijk bleef er maar één slachtoffer

in de geheele zaak: de veldwachter die er zijn baantje bijinschoot. Hij

was zulk een verstokte dronkaard geworden en hij had 't Barontje en die

andere heeren door zijn schandalig optreden zóó geërgerd en beleedigd,

dat zij hem niet langer als beambte konden of wilden dulden.

Met Nieuwjaar werd hij afgedankt en op een klein pensioen gesteld. Het

kon hem trouwens weinig schelen; hij had er al lang genoeg van, beweerde

hij; en hij ving dadelijk een zaakje aan: een kruidenierswinkeltje met

herberg, waarvan hij ook terstond een van de beste klanten werd. Hij

bracht er nog een schalksche aardigheid bij te pas: hij doopte zijn

vunzig kroegje _In de Auto_ en beweerde er vast op te mogen rekenen dat

de drie heeren voortaan Fietje's herberg wel zouden verlaten om bij hem,

als trouwe stamgasten, hun dagelijksche _stamenee_ te komen houden.

* * * * *

Intusschen scheen het wel of er langzamerhand iets in de wereld aan 't

veranderen was. Er kwamen al meer en meer van die duivelstuigen langs de

wegen; zij werden mooier en maakten veel minder gedruisch; de menschen,

en zelfs de dieren gingen er van lieverlede aan wennen en in den geest

van de bevolking kwam weldra belangstelling en zelfs bewondering in de

plaats van haat en afkeer, terwijl het vage, nog onuitgedrukt verlangen

van menigeen was: O, mocht ik daar toch eens in meerijden!

Aldus o.a. Fietje, uit _Het Huis van Commercie!_ Haast geen avond ging

voorbij of Fietje begon er weer over: " O! da 'k ik ne rijken hiere woare

gelijk gulder, dá zoe 'k toch euk moeten hen ". En geestdriftig ging ze

daarop door: ze was in de stad geweest, zij had daar meer en meer van die

auto's gezien: en zulke schoone! en zulke zachte!... en er waren er zelfs

waar dames in zaten, ja, waarachtig, jonge, mooie dames, zoo met

eigenaardige hoedjes en gekleurde voiletten over hun hoofd: en dat stond

toch zoo lief en verrukkelijk! O! Fietje was er dol op: ze kreeg er 't

water in haar mond van beweerde zij, zóó groot was haar verlangen, haar

hopeloos verlangen om daarin ook eens mee te mogen rijden.

Die heeren zaten op hun ongemak onder zulk een hartstochtelijken vloed

van verzuchtingen. Hun haat tegen het nieuw vervoermiddel bleef stug en

onveranderd, maar van een anderen kant vonden ze 't heel naar, dat ze

Fietje dit genoegen niet konden schenken: en nog veel naarder vonden ze

't, dat Fietje nu niet het minste genot meer scheen te vinden in de

rijtoertjes waarop zij haar, stiekum voor elkaar, af en toe weer

trakteerden, terwijl het reeds een paar keer gebeurd was, dat Fietje

gewoonweg, en niet zonder een greintje minachting, voor de eer bedankte,

en beweerde, dat ze net zoo graag te voet ging.

- C'est comme ma femme, schoot het Barontje op een avond verontwaardigd

uit zijn slof. Si j'en croyais ma femme j'achéterais une auto dès demain!

Die beide andere heeren schrikten. Zou het dan toch waar zijn, wat sinds

een tijdje in 't geheim verteld werd dat mevrouw de barones absoluut een

auto wilde en dat 't Barontje, met of tegen dank, er wel eindelijk, en

waarschijnlijk nog wel vroeger dan hij dacht, zou moeten aan gelooven.

Meneer François zei niets en dronk met gezwollen gezicht van zijn

Borrel; maar Plus-Que-Parfait nam de gelegenheid te baat om eens en voor

altijd, nijdig en krachtig, met een vuistslag op de tafel, te verklaren

dat, wat er ook gebeurde, en al was hij de eenige en de laatste van de

gansche wereld, hij nooit van zijn leven een voet in een van die smerige

stinktuigen zou zetten.

Plus-Que-Parfait · 第 7 / 15 题