DOOR CYRIEL BUYSSE

1920

[Noot: de omslag vermeldt het jaar 1920 als uitgavejaar,

de titelbladzijde het jaar 1919.]

I

Plus-Que-Parfait is verleden week gestorven en begraven...

Plus-Que-Parfait is gestorven als slachtoffer der automobiel. Niet dat

hij in een ongeluk is omgekomen: de ramp, waaronder hij verloren ging,

was van meer gecompliceerden aard: Plus-Que-Parfait is langzaam aan te

niet gegaan als moreel slachtoffer van de automobiel.

* * * * *

Plus-Que-Parfait bewoonde, in een vrij aanzienlijk en fraai dorp, een

kleine, witte villa, met een nog al mooien tuin. Het was wel geen

kasteel, zooals daar waar zijn vriend 't Barontje woonde: zelfs geen

"kasteelken", gelijk de woning van zijn anderen vriend, meneer François:

maar 't was toch meer dan een gewoon dorpshuis, zooals ze soms bij

tientallen in de rij der andere huizen staan.

Plus-Que-Parfait's woning stond alleen, midden in een tuintje, en dat gaf

er iets aristocratisch aan, en wettigde als 't ware Plus-Que-Parfait's

vertrouwelijken omgang met de twee andere aristocraten der gemeente:

't Barontje en meneer François.

Plus-Que-Parfait heette natuurlijk niet Plus-Que-Parfait. Hij droeg een

anderen naam, doch haast geen mensch in het dorp kende dien naam of was

hem vergeten, zoo gewend waren ze hem altijd Plus-Que-Parfait te noemen

en te hooren noemen.

Hij werd Plus-Que-Parfait genoemd omdat alles aan en van hem zoo keurig

in de puntjes af was. Zijn huisje was klein, maar 't glinsterde, zijn

tuintje had je in een paar minuten rondgeloopen, maar geen stroohalmpje

lag op de paden, en op zijn kleeren was geen vlekje noch geen stofje te

bespeuren.

Dat alles reeds maakte hem Plus-Que-Parfait; maar wat hem nog

Plus-Que-Plus-Que-Parfait maakte, dat was zijn luxe, de eenige luxe,

die hij zich, met een nog al schraal inkomen, veroorloven mocht:

zijn paard en rijtuig.

Hij bezat er maar een: een dogcart!

Een dogcart, zwart-gelakt langs buiten, donkerblauw van kussens en

fonkelgeel van wielen. Het paard, dat in de gele draagboomen liep, was

een hooge, bruine baai met glimmende robe, 't harnas blonk als een

spiegel en in het hoofdstel staken altijd rechts en links, koketterig

twee roode rozeknopjes, als een gedistingeerde hulde van bewondering en

liefde.

Daar zat Plus-Que-Parfait als op een troon van glorie, met een knechtje

naast zich.

Plus-Que-Parfait lang, mager, fiks, correct, met de teugels in de

bruin-geschoeide handen en de lange, fijne zweep rechtop aan zijn zijde.

Het knechtje schraal, klein, ineengedrongen, het bleek gelaat bijna

onzichtbaar onder de ronde, stijve, donkere livrei-pet, met geel biesje

en vergulde knoopen. Zij reden door het dorp, Plus-Que-Parfait

strak-groetend met zijn zweep, het knechtje roer- en als het ware

levenloos, gelijk een verschrompelde mummie.

Zij reden naar de andere dorpen, zij reden naar de stad, zij reden

voorbij het kasteel van 't Barontje en voorbij 't "kasteelken" van meneer

François. Zij reden elken dag, om zich te vertoonen, om te genieten van

de naar het hoofd stijgende glorie hunner ongëevenaarde

Plus-Que-Parfaitheid, De menschen keken hen na, staakten hun werk

op den akker, bleven staan langs de straten, 't was een genot

van alle oogenblikken, een dagelijksche triomftocht, die soms eindigde

in een soort apotheose wanneer zij onderweg de rijtuigen van ’t Barontje

en meneer François ontmoetten en zoo met hun drieën achter elkaar,

in 't avondgoud der ondergaande zon, in 't geglinster der paneelen en

't getrappel van de hoeven, tusschen de dreunende huizen huiswaarts

keerden.

* * * * *

's Avonds, elken avond, geregeld als de gang van een klok, ontmoetten zij

elkaar dan weer tusschen acht en negen, in _Het Huis van Commercie_, de

voornaamste en deftigste herberg van het dorp. Plus-Que-Parfait en meneer

François waren vrijgezellen, het sprak dus van zelf dat die hun avonden

in de herberg doorbrachten.

Maar 't was toch wel te begrijpen, dat ook 't Barontje er geregeld kwam;

zijn vrouw had den naam erg capricieus en lastig te zijn; zijn

schoonzuster, die 't gansche jaar bij hem inwoonde, hopeloos saai en

zeurig.

De avonden op 't kasteel moesten soms gruwelijk vervelend zijn, zoodat

't Barontje er maar liefst van door ging, om zich ongedwongen en gezellig

bij zijn trouwe vrienden aan te sluiten.

Daar zaten zij hun drieën aan een tafeltje, in de ruime, slechtverlichte

en doorrookte koffiehuiskamer, meestal alleen met kroegbaas, vrouw en

dochter, een enkele maal ook wel met een of anderen dorpsheer, die even

bij hen toegelaten werd, maar dien zij toch altijd min of meer uit de

hoogte behandelden, en desnoods op een afstand hielden, zoodra hij maar

eenige neiging toonde om wat familiaar te willen doen. Zij speelden

hoegenaamd geen enkel spel, zooals meestal de andere dorpsnotabelen wel

deden; zij praatten maar en rookten onophoudend, en hoe 't gesprek ook

aangevangen werd en zich ontwikkelde, altijd en altijd liep het tenslotte

op het zelfde thema uit: de paarden!

Nooit geraakten zij daarover uitgepraat.

Iederen avond kwamen zij aanzetten met hun wederzijdsche hippysche

ervaringen van den dag en dat was altijd weer iets nieuws en dat was

altijd weer het zelfde.

't Barontje, die drie paarden had, wist natuurlijk het meest te

vertellen.

Dat was dan ook een door de twee anderen eerbiedig erkend voorrecht. Zij

luisterden gewetensvol en gewichtig en waagden 't niet te onderbreken,

zoolang 't Barontje aan 't verhalen was.

't Barontje was een nietig ventje van een zestigtal jaren, een onnoozel

gezicht met verwonderde oogen, een gezicht dat altijd in dezelfde dwaze

lachplooi stond, alsof het aanhoudend de grappigste dingen bijwoonde. Wat

het Barontje vertelde klonk dan ook altijd als een scherts, zelfs als hij

ernstig en gewichtig wilde doen. Zoo had hij geen voornaam voorkomen en

ook in zijn kleedij was hij vrij slordig, heel wat minder in de puntjes

dan zijn vriend Plus-Que-Parfait. Maar over hem was het prestige van zijn

naam, zijn titel en fortuin en dat was wel voldoende om hem op zijn

eerste plaats te handhaven.

Meneer François, die twee paarden bezat, vertelde als 't Barontje zweeg.

Hij was kort van gestalte en nog al zwaarlijvig, met vierkantbreede

schouders en een ingedrongen hals, waarover 't blonde krulhaar in zijn

nek opkroesde. Hij had fletsblauwe vischoogen, die strak en waterig

stonden achter het lorgnet, en als het zoo omstreeks tien uur begon te

worden, kregen zijn verhalen doorgaans iets haperigs en onduidelijks,

alsof hij niet goed meer zijn woorden kon vinden. Ook hij leek nooit

buitengewoon keurig in zijn kleeren, en er was iets bijzonder griezeligs

aan hem: een akelig-lange nagel aan zijn linkerpink, waarmee hij

coquetteerde en dien hij geregeld begon schoon te maken en te poetsen,

eenmaal als het om en bij tien uur werd en er iets neveligs en verwards

in zijn verhalen kwam.

En zoo was het tenslotte Plus-Que-Parfait, die slechts één paard bezat en

een gering vermogen had, verreweg de elegantste en meest correcte van de

drie: lang en slank van gestalte, met grijzende snor, 't gezicht vrij

stug en grimmig, als leefde hij in stil-aanhoudende verbolgenheid over

een noodlot, dat hem materieel ondergeschikt maakte aan de twee anderen;

trotsch niettemin, geweldig trotsch op wat hij toch nog was en had en kon

bereiken: een soort verwoeste donquichotte-type, elk oogenblik klaar om

over hersenschimmige kleineering wraak te nemen.

Zij zaten daar, en sneden tegen elkander op, onder het rooken en

drinken van glazen bier en borrels, en als er niemand anders in de

herberg was voor wie zij konden geuren, dan snoefden en geurden en sneden

zij op voor den baas en de bazin en voornamelijk voor Fietje, de dochter.

De herbergier en zijn vrouw waren twee boersche, plompe lui, maar Fietje

was een juffertje, een nufje, de elegante van het dorp.

't Gezicht was niet bepaald mooi, een beetje zuur en zeurig, met te

kleine oogjes en te dunne lipjes, maar zij had wel een goed figuur, fijn

en lenig, en zij had ook allure, zoo'n manier van zich te houden en te

bewegen die de boeren ergerlijk aanstellerig vonden, maar die,

daarentegen, de drie oude heeren heimelijk in verrukking bracht. Fietje

was zoo'n beetje voor hen als een steedsche oase in de woestijn van 't

buitenleven en 't had ook waarde omdat zij daar de eenige van haar soort

was en daarbij tot een stand behoorde, waar zij zelven gansch vrij en

ongegeneerd mochten mee omgaan. Vooral wanneer Fietje op haar best

gekleed te voorschijn kwam, met hoed en voile en mantel, was het,

uiterlijk, een dame, absoluut een dame, en--maar dat wisten ze voor

elkaar wel te verzwijgen--meer dan eens reeds was 't gebeurd dat, èn 't

Barontje, èn meneer François èn zelfs Plus-Que-Parfait haar ergens

onderweg in hun rijtuig oplaadden en er een heel eindje mee rondtoerden.

Daar bleef het trouwens bij: Fietje was slim genoeg om geen domme dingen

te begaan, en de drie oude heeren vroegen ook al niet veel meer dan wat

met haar te mogen geuren, zoodat door-gaans wel-ingelichte, ernstige

menschen met grond van waarheid mochten beweren, dat het niets dan vuige

laster was wanneer verteld werd,--want dat werd wel eens verteld--dat

Fietje, voor bewezen diensten, nu eens van 't Barontje een nieuwen hoed,

of van meneer François een bont, of van Plus-Que-Parfait een paar

handschoenen cadeau gekregen had.

Plus-Que-Parfait · 第 3 / 15 题