Zoo werd gedaan. Dag aan dag, op vaste uren, zag men het drietal er van
door trekken. Vooruit reed 't Barontje, met zijn phaëton en twee paarden;
daarna meneer François, nu eens met één paard, dan ook wel eens met een
tweespan; en Plus-Que-Parfait sloot de rij, roerloos-fiks en correct in
zijn dogcart, naast zijn nietig knechtje. Het was een heele opschudding,
de eerste keeren, de gansche straat stond uit, half bang, half
grinnikend. Wat zou er wel gebeuren als eens plotseling een van die
griezelige duivelstuigen kwam aansnorren? Een woest gevecht met pistool
en geweerschoten? De menschen ijsden ervan. Maar de dagen verliepen en
nooit gebeurde er iets; de heeren kwamen terug zooals ze vertrokken en
die dagelijksche optocht werd wel eenigszins belachelijk, vooral toen de
veldwachter, die rusteloos over de wegen werd vooruitgestuurd, weldra in
oproerige opwinding geraakte en zich niet geneerde om te verklaren, dat
die heeren stapelgek geworden waren en hij er het baantje zou aan geven
als het zoo nog lang moest blijven duren. De boeren hadden daar heimelijk
pret om, zij onthaalden den veldwachter op borrels, met het gevolg dat
hij al spoedig dronken werd en er dan maar brallend liep op los te
schelden en te vloeken en ten slotte elken middag waggelend, onder het
spotgejoel der straatjeugd in het dorp terugkwam.
Trouwens, die heeren zelven, begonnen weldra het belachelijke en ook het
ongezellige van hun onderneming in te zien. Zij waren telkens blijde
wanneer zij, van de spottende blikken verlost, uit de dorpskom kwamen; en
hun ritjes, die zij anders zoo aardig vonden, hadden voor hen alle
bekoring verloren, nu zij, om zoo te zeggen aan elkaar gebonden waren. Er
was niets geen verrassing meer in, de een volgde maar sjokkend op de
andere, als in 't leibandje gehouden: zij waren hun vrijheid en
individueele fantasie kwijt, want de een kon immers nooit iets doen, dat
niet door de anderen opgemerkt en misschien wel afgekeurd zou worden. Het
sterkst liet zich dat voelen op een ochtend, toen zij eensklaps, in 't
volle veld, verre van menschen en huizen, Fietje over den steenweg vóór
zich uit zagen loopen. Fietje haastte zich blijkbaar naar het
stationnetje toe om den trein te halen en de gelegenheid was als geknipt
om haar zoo maar dadelijk op te laden.
't Was of de paarden van 't Barontje van zelf even ophielden: en Fietje
ook, glimlachend, groetend, werd als 't ware magnetisch tot den phaëton
aangetrokken. Maar het Barontje durfde niet, ter wille van de twee
anderen, die ook op hun beurt niet durfden ter wille van t Barontje; en
alle drie voelden zich zóó vernederd en chagrijnig onder de verbaasde en
teleurgestelde blikken waarmee Fietje hen nakeek; allen hadden zóó
geweldig innerlijk het land aan elkaar, dat ze den ganschen verderen
ochtend geen woord wisselden en totaal ontstemd en nurksch tegen den
middag in het dorp terugkwamen.
Doch daar gebeurde nog 't vernederendst van al, inzonderheid voor het
Barontje: eensklaps, terwijl de rijtuigen om den boek der Groote
Dorpsstraat heendraaiden, weerklonk in de verte, dichtbij het plein, dat
zwart van menschen stond, een luidsnorrend geraas; en dát, wat de drie
heeren al sinds weken langs de wegen vruchteloos zochten: een van die
afgrijselijke monstertuigen, die menschen en dieren schrik aanjaagden,
een auto, kwam op hen afgestoven.
Met een ruk hield 't Barontje zijn tweespan in en stak met een dreigenden
zwaai een hand in de hoogte. Meneer François was al vast van zijn bok
gesprongen en Plus-Que-Parfait, de teugels aan zijn knechtje
overhandigend, bukte zich naar het taschje, waarin zijn revolver zat.
- Au nom de la loi, arrétez! gilde de krijschstem van 't Barontje,
De paarden trappelden en snoven: de lakei, die ze bij de gebitten
vasthield, kon ze met moeite in bedwang houden. Heel langzaam,
voortdurend nog zijn vaart vertragend, kwam de auto, tusschen een
dubbele rij, als in schrik verstomde en versteende nieuwsgierigen, aan.
't Was niet dezelfde als de eerste maal. Het was een grootere en ook een
Mooiere; maar evenals de eerste, was hij slechts bezet door twee mannen,
onkenbaar vermomd onder neergetrokken petten en enorme stofbrillen.
- Au nom de la loi, arrétez! herhaalde met heesche stem het Barontje, bleek
als een lijk.
De auto stopte, vlak vóór de trippelende paarden. De man, die aan het
stuur zat, nam pet en bril af; en 't flink en knap gezicht, dat daar van
onder kwam, lachte 't Barontje kalm en grappig aan, terwijl een frissche
stem helder opgalmde:
- Héhé, mon oncle, vous voulez donc nous mettre en prison!
Een kreet was door de menigte opgegaan; gevolgd door een
uitbundig-vroolijk gelach. En inderdaad: de knappe, jonge man,
die in de auto zat, was niemand anders dan 't Barontje's eigen neef,
zeer goed bekend op 't dorp en wonend enkele uren daar vandaan, op
het kasteel van een andere gemeente, waar hij ook burgemeester was.
't Barontje wist zich bijna goed te houden. De onverwachte ontmoeting
bracht hem zoo reddeloos en zoo totaal van streek, dat hij even niets
meer deed en niets meer zei. Zijn zotte oogjes spalkten zich wijd open en
zijn mond bleef gapen, zonder een klank te uiten.
Hij glimlachte, waarachtig, met zijn gewoon onnoozel en verwonderd
Lachje; hij drukte de hand van zijn neef, die naar hem toegekomen was en
vroeg hem, als om iets te vragen, of hij op 't kasteel zijn tante had
bezocht, waarop de vriendelijke jonge man bevestigend antwoordde.
't Barontje betuigde zelfs even belangstelling voor de auto, dat
gruwelding, op welks vernietiging hij dagen lang te velde trok; en
ten slotte stelde hij zijn beide vrienden voor: meneer François, die
plomp en boersch zijn hoed afnam, en Plus-Que-Parfait, de eenige die
niet uit zijn lood geslagen was en nog al sec teruggroette.
Zoo stonden ze daar enkele oogenblikken, omringd door de
oolijk-grinnikende en gonzende volksmassa en toen liet de jonge man
beleefdheidshalve eerst de rijtuigen vertrekken, waarna hij zelf weer
aanzette, in geplof en geraas, onder het vroolijk-opgalmend gejoel van
twintigtallen meehollende straatbengels.
Zij werden al gauw achterwege gelaten, maar toen zij terugkeerden hadden
zij den veldwachter in hun midden, stomdronken, waggelend over de
gansche, breedte van de straat, waar bij, beslijkt en nat, af en toe in
de riolen struikelde en neerplofte. Hij had de auto gezien en riep
aanhoudend, met dronkemanshalsstarrigheid: Vivat de auto! Vivat de auto!
En zoo geëscorteerd, door 't joelende gepeupel, strompelde hij tot aan
't Gemeentehuis, om daar aan 't Barontje zijn verslag in te dienen,
beweerde hij: zijn verslag dat hij de auto gezien had en dat al de
menschen in het dorp voortdurend riepen: Vivat de auto! Vivat de auto!
Maar noch 't Barontje, noch meneer François, noch Plus-Que-Parfait waren
ergens meer te zien.