VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Een treur’ger afscheid breekt het hart,

De doods-trom is omwonden, de baar bekleed met zwart.

Campbell.

Na een slapeloozen nacht, vond de eerste morgenstraal Waverley op de

esplanade, voor de oude Gothische poort van Carlisle-Castle. Maar hij

stapte lang, in allerlei richtingen, heen en weêr, vóor dat het uur

geslagen had, waarop, volgens de bepalingen voor de bezetting, de

poorten open gingen en de valbrug neêrgelaten werd. Hij vertoonde zijn

pas aan den sergeant van de wacht, en werd toegelaten. De plaats van

Fergus gevangenis was een donker, overwelfd vertrek in het midden van

het kasteel; het bestond uit een lompen, ouden toren, waaraan een

groote oudheid werd toegeschreven, en was omringd door buitenwerken,

die oogenschijnlijk uit den tijd van Hendrik VIII, of ongeveer dien

tijd waren. Het geknars der zware ouderwetsche grendels en boomen, die

men wegschuiven moest om Eduard binnen te laten, werd beantwoord door

het gerammel van ketenen, toen het ongelukkige Opperhoofd, vast en

zwaar geboeid, zich langs den steenen vloer zijner gevangenis

voortsleepte, om zich in de armen van zijn vriend te werpen.

„Mijn waarde Eduard,” zeide hij, op krachtigen en zelfs opgeruimden

toon, „dat is echt vriendschappelijk van u. Ik heb met het grootst

genoegen uw aanstaand geluk vernomen. En hoe gaat het met Rose, en hoe

maakt het onze wonderlijke oude vriend, de Baron? Wèl, naar ik hoop,

omdat ik u in vrijheid zie – en hoe zult gij den voorrang regelen

tusschen de drie loopende hermelijnen en den beer en den

laarzentrekker?”

„Waarde Fergus, hoe kunt ge van zulke dingen spreken, in een oogenblik

als dit?”

„Wel, zeker zijn wij Carlisle onder gelukkiger voorteekenen

binnengetrokken – op den zestienden November jongstleden, bij

voorbeeld, toen wij naast elkander er binnenrukten, en de witte vlag op

dezen ouden toren heschen. Maar, ik ben geen kind, om neêr te gaan

zitten en te schreien, omdat het geluk mij niet is nageloopen. Ik wist

welken kans ik liep; wij hebben het spel moedig gespeeld, en het

verlorene zal moedig betaald worden. En nu, laat ons, daar mijn tijd

kort is, over de dingen spreken, die mij de meeste belangstelling

inboezemen. – De Prins? is hij aan de bloedhonden ontsnapt?”

„Ja, hij is in veiligheid.”

„Ha! God zij geloofd! Vertel mij de bijzonderheden dier ontsnapping.”

Waverley verhaalde hem die merkwaardige geschiedenis, voor zoo ver ze

toen was uitgelekt, een verhaal, waarnaar Fergus met de grootste

belangstelling luisterde. Vervolgens vroeg hij naar een aantal andere

vrienden, en deed in het bijzonder onderzoek naar het lot, van zijn

eigene clanslieden. Zij hadden minder geleden dan andere stammen, die

in de zaak betrokken waren geweest; want daar zij zich, voor een groot

deel, verstrooid en naar huis begeven hadden, na de gevangenneming van

hun Opperhoofd, gelijk dit een algemeen gebruik onder de Hooglanders

was, had men hen niet gewapend aangetroffen, toen de opstand voor goed

gedempt werd, zoodat ze om die reden met minder gestrengheid behandeld

werden. Fergus vernam deze bijzonderheden met groote voldoening.

„Gij zijt rijk, Waverley,” zeide hij, „en gij zijt edelmoedig; als gij

hoort, dat deze arme Mac-Ivors verontrust worden in hun ellendige

bezittingen, door den een of anderen harden opzichter of agent van het

Bewind, herinner u dan, dat gij hun tartan hebt gedragen en een

aangenomen zoon zijt van hun geslacht. De Baron, die onze zeden kent,

en dicht bij ons land woont, zal u den tijd en de middelen wel doen

kennen, om als hun beschermer op te treden. Wilt gij dit den laatsten

Vich Ian Vohr beloven?”

Eduard, zooals men gemakkelijk denken kan, gaf zijn woord, hetwelk hij

ook zoo onbekrompen en mild gestand deed, dat zijn gedachtenis nog in

deze dalen voortleeft, onder den naam van den „Vriend der Zonen van

Ivor.”

„O, mocht het God behagen,” ging het Opperhoofd voort, „dat ik u mijn

rechten overdragen kon op de liefde en gehoorzaamheid van dit oude en

brave geslacht: – of ten minste, gelijk ik gepoogd heb, dat zij den

armen Evan overreedden, om zijn leven op de aangeboden voorwaarde aan

te nemen, en voor u te zijn, wat hij voor mij geweest is, de

goedhartigste – de braafste – de meest verknochte.”

De tranen, die zijn eigen lot hem niet in de oogen kon lokken,

stroomden ruim om dat van zijn zoogbroeder.

„Maar,” zeide hij, terwijl hij ze droogde, „dat kan niet. Gij kunt voor

hen geen Vich Ian Vohr zijn; en deze drie tooverwoorden, zeide hij,

half lachende, „zijn de eenige talisman voor hun gevoel en hun hart, en

de arme Evan moet zijn zoogbroeder in den dood volgen, gelijk hij hem

zijn geheele leven door gevolgd heeft!”

„En ik weet zeker,” zeide Maccombich, terwijl hij zich van den vloer

oprichtte, waarop hij, uit vrees van hun gesprek te storen, zoo stil

gelegen had, dat Eduard, bij de duisternis van het vertrek, zijn

tegenwoordigheid niet eens bemerkt had, – „ik weet zeker, dat Evan

nooit een beter lot wenschte noch verdiend heeft, dan juist dat van met

zijn Opperhoofd te sterven.”

„En nu,” zeide Fergus, „daar wij van de clanschap spreken – wat dunkt u

nu van de voorspelling van den Bodach Glas?” – En eer Eduard antwoorden

kon, vervolgde hij: „Ik zag hem gisteren nacht weder – hij stond

bestraald door den maneschijn, die, uit dat hooge en enge venster, op

het voeteneinde van mijn bed viel. Waarom zou ik hem vreezen, dacht ik

– morgen, – lang voor dezen tijd, – zal ik even onstoffelijk zijn als

hij. „Leugengeest,” riep ik, „zijt gij gekomen, om uw wandelingen op

aarde te besluiten, en de zegepraal te vieren over den val des laatsten

afstammelings van uw vijand?” Het spook scheen te knikken en te

glimlachen, terwijl het uit mijn gezicht verdween. Wat dunkt u er van?

– ik deed dezelfde vraag aan den priester, die een goed en verstandig

man is; hij stemde toe, dat de kerk erkende dat zulke verschijningen

mogelijk waren, maar drong er op aan, dat ik mijn geest niet zou

vermoeien met daarover te peinzen, daar ons de verbeelding zulke

vreemde streken speelt. Wat dunkt u er van?”

„Ik ben het met uw biechtvader eens!” hernam Waverley, die niets liever

wenschte dan allen redetwist over zoodanig punt op zulk een oogenblik

te vermijden. Een tik aan de deur kondigde thans dien goeden man aan,

en Eduard verwijderde zich terwijl hij den beiden gevangenen de laatste

sacramenten, volgens het Roomsche kerkgebruik, toediende.

Na verloop van een uur werd hij weder toegelaten; kort daarop kwam een

kommando soldaten met een smid, om de boeien van de beenen der

gevangenen los te klinken.

„Gij ziet,” zeide Fergus met een glimlach, „welk een compliment men aan

onze Hooglandsche spierkracht en moed maakt – wij hebben hier geketend

gelegen als wilde dieren, totdat onze beenen door kramp verlamd zijn,

en nu ze ons los maken, zenden ze zes soldaten met geladen geweren, om

te beletten, dat wij het slot stormenderhand veroveren!”

Eduard vernam later, dat deze strenge voorzorg gebezigd werd, ten

gevolge eener wanhopige poging der gevangenen, om te ontsnappen, waarin

zij op het punt waren geweest van te slagen.

Spoedig hierop riepen de trommels de bezetting onder de wapens. „Dit is

de laatste marsch!” zeide Fergus, „dien ik hooren en waaraan ik

gehoorzamen zal. En nu mijn beste, beste Eduard, laat ons, eer wij

scheiden, van Flora spreken – een onderwerp, dat de teêrste snaar

raakt, die nog in mij trilt.”

„Wij scheiden hier niet,” zeide Waverley.

„Ja, zeker, gij moet mij niet verder vergezellen. Niet, dat ik hetgeen

volgt, voor mijzelven vrees,” zeide hij met fierheid, „de natuur heeft

zoo wel haar martelingen, als de kunst, en hoe gelukkig zouden wij den

man prijzen, die aan de benauwdheden eener pijnlijke en doodelijke

ongesteldheid binnen den tijd van een half uur ontsnapte? En deze zaak

mogen ze rekken, zoo veel ze willen, langer duren kan het niet. Maar

het gezicht van hetgeen een stervende in staat is met vastberadenheid

uit te staan, zou voor een levenden vriend wel eens doodelijk kunnen

zijn. – Deze fraaie wet op het hoogverraad,” ging hij met vastheid en

bedaardheid voort, „is een der zegeningen, Eduard, waarmede uw vrij

vaderland ons arm oud Schotland heeft begunstigd, daar, naar ik hoor,

onze eigen rechtspleging veel zachter was. Wanneer er geen woeste

Hooglanders meer met zulke teedere gunsten te beweldadigen zijn, zullen

ze het uit hunne wetboeken schrappen, daar het hen gelijk stelt met een

volk van kannibalen, even als zij de zotternij zullen laten varen, van

een gevoelloos hoofd te pronk te stellen voor de oogen van het publiek.

Zij zijn niet geestig genoeg om het mijne met een papieren kroontje te

versieren; daarin zou nog iets satirieks gelegen zijn. Ik hoop evenwel,

dat ze het op de Schotsche poort zullen zetten, opdat, zelfs na mijn

dood, mijn oogen gekeerd mogen zijn naar de blauwe heuvels van mijn

vaderland, dat ik zoo hartelijk liefheb. De Baron zou er bijgevoegd

hebben:

„Moritur, et moriens dulces reminiscitur Argos.” [183]

Een beweging, en het geluid van raderen en paardenhoeven liet zich

thans op de binnenplaats van het kasteel hooren. „Ik heb u gezegd,

Eduard, dat gij mij niet moet volgen, en dit geluid herinnert mij dat

mijn uur gekomen is. Vertel mij dus, hoe gij de arme Flora gevonden

hebt?”

Waverley gaf, met een door aandoeningen afgebroken stem, verslag van de

stemming waarin hij Flora had gevonden.

„Arme Flora!” antwoordde het Opperhoofd, „ze zou haar eigen dood veel

lichter verduurd hebben dan den mijne. Gij, Waverley, zult spoedig het

geluk dat onderlinge liefde in het huwelijk schenkt, leeren kennen –

lang, lang mogen Rose en gij het genieten! – maar gij zult nooit de

reinheid van het gevoel kunnen beseffen, dat twee weezen, als Flora en

mij, verbindt, die, om zoo te zeggen alléen gelaten in de wereld, van

de vroegste kindschheid af, alles in alles voor elkander waren. Maar

haar ernstige denkbeelden van plicht en haar innige gevoelens van

gehechtheid aan het koninklijk geslacht, zullen haar geest nieuwe

krachten verleenen, nadat de folterende smart dezer scheiding bedaard

is. Zij zal dan aan Fergus denken, als aan den held van ons geslacht,

wiens daden te herdenken haar een onuitsprekelijk genot zal zijn.”

„Zal ze u dan niet eens zien? Ze scheen er op te rekenen.”

„Een noodzakelijk bedrog zal haar dit laatste verschrikkelijk afscheid

sparen. Ik zou van haar niet hebben kunnen scheiden zonder tranen, en

ik kan het denkbeeld niet dulden, dat deze lieden denken zouden, dat ze

de macht hebben mij die uit de oogen te persen. Men heeft Flora wijs

gemaakt, dat ze mij later zien zou, en deze brief, die mijn biechtvader

haar ter hand zal stellen, zal haar berichten dat alles voorbij is.”

Thans verscheen, een officier, en berichtte dat de groot-sheriff en

zijn gevolg buiten de poort van het kasteel wachtten, „om de lichamen

van Fergus en Evan Maccombich op te eischen.” „Ik kom,” antwoordde

Fergus. En terwijl hij Eduards arm greep en door Evan Dhu en den

priester werd gevolgd, daalde hij de trappen van den toren af; de stoet

werd door de soldaten gestoten. De binnenplaats was bezet met een

eskadron dragonders en een bataljon infanterie, en carré geschaard. In

het midden van hun gelederen was de slede, of horde, waarop de

gevangenen naar de plaats der terechtstelling, omtrent een kwartier ver

van Carlisle, moesten gesleept worden. Ze was zwart geverwd en met een

schimmel bespannen. Aan het eene einde van dit voertuig zat de

scherprechter, een kerel, even afzichtelijk als zijn ambt, met de

groote bijl in de hand; aan het andere einde, het dichtst bij het

paard, was een ledige plaats voor twee personen. Door den langen en

donkeren Gothisch gewelfden gang, die naar de brug geleidde, zag men

den groot-sheriff en zijn gevolg te paard, wien de etiquette, die de

burgerlijke en militaire autoriteiten van elkander scheidt, niet

toeliet nader te komen. „Geen kwade toerusting voor een laatste

tooneel,” zeide Fergus, verachtelijk glimlachende, terwijl hij een blik

op het schrikbarende toestel wierp. Evan Dhu, wiens oog op de

dragonders viel, riep met eenige verbittering: „Dit zijn dezelfde

knapen, die te Gladsmuir weg liepen, voordat wij nog een dozijn van hen

doodslaan konden. Thans zien ze er echter dapper genoeg uit.” De

priester verzocht hem te zwijgen.

Thans naderde de slede; en Fergus zich omkeerende omhelsde Waverley,

kuste hem op beide wangen, en stapte vlug naar zijn plaats. Evan zette

zich naast hem. De priester zou in een rijtuig van den katholieken heer

volgen, bij wien Flora gehuisvest was. Op het oogenblik dat Fergus met

de hand een afscheidsgroet aan Waverley toewierp, omsloten de soldaten

de slede, en de geheele stoet zette zich in beweging. Er was een

oogenblik van oponthoud aan de poort, daar de Gouverneur van het

kasteel en de groot-sheriff een kleine formaliteit verrichtten, dewijl

de militaire Officier de personen der misdadigers aan de burgerlijke

autoriteiten moest uitleveren. „Leve koning George!” riep de

groot-sheriff. Fergus richtte zich echter overeind op de slede, en

antwoordde met luide en vaste stem: „Leve koning Jacobus!” Dit waren de

laatste woorden, door Waverley uit den mond zijn vriends gehoord.

De trein zette zich op nieuw in beweging, en de slede verdween van

onder de gewelfde poort, waar ze een oogenblik had stil gehouden. De

doodsmarsch, gelijk hij genoemd wordt, liet zich toen hooren, en de

zwaarmoedige tonen vermengden zich met den klank eener doffe klok, die

in de naburige hoofdkerk geluid werd. De tonen der krijgsmuziek werden

hoe langer hoe onhoorbaarder, naar gelang de trein verder en verder

voorttrok; en weldra hoorde men niets anders dan het akelig

onheilspellend geluid van een aantal kerkklokken.

Thans waren de laatste soldaten uit het gewelf verdwenen, dat ze

gedurende verscheidene minuten waren doorgetrokken; de binnenplaats was

geheel ledig; maar Waverley stond er nog roerloos, met de oogen op den

duisteren doorgang gevestigd, waar hij zoo even den laatsten blik van

zijn vriend had opgevangen. Eindelijk vroeg hem een dienstmaagd van den

Gouverneur, door medelijden getroffen over de onuitsprekelijke smart,

die op zijn gelaat te lezen stond, of hij niet naar binnen wilde gaan

en zich een oogenblik nederzetten? Ze moest haar vraag tweemaal

herhalen, eer hij haar begreep, maar eindelijk bracht dit hem weder tot

zichzelven. Hij bedankte haar voor haar vriendelijkheid met een

vluchtige beweging, trok met de hand zijn hoed diep in de oogen, en

liep, nadat hij het kasteel verlaten had, zoo snel hij kon door de

ledige straten, tot hij zijn herberg bereikt had, waar hij op zijn

kamer vloog en de deur grendelde.

Na verloop van omstreeks anderhalf uur, die hem een eeuw van

onuitsprekelijke smart toescheen, verwittigden hem het geluid van

trommels en fluiten, die een vroolijk deuntje speelden, en het verwarde

gedruisch der menigte, waardoor thans de geheel verlaten straten gevuld

werden, dat alles voorbij was en dat het volk terugkeerde van het

ijselijk tooneel. Ik zal het niet wagen zijn aandoeningen te

beschrijven.

Des avonds bezocht hem de priester, en berichtte dat hij dit deed op

verzoek van zijn overleden vriend, om hem te verzekeren, dat Fergus

Mac-Ivor gestorven was gelijk hij geleefd had, en tot het laatste toe

zijner vriendschap was indachtig geweest. Hij voegde er bij, dat hij

ook Flora had bezocht, wier zielstoestand bedaarder scheen, nu alles

afgeloopen was. Met haar en zuster Theresia was de priester voornemens

Carlisle den volgenden dag te verlaten, en zich naar de naaste zeehaven

te begeven, waar hij naar Frankrijk wenschte scheep te gaan. Waverley

dwong dezen goeden man een ring van eenige waarde, en een som gelds aan

te nemen, om gebezigd te worden (daar hij dacht dat dit Flora aangenaam

wezen zou) tot katholieke kerkdiensten, voor de nagedachtenis van zijn

vriend. „Fungarque inani munere” [184], dacht hij, toen de geestelijke

vertrokken was. „Maar waarom zou men deze hulde aan de nagedachtenis

niet rangschikken naast andere bewijzen van liefde en genegenheid, door

alle gezindten aan de herinnering der afgestorvenen gewijd?”

Den volgenden morgen, voor dag en dauw, verliet Eduard de stad

Carlisle, met het vaste voornemen, om nooit weder een voet binnen haar

muren te zetten. Hij durfde nauwelijks omzien naar de Gothische

bolwerken van de versterkte poort. „Ze zijn hier niet,” zeide Alick

Polwarth, die de reden giste van den aarzelenden blik, door Waverley

achter zich geworpen, en die, vervuld met de gemeene zucht naar het

verschrikkelijke, met al de bijzonderheden der terechtstelling bekend

was. „De hoofden staan boven de Schotsche poort, zoo als men die noemt.

Het is jammer van Evan Dhu, die een zeer welmeenend, goedhartig mensch

was voor een Hooglander, en waarlijk, dat was de heer van Glennaquoich

ook, voor zoo ver hij geen van zijn kwade buien had.”

Waverley(#75933) · 第 145 / 156 题