Morgen? O, dat is spoedig! – Spaart hem! spaart hem!
Shakespeare.
Eduard, gevolgd door zijn vorigen bediende, Alick Polwarth, die te
Edinburgh weêr bij hem in dienst getreden was, bereikte Carlisle,
terwijl het gerechtshof nog zitting hield om over zijn ongelukkige
makkers uitspraak te doen. Hij had zich gehaast, helaas! niet met
eenige de minste hoop, om Fergus te redden, maar om hem voor het laatst
te zien. Ik had moeten melden, dat, zoodra hij vernam dat de dag der
terechtstelling bepaald was, hij gelden had overgemaakt om de
gevangenen op de meest onbekrompen wijze te doen verdedigen. Een
procureur en een der eerste advocaten waren met de verdediging belast;
maar het was als wanneer de eerste geneesheeren bij het ziekbed van een
stervenden van aanzien worden geroepen – de doctoren, om hun voordeel
te doen met een onberekenbaren kans op een poging der natuur – de
rechtsgeleerden, om zich te bedienen van een waarschijnlijk
rechterlijken misslag. Eduard drong de gerechtszaal binnen, die met een
ontelbare menigte was opgevuld; maar daar hij uit het noorden kwam, en
wegens zijn groote drift en aandoening, gehouden werd voor een
nabestaande van de gevangenen maakte iedereen voor hem plaats. Het was
de derde zitting van het hof, en er waren twee mannen voor de balie. De
uitspraak: „schuldig!” was reeds geschied. In dit plechtige oogenblik
viel Eduards blik op de beide beschuldigden voor de balie. Men kon zich
niet bedriegen in de fiere houding en edele trekken van Fergus
Mac-Ivor, ofschoon zijn kleeding slordig was, en zijn gelaat de
ziekelijke, gele kleur eener langdurige en harde gevangenschap had
aangenomen. Aan zijn zijde stond Evan Maccombich. Eduard werd door een
gevoel van duizeling overvallen, toen hij het oog op hen sloeg: maar
bij kwam weêr tot zichzelf, toen de griffier de plechtige woorden
uitsprak: „Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich, anders genoemd Vich Ian
Vohr, en Evan Mac-Ivor, in de Dhu van Tarrascleugh, anders genaamd Evan
Dhu, anders genaamd Evan Maccombich of Evan Dhu Maccombich – gij, en
ieder van u, staat terecht als schuldig aan hoogverraad. Wat hebt gij
voor uzelven in te brengen, waarom het hof geen vonnis tegen u zou
vellen, om te sterven volgens de wet?”
Zoodra de voorzittende rechter de noodlottige zwarte kap, bij het
uitspreken van een doodvonnis in gebruik, opzette, plaatste Fergus zijn
eigen muts op het hoofd, zag hem met een vasten en ernstigen blik aan,
en antwoordde met onbewogen stem: „Ik mag dit talrijk gehoor niet laten
veronderstellen, dat ik op zulk een oproeping niets heb te antwoorden.
Maar hetgeen ik te zeggen heb, zoudt gij niet dulden dat gehoord werd;
want mijn verdediging zou uw veroordeeling zijn. Ga dan, in Gods naam,
voort met te doen, wat u vrijstaat. Gisteren, en den dag te voren, hebt
gij vonnissen uitgesproken die het eerlijkste en beste bloed als water
hebben doen vloeien. – Spaar het mijne niet. Indien dat van al mijn
voorouders in mijn aderen vloeide, zou ik het in dezen strijd hebben
gewaagd.” Daarop hernam hij zijn plaats, en weigerde weder op te staan.
Evan Maccombich zag hem met grooten ernst aan, en scheen, opstaande,
verlangend om op zijn beurt te spreken; maar het gewoel in het hof, en
de moeielijkheid om te denken in een andere taal, dan die waarin hij
gewoon was zich uit te drukken, deden hem zwijgen. Er liep een gemompel
van medelijden onder de aanschouwers rond, in de overtuiging, dat de
arme kerel voornemens was zich op het gezag van zijn Opperste te
beroepen, en dat als een verschooning voor zich aan te voeren. De
rechter gebood stilte, en moedigde Evan aan, om voort te gaan.
„Ik wilde alleen zeggen, Mylord,” zeide Evan, op een toon, dien hij
voor innemend bedoelde, „dat, zoo Mylord, en het edele hof, Vich Ian
Vohr dezen enkelen keer wilden vrijlaten, en hem naar Frankrijk laten
gaan, om Koning Georges bewind niet meer te verontrusten, dat ik
verklaar dat een zestal van de besten van zijn clan gereed zullen zijn,
om in zijn plaats ter dood gebracht te worden; en zoo gij mij naar
Glennaquoich wilt laten gaan, zal ik ze u zelf halen, om onthoofd of
opgehangen te worden, en gij kunt met mij beginnen.”
In weerwil van het plechtige der gelegenheid, werd er een soort van
gelach in de zaal gehoord, over dezen vreemden voorslag. De rechter
stuitte deze onwelvoegelijkheid, en nadat Evan, met een strengen blik
in het rond had gezien, zeide hij, zoodra het gedruisch had opgehouden:
„Zoo de Saxische heeren lachen, omdat een arme kerel als ik, mij
verbeeld, dat mijn leven, of het leven van zes van mijn rang, dat van
Vich Ian Vohr opweegt, dan hebben zij naar allen schijn recht; maar zoo
zij lachen, omdat zij denken, dat ik mijn woord niet zou houden, noch
terugkomen om hem te lossen, dan kan ik hun verzekeren, dat zij noch
het hart van een Hooglander, noch de eer van een fatsoenlijk man
kennen.”
Er bestond geen lust meer tot lachen onder het gehoor, en er volgde een
doodelijke stilte.
Nu sprak de rechter over beide gevangenen het vonnis uit, door de wet
op hoogverraad gesteld, met al de daarmede gepaard gaande
schrikwekkende bijzonderheden. De voltrekking van het vonnis werd
bepaald op den volgenden dag. „Voor Fergus Mac-Ivor,” voer de rechter
voort, „kan ik geen hoop op gratie koesteren. Gij moet u tegen morgen
bereiden voor uw laatste lijden, en uw groot verhoor hier namaals.”
„Ik verlang niets anders, Mylord,” antwoordde Fergus, op denzelfden
manhaftigen en vasten toon.
Het hardvochtig gezicht van Evan, dat onophoudelijk op zijn Opperhoofd
was gevestigd geweest, werd door een traan bevochtigd. „Voor u, arme,
onwetende,” ging de rechter voort, „die, de denkbeelden volgende,
waarin gij zijt opgevoed, ons heden een treffend voorbeeld hebt
gegeven, hoe de getrouwheid, den Koning en den Staat alleen
verschuldigd, door uw ongelukkige begrippen van clanschap, is
overgebracht op een bijzonder persoon, wiens eerzucht eindigt met u tot
het werktuig zijner misdaden te maken – voor u, zeg ik, gevoel ik zoo
veel medelijden, dat, zoo gij het van u kunt verkrijgen, om gratie te
vragen, ik mijn best zal doen, om u die te bezorgen – anders –”
„Gratie! voor mij geen gratie!” riep Evan uit; „daar gij het bloed van
Vich Ian Vohr gaat vergieten, is de eenige gunst, die ik van u zou
wenschen te ontvangen, iemand te bevelen mij de handen los te maken,
mij mijn sabel terug te geven, en dan maar een minuut te blijven
zitten, waar gij zijt.”
„Brengt de gevangenen weg,” zei de rechter, „zijn bloed kome over zijn
eigen hoofd!”
Bijna verpletterd onder het gewicht zijner smartelijke gewaarwordingen,
bemerkte Eduard, dat de stroom der menigte hem reeds naar buiten op
straat had medegesleept, eer hij wist waar hij zich bevond. Zijn eerste
wensch was, Fergus nog eens te zien en te spreken. Hij deed aanzoek aan
het kasteel, waar zijn ongelukkige vriend gevangen zat, maar zag zich
den toegang geweigerd. „De groot-sheriff had den gouverneur verzocht,”
zeide een onderofficier, „om niemand bij den gevangene toe te laten,
uitgezonderd zijn biechtvader en zijn zuster.”
„En waar was Freule Mac-Ivor?” Men gaf hem haar adres. Zij was ten
huize van een achtenswaardige katholieke familie nabij Carlisle.
Van de deur van het kasteel teruggewezen, en niet wagende om aanzoek
bij den groot-sheriff of de rechters te doen, in zijn eigen slecht
aangeteekenden naam, nam hij toevlucht tot den rechtsgeleerde, die voor
Fergus was opgetreden. Deze heer zeide hem, dat men beducht was voor
den openbaren geest, en dat deze zou misleid worden indien men de
laatste oogenblikken dezer Jacobieten, door de vrienden van den
Pretendent liet beschrijven; dat daarom een besluit genomen was, om aan
alle menschen, die zich niet op bloedverwantschap konden beroepen, het
bezoeken der gevangenen te weigeren. Evenwel beloofde hij (om den
erfgenaam van Waverley-Honour te verplichten) voor hem een verlof van
toegang tot den gevangene te verkrijgen, op den volgenden morgen, eer
hem zijn ketenen zouden afgenomen worden, voor de, voltrekking van het
vonnis.
„Spreekt men dus van Fergus Mac-Ivor,” dacht Waverley, „of droom ik?
Van Fergus, den stouten, den ridderlijken, met die vrije ziel? het
verheven hoofd van een stam, die hem aanbad? Is dit de man, dien ik de
jacht heb zien aanvoeren en den aanval besturen, – de dappere, de
werkzame, de jeugdige, de edele, de lieveling der vrouwen en het
onderwerp der gezangen – is hij het, die geketend is als een
boosdoener? Die op een horde naar de gemeene galg zal worden gesleept,
om een langzamen en wreeden dood te sterven, en verminkt te worden door
den ellendigste onder de stervelingen? Van kwade voorbeduiding zeker,
was het spook, dat zulk een noodlot aan het dappere opperhoofd van
Glennaquoich boodschapte!”
Met een bevende stem verzocht hij den rechtsgeleerde, om een middel te
verzinnen, waardoor Fergus van zijn voorgenomen bezoek zou worden
verwittigd, indien hij het verlof daartoe verkrijgen mocht. Na dit
verzocht te hebben verliet hij hem, en teruggekomen in de herberg,
schreef hij een nauwelijks leesbaar briefje aan Flora Mac-Ivor, waarin
hij haar zijn voornemen te kennen gaf, om haar dien avond te bezoeken.
De bode bracht een brief terug, waarin Eduard Floras schoon, en
duidelijk schrift herkende, door een hand geschreven, die zelfs
nauwelijks scheen gebeefd te hebben, onder dit gewicht van ellende,
„Freule Flora Mac-Ivor,” zoo luidde de inhoud van den brief, „kon niet
weigeren den liefsten vriend van haar lieven broeder te zien, ook in
haar tegenwoordige omstandigheden van nooit geëvenaarde ellende.”
Toen Eduard Flora Mac-Ivors tijdelijke verblijfplaats bereikte, werd
hij terstond toegelaten. In een ruim en donker behangen vertrek zat
Flora bij een tralievenster, terwijl zij zich met het naaien van iets
onledig hield, dat naar een kleed van wit flanel geleek. Op een kleinen
afstand zat een bejaarde vrouw, oogenschijnlijk een vreemde, en tot een
geestelijke orde behoorende. Zij las in een katholiek gebedenboek; maar
legde het, toen Waverley binnen kwam, op tafel en verliet de kamer.
Flora stond op om hem te ontvangen, en reikte hem de hand; maar geen
van beide waagde het een gesprek aan te vangen. Haar schoone kleur was
geheel verdwenen, haar voorkomen aanmerkelijk vermagerd, en haar gelaat
en handen zoo wit als het zuiverste marmer, hetgeen een sterk contrast
met haar donkere kleeding en gitzwart haar opleverde. Maar onder al
deze teekenen van rouw, was er niets in haar kleeding dat men ongepast
of verwaarloosd had mogen heeten – zelfs het haar, schoon geheel zonder
sieraad, was met de gewone zorgvuldigheid opgemaakt. De eerste woorden,
die zij uitte, waren: „Hebt gij hem gezien?”
„Helaas, neen!” antwoordde. Waverley, „men heeft mij den toegang
geweigerd.”
„Deze gestrengheid is in overeenstemming met al het overige,” zeide
zij; „maar wij moeten ons onderwerpen. Zult ge nog toegang tot hem
verkrijgen, denkt ge?”
„Tegen – tegen – morgen!” zeide Waverley, maar sprak het laatste woord
zoo zacht uit, dat het bijna onverstaanbaar was.
„Ja, morgen of nooit,” zeide Flora, „tot” – voegde zij er bij, naar
boven ziende, „de tijd komt, dat wij, naar ik vertrouw, allen elkander
zullen wederzien. Maar ik hoop, dat gij hem zien zult, terwijl de aarde
hem nog draagt. Hij heeft u altoos in het diepst van zijn hart bemind,
ofschoon – maar het is dwaasheid van het verledene te spreken.”
„Inderdaad dwaasheid!” herhaalde Waverley.
„Zelfs van de toekomst, waarde vriend,” zeide Flora, „en voor zoo ver
het wereldsche gebeurtenissen betreft; want hoe dikwijls heb ik mij
niet de verschrikkelijke mogelijkheid van deze vreeselijke uitkomst
voorgesteld, hoe dikwijls mij niet ten taak gesteld te overwegen, hoe
ik mijn deel daarvan zou kunnen dragen, en toch, hoe verre zijn mijn
voorstellingen gebleven beneden de voorbeeldelooze ellende van dit
uur!”
„Waarde Flora, zoo uwe geestkracht” –
„Ja, daar schuilt het,” antwoordde zij eenigszins woest, „er huist,
mijnheer Waverley, een onrustige duivel in mijn hart, die fluistert –
maar het zou dwaasheid zijn naar hem te hooren – dat de geestkracht
waarop Flora zich verhief, haar broeder heeft – vermoord!”
„Barmhartige God! hoe kunt gij zulk een vreeselijke gedachte uiten?”
„Ja, is het niet afgrijselijk? En toch vervolgt ze mij als een spook.
Ik weet dat het niets dan ijdele verbeelding is, maar zij wil er zijn,
zij wil mij haar verschrikkingen opdringen; zij wil fluisteren dat mijn
broeder, even levendig als vurig, de veerkracht van zijn geest over
honderd voorwerpen zou verdeeld hebben. Ik was het, die hem leerde ze
te vereenigen, en alles op dit ijselijk en wanhopig spel te zetten. O,
dat ik mij herinneren kon, maar eens tegen hem gezegd te hebben: „Blijf
te huis, spaar uzelven, uw vazallen, uw leven, voor ondernemingen, die
binnen het bereik liggen van een mensch.” Maar, o mijnheer Waverley, ik
hitste zijn vurig gemoed aan, en voor de helft ten minste heeft hij
zijn ondergang aan zijn zuster te wijten!”
Dit vreeselijk denkbeeld zocht Eduard te bestrijden, door allerlei
onzamenhangende redenen, die hem maar voor den geest kwamen. Hij
herinnerde haar de beginselen, waarnaar beide het hun plicht achtten te
handelen, en waarin zij waren opgevoed.
„Denk niet, dat ik ze vergeten heb,” hernam zij, terwijl zij snel
opkeek; „ik heb geen berouw over zijn onderneming, omdat zij
berispelijk of slecht was: neen! op dat punt ben ik gewapend; maar ik
voel berouw omdat het onmogelijk was, dat zij anders kon eindigen, dan
op deze wijze.”
„Intusschen,” vervolgde Eduard, „scheen zij niet altijd zoo wanhopig en
gewaagd, en Fergus’ stoute geest zou deze zaak omhelsd hebben, of gij
het goedgekeurd hadt, of niet. Uw raad heeft alleen gediend om
standvastigheid aan zijn gedrag te verleenen, om zijn besluit
waardigheid bij te zetten, niet om het te overhaasten.” Flora had
spoedig opgehouden naar Eduard te luisteren, en was weder met haar
naald bezig.
„Herinnert gij u,” zeide zij, terwijl zij met een ijzingwekkenden
glimlach opzag, „dat gij mij eens onledig hebt gevonden met het in
gereedheid brengen van Fergus’ bruidsgeschenken, en nu naai ik zijn
bruigomskleed. Onze vrienden hier,” dus ging zij met gesmoorde
aandoening voort, „zullen gewijde aarde, in hun kapel gunnen aan de
bloedige overblijfselen van den laatsten Vich Ian Vohr. Maar ze zullen
niet allen bijeen rusten; neen, – zijn hoofd! – ik zal de laatste
jammerlijke voldoening niet hebben, om de koude lippen te kussen van
mijn lieven, lieven Fergus!”
Hier viel de ongelukkige Flora, na een paar snikken, op haar stoel in
zwijm. De dame, die zich in het voorvertrek verwijderd had, trad thans
haastig binnen, en verzocht Eduard de kamer; maar niet het huis, te
verlaten.
Toen hij, na verloop van bijna een half uur, teruggeroepen werd, bevond
hij dat Flora Mac-Ivor, door een krachtige inspanning, eenigszins tot
bedaren gekomen was. En nu waagde hij het Rose Bradwardines aanspraken
te laten gelden, om als een aangenomen zuster beschouwd te worden, die
het recht had om haar bij te staan in haar plannen voor de toekomst.
„Ik heb een brief van mijn lieve Rose gehad,” antwoordde zij, „met
hetzelfde oogmerk. De droefheid is baatzuchtig en inhalig, anders zou
ik geschreven hebben om haar te kennen te geven, dat ik, zelfs in mijn
eigene wanhoop, een zweem van genoegen smaakte, bij het vernemen van
haar gelukkige vooruitzichten, en bij het hooren dat de goede oude
Baron aan de algemeene schipbreuk is ontkomen. Geef dit aan mijn
liefste Rose; het is het eenige sieraad van waarde, dat haar arme Flora
bezit, en het was het geschenk van een vorstin.” Ze stelde hem een
doosje ter hand, dat het diamanten halssnoer bevatte, waarmede ze
gewoon was haar lokken te versieren. „Voor mij is het in het vervolg
nutteloos. De goedheid mijner vrienden heeft mij een schuilplaats
bezorgd in het klooster der Schotsche Benedictijner nonnen te Parijs.
Morgen – als ik wezenlijk morgen overleven kan – ga ik op reis, met
deze eerwaarde zuster. En nu, mijnheer Waverley, vaarwel! Moogt gij zoo
gelukkig zijn met Rose, als gij verdient; en denk soms aan de vrienden,
die gij verloren hebt. Doe geen moeite om mij weder te zien; het zou
een misplaatste vriendelijkheid wezen.”
Zij reikte Eduard de hand, waarop hij een stroom van tranen vergoot;
met bevende schreden verliet hij de kamer, en keerde naar Carlisle
terug. In de herberg vond bij een brief van zijn rechtsgeleerden
vriend, die hem berichtte, dat hij den volgenden morgen bij Fergus zou
worden toegelaten, zoodra de poorten open waren, en dat het hem vergund
zou zijn bij zijn vriend te blijven, tot de aankomst van den sheriff
het teeken zou wezen voor den noodlottigen tocht.