TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Nu is Cupido een eerlijk kind. – Hij vergoedt.

Shakespeare.

De heer Duncan Mackwheeble, die commissaris noch rentmeester meer was,

hoewel nog in het bezit van den blooten titel der laatste waardigheid,

was de verbanning ontgaan, door bijtijds de partij van den opstand te

verlaten, maar bovenal door zijn volslagene onbeduidendheid.

Eduard vond hem op zijn kantoor, onder papieren en rekeningen begraven.

Vóor hem stond een groote kom havermeelpap, en aan zijn linkerhand een

hoornen lepel en een flesch bier. Terwijl hij zijn oog met inspanning

over een groot rechtsgeleerd stuk liet gaan, stak hij van tijd tot tijd

een grooten lepel vol van deze voedzame spijs in zijn wijden mond. Een

tweede lijvige flesch met brandewijn, die er bij stond, gaf óf te

kennen, dat de brave rechtsgeleerde reeds zijn morgenslok had genomen,

óf dat hij voornemens was zijn pap door een afzakkertje te doen volgen,

of wellicht had men beide veronderstellingen kunnen laten gelden. Zijn

slaapmuts en nachtrok waren weleer van tartan geweest, maar, even

voorzichtig als spaarzaam, had de rentmeester ze laten verwen, opdat

haar oorspronkelijke, onheilspellende kleur, diegenen welke hem mochten

bezoeken, niet aan zijn ongelukkigen uitstap naar Derby herinneren zou.

Om zijn portret te voltooien, was zijn gelaat tot aan de oogen met

snuif, en waren zijn vingers tot aan de toppen met inkt bemorst. Hij

keek Waverley met een vragenden blik aan, toen deze het groene hekje

binnentrad, waardoor zijn tafel en stoel voor de nadering van het

gemeen beschermd werden. Niets kon den rentmeester meer kwellen, dan

als een bekende aangesproken te worden door iemand der ongelukkige

heeren, die nu voortaan veel meer bijstand schenen te zullen behoeven,

dan ze voordeel konden aanbrengen. Maar dit was de rijke jonge

Engelschman – wie wist hoe zijn toestand was? – ook was hij de vriend

van den Baron – wat hier te doen?

Deze gedachten gaven iets links en neerslachtigs aan de houding van den

armen man. Waverley, vervuld met de mededeeling, die hij doen wilde,

vond Mackwheeble’s stemming geheel in tweestrijd daarmede, zoodat hij

niet kon nalaten in een luiden lach uit te barsten, terwijl hij de

neiging onderdrukte, om met Syphax, uit Addison’s Cato, uit te roepen:

„Nu Cato is de man om hem te maken tot

Vertrouwling eens verliefden”

Daar de heer Mackwheeble zich maar niet kon verbeelden dat iemand

hartelijk lachen kon, als hij door gevaar omringd, of door armoede

gedrukt was, zoo verbande de opgeruimdheid die op Eduards gelaat te

lezen stond, eenigszins het bedrukte van zijn eigen gezicht, en terwijl

hij hem tamelijk hartelijk welkom op Klein Veolan heette, vroeg hij

waarmede hij verkoos te ontbijten. Zijn bezoeker had in de eerste

plaats, iets in het bijzonder met hem te verhandelen, en verzocht

vrijheid om den grendel op de deur te mogen schuiven. Duncan was lang

niet ingenomen met het nemen van deze voorzorg, die bewees dat er

gevaar te duchten was; maar hij kon niet terugtreden.

Overtuigd dat hij op den rentmeester kon bouwen, daar diens belang het

medebracht dat hij hem getrouw zou blijven, deelde Eduard zijn

tegenwoordigen toestand, en zijn plannen voor de toekomst, aan

Mackwheeble mede. De slimme vogel luisterde eerst met alle teekenen van

beschroomdheid, toen hem, om te beginnen, medegedeeld werd, dat

Waverley nog een staatkundige balling was – maar troostte zich

eenigszins, toen hij hoorde dat hij in het bezit van een paspoort was –

en zette groote oogen op, toen hij het schitterende zijner

vooruitzichten vernam. – Toen hij echter zijn voornemen te kennen gaf,

om zijn voorspoed met Freule Rose Bradwardine te deelen, had de

verrukking den braven man bijna van zijn zinnen beroofd. De rentmeester

sprong van zijn kantoorstoel op, gelijk de Pythonesse van haar

drievoet, smeet zijn beste pruik uit het raam, omdat de bol, waarop ze

geplaatst was, hem hinderde in zijn loop, wierp zijn muts tegen den

zolder, en ving ze in het vallen weer óp, floot Tulloch-gorum, danste

in ’t rond met onnavolgbare bevalligheid en vlugheid, en wierp zich

daarop uitgeput in een leuningstoel, onder den uitroep van: „Lady

Waverley! tien duizend pond ’s jaars, en geen duit minder! – De Heer

beware me dat ik het verstand niet verlies!”

„Amen, van ganscher harte” zeide Waverley; „maar mijnheer Mackwheeble,

laat ons thans tot de zaken overgaan.” Dit laatste woord bracht een min

of meer bedarende uitwerking teweeg; maar des rentmeesters hoofd was,

gelijk hij het zelf uitdrukte, nog „op hol.” Hij vermaakte echter zijn

pen, liniëerde een half dozijn vellen papier, met een breeden rand,

haalde Dallas van St. Martins „Stijl” van een plank, waar dat

eerbiedwaardige werk naast Stairs Instituten, Dirletons Twijfelachtige

Gevallen, Balfours Praktijk en een pak oude rekenboeken stond te

vermolmen – sloeg het boekdeel bij het artikel huwelijks-contract, op,

en maakte zich gereed om, zoo als hij het noemde, „een klein minuut op

te maken, ten einde partijen te beletten terug te treden.”

Het kostte Waverley vrij wat moeite hem aan het verstand te brengen,

dat hij een weinig overhaast te werk ging. Hij deed hem in de eerste

plaats verstaan dat hij zijn bijstand zou noodig hebben, om te weten of

zijn verblijf hier voor het oogenblik volkomen veilig was, door aan den

officier op Tully-Veolan te schrijven, „dat de heer Stanley, een

Engelsch edelman, na verwant aan kolonel Talbot, zich wegens zaken

ophield bij den heer Mackwheeble, en, daar deze met den staat des lands

bekend was, hem zijn paspoort opzond, om door kapitein Forster nagezien

te worden.” Dit had een beleefd antwoord ten gevolge van den officier,

met een uitnoodiging voor den heer Stanley, om bij hem te komen eten;

waarvoor, onder voorwendsel van bezigheden, (gelijk zich gemakkelijk

denken laat) werd bedankt.

Waverleys tweede verzoek was, dat de heer Mackwheeble een man te paard

zou afzenden naar **, de plaats, waar kolonel Talbot hem zou schrijven,

met bevel om daar zoo lang te wachten, tot de post een brief zou

brengen voor den heer Stanley, en dien met den meesten spoed naar Klein

Veolan te bezorgen. In een oogenblik was de rentmeester op weg om zijn

leerling (of knecht, zoo als hij zestig jaar geleden werd genoemd) Jock

Scriever, op te zoeken, en er was heel weinig tijd noodig om Jock op

den grijzen hit te doen stijgen.

„Draag zorg dat ge hem goed rijdt, jongetje, want hij is wat kort van

adem, sedert – hm, hm! – De Heere bewaar me! (met een zachte stem) ik

zou hebben laten uitlekken – sedert ik spoorslags reed om den Prins te

halen, ten einde Vich Ian Vohr en den heer Waverley te scheiden, en een

duchtigen val voor mijn moeite kreeg. De Heer vergeve het u! Ik had den

hals kunnen breken! – ja zeker, het was een erg ding van het begin tot

het einde; – maar dit vergoedt alles. – Lady Waverley! – tien duizend

pond ’s jaars! God zegene ons!”

„Maar ge vergeet, mijnheer Mackwheeble, dat wij de toestemming van den

Baron noodig hebben, en die van de jonge dame.” –

„Geen zwarigheid, ik sta voor hen in – ik verbind mij persoonlijk voor

beide! – Tien duizend pond ’s jaars! het slaat Balmawhapple mors dood –

éen jaar van zulke inkomsten is geheel Balmawhapple waard, met al wat

er bij behoort. De Heer make ons dankbaar!”

Om den stroom zijner aandoeningen te keeren, vroeg Eduard, of hij

sedert kort iets vernomen had van het opperhoofd van Glennaquoich?

„Geen woord,” antwoordde Mackwheeble, „dan dat hij nog in het kasteel

van Carlisle was, en spoedig op leven of dood voor de rechters zou

worden gebracht. Ik wensch het jonge heerschap geen kwaad,” zeide hij,

„maar ik hoop, dat die hem gevangen hebben, hem zullen houden, en hem

niet weer naar zijn Hooglanders laten terugkeeren, om ons te kwellen

met schatting en allerlei soort van tirannieke, gewelddadige en

ondeugende onderdrukkingen en diefstal, hetzij voor hem in eigen

persoon, hetzij voor anderen, die hij als verscheurende honden uitzond.

En als hij op deze wijze geld gewonnen had, wist hij het niet eens te

bewaren, maar smeet het die ijdele Prinses, ginds te Edinburgh, in den

schoot – wel was het: zoo gewonnen, zoo geronnen. Voor mij, ik wensch

nooit weêr een Hooglander in deze streek te zien, noch een roodrok,

noch een geweer, of het mocht zijn, om een patrijs te schieten: – het

is oud lood om oud ijzer; en hebben ze u kwaad gedaan, en al hebt ge

getuigen en vonnis en wat niet tegen hen, wat baat het u? Ze hebben

geen duit om te betalen; ge behoeft het dus niet eens te vragen.”

Onder dusdanige gesprekken, en onder het behandelen van tusschenkomende

zaken, verliep de tijd tot het middageten. Mackwheeble beloofde

intusschen dat hij het een of ander middel zou uitdenken, om Eduard,

zonder gevaar of argwaan, op Duchran, te brengen, waar Rose zich thans

ophield, hetgeen lang geen gemakkelijke taak scheen, daar de heer des

huizes een zeer ijverige voorstander van het Bewind was. Het kippenhok

was in requisitie gesteld, en de soep, en de Schotsche lamscoteletten

dampten weldra in des rentmeesters vertrekje. De kurketrekker van den

gastheer was juist in den hals van een fleschje roode wijn gestoken

(misschien wel bij gelegenheid uit de kelders van Tully-Veolan

weggekaapt), toen het gezicht van den grijzen hit, die het raam in

vollen draf voorbij rende, Mackwheeble bewoog, den wijn, hoewel met de

noodige voorzichtigheid, voor het oogenblik ter zijde te stellen. Jock

Scriever kwam binnen met een pakje voor den heer Stanley; het was

kolonel Talbots cachet; en Eduards vingers beefden, terwijl hij het

open brak. Twee officieele stukken, met alle mogelijke formaliteit

geteekend en gezegeld, vielen er uit. Ze werden haastig door den

rentmeester opgeraapt, die een natuurlijken eerbied had voor alles, wat

naar een akte geleek, en terwijl hij de titels even inzag, vielen zijn

oogen, of liever zijn bril, op: „Bescherming van wege Zijn Koninklijke

Hoogheid voor den persoon van Cosmo Comyne Bradwardine, van die plaats,

gemeenlijk genoemd Baron van Bradwardine, veroordeeld tot verbeuring

zijner goederen, wegens deelneming aan de laatste rebellie. Het andere

bleek een bescherming van gelijken inhoud te zijn voor Eduard Waverley.

– Kolonel Talbots brief luidde als volgt:

„Mijn waarde Eduard,

„Ik ben pas hier gekomen, en toch heb ik mijn zaken reeds ten einde

gebracht; het heeft mij echter eenige moeite gekost, gelijk gij hooren

zult. Ik maakte mijn opwachting bij Zijn Koninklijke Hoogheid,

onmiddellijk na mijn aankomst, en vond hem in geen zeer gunstige luim

voor mijn oogmerk. Drie of vier Schotsche heeren verlieten hem juist.

Nadat hij zich zeer beleefd omtrent mij uitgelaten had, zeide hij:

„Kunt ge u verbeelden, Talbot, dat hier een half dozijn van de

aanzienlijkste heeren en beste vrienden van het Bewind ten noorden van

de Forth geweest zijn, majoor Melville van Cairnvreckan, Rubrick van

Duchran en anderen, die mij, ten gevolge van hun lastigen aandrang,

inderdaad een bescherming voor het oogenblik en de belofte voor een

toekomstige vergiffenis hebben afgedwongen, voor dien onverbeterlijken

ouden rebel, dien ze baron van Bradwardine noemen. Ze beweren, dat zijn

verheven persoonlijk karakter, en de zachtheid, door hem jegens

diegenen van ons volk betoond, die in handen der rebellen vielen, voor

hem behooren te pleiten; inzonderheid daar het verlies van zijn

bezittingen een genoegzaam zware straf voor hem schijnt te zullen

weten. Rubrick heeft op zich genomen hem bij zich in huis te nemen, tot

de zaken in het land zullen geregeld zijn; maar het is eenigszins hard,

op die wijze gedwongen te worden, zulk een dood-vijand van het Huis van

Brunswijk vergiffenis te schenken!” Dit was geen gunstig oogenblik, om

mijn zaak bloot te leggen; ik zeide evenwel, dat ik mij verheugde te

vernemen, dat Zijn Koninklijke Hoogheid geneigd was zulke verzoeken toe

te staan, daar het gebeurde mij verstoutte, in eigen persoon een

verzoek van gelijken aard te doen. Hij keek heel donker; ik gewaagde

van de standvastig medewerking onzer drie stemmen in het Huis,

zinspeelde zediglijk op mijn verdiensten buiten ’s lands, ofschoon deze

slechts in zoo verre van waarde waren, als Zijn Koninklijke Hoogheid ze

wel had willen aannemen, terwijl ik tamelijk sterk op zijn eigene

betuigingen van vriendschap en genegenheid drukte. Hij was verlegen,

maar onverzettelijk. Ik liet het staatkundige belang doorschemeren dat

er in gelegen was, om, voor alle volgende gelegenheden, den erfgenaam

van zulk een fortuin, als dat uws ooms, aan de woelingen der

ontevredenen te ontrukken. Maar ik bracht niet den minsten indruk te

weeg. Ik sprak van de verplichting, waaronder ik jegens Sir Everhard,

en persoonlijk jegens u lag, en vroeg, als de eenige vergelding voor

mijn diensten, dat het hem behagen mocht, mij de middelen te

verschaffen om dankbaar te kunnen zijn. Ik merkte dat hij bij

voortduring weigeren wilde, en terwijl ik mijn aanstelling uit den zak

haalde, zeide ik, als een laatste toevlucht, dat, daar Zijn Koninklijke

Hoogheid, onder deze dringende omstandigheden, mij geen gunst waardig

keurde, die hij geen zwarigheid had gemaakt aan andere heeren te

verleenen, wier diensten ik bezwaarlijk kon gelooven, dat gewichtiger

waren dan de mijne, ik vergunning moest verzoeken, met de meeste

bescheidenheid om mijn aanstelling in handen van Zijn Koninklijke

Hoogheid neer te leggen, en de dienst te verlaten. Hierop was hij niet

voorbereid; hij beval mij mijn aanstelling weder op te steken; zeide

het een en ander zeer vleiends over mijn diensten, en stond mijn

verzoek toe. Gij zijt derhalve weder vrij man; en ik heb in uw naam

beloofd, dat gij u voortaan als een „zoete jongen” zult gedragen, en in

geheugen houden, wat gij aan de zachtmoedigheid van het Bewind

verschuldigd zijt. Dus ziet gij, dat mijn Prins even edelmoedig kan

zijn als de uwe. Ik beweer inderdaad niet, dat hij een gunst bewijst

met al die buitenlandsche gratie en complimenten, waardoor uw dolende

Prins zich onderscheidt; maar hij heeft eenvoudige, Engelsche manieren,

en de blijkbare tegenzin, waarmede hij uw verzoek toestaat, bewijst dat

hij zijn eigene neiging aan uw wenschen ten offer heeft gebracht. –

Mijn vriend, de Adjudant-Generaal, heeft mij een duplicaat bezorgd van

des Barons bescherming (daar het oorspronkelijke in handen is van den

majoor Melville); ik zend het u, omdat ik weet, dat, zoo gij hem vinden

kunt, het u genoegen zal doen de eerste te zijn, om hem dit heuglijk

bericht over te brengen. Hij zal natuurlijk, zonder tijdverlies, naar

Duchran vertrekken, om daar eenige dagen quarantaine te houden. Wat u

betreft, ik geef u vrijheid om hem derwaarts te vergezellen, en daar

een week te blijven, dewijl ik vernomen heb, dat zekere schoone dame in

die streek is. En ik heb het genoegen u te berichten, dat, welke

vordering gij ook in haar gunst moogt maken, dit hoogst aangenaam zal

zijn aan Sir Everhard en Freule Rachel, die u nooit voor goed gevestigd

en uw vooruitzichten voor geregeld zullen houden, noch de Drie Loopende

Hermelijnen in veiligheid, voor en aleer gij hun een mevrouw Eduard

Waverley zult voorstellen. Nu, zekere liefdezaak van mijzelven

verstoorde – een heel aantal jaren geleden – eenige maatregelen, die

toen ten beste van de Drie Loopende Hermelijnen werden voorgeslagen;

dus ben ik, als eerlijk man, verplicht, hun vergoeding te schenken.

Maak derhalve een goed gebruik van uw tijd, want als uw week verloopen

is, zal het noodig zijn, dat gij naar Londen gaat, om uw vrijspraak

voor de rechters te doen gelden. Als altijd, waarde Waverley, oprecht

en van ganscher harte de uwe,

Philips Talbot.”

Waverley(#75933) · 第 142 / 156 题