IV.

Zoo werd gedaan. Dag aan dag, op vaste uren, zag men het drietal er van

door trekken. Vooruit reed 't Barontje, met zijn phaëton en twee paarden;

daarna meneer François, nu eens met één paard, dan ook wel eens met een

tweespan; en Plus-Que-Parfait sloot de rij, roerloos-fiks en correct in

zijn dogcart, naast zijn nietig knechtje. Het was een heele opschudding,

de eerste keeren, de gansche straat stond uit, half bang, half

grinnikend. Wat zou er wel gebeuren als eens plotseling een van die

griezelige duivelstuigen kwam aansnorren? Een woest gevecht met pistool

en geweerschoten? De menschen ijsden ervan. Maar de dagen verliepen en

nooit gebeurde er iets; de heeren kwamen terug zooals ze vertrokken en

die dagelijksche optocht werd wel eenigszins belachelijk, vooral toen de

veldwachter, die rusteloos over de wegen werd vooruitgestuurd, weldra in

oproerige opwinding geraakte en zich niet geneerde om te verklaren, dat

die heeren stapelgek geworden waren en hij er het baantje zou aan geven

als het zoo nog lang moest blijven duren. De boeren hadden daar heimelijk

pret om, zij onthaalden den veldwachter op borrels, met het gevolg dat

hij al spoedig dronken werd en er dan maar brallend liep op los te

schelden en te vloeken en ten slotte elken middag waggelend, onder het

spotgejoel der straatjeugd in het dorp terugkwam.

Trouwens, die heeren zelven, begonnen weldra het belachelijke en ook het

ongezellige van hun onderneming in te zien. Zij waren telkens blijde

wanneer zij, van de spottende blikken verlost, uit de dorpskom kwamen; en

hun ritjes, die zij anders zoo aardig vonden, hadden voor hen alle

bekoring verloren, nu zij, om zoo te zeggen aan elkaar gebonden waren. Er

was niets geen verrassing meer in, de een volgde maar sjokkend op de

andere, als in 't leibandje gehouden: zij waren hun vrijheid en

individueele fantasie kwijt, want de een kon immers nooit iets doen, dat

niet door de anderen opgemerkt en misschien wel afgekeurd zou worden. Het

sterkst liet zich dat voelen op een ochtend, toen zij eensklaps, in 't

volle veld, verre van menschen en huizen, Fietje over den steenweg vóór

zich uit zagen loopen. Fietje haastte zich blijkbaar naar het

stationnetje toe om den trein te halen en de gelegenheid was als geknipt

om haar zoo maar dadelijk op te laden.

't Was of de paarden van 't Barontje van zelf even ophielden: en Fietje

ook, glimlachend, groetend, werd als 't ware magnetisch tot den phaëton

aangetrokken. Maar het Barontje durfde niet, ter wille van de twee

anderen, die ook op hun beurt niet durfden ter wille van ’t Barontje; en

alle drie voelden zich zóó vernederd en chagrijnig onder de verbaasde en

teleurgestelde blikken waarmee Fietje hen nakeek; allen hadden zóó

geweldig innerlijk het land aan elkaar, dat ze den ganschen verderen

ochtend geen woord wisselden en totaal ontstemd en nurksch tegen den

middag in het dorp terugkwamen.

Doch daar gebeurde nog 't vernederendst van al, inzonderheid voor het

Barontje: eensklaps, terwijl de rijtuigen om den boek der Groote

Dorpsstraat heendraaiden, weerklonk in de verte, dichtbij het plein, dat

zwart van menschen stond, een luidsnorrend geraas; en dát, wat de drie

heeren al sinds weken langs de wegen vruchteloos zochten: een van die

afgrijselijke monstertuigen, die menschen en dieren schrik aanjaagden,

een auto, kwam op hen afgestoven.

Met een ruk hield 't Barontje zijn tweespan in en stak met een dreigenden

zwaai een hand in de hoogte. Meneer François was al vast van zijn bok

gesprongen en Plus-Que-Parfait, de teugels aan zijn knechtje

overhandigend, bukte zich naar het taschje, waarin zijn revolver zat.

- Au nom de la loi, arrétez! gilde de krijschstem van 't Barontje,

De paarden trappelden en snoven: de lakei, die ze bij de gebitten

vasthield, kon ze met moeite in bedwang houden. Heel langzaam,

voortdurend nog zijn vaart vertragend, kwam de auto, tusschen een

dubbele rij, als in schrik verstomde en versteende nieuwsgierigen, aan.

't Was niet dezelfde als de eerste maal. Het was een grootere en ook een

Mooiere; maar evenals de eerste, was hij slechts bezet door twee mannen,

onkenbaar vermomd onder neergetrokken petten en enorme stofbrillen.

- Au nom de la loi, arrétez! herhaalde met heesche stem het Barontje, bleek

als een lijk.

De auto stopte, vlak vóór de trippelende paarden. De man, die aan het

stuur zat, nam pet en bril af; en 't flink en knap gezicht, dat daar van

onder kwam, lachte 't Barontje kalm en grappig aan, terwijl een frissche

stem helder opgalmde:

- Héhé, mon oncle, vous voulez donc nous mettre en prison!

Een kreet was door de menigte opgegaan; gevolgd door een

uitbundig-vroolijk gelach. En inderdaad: de knappe, jonge man,

die in de auto zat, was niemand anders dan 't Barontje's eigen neef,

zeer goed bekend op 't dorp en wonend enkele uren daar vandaan, op

het kasteel van een andere gemeente, waar hij ook burgemeester was.

't Barontje wist zich bijna goed te houden. De onverwachte ontmoeting

bracht hem zoo reddeloos en zoo totaal van streek, dat hij even niets

meer deed en niets meer zei. Zijn zotte oogjes spalkten zich wijd open en

zijn mond bleef gapen, zonder een klank te uiten.

Hij glimlachte, waarachtig, met zijn gewoon onnoozel en verwonderd

Lachje; hij drukte de hand van zijn neef, die naar hem toegekomen was en

vroeg hem, als om iets te vragen, of hij op 't kasteel zijn tante had

bezocht, waarop de vriendelijke jonge man bevestigend antwoordde.

't Barontje betuigde zelfs even belangstelling voor de auto, dat

gruwelding, op welks vernietiging hij dagen lang te velde trok; en

ten slotte stelde hij zijn beide vrienden voor: meneer François, die

plomp en boersch zijn hoed afnam, en Plus-Que-Parfait, de eenige die

niet uit zijn lood geslagen was en nog al sec teruggroette.

Zoo stonden ze daar enkele oogenblikken, omringd door de

oolijk-grinnikende en gonzende volksmassa en toen liet de jonge man

beleefdheidshalve eerst de rijtuigen vertrekken, waarna hij zelf weer

aanzette, in geplof en geraas, onder het vroolijk-opgalmend gejoel van

twintigtallen meehollende straatbengels.

Zij werden al gauw achterwege gelaten, maar toen zij terugkeerden hadden

zij den veldwachter in hun midden, stomdronken, waggelend over de

gansche, breedte van de straat, waar bij, beslijkt en nat, af en toe in

de riolen struikelde en neerplofte. Hij had de auto gezien en riep

aanhoudend, met dronkemanshalsstarrigheid: Vivat de auto! Vivat de auto!

En zoo geëscorteerd, door 't joelende gepeupel, strompelde hij tot aan

't Gemeentehuis, om daar aan 't Barontje zijn verslag in te dienen,

beweerde hij: zijn verslag dat hij de auto gezien had en dat al de

menschen in het dorp voortdurend riepen: Vivat de auto! Vivat de auto!

Maar noch 't Barontje, noch meneer François, noch Plus-Que-Parfait waren

ergens meer te zien.

Plus-Que-Parfait · 第 6 / 15 题