Een treur’ger afscheid breekt het hart,
De doods-trom is omwonden, de baar bekleed met zwart.
Campbell.
Na een slapeloozen nacht, vond de eerste morgenstraal Waverley op de
esplanade, voor de oude Gothische poort van Carlisle-Castle. Maar hij
stapte lang, in allerlei richtingen, heen en weêr, vóor dat het uur
geslagen had, waarop, volgens de bepalingen voor de bezetting, de
poorten open gingen en de valbrug neêrgelaten werd. Hij vertoonde zijn
pas aan den sergeant van de wacht, en werd toegelaten. De plaats van
Fergus gevangenis was een donker, overwelfd vertrek in het midden van
het kasteel; het bestond uit een lompen, ouden toren, waaraan een
groote oudheid werd toegeschreven, en was omringd door buitenwerken,
die oogenschijnlijk uit den tijd van Hendrik VIII, of ongeveer dien
tijd waren. Het geknars der zware ouderwetsche grendels en boomen, die
men wegschuiven moest om Eduard binnen te laten, werd beantwoord door
het gerammel van ketenen, toen het ongelukkige Opperhoofd, vast en
zwaar geboeid, zich langs den steenen vloer zijner gevangenis
voortsleepte, om zich in de armen van zijn vriend te werpen.
„Mijn waarde Eduard,” zeide hij, op krachtigen en zelfs opgeruimden
toon, „dat is echt vriendschappelijk van u. Ik heb met het grootst
genoegen uw aanstaand geluk vernomen. En hoe gaat het met Rose, en hoe
maakt het onze wonderlijke oude vriend, de Baron? Wèl, naar ik hoop,
omdat ik u in vrijheid zie – en hoe zult gij den voorrang regelen
tusschen de drie loopende hermelijnen en den beer en den
laarzentrekker?”
„Waarde Fergus, hoe kunt ge van zulke dingen spreken, in een oogenblik
als dit?”
„Wel, zeker zijn wij Carlisle onder gelukkiger voorteekenen
binnengetrokken – op den zestienden November jongstleden, bij
voorbeeld, toen wij naast elkander er binnenrukten, en de witte vlag op
dezen ouden toren heschen. Maar, ik ben geen kind, om neêr te gaan
zitten en te schreien, omdat het geluk mij niet is nageloopen. Ik wist
welken kans ik liep; wij hebben het spel moedig gespeeld, en het
verlorene zal moedig betaald worden. En nu, laat ons, daar mijn tijd
kort is, over de dingen spreken, die mij de meeste belangstelling
inboezemen. – De Prins? is hij aan de bloedhonden ontsnapt?”
„Ja, hij is in veiligheid.”
„Ha! God zij geloofd! Vertel mij de bijzonderheden dier ontsnapping.”
Waverley verhaalde hem die merkwaardige geschiedenis, voor zoo ver ze
toen was uitgelekt, een verhaal, waarnaar Fergus met de grootste
belangstelling luisterde. Vervolgens vroeg hij naar een aantal andere
vrienden, en deed in het bijzonder onderzoek naar het lot, van zijn
eigene clanslieden. Zij hadden minder geleden dan andere stammen, die
in de zaak betrokken waren geweest; want daar zij zich, voor een groot
deel, verstrooid en naar huis begeven hadden, na de gevangenneming van
hun Opperhoofd, gelijk dit een algemeen gebruik onder de Hooglanders
was, had men hen niet gewapend aangetroffen, toen de opstand voor goed
gedempt werd, zoodat ze om die reden met minder gestrengheid behandeld
werden. Fergus vernam deze bijzonderheden met groote voldoening.
„Gij zijt rijk, Waverley,” zeide hij, „en gij zijt edelmoedig; als gij
hoort, dat deze arme Mac-Ivors verontrust worden in hun ellendige
bezittingen, door den een of anderen harden opzichter of agent van het
Bewind, herinner u dan, dat gij hun tartan hebt gedragen en een
aangenomen zoon zijt van hun geslacht. De Baron, die onze zeden kent,
en dicht bij ons land woont, zal u den tijd en de middelen wel doen
kennen, om als hun beschermer op te treden. Wilt gij dit den laatsten
Vich Ian Vohr beloven?”
Eduard, zooals men gemakkelijk denken kan, gaf zijn woord, hetwelk hij
ook zoo onbekrompen en mild gestand deed, dat zijn gedachtenis nog in
deze dalen voortleeft, onder den naam van den „Vriend der Zonen van
Ivor.”
„O, mocht het God behagen,” ging het Opperhoofd voort, „dat ik u mijn
rechten overdragen kon op de liefde en gehoorzaamheid van dit oude en
brave geslacht: – of ten minste, gelijk ik gepoogd heb, dat zij den
armen Evan overreedden, om zijn leven op de aangeboden voorwaarde aan
te nemen, en voor u te zijn, wat hij voor mij geweest is, de
goedhartigste – de braafste – de meest verknochte.”
De tranen, die zijn eigen lot hem niet in de oogen kon lokken,
stroomden ruim om dat van zijn zoogbroeder.
„Maar,” zeide hij, terwijl hij ze droogde, „dat kan niet. Gij kunt voor
hen geen Vich Ian Vohr zijn; en deze drie tooverwoorden, zeide hij,
half lachende, „zijn de eenige talisman voor hun gevoel en hun hart, en
de arme Evan moet zijn zoogbroeder in den dood volgen, gelijk hij hem
zijn geheele leven door gevolgd heeft!”
„En ik weet zeker,” zeide Maccombich, terwijl hij zich van den vloer
oprichtte, waarop hij, uit vrees van hun gesprek te storen, zoo stil
gelegen had, dat Eduard, bij de duisternis van het vertrek, zijn
tegenwoordigheid niet eens bemerkt had, – „ik weet zeker, dat Evan
nooit een beter lot wenschte noch verdiend heeft, dan juist dat van met
zijn Opperhoofd te sterven.”
„En nu,” zeide Fergus, „daar wij van de clanschap spreken – wat dunkt u
nu van de voorspelling van den Bodach Glas?” – En eer Eduard antwoorden
kon, vervolgde hij: „Ik zag hem gisteren nacht weder – hij stond
bestraald door den maneschijn, die, uit dat hooge en enge venster, op
het voeteneinde van mijn bed viel. Waarom zou ik hem vreezen, dacht ik
– morgen, – lang voor dezen tijd, – zal ik even onstoffelijk zijn als
hij. „Leugengeest,” riep ik, „zijt gij gekomen, om uw wandelingen op
aarde te besluiten, en de zegepraal te vieren over den val des laatsten
afstammelings van uw vijand?” Het spook scheen te knikken en te
glimlachen, terwijl het uit mijn gezicht verdween. Wat dunkt u er van?
– ik deed dezelfde vraag aan den priester, die een goed en verstandig
man is; hij stemde toe, dat de kerk erkende dat zulke verschijningen
mogelijk waren, maar drong er op aan, dat ik mijn geest niet zou
vermoeien met daarover te peinzen, daar ons de verbeelding zulke
vreemde streken speelt. Wat dunkt u er van?”
„Ik ben het met uw biechtvader eens!” hernam Waverley, die niets liever
wenschte dan allen redetwist over zoodanig punt op zulk een oogenblik
te vermijden. Een tik aan de deur kondigde thans dien goeden man aan,
en Eduard verwijderde zich terwijl hij den beiden gevangenen de laatste
sacramenten, volgens het Roomsche kerkgebruik, toediende.
Na verloop van een uur werd hij weder toegelaten; kort daarop kwam een
kommando soldaten met een smid, om de boeien van de beenen der
gevangenen los te klinken.
„Gij ziet,” zeide Fergus met een glimlach, „welk een compliment men aan
onze Hooglandsche spierkracht en moed maakt – wij hebben hier geketend
gelegen als wilde dieren, totdat onze beenen door kramp verlamd zijn,
en nu ze ons los maken, zenden ze zes soldaten met geladen geweren, om
te beletten, dat wij het slot stormenderhand veroveren!”
Eduard vernam later, dat deze strenge voorzorg gebezigd werd, ten
gevolge eener wanhopige poging der gevangenen, om te ontsnappen, waarin
zij op het punt waren geweest van te slagen.
Spoedig hierop riepen de trommels de bezetting onder de wapens. „Dit is
de laatste marsch!” zeide Fergus, „dien ik hooren en waaraan ik
gehoorzamen zal. En nu mijn beste, beste Eduard, laat ons, eer wij
scheiden, van Flora spreken – een onderwerp, dat de teêrste snaar
raakt, die nog in mij trilt.”
„Wij scheiden hier niet,” zeide Waverley.
„Ja, zeker, gij moet mij niet verder vergezellen. Niet, dat ik hetgeen
volgt, voor mijzelven vrees,” zeide hij met fierheid, „de natuur heeft
zoo wel haar martelingen, als de kunst, en hoe gelukkig zouden wij den
man prijzen, die aan de benauwdheden eener pijnlijke en doodelijke
ongesteldheid binnen den tijd van een half uur ontsnapte? En deze zaak
mogen ze rekken, zoo veel ze willen, langer duren kan het niet. Maar
het gezicht van hetgeen een stervende in staat is met vastberadenheid
uit te staan, zou voor een levenden vriend wel eens doodelijk kunnen
zijn. – Deze fraaie wet op het hoogverraad,” ging hij met vastheid en
bedaardheid voort, „is een der zegeningen, Eduard, waarmede uw vrij
vaderland ons arm oud Schotland heeft begunstigd, daar, naar ik hoor,
onze eigen rechtspleging veel zachter was. Wanneer er geen woeste
Hooglanders meer met zulke teedere gunsten te beweldadigen zijn, zullen
ze het uit hunne wetboeken schrappen, daar het hen gelijk stelt met een
volk van kannibalen, even als zij de zotternij zullen laten varen, van
een gevoelloos hoofd te pronk te stellen voor de oogen van het publiek.
Zij zijn niet geestig genoeg om het mijne met een papieren kroontje te
versieren; daarin zou nog iets satirieks gelegen zijn. Ik hoop evenwel,
dat ze het op de Schotsche poort zullen zetten, opdat, zelfs na mijn
dood, mijn oogen gekeerd mogen zijn naar de blauwe heuvels van mijn
vaderland, dat ik zoo hartelijk liefheb. De Baron zou er bijgevoegd
hebben:
„Moritur, et moriens dulces reminiscitur Argos.” [183]
Een beweging, en het geluid van raderen en paardenhoeven liet zich
thans op de binnenplaats van het kasteel hooren. „Ik heb u gezegd,
Eduard, dat gij mij niet moet volgen, en dit geluid herinnert mij dat
mijn uur gekomen is. Vertel mij dus, hoe gij de arme Flora gevonden
hebt?”
Waverley gaf, met een door aandoeningen afgebroken stem, verslag van de
stemming waarin hij Flora had gevonden.
„Arme Flora!” antwoordde het Opperhoofd, „ze zou haar eigen dood veel
lichter verduurd hebben dan den mijne. Gij, Waverley, zult spoedig het
geluk dat onderlinge liefde in het huwelijk schenkt, leeren kennen –
lang, lang mogen Rose en gij het genieten! – maar gij zult nooit de
reinheid van het gevoel kunnen beseffen, dat twee weezen, als Flora en
mij, verbindt, die, om zoo te zeggen alléen gelaten in de wereld, van
de vroegste kindschheid af, alles in alles voor elkander waren. Maar
haar ernstige denkbeelden van plicht en haar innige gevoelens van
gehechtheid aan het koninklijk geslacht, zullen haar geest nieuwe
krachten verleenen, nadat de folterende smart dezer scheiding bedaard
is. Zij zal dan aan Fergus denken, als aan den held van ons geslacht,
wiens daden te herdenken haar een onuitsprekelijk genot zal zijn.”
„Zal ze u dan niet eens zien? Ze scheen er op te rekenen.”
„Een noodzakelijk bedrog zal haar dit laatste verschrikkelijk afscheid
sparen. Ik zou van haar niet hebben kunnen scheiden zonder tranen, en
ik kan het denkbeeld niet dulden, dat deze lieden denken zouden, dat ze
de macht hebben mij die uit de oogen te persen. Men heeft Flora wijs
gemaakt, dat ze mij later zien zou, en deze brief, die mijn biechtvader
haar ter hand zal stellen, zal haar berichten dat alles voorbij is.”
Thans verscheen, een officier, en berichtte dat de groot-sheriff en
zijn gevolg buiten de poort van het kasteel wachtten, „om de lichamen
van Fergus en Evan Maccombich op te eischen.” „Ik kom,” antwoordde
Fergus. En terwijl hij Eduards arm greep en door Evan Dhu en den
priester werd gevolgd, daalde hij de trappen van den toren af; de stoet
werd door de soldaten gestoten. De binnenplaats was bezet met een
eskadron dragonders en een bataljon infanterie, en carré geschaard. In
het midden van hun gelederen was de slede, of horde, waarop de
gevangenen naar de plaats der terechtstelling, omtrent een kwartier ver
van Carlisle, moesten gesleept worden. Ze was zwart geverwd en met een
schimmel bespannen. Aan het eene einde van dit voertuig zat de
scherprechter, een kerel, even afzichtelijk als zijn ambt, met de
groote bijl in de hand; aan het andere einde, het dichtst bij het
paard, was een ledige plaats voor twee personen. Door den langen en
donkeren Gothisch gewelfden gang, die naar de brug geleidde, zag men
den groot-sheriff en zijn gevolg te paard, wien de etiquette, die de
burgerlijke en militaire autoriteiten van elkander scheidt, niet
toeliet nader te komen. „Geen kwade toerusting voor een laatste
tooneel,” zeide Fergus, verachtelijk glimlachende, terwijl hij een blik
op het schrikbarende toestel wierp. Evan Dhu, wiens oog op de
dragonders viel, riep met eenige verbittering: „Dit zijn dezelfde
knapen, die te Gladsmuir weg liepen, voordat wij nog een dozijn van hen
doodslaan konden. Thans zien ze er echter dapper genoeg uit.” De
priester verzocht hem te zwijgen.
Thans naderde de slede; en Fergus zich omkeerende omhelsde Waverley,
kuste hem op beide wangen, en stapte vlug naar zijn plaats. Evan zette
zich naast hem. De priester zou in een rijtuig van den katholieken heer
volgen, bij wien Flora gehuisvest was. Op het oogenblik dat Fergus met
de hand een afscheidsgroet aan Waverley toewierp, omsloten de soldaten
de slede, en de geheele stoet zette zich in beweging. Er was een
oogenblik van oponthoud aan de poort, daar de Gouverneur van het
kasteel en de groot-sheriff een kleine formaliteit verrichtten, dewijl
de militaire Officier de personen der misdadigers aan de burgerlijke
autoriteiten moest uitleveren. „Leve koning George!” riep de
groot-sheriff. Fergus richtte zich echter overeind op de slede, en
antwoordde met luide en vaste stem: „Leve koning Jacobus!” Dit waren de
laatste woorden, door Waverley uit den mond zijn vriends gehoord.
De trein zette zich op nieuw in beweging, en de slede verdween van
onder de gewelfde poort, waar ze een oogenblik had stil gehouden. De
doodsmarsch, gelijk hij genoemd wordt, liet zich toen hooren, en de
zwaarmoedige tonen vermengden zich met den klank eener doffe klok, die
in de naburige hoofdkerk geluid werd. De tonen der krijgsmuziek werden
hoe langer hoe onhoorbaarder, naar gelang de trein verder en verder
voorttrok; en weldra hoorde men niets anders dan het akelig
onheilspellend geluid van een aantal kerkklokken.
Thans waren de laatste soldaten uit het gewelf verdwenen, dat ze
gedurende verscheidene minuten waren doorgetrokken; de binnenplaats was
geheel ledig; maar Waverley stond er nog roerloos, met de oogen op den
duisteren doorgang gevestigd, waar hij zoo even den laatsten blik van
zijn vriend had opgevangen. Eindelijk vroeg hem een dienstmaagd van den
Gouverneur, door medelijden getroffen over de onuitsprekelijke smart,
die op zijn gelaat te lezen stond, of hij niet naar binnen wilde gaan
en zich een oogenblik nederzetten? Ze moest haar vraag tweemaal
herhalen, eer hij haar begreep, maar eindelijk bracht dit hem weder tot
zichzelven. Hij bedankte haar voor haar vriendelijkheid met een
vluchtige beweging, trok met de hand zijn hoed diep in de oogen, en
liep, nadat hij het kasteel verlaten had, zoo snel hij kon door de
ledige straten, tot hij zijn herberg bereikt had, waar hij op zijn
kamer vloog en de deur grendelde.
Na verloop van omstreeks anderhalf uur, die hem een eeuw van
onuitsprekelijke smart toescheen, verwittigden hem het geluid van
trommels en fluiten, die een vroolijk deuntje speelden, en het verwarde
gedruisch der menigte, waardoor thans de geheel verlaten straten gevuld
werden, dat alles voorbij was en dat het volk terugkeerde van het
ijselijk tooneel. Ik zal het niet wagen zijn aandoeningen te
beschrijven.
Des avonds bezocht hem de priester, en berichtte dat hij dit deed op
verzoek van zijn overleden vriend, om hem te verzekeren, dat Fergus
Mac-Ivor gestorven was gelijk hij geleefd had, en tot het laatste toe
zijner vriendschap was indachtig geweest. Hij voegde er bij, dat hij
ook Flora had bezocht, wier zielstoestand bedaarder scheen, nu alles
afgeloopen was. Met haar en zuster Theresia was de priester voornemens
Carlisle den volgenden dag te verlaten, en zich naar de naaste zeehaven
te begeven, waar hij naar Frankrijk wenschte scheep te gaan. Waverley
dwong dezen goeden man een ring van eenige waarde, en een som gelds aan
te nemen, om gebezigd te worden (daar hij dacht dat dit Flora aangenaam
wezen zou) tot katholieke kerkdiensten, voor de nagedachtenis van zijn
vriend. „Fungarque inani munere” [184], dacht hij, toen de geestelijke
vertrokken was. „Maar waarom zou men deze hulde aan de nagedachtenis
niet rangschikken naast andere bewijzen van liefde en genegenheid, door
alle gezindten aan de herinnering der afgestorvenen gewijd?”
Den volgenden morgen, voor dag en dauw, verliet Eduard de stad
Carlisle, met het vaste voornemen, om nooit weder een voet binnen haar
muren te zetten. Hij durfde nauwelijks omzien naar de Gothische
bolwerken van de versterkte poort. „Ze zijn hier niet,” zeide Alick
Polwarth, die de reden giste van den aarzelenden blik, door Waverley
achter zich geworpen, en die, vervuld met de gemeene zucht naar het
verschrikkelijke, met al de bijzonderheden der terechtstelling bekend
was. „De hoofden staan boven de Schotsche poort, zoo als men die noemt.
Het is jammer van Evan Dhu, die een zeer welmeenend, goedhartig mensch
was voor een Hooglander, en waarlijk, dat was de heer van Glennaquoich
ook, voor zoo ver hij geen van zijn kwade buien had.”