Gelukkig ’t vrijen,
Wil ’t ras gedijen.
Toen Eduard een weinig bekomen was van de eerste verrukking door deze
uitmuntende tijdingen veroorzaakt, stelde hij den heer Mackwheeble
oogenblikkelijk voor, naar het dal te gaan, om den Baron met den inhoud
er van bekend te maken. Maar de voorzichtige rentmeester merkte te
recht op, dat, zoo de Baron zich terstond in het openbaar vertoonde, de
boeren en de dorpelingen licht tot uitspattingen in het bewijzen hunner
vreugde zouden overslaan, en aanstoot geven aan „de bestaande machten,”
een soort van wezens, voor wie de rentmeester altijd een onbepaalden
eerbied koesterde. Hij sloeg dus voor, dat Waverley zich naar Janet
Gellatley begeven, en den Baron, onder bedekking van den nacht, naar
Klein Veolan brengen zou, waar hij nog eens de weelde van een goed bed
zou mogen smaken. Onderwijl, zeide hij, zou hij zelf naar kapitein
Forster gaan, hem de bescherming van den Baron toonen, en diens
toestemming vragen, om hem dien nacht te mogen herbergen. Hij zou zorg
dragen, dat er met den morgen paarden gereed waren, om hem naar Duchran
te brengen, te gelijk met den heer Stanley, „welken naam ik
veronderstel, dat gij voor het oogenblik zult behouden,” zeide de
rentmeester.
„Zeker, mijnheer Mackwheeble; maar zoudt gij heden avond niet zelf naar
het dal gaan, om uw patroon te ontmoeten?”
„Dat zou ik heel gaarne doen; en ik ben u wel zeer dankbaar, dat gij
mij aan mijn schuldigen plicht herinnert. Maar ik zal eerst na
zonsondergang van den kapitein terug zijn, en op dezen ongelegen tijd
heeft het al een kwaden naam – daar is zoo iets met de oude Janet
Gellatley, dat niet recht in den haak is. De Baron wil deze dingen niet
gelooven, maar hij is altijd onvoorzichtig en roekeloos – en nooit voor
mensch noch duivel bang geweest. Maar ik weet dat Sir George Mackenzie
zegt, dat geen godgeleerde ontkennen kan dat er toovenaars zijn, dewijl
er in den Bijbel staat: gij zult ze niet laten leven; en dat geen
rechtsgeleerde het betwijfelen kan, dewijl de wet er de doodstraf op
stelt. Dus is zoo wel de wet als het Evangelie er voor. En wilt gij aan
Leviticus geen geloof slaan, zoo moogt gij toch het wetboek gelooven. –
Maar gij kunt in dit opzicht uw eigen weg volgen; dat is Duncan
Mackwheeble onverschillig. Echter zal ik heden avond om de oude Janet
zenden; het is best die soort van lieden te vriend te houden, en ik zal
Davie noodig hebben, om het spil te draaien; want ik zal Eppie een
vette gans op tafel laten brengen voor het avondeten.”
Toen het dicht bij zonsondergang was, spoedde Waverley zich naar de
hut, en hij moest bekennen, dat het bijgeloof geen ongelukkige keus had
gedaan, wat de plaatselijke gelegenheid en het voorwerp zelf betrof om
er een denkbeeldigen schrik op te gronden. Het een en ander geleek
sprekend naar de beschrijving van Spencer:
Daar vond ze, in een diep en donker dal,
Een hut uit leem en rietwerk opgeslagen,
Omgeven door een breeden zoden wal.
Een tooverkol, met innig zelfbehagen,
Bewoonde die, als oord van weelde en lust;
Ze had zich gansch met lompen toegerust,
En scheen vrijwillig haar ellend te dragen,
Verwijderd van de wereld, opdat niet
Haar duivelskunsten en haar booze streken,
Door ’s buurmans oog ter kwader uur bespied,
Aan ’t licht gebracht, zich bitter zagen wreken
Door kracht der wet die toovnaars nooit ontziet.
Eduard trad de stulp binnen, terwijl hij zich deze regels voor den
geest riep. De arme oude Janet, gebogen door de jaren, en zwart door
den rook van haar vuur, strompelde door de hut met een berkenbezem, en
mompelde in zichzelve, terwijl zij haar haard en vloer wat reinigde, om
de door haar verwachte gasten zoo goed mogelijk te ontvangen. Het
geluid van Waverleys tred deed haar schrikken, en over alle ledematen
beven, terwijl zij een schuchteren blik op hem sloeg; zoozeer waren
haar zenuwen gespannen geweest voor de veiligheid van haar heer. Niet
zonder veel moeite deed Waverley haar begrijpen, dat de Baron nu niets
meer voor zijn persoon te vreezen had, en toen zij dit heuglijk nieuws
ten slotte gevat had, viel het even moeielijk haar te doen gelooven,
dat hij niet weder in het bezit van zijn goederen komen zou. „Dat
behoorde toch zoo,” zeide ze „hij zou ze wel weêr krijgen; niemand zou
verlangen om hem zijn eigendom te benemen, nadat men hem vergiffenis
geschonken had. En wat dien Inch-Grabbit betreft, om hem zou ik soms
wenschen een tooverheks te zijn, als ik niet vreesde, dat de Booze mij
bij het woord zou houden.” Nu gaf Waverley haar eenig geld, en beloofde
dat haar getrouwheid betoond zou worden. „Hoe kan ik beter beloond
worden, mijnheer, dan juist daardoor dat ik mijn ouden meester en
Freule Rose mag zien terug komen, om gebruik te maken van hetgeen hun
toekomt?”
Waverley nam nu afscheid van Janet, en stond spoedig weder voor de
schuilplaats van den Baron. Op een zacht gefluit, zag hij den ouden
heer het hoofd buiten het hol steken, even als een oude das, die den
omtrek verkent. „Ge zijt wat vroeg gekomen, mijn goede jongen,” zeide
hij, terwijl hij weder naar binnen klom; „ik twijfel, of de roodrokken
de taptoe reeds geslagen hebben, en vóor dien tijd zijn wij niet
veilig.”
„Goed nieuws kan nooit te vroeg gebracht worden,” zeide Waverley; en
met een onbeschrijfelijke vreugde deelde hij hem de gelukkige tijding
mede. De oude man stond een tijdlang in stille godsdienstige aandoening
verzonken, en riep toen uit: „De Heer zij geloofd! – Ik zal mijn kind
weder zien!”
„Om nooit, naar ik hoop, weder van haar te scheiden,” zeide Waverley.
„Ik vertrouw, met Gods hulp, van neen, tenzij om haar de middelen tot
haar onderhoud te verschaffen; want mijn zaken zijn in geen al te
besten toestand; maar wat beteekenen de goederen dezer wereld?”
„En indien,” zeide Waverley bedeesd, „er een middel bestond om Freule
Bradwardine tegen de wisselvalligheid der fortuin te beveiligen in den
rang, waarin ze geboren is, zoudt gij daartegen hebben, waarde Baron,
omdat het een uwer vrienden tot den gelukkigsten man op aarde maken
zou?” De Baron keerde zich om, en keek hem met grooten ernst aan. „Ja,”
ging Eduard voort, „ik zal mijn vonnis niet eer als ingetrokken
beschouwen, voordat gij mij verlof geeft, om u naar Duchran te
vergezellen, en –”
De Baron scheen al zijn waardigheid te verzamelen, om een gepast
antwoord te vinden voor iets, dat hij, op een anderen tijd, behandeld
zou hebben als een plechtige inleiding tot een voorstel van een
verbintenis tusschen de huizen van Bradwardine en Waverley. Maar al
zijn pogingen daartoe waren te vergeefs; de vader behield de overhand
op den Baron; de trotschheid op rang en geboorte was verdwenen; – in
zijn vreugdevolle verbazing hiep een lichte zenuwtrekking over zijn
gelaat, terwijl hij toegaf aan de gewaarwordingen der natuur; hij sloeg
de armen om Waverleys hals en snikte uit: „Mijn zoon, mijn zoon! als ik
de wereld had doorzocht, zou ik mijn keus tot u bepaald hebben.” Eduard
beantwoordde de omhelzing met de innigste hartelijkheid, en bewaarde
voor een poos het stilzwijgen. Eindelijk werd het door Eduard
afgebroken. „Maar Freule Bradwardine?” –
„Zij heeft nooit een anderen wil, dan dien haars ouden vaders gehad;
daarenboven gij ziet er goed uit, bezit eerlijke beginselen en zijt van
goede geboorte. – Neen, neen, zij heeft nooit een anderen dan den
mijnen gehad, en in mijn schoonste dagen had ik nooit een wenschelijker
bruidegom voor haar kunnen vinden, dan den neef van mijn uitmuntenden
ouden vriend, sir Everard. – Maar ik hoop, jongen, dat gij niet
voorbarig in deze zaak te werk gaat; ik hoop, dat gij u heb verzekerd
van de goedkeuring uwer eigene vrienden en naastbestaanden, bijzonder
van uw oom, die in loco parentis is? Laat ons dit toch niet vergeten.”
Eduard verzekerde hem, dat sir Everard er hoogelijk door vereerd zou
zijn, wanneer hij zag dat zijn aanzoek zoo vleiend werd aangenomen, en
dat het zijn volkomene goedkeuring wegdroeg; ten bewijze waarvan hij
den Baron kolonel Talbots brief ter hand stelde. Deze las dien met
groote oplettendheid. „Sir Everard,” zeide hij, „verachtte altijd den
rijkdom, in vergelijking met eer en geboorte: en, het is zoo, hij heeft
weinig reden om de Diva Pecunia zijn hof te maken. En daar die Malcolm
zich als een vadermoorder heeft doen kennen – want ik kan hem geen
anderen naam geven, wegens het van de hand doen der familiegoederen –
zou ik thans evenwel wenschen (hier vestigde de Baron zijn oogen op een
gedeelte van het dak, dat boven de boomen uitkwam) dat ik Rose het oude
nest had kunnen nalaten, met de prullen die er bij hooren. – En
evenwel,” zeide hij, terwijl hij op zachter toon voortging, „het is
misschien zoo het best; want als de baron van Bradwardine, zou ik het
licht voor mijn plicht gehouden hebben, zekere voorwaarde te stellen,
wat den naam en het wapen betreft, waarvan niemand het mij, nu als een
edele zonder land, met een dochter zonder huwelijksgoed, tot een
vergrijp kan maken wanneer ik er van afzie.”
„Nu, de Hemel zij geloofd,” dacht Eduard, „dat Sir Everard deze
bezwaren niet hoort! De drie loopende hermelijnen en de kruipende beer
hadden elkander gewis bij de ooren gekregen.” Hij verzekerde daarop den
Baron, met al het vuur van een jeugdigen minnaar, dat hij in Roses hart
en hand alleen zijn geluk zocht, en hij zich even zoo gelukkig rekende
met haars vaders eenvoudige toestemming, alsof hij zijn dochter éen
graafschap ten huwelijk had medegegeven.
Thans hadden zij Klein Veolan bereikt; de gans dampte op de tafel, en
de rentmeester zwaaide met mes en vork. Zijn patroon en hij zagen
elkander met innige blijdschap weder. Ook de keuken had haar
gezelschap. De oude Janet had bij den haard plaats genomen; Davie had,
tot zijn onsterfelijke eer, het spit gedraaid; en zelfs Ban en Buscar
werden, in de gulheid van Mackwheebles verheugd gemoed, tot aan de keel
toe met voedsel vol gepropt, en lagen thans op den vloer te snorken.
Den volgenden dag reisden de Baron en zijn jonge vriend naar Duchran,
waar de eerste verwacht werd, omdat men er onderricht was van het
welslagen der bijna eenstemmige pogingen, door de Schotsche vrienden
van het bewind ten zijnen behoeve aangewend. Deze waren zoo algemeen en
zoo krachtig geweest, dat men het bijna voor zeker hield, dat zelfs
zijn eigendommen behouden zouden geweest zijn, indien zij niet gevallen
waren in de roofzieke handen van zijn onwaardigen bloedverwant, wiens
rechten, op de misdaad van den Baron gegrond, door geen genade van de
Kroon mochten gekrenkt worden. De oude edelman zeide echter met zijn
gewone opgeruimdheid, dat hij meer in zijn schik was met den schat,
dien hij in de hoogachting zijner naburen bezat, dan hij zou geweest
zijn met een herstelling in integrum, indien deze mogelijk ware
geweest.
Wij zullen geen poging wagen, om de ontmoeting van vader en dochter te
beschrijven, die elkander zoo teeder beminden, en onder zulke
gevaarlijke omstandigheden van elkander waren gescheiden. Nog minder
zullen wij trachten Roses hoogen blos te beschrijven, bij de ontvangst
van Waverley, en alles behalve onderzoeken, of zij eenige
nieuwsgierigheid aan den dag legde, wat de bijzondere aanleiding betrof
tot zijn reize naar Schotland, in dit tijdsgewricht. Zelfs zullen wij
den lezer niet lastig vallen met de omslachtige bijzonderheden eener
vrijerij, van vóór zestig jaren. Het is genoeg te zeggen, dat, onder
zulk een nauwgezetten ceremoniemeester, als de Baron, alle dingen in
behoorlijken vorm behandeld werden. Hij nam, des morgens na hun
aankomst, zelf de taak op zich, om Rose met Waverleys aanzoek bekend te
maken, waaraan zij met een gepaste mate van maagdelijke beschroomdheid
het oor leende. Het gerucht zegt evenwel, dat Waverley, den avond te
voren, vijf minuten gevonden had, om haar te verwittigen van hetgeen er
gaande was – juist op een oogenblik, dat het gezelschap naar drie om
elkander geslingerde slangen keek, waaruit in den tuin een springende
fontein haar waterstralen opzond.
Mijn schoone lezeressen mogen het zelve beoordeelen, maar, wat mij
betreft, ik kan niet begrijpen, hoe zulk een gewichtige zaak in zulk
een kort tijdsbestek zou kunnen worden medegedeeld; althans, zij nam
een geheel uur weg op de wijze, waarop de Baron ze behandelde.
Waverley werd thans als een verklaard minnaar, in alle vormen,
beschouwd. Hij werd, door middel van lachjes en knikjes van de dame des
huizes, genoopt naast Freule Bradwardine aan tafel plaats te nemen, en
tegenover Freule Bradwardine haar maat te zijn bij het spel. Kwam hij
het vertrek in, dan was het zeker dat die van de vier jonge dames
Rubrick, welke toevallig naast Rose zat, zich herinnerde, dat zij haar
schaar of haar vingerhoed aan het andere einde van de kamer had laten
liggen, met oogmerk, om de plaats naast Freule Bradwardine voor hem
open te laten. En soms, wanneer papa en mama niet bij de hand waren, om
haar in bekoorlijke deftigheid te houden, veroorloofden de dametjes
zich wel eens eventjes tegen elkander te glimlachen. Ook had de oude
heer van Duchran nu en dan zijn aardigheden, en de oude dame haar
aanmerkingen. Zelfs de Baron kon niet altijd zijn deftigheid bewaren;
maar Rose behoefde niet verlegen te zijn voor zijn grappen, want zijn
vernuft was doorgaans in een Latijnsche kleeding gehuld. Ook de knechts
grinnikten soms vrij zichtbaar, en de meiden schaterden wel eens
tamelijk luid; in één woord, er scheen in geheel het gezin iets
geheimzinnigs in wenken en houding te heerschen. Alice Bean, het knappe
meisje uit het hol, die, sedert haars vaders „ongeluk” – zoo als zij
het noemde – bij Rose als kamenier diende, lachte en knikte om het
hardst mede, Rose en Eduard verduurden echter al deze kleine
kwellingen, zoo als andere paren vóor of na hen hebben gedaan; maar zij
vonden waarschijnlijk een of ander middel om zich schadeloos te
stellen; want over het geheel genomen, schenen zij niet bijzonder
ongelukkig te zijn, gedurende Waverleys zesdaagsch, verblijf te
Duchran.
Er werd ten slotte bepaald, dat Eduard naar Waverley-Honour zou
vertrekken, om de noodige schikkingen te maken voor zijn huwelijk.
Vervolgens zou hij zich naar Londen begeven, om de noodige maatregelen
te nemen, ter bepleiting zijner zaak, ten einde zoo spoedig mogelijk
terug te keeren, en de hand zijner verloofde te ontvangen. Hij nam zich
tevens voor, kolonel Talbot op zijn reis te bezoeken; maar bovenal was
het zijn doel, het lot van het ongelukkig opperhoofd van Glennaquoich
te leeren kennen, hem te Carlisle te gaan bezoeken, en te trachten of
er iets te doen ware, zoo niet om genade te verkrijgen, dan ten minste
verandering of verzachting van de straf waartoe hij bijna zeker zou
worden veroordeeld; en, in het ergste geval, der lijdende Flora een
schuilplaats bij Rose aan te bieden, of haar anders op alle mogelijke
wijze van dienst te zijn. Het lot van Fergus scheen moeielijk af te
wenden. Eduard had reeds gepoogd zijn vriend, kolonel Talbot, voor hem
te winnen; maar deze had, bij zijn antwoord, duidelijk te kennen
gegeven, dat zijn invloed in zaken van dezen aard geheel uitgeput was.
De kolonel bevond zich nog te Edinburgh, en was voornemens eenige
maanden dáar te blijven, ten gevolge van een aantal bezigheden hem door
den hertog van Cumberland opgedragen. Hij wachtte daar lady Emilia, wie
door de geneesheeren was aangeraden, de reis zoo langzaam mogelijk te
doen, terwijl zij haar het gebruik van geitenmelk hadden aanbevolen;
zij zou den tocht naar het noorden afleggen onder geleide van Francis
Stanley. Eduard ontmoette derhalve den kolonel te Edinburgh, en deze
wenschte hem op de hartelijkste wijze geluk met zijn aanstaand
huwelijk, en nam tevens met genoegen onderscheidene boodschappen op
zich, die onze held verplicht was hem bij zijn vertrek op te dragen.
Maar ten aanzien van Fergus was hij onverbiddelijk. Hij bewees Eduard
inderdaad, dat zijn tusschenkomst nutteloos zou zijn. Maar bovendien
bekende kolonel Talbot, dat hij, in gemoede, zijn invloed voor dezen
ongelukkige niet zou kunnen bezigen. De gerechtigheid, die eenige straf
voor degenen eischte, welke de geheele natie in vrees en rouw gedompeld
hadden, kon wellicht geen gepaster slachtoffer gekozen hebben. Hij had
de wapens opgevat met de meest volkomen kennis van den aard zijner
onderneming. Hij had zijn taak wel overwogen en er al de gevolgen van
berekend. Zijns vaders lot had hem geen vrees kunnen inboezemen; de
zachtheid der wetten, die hem in zijns vaders eigendom en rechten
hersteld had, kon hem niet vermurwen. Dat hij dapper, edelmoedig en met
een aantal goede eigenschappen bedeeld was, dit alles maakte hem
slechts te gevaarlijker; dat hij verlicht en kundig was, verhoogde
slechts het onvergefelijke zijner misdaad; dat hij een geestdrijver was
in een kwade zaak, was een oorzaak te meer om hem tot haar martelaar te
maken. Maar bovenal was hij het middel geweest, om verscheidene
honderden in het veld te brengen, die, buiten hem, nooit den vrede des
lands zouden verstoord hebben.
„Ik herhaal het,” zei de Kolonel, „dat jeugdige Opperhoofd heeft,
ofschoon de Hemel weet dat ik hem als mensch van ganscher harte
beklaag, het wanhopige spel, dat hij speelde, ten volle overwogen en
gekend. Hij dobbelde om leven of dood, om een graafschap of een graf;
en men kan hem, zonder het land onrecht te doen, niet toelaten zijn
inzet terug te nemen, omdat het lot zich tegen hem heeft verklaard.”
Dusdanig was de redeneering dier tijden, zelfs van deugdzame en
gevoelige menschen, tegenover een overwonnen vijand. Laat ons vroom
hopen, dat wij, in dit opzicht ten minste, nooit de tooneelen zullen
aanschouwen, noch de gevoelens koesteren, die zestig jaar geleden
algemeen waren in het Britsche rijk.