Nu is Cupido een eerlijk kind. – Hij vergoedt.
Shakespeare.
De heer Duncan Mackwheeble, die commissaris noch rentmeester meer was,
hoewel nog in het bezit van den blooten titel der laatste waardigheid,
was de verbanning ontgaan, door bijtijds de partij van den opstand te
verlaten, maar bovenal door zijn volslagene onbeduidendheid.
Eduard vond hem op zijn kantoor, onder papieren en rekeningen begraven.
Vóor hem stond een groote kom havermeelpap, en aan zijn linkerhand een
hoornen lepel en een flesch bier. Terwijl hij zijn oog met inspanning
over een groot rechtsgeleerd stuk liet gaan, stak hij van tijd tot tijd
een grooten lepel vol van deze voedzame spijs in zijn wijden mond. Een
tweede lijvige flesch met brandewijn, die er bij stond, gaf óf te
kennen, dat de brave rechtsgeleerde reeds zijn morgenslok had genomen,
óf dat hij voornemens was zijn pap door een afzakkertje te doen volgen,
of wellicht had men beide veronderstellingen kunnen laten gelden. Zijn
slaapmuts en nachtrok waren weleer van tartan geweest, maar, even
voorzichtig als spaarzaam, had de rentmeester ze laten verwen, opdat
haar oorspronkelijke, onheilspellende kleur, diegenen welke hem mochten
bezoeken, niet aan zijn ongelukkigen uitstap naar Derby herinneren zou.
Om zijn portret te voltooien, was zijn gelaat tot aan de oogen met
snuif, en waren zijn vingers tot aan de toppen met inkt bemorst. Hij
keek Waverley met een vragenden blik aan, toen deze het groene hekje
binnentrad, waardoor zijn tafel en stoel voor de nadering van het
gemeen beschermd werden. Niets kon den rentmeester meer kwellen, dan
als een bekende aangesproken te worden door iemand der ongelukkige
heeren, die nu voortaan veel meer bijstand schenen te zullen behoeven,
dan ze voordeel konden aanbrengen. Maar dit was de rijke jonge
Engelschman – wie wist hoe zijn toestand was? – ook was hij de vriend
van den Baron – wat hier te doen?
Deze gedachten gaven iets links en neerslachtigs aan de houding van den
armen man. Waverley, vervuld met de mededeeling, die hij doen wilde,
vond Mackwheeble’s stemming geheel in tweestrijd daarmede, zoodat hij
niet kon nalaten in een luiden lach uit te barsten, terwijl hij de
neiging onderdrukte, om met Syphax, uit Addison’s Cato, uit te roepen:
„Nu Cato is de man om hem te maken tot
Vertrouwling eens verliefden”
Daar de heer Mackwheeble zich maar niet kon verbeelden dat iemand
hartelijk lachen kon, als hij door gevaar omringd, of door armoede
gedrukt was, zoo verbande de opgeruimdheid die op Eduards gelaat te
lezen stond, eenigszins het bedrukte van zijn eigen gezicht, en terwijl
hij hem tamelijk hartelijk welkom op Klein Veolan heette, vroeg hij
waarmede hij verkoos te ontbijten. Zijn bezoeker had in de eerste
plaats, iets in het bijzonder met hem te verhandelen, en verzocht
vrijheid om den grendel op de deur te mogen schuiven. Duncan was lang
niet ingenomen met het nemen van deze voorzorg, die bewees dat er
gevaar te duchten was; maar hij kon niet terugtreden.
Overtuigd dat hij op den rentmeester kon bouwen, daar diens belang het
medebracht dat hij hem getrouw zou blijven, deelde Eduard zijn
tegenwoordigen toestand, en zijn plannen voor de toekomst, aan
Mackwheeble mede. De slimme vogel luisterde eerst met alle teekenen van
beschroomdheid, toen hem, om te beginnen, medegedeeld werd, dat
Waverley nog een staatkundige balling was – maar troostte zich
eenigszins, toen hij hoorde dat hij in het bezit van een paspoort was –
en zette groote oogen op, toen hij het schitterende zijner
vooruitzichten vernam. – Toen hij echter zijn voornemen te kennen gaf,
om zijn voorspoed met Freule Rose Bradwardine te deelen, had de
verrukking den braven man bijna van zijn zinnen beroofd. De rentmeester
sprong van zijn kantoorstoel op, gelijk de Pythonesse van haar
drievoet, smeet zijn beste pruik uit het raam, omdat de bol, waarop ze
geplaatst was, hem hinderde in zijn loop, wierp zijn muts tegen den
zolder, en ving ze in het vallen weer óp, floot Tulloch-gorum, danste
in ’t rond met onnavolgbare bevalligheid en vlugheid, en wierp zich
daarop uitgeput in een leuningstoel, onder den uitroep van: „Lady
Waverley! tien duizend pond ’s jaars, en geen duit minder! – De Heer
beware me dat ik het verstand niet verlies!”
„Amen, van ganscher harte” zeide Waverley; „maar mijnheer Mackwheeble,
laat ons thans tot de zaken overgaan.” Dit laatste woord bracht een min
of meer bedarende uitwerking teweeg; maar des rentmeesters hoofd was,
gelijk hij het zelf uitdrukte, nog „op hol.” Hij vermaakte echter zijn
pen, liniëerde een half dozijn vellen papier, met een breeden rand,
haalde Dallas van St. Martins „Stijl” van een plank, waar dat
eerbiedwaardige werk naast Stairs Instituten, Dirletons Twijfelachtige
Gevallen, Balfours Praktijk en een pak oude rekenboeken stond te
vermolmen – sloeg het boekdeel bij het artikel huwelijks-contract, op,
en maakte zich gereed om, zoo als hij het noemde, „een klein minuut op
te maken, ten einde partijen te beletten terug te treden.”
Het kostte Waverley vrij wat moeite hem aan het verstand te brengen,
dat hij een weinig overhaast te werk ging. Hij deed hem in de eerste
plaats verstaan dat hij zijn bijstand zou noodig hebben, om te weten of
zijn verblijf hier voor het oogenblik volkomen veilig was, door aan den
officier op Tully-Veolan te schrijven, „dat de heer Stanley, een
Engelsch edelman, na verwant aan kolonel Talbot, zich wegens zaken
ophield bij den heer Mackwheeble, en, daar deze met den staat des lands
bekend was, hem zijn paspoort opzond, om door kapitein Forster nagezien
te worden.” Dit had een beleefd antwoord ten gevolge van den officier,
met een uitnoodiging voor den heer Stanley, om bij hem te komen eten;
waarvoor, onder voorwendsel van bezigheden, (gelijk zich gemakkelijk
denken laat) werd bedankt.
Waverleys tweede verzoek was, dat de heer Mackwheeble een man te paard
zou afzenden naar **, de plaats, waar kolonel Talbot hem zou schrijven,
met bevel om daar zoo lang te wachten, tot de post een brief zou
brengen voor den heer Stanley, en dien met den meesten spoed naar Klein
Veolan te bezorgen. In een oogenblik was de rentmeester op weg om zijn
leerling (of knecht, zoo als hij zestig jaar geleden werd genoemd) Jock
Scriever, op te zoeken, en er was heel weinig tijd noodig om Jock op
den grijzen hit te doen stijgen.
„Draag zorg dat ge hem goed rijdt, jongetje, want hij is wat kort van
adem, sedert – hm, hm! – De Heere bewaar me! (met een zachte stem) ik
zou hebben laten uitlekken – sedert ik spoorslags reed om den Prins te
halen, ten einde Vich Ian Vohr en den heer Waverley te scheiden, en een
duchtigen val voor mijn moeite kreeg. De Heer vergeve het u! Ik had den
hals kunnen breken! – ja zeker, het was een erg ding van het begin tot
het einde; – maar dit vergoedt alles. – Lady Waverley! – tien duizend
pond ’s jaars! God zegene ons!”
„Maar ge vergeet, mijnheer Mackwheeble, dat wij de toestemming van den
Baron noodig hebben, en die van de jonge dame.” –
„Geen zwarigheid, ik sta voor hen in – ik verbind mij persoonlijk voor
beide! – Tien duizend pond ’s jaars! het slaat Balmawhapple mors dood –
éen jaar van zulke inkomsten is geheel Balmawhapple waard, met al wat
er bij behoort. De Heer make ons dankbaar!”
Om den stroom zijner aandoeningen te keeren, vroeg Eduard, of hij
sedert kort iets vernomen had van het opperhoofd van Glennaquoich?
„Geen woord,” antwoordde Mackwheeble, „dan dat hij nog in het kasteel
van Carlisle was, en spoedig op leven of dood voor de rechters zou
worden gebracht. Ik wensch het jonge heerschap geen kwaad,” zeide hij,
„maar ik hoop, dat die hem gevangen hebben, hem zullen houden, en hem
niet weer naar zijn Hooglanders laten terugkeeren, om ons te kwellen
met schatting en allerlei soort van tirannieke, gewelddadige en
ondeugende onderdrukkingen en diefstal, hetzij voor hem in eigen
persoon, hetzij voor anderen, die hij als verscheurende honden uitzond.
En als hij op deze wijze geld gewonnen had, wist hij het niet eens te
bewaren, maar smeet het die ijdele Prinses, ginds te Edinburgh, in den
schoot – wel was het: zoo gewonnen, zoo geronnen. Voor mij, ik wensch
nooit weêr een Hooglander in deze streek te zien, noch een roodrok,
noch een geweer, of het mocht zijn, om een patrijs te schieten: – het
is oud lood om oud ijzer; en hebben ze u kwaad gedaan, en al hebt ge
getuigen en vonnis en wat niet tegen hen, wat baat het u? Ze hebben
geen duit om te betalen; ge behoeft het dus niet eens te vragen.”
Onder dusdanige gesprekken, en onder het behandelen van tusschenkomende
zaken, verliep de tijd tot het middageten. Mackwheeble beloofde
intusschen dat hij het een of ander middel zou uitdenken, om Eduard,
zonder gevaar of argwaan, op Duchran, te brengen, waar Rose zich thans
ophield, hetgeen lang geen gemakkelijke taak scheen, daar de heer des
huizes een zeer ijverige voorstander van het Bewind was. Het kippenhok
was in requisitie gesteld, en de soep, en de Schotsche lamscoteletten
dampten weldra in des rentmeesters vertrekje. De kurketrekker van den
gastheer was juist in den hals van een fleschje roode wijn gestoken
(misschien wel bij gelegenheid uit de kelders van Tully-Veolan
weggekaapt), toen het gezicht van den grijzen hit, die het raam in
vollen draf voorbij rende, Mackwheeble bewoog, den wijn, hoewel met de
noodige voorzichtigheid, voor het oogenblik ter zijde te stellen. Jock
Scriever kwam binnen met een pakje voor den heer Stanley; het was
kolonel Talbots cachet; en Eduards vingers beefden, terwijl hij het
open brak. Twee officieele stukken, met alle mogelijke formaliteit
geteekend en gezegeld, vielen er uit. Ze werden haastig door den
rentmeester opgeraapt, die een natuurlijken eerbied had voor alles, wat
naar een akte geleek, en terwijl hij de titels even inzag, vielen zijn
oogen, of liever zijn bril, op: „Bescherming van wege Zijn Koninklijke
Hoogheid voor den persoon van Cosmo Comyne Bradwardine, van die plaats,
gemeenlijk genoemd Baron van Bradwardine, veroordeeld tot verbeuring
zijner goederen, wegens deelneming aan de laatste rebellie. Het andere
bleek een bescherming van gelijken inhoud te zijn voor Eduard Waverley.
– Kolonel Talbots brief luidde als volgt:
„Mijn waarde Eduard,
„Ik ben pas hier gekomen, en toch heb ik mijn zaken reeds ten einde
gebracht; het heeft mij echter eenige moeite gekost, gelijk gij hooren
zult. Ik maakte mijn opwachting bij Zijn Koninklijke Hoogheid,
onmiddellijk na mijn aankomst, en vond hem in geen zeer gunstige luim
voor mijn oogmerk. Drie of vier Schotsche heeren verlieten hem juist.
Nadat hij zich zeer beleefd omtrent mij uitgelaten had, zeide hij:
„Kunt ge u verbeelden, Talbot, dat hier een half dozijn van de
aanzienlijkste heeren en beste vrienden van het Bewind ten noorden van
de Forth geweest zijn, majoor Melville van Cairnvreckan, Rubrick van
Duchran en anderen, die mij, ten gevolge van hun lastigen aandrang,
inderdaad een bescherming voor het oogenblik en de belofte voor een
toekomstige vergiffenis hebben afgedwongen, voor dien onverbeterlijken
ouden rebel, dien ze baron van Bradwardine noemen. Ze beweren, dat zijn
verheven persoonlijk karakter, en de zachtheid, door hem jegens
diegenen van ons volk betoond, die in handen der rebellen vielen, voor
hem behooren te pleiten; inzonderheid daar het verlies van zijn
bezittingen een genoegzaam zware straf voor hem schijnt te zullen
weten. Rubrick heeft op zich genomen hem bij zich in huis te nemen, tot
de zaken in het land zullen geregeld zijn; maar het is eenigszins hard,
op die wijze gedwongen te worden, zulk een dood-vijand van het Huis van
Brunswijk vergiffenis te schenken!” Dit was geen gunstig oogenblik, om
mijn zaak bloot te leggen; ik zeide evenwel, dat ik mij verheugde te
vernemen, dat Zijn Koninklijke Hoogheid geneigd was zulke verzoeken toe
te staan, daar het gebeurde mij verstoutte, in eigen persoon een
verzoek van gelijken aard te doen. Hij keek heel donker; ik gewaagde
van de standvastig medewerking onzer drie stemmen in het Huis,
zinspeelde zediglijk op mijn verdiensten buiten ’s lands, ofschoon deze
slechts in zoo verre van waarde waren, als Zijn Koninklijke Hoogheid ze
wel had willen aannemen, terwijl ik tamelijk sterk op zijn eigene
betuigingen van vriendschap en genegenheid drukte. Hij was verlegen,
maar onverzettelijk. Ik liet het staatkundige belang doorschemeren dat
er in gelegen was, om, voor alle volgende gelegenheden, den erfgenaam
van zulk een fortuin, als dat uws ooms, aan de woelingen der
ontevredenen te ontrukken. Maar ik bracht niet den minsten indruk te
weeg. Ik sprak van de verplichting, waaronder ik jegens Sir Everhard,
en persoonlijk jegens u lag, en vroeg, als de eenige vergelding voor
mijn diensten, dat het hem behagen mocht, mij de middelen te
verschaffen om dankbaar te kunnen zijn. Ik merkte dat hij bij
voortduring weigeren wilde, en terwijl ik mijn aanstelling uit den zak
haalde, zeide ik, als een laatste toevlucht, dat, daar Zijn Koninklijke
Hoogheid, onder deze dringende omstandigheden, mij geen gunst waardig
keurde, die hij geen zwarigheid had gemaakt aan andere heeren te
verleenen, wier diensten ik bezwaarlijk kon gelooven, dat gewichtiger
waren dan de mijne, ik vergunning moest verzoeken, met de meeste
bescheidenheid om mijn aanstelling in handen van Zijn Koninklijke
Hoogheid neer te leggen, en de dienst te verlaten. Hierop was hij niet
voorbereid; hij beval mij mijn aanstelling weder op te steken; zeide
het een en ander zeer vleiends over mijn diensten, en stond mijn
verzoek toe. Gij zijt derhalve weder vrij man; en ik heb in uw naam
beloofd, dat gij u voortaan als een „zoete jongen” zult gedragen, en in
geheugen houden, wat gij aan de zachtmoedigheid van het Bewind
verschuldigd zijt. Dus ziet gij, dat mijn Prins even edelmoedig kan
zijn als de uwe. Ik beweer inderdaad niet, dat hij een gunst bewijst
met al die buitenlandsche gratie en complimenten, waardoor uw dolende
Prins zich onderscheidt; maar hij heeft eenvoudige, Engelsche manieren,
en de blijkbare tegenzin, waarmede hij uw verzoek toestaat, bewijst dat
hij zijn eigene neiging aan uw wenschen ten offer heeft gebracht. –
Mijn vriend, de Adjudant-Generaal, heeft mij een duplicaat bezorgd van
des Barons bescherming (daar het oorspronkelijke in handen is van den
majoor Melville); ik zend het u, omdat ik weet, dat, zoo gij hem vinden
kunt, het u genoegen zal doen de eerste te zijn, om hem dit heuglijk
bericht over te brengen. Hij zal natuurlijk, zonder tijdverlies, naar
Duchran vertrekken, om daar eenige dagen quarantaine te houden. Wat u
betreft, ik geef u vrijheid om hem derwaarts te vergezellen, en daar
een week te blijven, dewijl ik vernomen heb, dat zekere schoone dame in
die streek is. En ik heb het genoegen u te berichten, dat, welke
vordering gij ook in haar gunst moogt maken, dit hoogst aangenaam zal
zijn aan Sir Everhard en Freule Rachel, die u nooit voor goed gevestigd
en uw vooruitzichten voor geregeld zullen houden, noch de Drie Loopende
Hermelijnen in veiligheid, voor en aleer gij hun een mevrouw Eduard
Waverley zult voorstellen. Nu, zekere liefdezaak van mijzelven
verstoorde – een heel aantal jaren geleden – eenige maatregelen, die
toen ten beste van de Drie Loopende Hermelijnen werden voorgeslagen;
dus ben ik, als eerlijk man, verplicht, hun vergoeding te schenken.
Maak derhalve een goed gebruik van uw tijd, want als uw week verloopen
is, zal het noodig zijn, dat gij naar Londen gaat, om uw vrijspraak
voor de rechters te doen gelden. Als altijd, waarde Waverley, oprecht
en van ganscher harte de uwe,
Philips Talbot.”