II

Zoo ging dat leventje dag in dag uit zijn gang en alles deed vermoeden

dat het zoo nog lange jaren door kon blijven duren, toen, op zekeren

avond, het Barontje gansch ontsteld en opgewonden in _Het Huis van

Commercie_ aankwam en daar een gecompliceerd en akelig verhaal begon te

doen, waarvan de anderen eerst niets begrepen.

In den frisschen winterochtend was 't Barontje, als naar gewoonte, met

zijn tweespan uitgereden. De paardjes draafden er lustig op los. De

schimmel, die rechts liep, en een wijs, bezadigd beest was, hield er de

regelmaat in, die anders wel eens door den wispelturigen vos kon gestoord

worden. Het vroor, de lucht was helder, met blauwachtige nevels in de

verten en de vlugge hoeven klepperden pittig op het hard plaveisel,

terwijl de wielen ratelden. De schimmel, die reeds oud en bijna wit van

robe was, leek, in het winterlandschap, als een onbewogen sneeuw- of

ijspaard, maar de warme rug van 't vurig vosje glom en dampte, en door

zijn rood-opengesperde neusgaten, blies het zijn forschen adem in twee

grijze rookkolken, als de uitlaat van een stoommachien. Blijkbaar was het

beest gekitteld door de prikkelkoude lucht en 't Barontje had af en toe

wel last om het behoorlijk onder tucht te houden.

Eensklaps, langs een langen, rechten weg tusschen twee bevroren slooten,

hoorde 't Barontje, ver achter zich, een dof maar woest gedruisch opgaan.

Schichtig keek hij om, zag ginder in 't verschiet over den weg iets

zwarts aankomen, dat griezelig snel scheen te naderen.

- Wat és dat! riep 't Barontje tot zijn lakei, die naast hem zat. Maar

hij kon naar 't antwoord niet goed luisteren, hij had alle moeite om den

vos, die verschrikt begon te wippen en te springen, in te toomen en

steeds naderde sneller en sneller het helsch gevaarte, in toenemend

gedreun en gedruisch. De strak gespannen teugels trilden in 's Barontje's

knellende handen, hij had bijna geen kracht genoeg om ze te houden, en

moest zich met zijn beide voeten schrap zetten tegen de voorplank, want

ook de oude, anders altijd wijze schimmel deed nu zenuwachtig-opgewonden:

en plotseling was 't of beide dieren gek werden: gestrekt als schichten

schoten zij op hol, zóo onverwacht en geweldig, dat ze 't Barontje van

zijn zitplaats hadden weggerukt, indien de lakei hem niet met plotsen,

forschen greep bij den linkerarm had vastgehouden.

't Barontje gilde. Hij gilde als krankzinnig, zijn beide handen om de

leidsels heen geklemd, op en neer schokkend gelijk een dolle pop in 't

hotsebotsend rijtuig: en meteen bralde hij onsamenhangende verwenschingen

uit: cochons! saligauds! smeirlappen! hoewel het helsch gevaarte nu ver

achter hem gebleven was en hij er zelfs niets meer kon van zien of

hooren. Zijn hoed vloog af, hij greep er naar, zonder hem te vatten en

tegelijkertijd was 't alsof de bliksem krakend over het tweespan

neersloeg: de paarden sprongen op zij en vielen in een sloot, waarvan het

ijs uiteenbarste, terwijl Barontje, knecht en rijtuig met de spartelende

dieren in het gruwelijk koud water neerplonsden.

Een boerderij stond daar vlak in de buurt en menschen kwamen ter hulp

gesneld. Ook het duivelstuig, dat de paarden had doen schrikken, naderde,

in orkanisch lawaai, maar nog vóór het bij hen kwam, was 't Barontje,

druipend als een slijkhond uit de sloot gesprongen en brulde razend, met

heesche keel,: " Sloebers! Smeirlappen! Cochons! Cannailles!

Arrètez-les!" terwijl hij met wijd-uitgestrekte armen midden op den

weg ging staan, om ze tegen te houden.

Het monsterding had stilgehouden, maar bleef inwendig voortdreunen en

stompen en ploffen. Twee mannen met neergetrokken petten en groote

brillen zaten er als duivels in verborgen, en een van hen, groot en

forsch van gestalte, kwam woedend naar 't Barontje toe en vroeg hem op

dreigenden toon en met geknelde vuisten wat er scheelde en waarom zij

uitgescholden werden.

't Barontje stotterde, wist niet goed wat geantwoord, herhaalde slechts,

bevend en bibberend, dat ze zijn paarden hadden doen schrikken; dat hij

de burgemeester der gemeente was, dat hij hun naam wilde kennen en zij de

schade aan paarden en rijtuig zouden betalen.

Een spotlach sloeg 't Barontje in 't gezicht en voor alle antwoord steeg

de forsche kerel weer in zijn duivelstuig, dat plotseling als dol begon

te ploffen en te razen en letterlijk op het Barontje en de boeren die hem

ter hulp stonden, afsprong.

Met een angstgil vlogen zij uit elkaar, terwijl het monsterding, in rook

en vlammen en walmen gehuld, verder den weg op stoof.

Dat was de eerste kennismaking van 't Barontje met het toen pas ontstane,

nieuw vervoermiddel, waarvan hij reeds vagelijk gehoord had, maar ervan

gehoord als van iets onzinnigs, als van een gekken-uitvinding, die zeker

nooit in de praktijk en in elk geval nooit op zijn rustig, ouderwetsche

dorp zou komen.

Plus-Que-Parfait · 第 4 / 15 题