DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Gelukkig ’t vrijen,

Wil ’t ras gedijen.

Toen Eduard een weinig bekomen was van de eerste verrukking door deze

uitmuntende tijdingen veroorzaakt, stelde hij den heer Mackwheeble

oogenblikkelijk voor, naar het dal te gaan, om den Baron met den inhoud

er van bekend te maken. Maar de voorzichtige rentmeester merkte te

recht op, dat, zoo de Baron zich terstond in het openbaar vertoonde, de

boeren en de dorpelingen licht tot uitspattingen in het bewijzen hunner

vreugde zouden overslaan, en aanstoot geven aan „de bestaande machten,”

een soort van wezens, voor wie de rentmeester altijd een onbepaalden

eerbied koesterde. Hij sloeg dus voor, dat Waverley zich naar Janet

Gellatley begeven, en den Baron, onder bedekking van den nacht, naar

Klein Veolan brengen zou, waar hij nog eens de weelde van een goed bed

zou mogen smaken. Onderwijl, zeide hij, zou hij zelf naar kapitein

Forster gaan, hem de bescherming van den Baron toonen, en diens

toestemming vragen, om hem dien nacht te mogen herbergen. Hij zou zorg

dragen, dat er met den morgen paarden gereed waren, om hem naar Duchran

te brengen, te gelijk met den heer Stanley, „welken naam ik

veronderstel, dat gij voor het oogenblik zult behouden,” zeide de

rentmeester.

„Zeker, mijnheer Mackwheeble; maar zoudt gij heden avond niet zelf naar

het dal gaan, om uw patroon te ontmoeten?”

„Dat zou ik heel gaarne doen; en ik ben u wel zeer dankbaar, dat gij

mij aan mijn schuldigen plicht herinnert. Maar ik zal eerst na

zonsondergang van den kapitein terug zijn, en op dezen ongelegen tijd

heeft het al een kwaden naam – daar is zoo iets met de oude Janet

Gellatley, dat niet recht in den haak is. De Baron wil deze dingen niet

gelooven, maar hij is altijd onvoorzichtig en roekeloos – en nooit voor

mensch noch duivel bang geweest. Maar ik weet dat Sir George Mackenzie

zegt, dat geen godgeleerde ontkennen kan dat er toovenaars zijn, dewijl

er in den Bijbel staat: gij zult ze niet laten leven; en dat geen

rechtsgeleerde het betwijfelen kan, dewijl de wet er de doodstraf op

stelt. Dus is zoo wel de wet als het Evangelie er voor. En wilt gij aan

Leviticus geen geloof slaan, zoo moogt gij toch het wetboek gelooven. –

Maar gij kunt in dit opzicht uw eigen weg volgen; dat is Duncan

Mackwheeble onverschillig. Echter zal ik heden avond om de oude Janet

zenden; het is best die soort van lieden te vriend te houden, en ik zal

Davie noodig hebben, om het spil te draaien; want ik zal Eppie een

vette gans op tafel laten brengen voor het avondeten.”

Toen het dicht bij zonsondergang was, spoedde Waverley zich naar de

hut, en hij moest bekennen, dat het bijgeloof geen ongelukkige keus had

gedaan, wat de plaatselijke gelegenheid en het voorwerp zelf betrof om

er een denkbeeldigen schrik op te gronden. Het een en ander geleek

sprekend naar de beschrijving van Spencer:

Daar vond ze, in een diep en donker dal,

Een hut uit leem en rietwerk opgeslagen,

Omgeven door een breeden zoden wal.

Een tooverkol, met innig zelfbehagen,

Bewoonde die, als oord van weelde en lust;

Ze had zich gansch met lompen toegerust,

En scheen vrijwillig haar ellend te dragen,

Verwijderd van de wereld, opdat niet

Haar duivelskunsten en haar booze streken,

Door ’s buurmans oog ter kwader uur bespied,

Aan ’t licht gebracht, zich bitter zagen wreken

Door kracht der wet die toovnaars nooit ontziet.

Eduard trad de stulp binnen, terwijl hij zich deze regels voor den

geest riep. De arme oude Janet, gebogen door de jaren, en zwart door

den rook van haar vuur, strompelde door de hut met een berkenbezem, en

mompelde in zichzelve, terwijl zij haar haard en vloer wat reinigde, om

de door haar verwachte gasten zoo goed mogelijk te ontvangen. Het

geluid van Waverleys tred deed haar schrikken, en over alle ledematen

beven, terwijl zij een schuchteren blik op hem sloeg; zoozeer waren

haar zenuwen gespannen geweest voor de veiligheid van haar heer. Niet

zonder veel moeite deed Waverley haar begrijpen, dat de Baron nu niets

meer voor zijn persoon te vreezen had, en toen zij dit heuglijk nieuws

ten slotte gevat had, viel het even moeielijk haar te doen gelooven,

dat hij niet weder in het bezit van zijn goederen komen zou. „Dat

behoorde toch zoo,” zeide ze „hij zou ze wel weêr krijgen; niemand zou

verlangen om hem zijn eigendom te benemen, nadat men hem vergiffenis

geschonken had. En wat dien Inch-Grabbit betreft, om hem zou ik soms

wenschen een tooverheks te zijn, als ik niet vreesde, dat de Booze mij

bij het woord zou houden.” Nu gaf Waverley haar eenig geld, en beloofde

dat haar getrouwheid betoond zou worden. „Hoe kan ik beter beloond

worden, mijnheer, dan juist daardoor dat ik mijn ouden meester en

Freule Rose mag zien terug komen, om gebruik te maken van hetgeen hun

toekomt?”

Waverley nam nu afscheid van Janet, en stond spoedig weder voor de

schuilplaats van den Baron. Op een zacht gefluit, zag hij den ouden

heer het hoofd buiten het hol steken, even als een oude das, die den

omtrek verkent. „Ge zijt wat vroeg gekomen, mijn goede jongen,” zeide

hij, terwijl hij weder naar binnen klom; „ik twijfel, of de roodrokken

de taptoe reeds geslagen hebben, en vóor dien tijd zijn wij niet

veilig.”

„Goed nieuws kan nooit te vroeg gebracht worden,” zeide Waverley; en

met een onbeschrijfelijke vreugde deelde hij hem de gelukkige tijding

mede. De oude man stond een tijdlang in stille godsdienstige aandoening

verzonken, en riep toen uit: „De Heer zij geloofd! – Ik zal mijn kind

weder zien!”

„Om nooit, naar ik hoop, weder van haar te scheiden,” zeide Waverley.

„Ik vertrouw, met Gods hulp, van neen, tenzij om haar de middelen tot

haar onderhoud te verschaffen; want mijn zaken zijn in geen al te

besten toestand; maar wat beteekenen de goederen dezer wereld?”

„En indien,” zeide Waverley bedeesd, „er een middel bestond om Freule

Bradwardine tegen de wisselvalligheid der fortuin te beveiligen in den

rang, waarin ze geboren is, zoudt gij daartegen hebben, waarde Baron,

omdat het een uwer vrienden tot den gelukkigsten man op aarde maken

zou?” De Baron keerde zich om, en keek hem met grooten ernst aan. „Ja,”

ging Eduard voort, „ik zal mijn vonnis niet eer als ingetrokken

beschouwen, voordat gij mij verlof geeft, om u naar Duchran te

vergezellen, en –”

De Baron scheen al zijn waardigheid te verzamelen, om een gepast

antwoord te vinden voor iets, dat hij, op een anderen tijd, behandeld

zou hebben als een plechtige inleiding tot een voorstel van een

verbintenis tusschen de huizen van Bradwardine en Waverley. Maar al

zijn pogingen daartoe waren te vergeefs; de vader behield de overhand

op den Baron; de trotschheid op rang en geboorte was verdwenen; – in

zijn vreugdevolle verbazing hiep een lichte zenuwtrekking over zijn

gelaat, terwijl hij toegaf aan de gewaarwordingen der natuur; hij sloeg

de armen om Waverleys hals en snikte uit: „Mijn zoon, mijn zoon! als ik

de wereld had doorzocht, zou ik mijn keus tot u bepaald hebben.” Eduard

beantwoordde de omhelzing met de innigste hartelijkheid, en bewaarde

voor een poos het stilzwijgen. Eindelijk werd het door Eduard

afgebroken. „Maar Freule Bradwardine?” –

„Zij heeft nooit een anderen wil, dan dien haars ouden vaders gehad;

daarenboven gij ziet er goed uit, bezit eerlijke beginselen en zijt van

goede geboorte. – Neen, neen, zij heeft nooit een anderen dan den

mijnen gehad, en in mijn schoonste dagen had ik nooit een wenschelijker

bruidegom voor haar kunnen vinden, dan den neef van mijn uitmuntenden

ouden vriend, sir Everard. – Maar ik hoop, jongen, dat gij niet

voorbarig in deze zaak te werk gaat; ik hoop, dat gij u heb verzekerd

van de goedkeuring uwer eigene vrienden en naastbestaanden, bijzonder

van uw oom, die in loco parentis is? Laat ons dit toch niet vergeten.”

Eduard verzekerde hem, dat sir Everard er hoogelijk door vereerd zou

zijn, wanneer hij zag dat zijn aanzoek zoo vleiend werd aangenomen, en

dat het zijn volkomene goedkeuring wegdroeg; ten bewijze waarvan hij

den Baron kolonel Talbots brief ter hand stelde. Deze las dien met

groote oplettendheid. „Sir Everard,” zeide hij, „verachtte altijd den

rijkdom, in vergelijking met eer en geboorte: en, het is zoo, hij heeft

weinig reden om de Diva Pecunia zijn hof te maken. En daar die Malcolm

zich als een vadermoorder heeft doen kennen – want ik kan hem geen

anderen naam geven, wegens het van de hand doen der familiegoederen –

zou ik thans evenwel wenschen (hier vestigde de Baron zijn oogen op een

gedeelte van het dak, dat boven de boomen uitkwam) dat ik Rose het oude

nest had kunnen nalaten, met de prullen die er bij hooren. – En

evenwel,” zeide hij, terwijl hij op zachter toon voortging, „het is

misschien zoo het best; want als de baron van Bradwardine, zou ik het

licht voor mijn plicht gehouden hebben, zekere voorwaarde te stellen,

wat den naam en het wapen betreft, waarvan niemand het mij, nu als een

edele zonder land, met een dochter zonder huwelijksgoed, tot een

vergrijp kan maken wanneer ik er van afzie.”

„Nu, de Hemel zij geloofd,” dacht Eduard, „dat Sir Everard deze

bezwaren niet hoort! De drie loopende hermelijnen en de kruipende beer

hadden elkander gewis bij de ooren gekregen.” Hij verzekerde daarop den

Baron, met al het vuur van een jeugdigen minnaar, dat hij in Roses hart

en hand alleen zijn geluk zocht, en hij zich even zoo gelukkig rekende

met haars vaders eenvoudige toestemming, alsof hij zijn dochter éen

graafschap ten huwelijk had medegegeven.

Thans hadden zij Klein Veolan bereikt; de gans dampte op de tafel, en

de rentmeester zwaaide met mes en vork. Zijn patroon en hij zagen

elkander met innige blijdschap weder. Ook de keuken had haar

gezelschap. De oude Janet had bij den haard plaats genomen; Davie had,

tot zijn onsterfelijke eer, het spit gedraaid; en zelfs Ban en Buscar

werden, in de gulheid van Mackwheebles verheugd gemoed, tot aan de keel

toe met voedsel vol gepropt, en lagen thans op den vloer te snorken.

Den volgenden dag reisden de Baron en zijn jonge vriend naar Duchran,

waar de eerste verwacht werd, omdat men er onderricht was van het

welslagen der bijna eenstemmige pogingen, door de Schotsche vrienden

van het bewind ten zijnen behoeve aangewend. Deze waren zoo algemeen en

zoo krachtig geweest, dat men het bijna voor zeker hield, dat zelfs

zijn eigendommen behouden zouden geweest zijn, indien zij niet gevallen

waren in de roofzieke handen van zijn onwaardigen bloedverwant, wiens

rechten, op de misdaad van den Baron gegrond, door geen genade van de

Kroon mochten gekrenkt worden. De oude edelman zeide echter met zijn

gewone opgeruimdheid, dat hij meer in zijn schik was met den schat,

dien hij in de hoogachting zijner naburen bezat, dan hij zou geweest

zijn met een herstelling in integrum, indien deze mogelijk ware

geweest.

Wij zullen geen poging wagen, om de ontmoeting van vader en dochter te

beschrijven, die elkander zoo teeder beminden, en onder zulke

gevaarlijke omstandigheden van elkander waren gescheiden. Nog minder

zullen wij trachten Roses hoogen blos te beschrijven, bij de ontvangst

van Waverley, en alles behalve onderzoeken, of zij eenige

nieuwsgierigheid aan den dag legde, wat de bijzondere aanleiding betrof

tot zijn reize naar Schotland, in dit tijdsgewricht. Zelfs zullen wij

den lezer niet lastig vallen met de omslachtige bijzonderheden eener

vrijerij, van vóór zestig jaren. Het is genoeg te zeggen, dat, onder

zulk een nauwgezetten ceremoniemeester, als de Baron, alle dingen in

behoorlijken vorm behandeld werden. Hij nam, des morgens na hun

aankomst, zelf de taak op zich, om Rose met Waverleys aanzoek bekend te

maken, waaraan zij met een gepaste mate van maagdelijke beschroomdheid

het oor leende. Het gerucht zegt evenwel, dat Waverley, den avond te

voren, vijf minuten gevonden had, om haar te verwittigen van hetgeen er

gaande was – juist op een oogenblik, dat het gezelschap naar drie om

elkander geslingerde slangen keek, waaruit in den tuin een springende

fontein haar waterstralen opzond.

Mijn schoone lezeressen mogen het zelve beoordeelen, maar, wat mij

betreft, ik kan niet begrijpen, hoe zulk een gewichtige zaak in zulk

een kort tijdsbestek zou kunnen worden medegedeeld; althans, zij nam

een geheel uur weg op de wijze, waarop de Baron ze behandelde.

Waverley werd thans als een verklaard minnaar, in alle vormen,

beschouwd. Hij werd, door middel van lachjes en knikjes van de dame des

huizes, genoopt naast Freule Bradwardine aan tafel plaats te nemen, en

tegenover Freule Bradwardine haar maat te zijn bij het spel. Kwam hij

het vertrek in, dan was het zeker dat die van de vier jonge dames

Rubrick, welke toevallig naast Rose zat, zich herinnerde, dat zij haar

schaar of haar vingerhoed aan het andere einde van de kamer had laten

liggen, met oogmerk, om de plaats naast Freule Bradwardine voor hem

open te laten. En soms, wanneer papa en mama niet bij de hand waren, om

haar in bekoorlijke deftigheid te houden, veroorloofden de dametjes

zich wel eens eventjes tegen elkander te glimlachen. Ook had de oude

heer van Duchran nu en dan zijn aardigheden, en de oude dame haar

aanmerkingen. Zelfs de Baron kon niet altijd zijn deftigheid bewaren;

maar Rose behoefde niet verlegen te zijn voor zijn grappen, want zijn

vernuft was doorgaans in een Latijnsche kleeding gehuld. Ook de knechts

grinnikten soms vrij zichtbaar, en de meiden schaterden wel eens

tamelijk luid; in één woord, er scheen in geheel het gezin iets

geheimzinnigs in wenken en houding te heerschen. Alice Bean, het knappe

meisje uit het hol, die, sedert haars vaders „ongeluk” – zoo als zij

het noemde – bij Rose als kamenier diende, lachte en knikte om het

hardst mede, Rose en Eduard verduurden echter al deze kleine

kwellingen, zoo als andere paren vóor of na hen hebben gedaan; maar zij

vonden waarschijnlijk een of ander middel om zich schadeloos te

stellen; want over het geheel genomen, schenen zij niet bijzonder

ongelukkig te zijn, gedurende Waverleys zesdaagsch, verblijf te

Duchran.

Er werd ten slotte bepaald, dat Eduard naar Waverley-Honour zou

vertrekken, om de noodige schikkingen te maken voor zijn huwelijk.

Vervolgens zou hij zich naar Londen begeven, om de noodige maatregelen

te nemen, ter bepleiting zijner zaak, ten einde zoo spoedig mogelijk

terug te keeren, en de hand zijner verloofde te ontvangen. Hij nam zich

tevens voor, kolonel Talbot op zijn reis te bezoeken; maar bovenal was

het zijn doel, het lot van het ongelukkig opperhoofd van Glennaquoich

te leeren kennen, hem te Carlisle te gaan bezoeken, en te trachten of

er iets te doen ware, zoo niet om genade te verkrijgen, dan ten minste

verandering of verzachting van de straf waartoe hij bijna zeker zou

worden veroordeeld; en, in het ergste geval, der lijdende Flora een

schuilplaats bij Rose aan te bieden, of haar anders op alle mogelijke

wijze van dienst te zijn. Het lot van Fergus scheen moeielijk af te

wenden. Eduard had reeds gepoogd zijn vriend, kolonel Talbot, voor hem

te winnen; maar deze had, bij zijn antwoord, duidelijk te kennen

gegeven, dat zijn invloed in zaken van dezen aard geheel uitgeput was.

De kolonel bevond zich nog te Edinburgh, en was voornemens eenige

maanden dáar te blijven, ten gevolge van een aantal bezigheden hem door

den hertog van Cumberland opgedragen. Hij wachtte daar lady Emilia, wie

door de geneesheeren was aangeraden, de reis zoo langzaam mogelijk te

doen, terwijl zij haar het gebruik van geitenmelk hadden aanbevolen;

zij zou den tocht naar het noorden afleggen onder geleide van Francis

Stanley. Eduard ontmoette derhalve den kolonel te Edinburgh, en deze

wenschte hem op de hartelijkste wijze geluk met zijn aanstaand

huwelijk, en nam tevens met genoegen onderscheidene boodschappen op

zich, die onze held verplicht was hem bij zijn vertrek op te dragen.

Maar ten aanzien van Fergus was hij onverbiddelijk. Hij bewees Eduard

inderdaad, dat zijn tusschenkomst nutteloos zou zijn. Maar bovendien

bekende kolonel Talbot, dat hij, in gemoede, zijn invloed voor dezen

ongelukkige niet zou kunnen bezigen. De gerechtigheid, die eenige straf

voor degenen eischte, welke de geheele natie in vrees en rouw gedompeld

hadden, kon wellicht geen gepaster slachtoffer gekozen hebben. Hij had

de wapens opgevat met de meest volkomen kennis van den aard zijner

onderneming. Hij had zijn taak wel overwogen en er al de gevolgen van

berekend. Zijns vaders lot had hem geen vrees kunnen inboezemen; de

zachtheid der wetten, die hem in zijns vaders eigendom en rechten

hersteld had, kon hem niet vermurwen. Dat hij dapper, edelmoedig en met

een aantal goede eigenschappen bedeeld was, dit alles maakte hem

slechts te gevaarlijker; dat hij verlicht en kundig was, verhoogde

slechts het onvergefelijke zijner misdaad; dat hij een geestdrijver was

in een kwade zaak, was een oorzaak te meer om hem tot haar martelaar te

maken. Maar bovenal was hij het middel geweest, om verscheidene

honderden in het veld te brengen, die, buiten hem, nooit den vrede des

lands zouden verstoord hebben.

„Ik herhaal het,” zei de Kolonel, „dat jeugdige Opperhoofd heeft,

ofschoon de Hemel weet dat ik hem als mensch van ganscher harte

beklaag, het wanhopige spel, dat hij speelde, ten volle overwogen en

gekend. Hij dobbelde om leven of dood, om een graafschap of een graf;

en men kan hem, zonder het land onrecht te doen, niet toelaten zijn

inzet terug te nemen, omdat het lot zich tegen hem heeft verklaard.”

Dusdanig was de redeneering dier tijden, zelfs van deugdzame en

gevoelige menschen, tegenover een overwonnen vijand. Laat ons vroom

hopen, dat wij, in dit opzicht ten minste, nooit de tooneelen zullen

aanschouwen, noch de gevoelens koesteren, die zestig jaar geleden

algemeen waren in het Britsche rijk.

Waverley(#75933) · 第 143 / 156 题