III

Toen het Barontje dus dien avond bij zijn vrienden in _Het Huis van

Commercie_ kwam, hadden dezen natuurlijk al lang van het geval gehoord,

maar toch trilden zij van nieuwsgierigheid en ontroering, om alles nog

eens uit zijn eigen mond te vernemen.

't Barontje was dan ook zelf nog gansch onder den indruk en ziedend van

woede, omdat de boeven, zooals hij ze noemde, ongestraft ontsnapt waren.

Hij had den veldwachter last gegeven ze aan te houden als ze nog terug

kwamen, doch die maatregel voldeed 't Barontje maar half wijl hij nu bij

ondervinding wist dat 't niet zoo makkelijk ging. Er moesten krassere

middelen getroffen worden.

- 'k Zoe z' omverre schieten! riep eensklaps Plus-Que-Parfait met een

vuistslag op tafel.

Meneer François knikte goedkeurend. Dergelijke schurken hoefden niet

gespaard te worden. Ook de kroegbaas, zijn vrouw en Fietje, die zich in

het gesprek mengden, waren 't daar heelemaal mee eens. Alleen 't

Barontje, als wettelijk hoofd der gemeente, voelde eenige aarzeling.

- We moèn toch zien da w' in 't kot nie'n geroaken, meende hij.

- Steekt de sloebers zelf in 't kot viel de herbergier plomp-lachend in.

't Barontje werd even ongeduldig. Hij kon den familiaren toon van den

boerschen herbergier en zijn vrouw nooit goed uitstaan. Alleen Fietje

mocht altijd, als ze wilde, meepraten. Hij begon tegen zijn vrienden

Fransch te spreken, om de anderen uit het gesprek te mijden; en even

zaten zij daar met hun drieën rond het tafeltje, de kwaadaardig-roode

koppen naar elkaar geneigd, de wenkbrauwen gefronst, in gewichtig,

zenuwachtig-opgewonden redeneering verdiept.

Het duurde lang, heel lang, vooraleer ze 't over een vast te stellen

gedragslijn heelemaal eens waren. Meneer François en 't Barontje moesten

zichzelven herhaaldelijk, met flinke borrels, moed inpompen, en zelfs

Plus-Que-Parfait, die in zijn correctheid anders nog al sober was, liet

meer dan eens Fietje met haar flesch naar hem toe komen. Eindelijk was 't

gevonden! Behalve de veldwachter, die scherp moest toezicht houden en

alom over de wegen patrouilleeren, zouden de drie heeren voorloopig elken

ochtend, op jacht naar den vijand, met hun drie rijtuigen achter elkaar,

samen uitrijden. Ze zouden gewapend zijn met revolvers en geweren en,

zoodra de vijand verscheen, met zachtheid of geweld hem den weg

versperren en hem tegenhouden. Zij waren niet bang: zij hadden drie

rijtuigen tegen één auto en, met hun knechten inbegrepen, zes mannen

tegen twee! De schurken mochten nog eens komen: ze zouden flink ontvangen

worden!

Plus-Que-Parfait · 第 5 / 15 题