VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Morgen? O, dat is spoedig! – Spaart hem! spaart hem!

Shakespeare.

Eduard, gevolgd door zijn vorigen bediende, Alick Polwarth, die te

Edinburgh weêr bij hem in dienst getreden was, bereikte Carlisle,

terwijl het gerechtshof nog zitting hield om over zijn ongelukkige

makkers uitspraak te doen. Hij had zich gehaast, helaas! niet met

eenige de minste hoop, om Fergus te redden, maar om hem voor het laatst

te zien. Ik had moeten melden, dat, zoodra hij vernam dat de dag der

terechtstelling bepaald was, hij gelden had overgemaakt om de

gevangenen op de meest onbekrompen wijze te doen verdedigen. Een

procureur en een der eerste advocaten waren met de verdediging belast;

maar het was als wanneer de eerste geneesheeren bij het ziekbed van een

stervenden van aanzien worden geroepen – de doctoren, om hun voordeel

te doen met een onberekenbaren kans op een poging der natuur – de

rechtsgeleerden, om zich te bedienen van een waarschijnlijk

rechterlijken misslag. Eduard drong de gerechtszaal binnen, die met een

ontelbare menigte was opgevuld; maar daar hij uit het noorden kwam, en

wegens zijn groote drift en aandoening, gehouden werd voor een

nabestaande van de gevangenen maakte iedereen voor hem plaats. Het was

de derde zitting van het hof, en er waren twee mannen voor de balie. De

uitspraak: „schuldig!” was reeds geschied. In dit plechtige oogenblik

viel Eduards blik op de beide beschuldigden voor de balie. Men kon zich

niet bedriegen in de fiere houding en edele trekken van Fergus

Mac-Ivor, ofschoon zijn kleeding slordig was, en zijn gelaat de

ziekelijke, gele kleur eener langdurige en harde gevangenschap had

aangenomen. Aan zijn zijde stond Evan Maccombich. Eduard werd door een

gevoel van duizeling overvallen, toen hij het oog op hen sloeg: maar

bij kwam weêr tot zichzelf, toen de griffier de plechtige woorden

uitsprak: „Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich, anders genoemd Vich Ian

Vohr, en Evan Mac-Ivor, in de Dhu van Tarrascleugh, anders genaamd Evan

Dhu, anders genaamd Evan Maccombich of Evan Dhu Maccombich – gij, en

ieder van u, staat terecht als schuldig aan hoogverraad. Wat hebt gij

voor uzelven in te brengen, waarom het hof geen vonnis tegen u zou

vellen, om te sterven volgens de wet?”

Zoodra de voorzittende rechter de noodlottige zwarte kap, bij het

uitspreken van een doodvonnis in gebruik, opzette, plaatste Fergus zijn

eigen muts op het hoofd, zag hem met een vasten en ernstigen blik aan,

en antwoordde met onbewogen stem: „Ik mag dit talrijk gehoor niet laten

veronderstellen, dat ik op zulk een oproeping niets heb te antwoorden.

Maar hetgeen ik te zeggen heb, zoudt gij niet dulden dat gehoord werd;

want mijn verdediging zou uw veroordeeling zijn. Ga dan, in Gods naam,

voort met te doen, wat u vrijstaat. Gisteren, en den dag te voren, hebt

gij vonnissen uitgesproken die het eerlijkste en beste bloed als water

hebben doen vloeien. – Spaar het mijne niet. Indien dat van al mijn

voorouders in mijn aderen vloeide, zou ik het in dezen strijd hebben

gewaagd.” Daarop hernam hij zijn plaats, en weigerde weder op te staan.

Evan Maccombich zag hem met grooten ernst aan, en scheen, opstaande,

verlangend om op zijn beurt te spreken; maar het gewoel in het hof, en

de moeielijkheid om te denken in een andere taal, dan die waarin hij

gewoon was zich uit te drukken, deden hem zwijgen. Er liep een gemompel

van medelijden onder de aanschouwers rond, in de overtuiging, dat de

arme kerel voornemens was zich op het gezag van zijn Opperste te

beroepen, en dat als een verschooning voor zich aan te voeren. De

rechter gebood stilte, en moedigde Evan aan, om voort te gaan.

„Ik wilde alleen zeggen, Mylord,” zeide Evan, op een toon, dien hij

voor innemend bedoelde, „dat, zoo Mylord, en het edele hof, Vich Ian

Vohr dezen enkelen keer wilden vrijlaten, en hem naar Frankrijk laten

gaan, om Koning Georges bewind niet meer te verontrusten, dat ik

verklaar dat een zestal van de besten van zijn clan gereed zullen zijn,

om in zijn plaats ter dood gebracht te worden; en zoo gij mij naar

Glennaquoich wilt laten gaan, zal ik ze u zelf halen, om onthoofd of

opgehangen te worden, en gij kunt met mij beginnen.”

In weerwil van het plechtige der gelegenheid, werd er een soort van

gelach in de zaal gehoord, over dezen vreemden voorslag. De rechter

stuitte deze onwelvoegelijkheid, en nadat Evan, met een strengen blik

in het rond had gezien, zeide hij, zoodra het gedruisch had opgehouden:

„Zoo de Saxische heeren lachen, omdat een arme kerel als ik, mij

verbeeld, dat mijn leven, of het leven van zes van mijn rang, dat van

Vich Ian Vohr opweegt, dan hebben zij naar allen schijn recht; maar zoo

zij lachen, omdat zij denken, dat ik mijn woord niet zou houden, noch

terugkomen om hem te lossen, dan kan ik hun verzekeren, dat zij noch

het hart van een Hooglander, noch de eer van een fatsoenlijk man

kennen.”

Er bestond geen lust meer tot lachen onder het gehoor, en er volgde een

doodelijke stilte.

Nu sprak de rechter over beide gevangenen het vonnis uit, door de wet

op hoogverraad gesteld, met al de daarmede gepaard gaande

schrikwekkende bijzonderheden. De voltrekking van het vonnis werd

bepaald op den volgenden dag. „Voor Fergus Mac-Ivor,” voer de rechter

voort, „kan ik geen hoop op gratie koesteren. Gij moet u tegen morgen

bereiden voor uw laatste lijden, en uw groot verhoor hier namaals.”

„Ik verlang niets anders, Mylord,” antwoordde Fergus, op denzelfden

manhaftigen en vasten toon.

Het hardvochtig gezicht van Evan, dat onophoudelijk op zijn Opperhoofd

was gevestigd geweest, werd door een traan bevochtigd. „Voor u, arme,

onwetende,” ging de rechter voort, „die, de denkbeelden volgende,

waarin gij zijt opgevoed, ons heden een treffend voorbeeld hebt

gegeven, hoe de getrouwheid, den Koning en den Staat alleen

verschuldigd, door uw ongelukkige begrippen van clanschap, is

overgebracht op een bijzonder persoon, wiens eerzucht eindigt met u tot

het werktuig zijner misdaden te maken – voor u, zeg ik, gevoel ik zoo

veel medelijden, dat, zoo gij het van u kunt verkrijgen, om gratie te

vragen, ik mijn best zal doen, om u die te bezorgen – anders –”

„Gratie! voor mij geen gratie!” riep Evan uit; „daar gij het bloed van

Vich Ian Vohr gaat vergieten, is de eenige gunst, die ik van u zou

wenschen te ontvangen, iemand te bevelen mij de handen los te maken,

mij mijn sabel terug te geven, en dan maar een minuut te blijven

zitten, waar gij zijt.”

„Brengt de gevangenen weg,” zei de rechter, „zijn bloed kome over zijn

eigen hoofd!”

Bijna verpletterd onder het gewicht zijner smartelijke gewaarwordingen,

bemerkte Eduard, dat de stroom der menigte hem reeds naar buiten op

straat had medegesleept, eer hij wist waar hij zich bevond. Zijn eerste

wensch was, Fergus nog eens te zien en te spreken. Hij deed aanzoek aan

het kasteel, waar zijn ongelukkige vriend gevangen zat, maar zag zich

den toegang geweigerd. „De groot-sheriff had den gouverneur verzocht,”

zeide een onderofficier, „om niemand bij den gevangene toe te laten,

uitgezonderd zijn biechtvader en zijn zuster.”

„En waar was Freule Mac-Ivor?” Men gaf hem haar adres. Zij was ten

huize van een achtenswaardige katholieke familie nabij Carlisle.

Van de deur van het kasteel teruggewezen, en niet wagende om aanzoek

bij den groot-sheriff of de rechters te doen, in zijn eigen slecht

aangeteekenden naam, nam hij toevlucht tot den rechtsgeleerde, die voor

Fergus was opgetreden. Deze heer zeide hem, dat men beducht was voor

den openbaren geest, en dat deze zou misleid worden indien men de

laatste oogenblikken dezer Jacobieten, door de vrienden van den

Pretendent liet beschrijven; dat daarom een besluit genomen was, om aan

alle menschen, die zich niet op bloedverwantschap konden beroepen, het

bezoeken der gevangenen te weigeren. Evenwel beloofde hij (om den

erfgenaam van Waverley-Honour te verplichten) voor hem een verlof van

toegang tot den gevangene te verkrijgen, op den volgenden morgen, eer

hem zijn ketenen zouden afgenomen worden, voor de, voltrekking van het

vonnis.

„Spreekt men dus van Fergus Mac-Ivor,” dacht Waverley, „of droom ik?

Van Fergus, den stouten, den ridderlijken, met die vrije ziel? het

verheven hoofd van een stam, die hem aanbad? Is dit de man, dien ik de

jacht heb zien aanvoeren en den aanval besturen, – de dappere, de

werkzame, de jeugdige, de edele, de lieveling der vrouwen en het

onderwerp der gezangen – is hij het, die geketend is als een

boosdoener? Die op een horde naar de gemeene galg zal worden gesleept,

om een langzamen en wreeden dood te sterven, en verminkt te worden door

den ellendigste onder de stervelingen? Van kwade voorbeduiding zeker,

was het spook, dat zulk een noodlot aan het dappere opperhoofd van

Glennaquoich boodschapte!”

Met een bevende stem verzocht hij den rechtsgeleerde, om een middel te

verzinnen, waardoor Fergus van zijn voorgenomen bezoek zou worden

verwittigd, indien hij het verlof daartoe verkrijgen mocht. Na dit

verzocht te hebben verliet hij hem, en teruggekomen in de herberg,

schreef hij een nauwelijks leesbaar briefje aan Flora Mac-Ivor, waarin

hij haar zijn voornemen te kennen gaf, om haar dien avond te bezoeken.

De bode bracht een brief terug, waarin Eduard Floras schoon, en

duidelijk schrift herkende, door een hand geschreven, die zelfs

nauwelijks scheen gebeefd te hebben, onder dit gewicht van ellende,

„Freule Flora Mac-Ivor,” zoo luidde de inhoud van den brief, „kon niet

weigeren den liefsten vriend van haar lieven broeder te zien, ook in

haar tegenwoordige omstandigheden van nooit geëvenaarde ellende.”

Toen Eduard Flora Mac-Ivors tijdelijke verblijfplaats bereikte, werd

hij terstond toegelaten. In een ruim en donker behangen vertrek zat

Flora bij een tralievenster, terwijl zij zich met het naaien van iets

onledig hield, dat naar een kleed van wit flanel geleek. Op een kleinen

afstand zat een bejaarde vrouw, oogenschijnlijk een vreemde, en tot een

geestelijke orde behoorende. Zij las in een katholiek gebedenboek; maar

legde het, toen Waverley binnen kwam, op tafel en verliet de kamer.

Flora stond op om hem te ontvangen, en reikte hem de hand; maar geen

van beide waagde het een gesprek aan te vangen. Haar schoone kleur was

geheel verdwenen, haar voorkomen aanmerkelijk vermagerd, en haar gelaat

en handen zoo wit als het zuiverste marmer, hetgeen een sterk contrast

met haar donkere kleeding en gitzwart haar opleverde. Maar onder al

deze teekenen van rouw, was er niets in haar kleeding dat men ongepast

of verwaarloosd had mogen heeten – zelfs het haar, schoon geheel zonder

sieraad, was met de gewone zorgvuldigheid opgemaakt. De eerste woorden,

die zij uitte, waren: „Hebt gij hem gezien?”

„Helaas, neen!” antwoordde. Waverley, „men heeft mij den toegang

geweigerd.”

„Deze gestrengheid is in overeenstemming met al het overige,” zeide

zij; „maar wij moeten ons onderwerpen. Zult ge nog toegang tot hem

verkrijgen, denkt ge?”

„Tegen – tegen – morgen!” zeide Waverley, maar sprak het laatste woord

zoo zacht uit, dat het bijna onverstaanbaar was.

„Ja, morgen of nooit,” zeide Flora, „tot” – voegde zij er bij, naar

boven ziende, „de tijd komt, dat wij, naar ik vertrouw, allen elkander

zullen wederzien. Maar ik hoop, dat gij hem zien zult, terwijl de aarde

hem nog draagt. Hij heeft u altoos in het diepst van zijn hart bemind,

ofschoon – maar het is dwaasheid van het verledene te spreken.”

„Inderdaad dwaasheid!” herhaalde Waverley.

„Zelfs van de toekomst, waarde vriend,” zeide Flora, „en voor zoo ver

het wereldsche gebeurtenissen betreft; want hoe dikwijls heb ik mij

niet de verschrikkelijke mogelijkheid van deze vreeselijke uitkomst

voorgesteld, hoe dikwijls mij niet ten taak gesteld te overwegen, hoe

ik mijn deel daarvan zou kunnen dragen, en toch, hoe verre zijn mijn

voorstellingen gebleven beneden de voorbeeldelooze ellende van dit

uur!”

„Waarde Flora, zoo uwe geestkracht” –

„Ja, daar schuilt het,” antwoordde zij eenigszins woest, „er huist,

mijnheer Waverley, een onrustige duivel in mijn hart, die fluistert –

maar het zou dwaasheid zijn naar hem te hooren – dat de geestkracht

waarop Flora zich verhief, haar broeder heeft – vermoord!”

„Barmhartige God! hoe kunt gij zulk een vreeselijke gedachte uiten?”

„Ja, is het niet afgrijselijk? En toch vervolgt ze mij als een spook.

Ik weet dat het niets dan ijdele verbeelding is, maar zij wil er zijn,

zij wil mij haar verschrikkingen opdringen; zij wil fluisteren dat mijn

broeder, even levendig als vurig, de veerkracht van zijn geest over

honderd voorwerpen zou verdeeld hebben. Ik was het, die hem leerde ze

te vereenigen, en alles op dit ijselijk en wanhopig spel te zetten. O,

dat ik mij herinneren kon, maar eens tegen hem gezegd te hebben: „Blijf

te huis, spaar uzelven, uw vazallen, uw leven, voor ondernemingen, die

binnen het bereik liggen van een mensch.” Maar, o mijnheer Waverley, ik

hitste zijn vurig gemoed aan, en voor de helft ten minste heeft hij

zijn ondergang aan zijn zuster te wijten!”

Dit vreeselijk denkbeeld zocht Eduard te bestrijden, door allerlei

onzamenhangende redenen, die hem maar voor den geest kwamen. Hij

herinnerde haar de beginselen, waarnaar beide het hun plicht achtten te

handelen, en waarin zij waren opgevoed.

„Denk niet, dat ik ze vergeten heb,” hernam zij, terwijl zij snel

opkeek; „ik heb geen berouw over zijn onderneming, omdat zij

berispelijk of slecht was: neen! op dat punt ben ik gewapend; maar ik

voel berouw omdat het onmogelijk was, dat zij anders kon eindigen, dan

op deze wijze.”

„Intusschen,” vervolgde Eduard, „scheen zij niet altijd zoo wanhopig en

gewaagd, en Fergus’ stoute geest zou deze zaak omhelsd hebben, of gij

het goedgekeurd hadt, of niet. Uw raad heeft alleen gediend om

standvastigheid aan zijn gedrag te verleenen, om zijn besluit

waardigheid bij te zetten, niet om het te overhaasten.” Flora had

spoedig opgehouden naar Eduard te luisteren, en was weder met haar

naald bezig.

„Herinnert gij u,” zeide zij, terwijl zij met een ijzingwekkenden

glimlach opzag, „dat gij mij eens onledig hebt gevonden met het in

gereedheid brengen van Fergus’ bruidsgeschenken, en nu naai ik zijn

bruigomskleed. Onze vrienden hier,” dus ging zij met gesmoorde

aandoening voort, „zullen gewijde aarde, in hun kapel gunnen aan de

bloedige overblijfselen van den laatsten Vich Ian Vohr. Maar ze zullen

niet allen bijeen rusten; neen, – zijn hoofd! – ik zal de laatste

jammerlijke voldoening niet hebben, om de koude lippen te kussen van

mijn lieven, lieven Fergus!”

Hier viel de ongelukkige Flora, na een paar snikken, op haar stoel in

zwijm. De dame, die zich in het voorvertrek verwijderd had, trad thans

haastig binnen, en verzocht Eduard de kamer; maar niet het huis, te

verlaten.

Toen hij, na verloop van bijna een half uur, teruggeroepen werd, bevond

hij dat Flora Mac-Ivor, door een krachtige inspanning, eenigszins tot

bedaren gekomen was. En nu waagde hij het Rose Bradwardines aanspraken

te laten gelden, om als een aangenomen zuster beschouwd te worden, die

het recht had om haar bij te staan in haar plannen voor de toekomst.

„Ik heb een brief van mijn lieve Rose gehad,” antwoordde zij, „met

hetzelfde oogmerk. De droefheid is baatzuchtig en inhalig, anders zou

ik geschreven hebben om haar te kennen te geven, dat ik, zelfs in mijn

eigene wanhoop, een zweem van genoegen smaakte, bij het vernemen van

haar gelukkige vooruitzichten, en bij het hooren dat de goede oude

Baron aan de algemeene schipbreuk is ontkomen. Geef dit aan mijn

liefste Rose; het is het eenige sieraad van waarde, dat haar arme Flora

bezit, en het was het geschenk van een vorstin.” Ze stelde hem een

doosje ter hand, dat het diamanten halssnoer bevatte, waarmede ze

gewoon was haar lokken te versieren. „Voor mij is het in het vervolg

nutteloos. De goedheid mijner vrienden heeft mij een schuilplaats

bezorgd in het klooster der Schotsche Benedictijner nonnen te Parijs.

Morgen – als ik wezenlijk morgen overleven kan – ga ik op reis, met

deze eerwaarde zuster. En nu, mijnheer Waverley, vaarwel! Moogt gij zoo

gelukkig zijn met Rose, als gij verdient; en denk soms aan de vrienden,

die gij verloren hebt. Doe geen moeite om mij weder te zien; het zou

een misplaatste vriendelijkheid wezen.”

Zij reikte Eduard de hand, waarop hij een stroom van tranen vergoot;

met bevende schreden verliet hij de kamer, en keerde naar Carlisle

terug. In de herberg vond bij een brief van zijn rechtsgeleerden

vriend, die hem berichtte, dat hij den volgenden morgen bij Fergus zou

worden toegelaten, zoodra de poorten open waren, en dat het hem vergund

zou zijn bij zijn vriend te blijven, tot de aankomst van den sheriff

het teeken zou wezen voor den noodlottigen tocht.

Waverley(#75933) · 第 144 / 156 题