MEER OPHELDERING.

Met het aanbreken van den dag maakte de oude Janet allerhande rumoer in

huis, om den Baron, die doorgaans zeer vast en zwaar sliep, te wekken.

„Ik moet naar mijn hol terug,” zeide hij tot Waverley: „wilt gij met

mij gaan naar beneden in het dal?”

Zij gingen te zamen naar buiten, en volgden een smal voetpad, dat door

hengelaars of houthakkers, in het kreupelhout, ter zijde van den stroom

gebaand was. Onderweg verklaarde de Baron aan Waverley, dat hij geen

gevaar te vreezen had, indien hij een dag of wat op Tully-Veolan bleef,

al zag men hem daar zelfs rond wandelen, indien hij maar de

voorzichtigheid gebruikte van voor te geven, dat hij naar het landgoed

kwam, als agent of zaakwaarnemer van een Engelschen heer, die

voornemens was het te koopen. Met dit inzicht spoorde hij hem aan, den

rentmeester een bezoek te brengen, die nog op het huis, klein Veolan

geheeten, omtrent een kwartier van het slot, woonde, ofschoon hij het

binnen kort verlaten moest. Stanleys paspoort zou een voldoend antwoord

zijn voor den officier, die de militairen kommandeerde; en wat dezen of

genen van het landvolk, die Waverley herkennen mocht betrof, zoo

verzekerde hem de Baron, dat er niet het minste gevaar bestond, dat hij

door hen zou worden verraden.

„Ik geloof zeker, dat de helft van het volk op de baronie,” zei de oude

man, „weet, dat hun oude heer hier ergens in den omtrek is; want naar

ik merk, dulden zij niet zelfs dat een kind hier heen komt om

vogelnestjes te zoeken, iets dat ik, toen ik in het volle bezit van

mijn macht als Baron was, niet in staat was geheel en al te beletten.

Ja, dikwijls vind ik het een en ander op mijn weg, dat de arme

schepsels, God zegene hen! daar neêrleggen, omdat zij begrijpen, dat

het mij van dienst zou kunnen zijn. Ik hoop dat zij een wijzer en niet

minder goeden meester zullen krijgen, dan ik.”

Een onwillekeurige zucht besloot dit gezegde; maar er lag in de kalme

gelijkmoedigheid, waarmede de Baron zijn rampen verduurde, iets

eerbiedwekkends, ja zelfs verhevens. Men hoorde geen vruchteloos

klagen, noch luidruchtige treurigheid; hij droeg zijn lot en de

daarmede verbonden bezwaren met een opgeruimde ofschoon ernstige

berusting, en veroorloofde zich nooit eenigen hevigen uitval tegen de

bovendrijvende partij.

„Ik heb gedaan wat ik als mijn plicht beschouwde,” zeide de goede oude

man, „en buiten twijfel doen zij, wat zij voor den hunne houden. Het

doet mij somtijds wel zeer, op deze zwartgebrande muren van het huis

mijner voorouders te staren; maar men weet dat officieren de hand van

den soldaat niet altijd in bedwang kunnen houden, en roof en plundering

tegengaan. Zelfs Gustaaf Adolf, zooals gij lezen kunt in Kolonel

Munro’s Tocht met het brave Schotsche regiment, „Mackay’s regiment”

genoemd, stond soms de plundering toe. Ik heb zelf inderdaad elders

even treurige tooneelen van verwoesting gezien, als Tully-Veolan nu

oplevert, toen ik onder den maarschalk hertog van Berwick diende.

Voorwaar, wij mogen met Virgilius Maro zeggen, Fuimus Troës [181] – en

ziedaar het einde van een oud liedje. Maar huizen en families en mannen

hebben lang genoeg bestaan, wanneer ze staan tot zij met eere vallen;

en nu heb ik een huis gekregen, dat niet kwalijk gelijkt naar een domus

ultima.” [182] – zij waren nu tot den voet eener steile rots genaderd –

„Wij, arme Jacobieten,” dus ging de Baron voort, terwijl hij de oogen

opsloeg, „wij zijn nu gelijk de konijnen in de H. Schrift, (die de

groote reiziger Pococke „jerbous” noemt) een zwak ras, dat zijn nest in

de rotsen maakt. En nu; vaarwel, mijn beste jongen, tot wij elkander

van avond bij Janet ontmoeten; want ik moet maken dat ik in mijn Patmos

kom, wat niet al te gemakkelijk werk is voor mijn oude stijve leden.”

Dit zeggende begon hij de rots op te klimmen, terwijl hij zich met de

handen steunde, om van de eene gevaarlijke trede naar de andere te

komen, tot hij omtrent halverwege was, waar twee of drie struiken den

ingang bedekten van een hol, hetwelk geheel en al naar een oven geleek,

waar de Baron eerst zijn hoofd en schouders, en vervolgens, ofschoon

vrij langzaam, het overige van zijn lichaam in bracht, terwijl de

beenen en voeten het laatst verdwenen – gelijk aan een groote slang,

die haar schuilplaats binnenkruipt, of aan een langen stamboom, dien

men met moeite in het enge loket, van een ouderwetschen secretaire

wegbergt. Waverley had de nieuwsgierigheid om naar boven te klimmen, en

naar hem in zijn spelonk te zien, gelijk deze schuilplaats wel mocht

heeten. Over het geheel zag zij er wel eenigszins uit als dat vernuftig

stukje speelgoed, dat men een haspel in een flesch noemt, en de

bewondering der kinderen opwekt, (en van sommige volwassenen, ook van

mijzelven bijvoorbeeld) die het geheim niet kunnen vatten, hoe het er

in gekomen is, of hoe het er uit is te nemen. Het hol was zeer nauw en

zoo laag dat hij er niet staan, en nauwelijks zitten kon, hoewel hij

eindelijk na eenige vergeefsche pogingen daarin slaagde. Zijn eenig

vermaak bestond in het lezen van zijn ouden vriend Titus Livius,

tusschenbeide afgewisseld door op den zolder en de muren zijner

vesting, die van zandsteen waren, met zijn mes Latijnsche spreuken en

teksten uit de H. Schrift te snijden. Daar het hol droog en met zuiver

stroo en gedroogd varenkruid gevuld was, „zoo vormde het,” naar hij

zeide, terwijl hij deed alsof hij zich er geheel op zijn gemak bevond,

– wat wonderlijk afstak bij zijn werkelijken toestand, – „een zeer

dragelijk leger voor een oud soldaat, behalve als de wind vlak uit het

noorden blies.” Ook ontbrak het hem niet aan schildwachten, die op

verkenning uitgingen, gelijk hij aanmerkte. Davie en zijn moeder lagen

aanhoudend op den loer, om op alle gevaren te letten en ze af te

wenden; en men stond verbaasd over de behendigheid, waarmede de

instinctmatige gehechtheid van den armen onnoozele hem scheen te

bezielen, als het de veiligheid van zijn heer gold.

Thans zocht Eduard een ontmoeting met Janet. Hij had haar, op het

eerste gezicht, herkend als de oude vrouw, die hem gedurende zijn

ziekte had opgepast, nadat hij uit de handen van Gilfillan verlost was.

Ook de hut, hoewel een weinig opgeknapt en iets beter gemeubeld, was

ongetwijfeld de plaats waar men hem had opgesloten. Hij herinnerde zich

nu insgelijks op de Gemeenteweide van Tully-Veolan den stam van een

grooten boom, „de minnaars-boom” genoemd, dien hij ontegenzeggelijk

voor denzelfden hield, waarbij de Hooglanders, op dien merkwaardigen

nacht, bijeen kwamen. Zijn verbeelding had den avond te voren dit alles

reeds met elkander in verband gebracht; maar redenen, die de lezer

waarschijnlijk wel zal kunnen gissen, beletten hem Janet in

tegenwoordigheid van den Baron onder handen te nemen.

Thans vatte hij deze taak in goeden ernst op, en zijn eerste vraag

luidde: „wie de jonge dame was, die de hut gedurende zijn ziekte

bezocht had?” Janet zweeg eenigen tijd, en maakte vervolgens de

opmerking, dat het geheimhouden der zaak thans niemand goed of kwaad

zou doen.

„Het was een dame,” zeide zij, „die haars gelijke in de wereld niet

heeft – Freule Rose Bradwardine.”

„Dan was Freule Rose Bradwardine waarschijnlijk ook de oorzaak van mijn

bevrijding,” zeide Waverley, verrukt over de bevestiging van een

denkbeeld, hetwelk de plaatselijke omstandigheden bij hem opgewekt

hadden.

„Ik weet zeer goed, mijnheer Waverley, dat zij zelve het was; maar

heel, heel boos en beleedigd zou zij geweest zijn, het arme schepsel,

als zij had kunnen gissen, dat gij ooit een woord van de zaak zoudt

weten; want zij gebood mij altijd Gaelsch te spreken, als gij er bij

waart, om u in den waan te brengen, dat wij in de Hooglanden waren. Ik

kan vrij wel met die taal terecht, want mijn moeder was een

Hooglandsche.”

Nog eenige weinige vragen brachten het geheele geheim aan den dag van

Waverleys bevrijding uit den staat van gevangenschap, waarin hij

Cairnvreckan verliet. Nooit klonk eenige muziek zoeter in het oor eens

kenners, dan de vreeselijke langdradigheid, waarmede de oude Janet

iedere omstandigheid beschreef, Waverleys ooren verrukte. Maar daar de

lezer niet verliefd is, moet ik zijn geduld ontzien, en trachten

hetzelfde verhaal dat de oude Janet in een rede van bijna twee uren

mededeelde, binnen een betamelijken omvang te beperken.

Toen Waverley aan Fergus den brief voorlas, dien hij, door Davie

Gellatley, van Rose Bradwardine ontvangen had, en waarin hem bericht

werd dat Tully-Veolan door een kleinen hoop soldaten bezet was, had

deze omstandigheid den levendigen en werkzamen geest van het Opperhoofd

getroffen. Daar hij verlangde de posten van den vijand te verontrusten

en terug te drijven, alsmede het leggen eener bezetting zoo zeer in

zijn eigene buurt wenschte te voorkomen, en hij te gelijk den Baron

wilde verplichten, – want het denkbeeld van een huwelijk met Rose

zweefde hem vaak voor den geest – besloot hij eenigen van zijn clan te

zenden om de roodrokken te verjagen en Rose naar Glennaquoich over te

brengen. Maar juist toen hij Evan met een kleine afdeeling bevel had

gegeven tot deze onderneming, noodzaakte hem de tijding, dat Cope de

Hooglanden was binnengerukt, ten einde de troepen van den Prins,

alvorens deze zich verzamelden, te ontmoeten en te verstrooien, – zich

met zijn geheele macht bij den standaard van Karel Eduard te voegen.

Voor dat Fergus vertrok, zond hij een bevel aan Donald Bean om zich bij

hem te voegen; maar de sluwe vrijbuiter, die maar al te zeer de waarde

van een afzonderlijk kommando kende, zond, in plaats van hem te

gehoorzamen, eenige verontschuldiging, waarmede Fergus in den nood van

het oogenblik, verplicht was genoegen te nemen, hetgeen hij evenwel

niet deed zonder het heimelijk besluit, om, te gelegener tijd en

plaats, wraak te nemen over dit uitstel. Daar hij echter aan de zaak

niets veranderen kon, zond hij bevel aan Donald, om naar de Laaglanden

af te zakken, de soldaten van Tully-Veolan te verdrijven, de woning van

den Baron te ontzien, zich ergens in de nabijheid, tot bescherming van

diens dochter en familie, te vestigen, en eindelijk om de detachementen

gewapende vrijwilligers en soldaten, die hij in de buurt mocht

ontmoeten, te verontrusten en te verjagen.

Daar deze last zeer onbepaald was, nam Donald zich voor dien op de

voordeeligste wijze voor zichzelven uit te leggen, en daar hij niet

meer in bedwang gehouden werd door de nabijheid van Fergus, dewijl hij,

daarenboven uit hoofde van vroegere geheime diensten eenigen invloed in

den raad des Prinsen bezat, besloot hij het ijzer te smeden, terwijl

het heet was. Het kostte hem dan niet veel moeite, de krijgslieden van

Tully-Veolan te verjagen; maar hoewel hij het niet waagde, eenigen

inbreuk te maken op de rust van het gezin, noch Freule Rose lastig te

vallen, daar hij er niet op gesteld was, zich een machtigen en

onverzoenbaren vijand in des Prinsen leger te maken, en hij maar al te

goed wist, hoe zwaar de wraak des Barons treffen kon, begon hij met het

heffen van schatting en afpersingen op het landvolk, in éen woord, met

den oorlog voor zijn bijzonder voordeel te voeren.

Intusschen zette hij de witte kokarde op, en maakte zijn opwachting bij

Rose, terwijl hij een grooten eerbied aan den dag legde voor de dienst,

waarin haar vader zich had begeven, en een aantal verschooningen vroeg

voor de vrijheden, die hij, tot onderhoud van zijn volk, zich

noodwendig moest veroorloven. Juist op dit oogenblik vernam Rose, door

de nooit tot zwijgen gebrachte faam, die gewoonlijk op overdrijving

belust is, dat Waverley den smid te Cairnvreckan, terwijl deze hem

trachtte gevangen te nemen, had gedood, dat hij vervolgens door majoor

Melville van Cairnvreckan in een gevangenis geworpen was, en binnen

drie dagen door een vonnis van de militaire rechtbank zou ter dood

gebracht worden. Gedreven door den wanhopigen angst, welken deze

tijdingen te weeg gebracht hadden, sloeg zij Donald Bean voor, den

gevangene te ontzetten. Dit was juist de soort van dienst, waarnaar hij

verlangde, in de overtuiging dat hij dien als van zooveel gewicht, zou

kunnen doen gelden, dat men daarom al de onbeschoftheden, waaraan hij

zich, in de landstreek, mocht hebben schuldig gemaakt, in het

vergeetboek stellen zou. Hij was echter zoo slim, om, terwijl hij

gedurig van zijn plicht en ambt sprak, zoo lang de toeven, tot de arme

Rose door smart en verlegenheid tot het uiterste gebracht, besloot hem

tot de onderneming over te halen, door middel van eenige kostbare

juweelen, die aan haar moeder hadden toebehoord.

Donald Bean, die in Fransche dienst was geweest, kende de waarde dezer

sieraden, of berekende ze misschien zelfs te hoog. Maar aan den anderen

kant bespeurde hij hoe Rose bevreesd was voor de ontdekking, dat zij

hare juweelen voor de bevrijding van Waverley had gegeven. Nadat hij

besloten had, dat zijn buit hem door dit bezwaar niet ontgaan zou, bood

hij vrijwillig aan een eed te doen, om nooit van Freule Roses aandeel

aan de zaak een woord te reppen; en, daar hij er voordeel in zag den

eed te houden, en geen zweem van uitzicht op winst wanneer hij dien

brak, nam hij de verbindtenis op zich – om, gelijk hij aan zijn

luitenant zeide, eerlijk met de jonge dame te werk te gaan, – onder

dien eenigen vorm, welken hij, volgens een stilzwijgende overeenkomst

met zichzelven, voor verbindend hield – namelijk door stilzwijgendheid

op zijn ontblooten dolk te zweren. Hij werd te meer tot deze daad van

goede trouw bewogen, door eenige beleefdheden, welke Freule Bradwardine

aan zijn dochter Alice had bewezen, en die, terwijl zij het hart van

het bergmeisje wonnen, den trots van haar vader niet weinig streelden.

Alice, die thans een weinig Engelsch spreken kon, was, ter vergelding

van Roses vriendelijkheid, zeer openhartig, en vertrouwde haar al de

papieren, die de kuiperijen met Gardiners regiment betroffen, en door

haar in bewaring genomen waren, toe, terwijl zij op Roses aansporing,

even gereedelijk besloot, ze, buiten haar vaders weten, Waverley in

handen te spelen. „Want zij kunnen de goede Freule en den knappen

jongen heer misschien plezier doen,” dacht Alice, „en wat heeft mijn

vader aan eenige vellen bekrabbeld papier?”

De lezer weet, dat zij gelegenheid vond om haar voornemen, des avonds

voor dat Waverley het dal verliet, ten uitvoer te brengen. Hoe Donald

zijn onderneming volvoerde, is hem evenzeer bekend.

Maar de verdrijving der soldaten van Tully-Veolan had opzien gebaard en

terwijl Donald op den loer lag tegen Gilfillan, werd een sterke

afdeeling, die Bean Lean wel uit het hoofd zou laten te bestrijden,

uitgezonden, om de opstandelingen op hun beurt terug te drijven, zich

daar neêr te slaan en de landstreek te beschermen. De officier, een

fatsoenlijk man en voorstander van tucht, drong zich even zoo min in

bij Freule Bradwardine, wier verlaten toestand hij eerbiedigde, als hij

zijn soldaten toestond de minste ongeregeldheid te plegen. Hij sloeg

een klein kamp op, op een hoogte, dicht bij het huis van Tully-Veolan,

en plaatste de noodige wachten bij al de verschillende bergengten in de

nabijheid. Dit onaangenaam nieuws kwam ter ooren van Bean Lean, toen

hij naar Tully-Veolan terug keerde. Maar, dewijl hij het loon van zijn

arbeid ongaarne wilde missen, besloot hij, daar de toegang tot

Tully-Veolan onmogelijk was, zijn gevangene in Janets hut te brengen,

waarvan het bestaan zelfs ter nauwernood vermoed kon worden door hen,

die lang in de nabuurschap gewoond hadden, als ze niet opzettelijk

daarheen werden gebracht, en welke plaats Waverley zelven volkomen

onbekend was. Na dit volbracht te hebben, vorderde en verkreeg hij zijn

belooning. Waverleys ongesteldheid was iets dat al hun berekeningen

deed falen, en Donald was genoodzaakt, met zijn bende, de buurt te

verlaten, en elders een ruimer tooneel voor zijn avonturen te zoeken.

Op Roses dringende bede liet hij een oud man achter, een kruidlezer,

die verondersteld werd iets van de geneeskunst te verstaan, en die zich

belastte met Waverley, gedurende diens ziekte.

Intusschen werd het hart der arme Rose weldra door duizend nieuwe

folteringen gekweld. Zij vernam van de oude Janet, dat er een prijs op

het hoofd van Waverley gesteld was, en daar hetgeen hijzelf bij zich

had zoo veel waarde bezat, was er geen zeggen van of Donald wel aan de

verzoeking zou kunnen weêrstand bieden. Geslingerd door vrees en smart,

nam Rose het stoute besluit, om den Prins zelven het gevaar te

ontdekken, waaraan Waverley was bloot gesteld, overtuigd dat Karel

Eduard, niet minder als staatsman, dan als man van eer en

menschelijkheid, er belang in zou stellen, om te voorkomen, dat hij in

handen der vijandelijke partij viel. Eerst meende zij dezen brief

naamloos te zenden; maar natuurlijk vreesde zij, dat hij er in dat

geval geen acht op zou slaan. Zij zette er dus haar naam onder, hoewel

met tegenzin en vrees, en vertrouwde dien aan een jong man toe, die,

terwijl bij zijn boerderij ging verlaten, om zich bij het leger van den

Prins te voegen, haar om de een of ander soort van geloofsbrief

verzocht voor den avonturier, van wien hij een officiersplaats hoopte

te verkrijgen.

De brief kwam Karel Eduard in handen, juist toen hij naar de Laaglanden

afzakte, en daar hem het staatkundig belang maar al te zeer bekend was,

dat er voor hem in de veronderstelling gelegen was, dat hij in

verbindtenis stond met de Engelsche Jacobieten, deed hij aan Donald

Bean Lean de stelligste bevelen overbrengen, om Waverley veilig en

ongeschonden, zoowel in persoon als wat zijn goed betrof, bij den

gouverneur van Doune-Castle te bezorgen. De vrijbuiter durfde niet

ongehoorzaam zijn, want het leger van den Prins was nu zoo dicht in de

buurt, dat de straf dadelijk op het verraad zou hebben kunnen volgen.

Daarenboven was Donald een staatkundige, zoo wel als een roover, en

niet geneigd om de gunst, welke zijn vroegere geheime diensten hem

verworven hadden, bij deze gelegenheid door weerspannigheid te

verspelen. Hij maakte dus uit den nood een deugd, en gaf bevel aan zijn

luitenant, om Waverley naar Doune te geleiden, hetwelk op de, in een

vorig hoofdstuk vermelde wijze, veilig werd volbracht. De gouverneur

van Doune had order hem, als krijgsgevangen, naar Edinburgh op te

zenden, daar de Prins vreesde, dat, indien Waverley in vrijheid gesteld

was, hij zijn voornemen weder opvatten mocht, om naar Engeland te gaan,

zonder hem gelegenheid te hebben gegeven tot een persoonlijke

ontmoeting. Hier handelde hij, eigenlijk, volgens den raad van het

Opperhoofd van Glennaquoich, met wien, gelijk men zich herinneren zal,

de Prins zich onderhield over de wijze, waarop met Eduard moest

gehandeld worden, maar zonder dezen te zeggen, hoe hem de plaats zijner

opsluiting bekend was geworden.

Inderdaad beschouwde Karel Eduard den brief, dien hij over dit

onderwerp ontvangen had, als een dames geheim, ofschoon Roses schrijven

in de allervoorzichtigste en meest algemeene bewoordingen vervat was,

en schijnbaar alleen in de pen gegeven werd door beweegredenen van

menschelijkheid en ijver voor ’s Prinsen dienst. Evenwel drukte zij

zulk een vurig verlangen uit, dat niemand hoegenaamd een woord er van

vernemen mocht, dat zij zich met de zaak had ingelaten, dat de Prins

daardoor op de gedachte kwam, van het groot belang dat zij in het

behoud van Waverley stelde. Deze, overigens welgegronde, gissing

verleidde hem nogtans tot valsche gevolgtrekkingen. De aandoening, die

Waverley op het bal van Holyrood, bij het naderen van Flora en Rose

liet blijken, werd door den Prins op rekening gesteld van de gevoelens

die Eduard voor de laatste koesterde; en bij zichzelven maakte hij het

besluit op, dat het voornemen van den Baron aangaande de beschikkingen

over zijn landgoed, of eenig dergelijk bezwaar, hun onderlinge

genegenheid dwarsboomde. Dikwijls, wel is waar, schonk het gerucht

Waverley aan Freule Mac-Ivor; maar de Prins wist, dat het gerucht mild

is in deze soort van giften, en terwijl hij het gedrag der beide dames

jegens Waverley aandachtig gadesloeg, twijfelde hij niet, of de jonge

Engelschman gevoelde volstrekt geen liefde voor Flora, terwijl hij door

Rose Bradwardine bemind werd. Daar hij Waverley aan zijn dienst

wenschte te verbinden, en niet minder verlangde een daad van

welwillendheid en vriendschap te verrichten, nam de Prins bij den Baron

de eerste de beste gelegenheid te baat, om hem over het doen overgaan

van het landgoed op zijn dochter te onderhouden. De heer Bradwardine

gaf zijn toestemming; maar het gevolg er van was, dat Fergus

onmiddellijk besloot met zijn dubbel aanzoek, om een vrouw en een

graafschap, voor den dag te komen, hetwelk door den Prins, zoo als wij

gezien hebben, werd afgeslagen. De Prins, onophoudelijk met zijn eigene

veelvuldige bezigheden bezet, had tot hiertoe nog geen onderhoud met

Waverley over deze zaak gehad, ofschoon hij zich dikwijls voorgenomen

had er over te spreken. Maar na het door Fergus betuigde verlangen, zag

de Prins er de noodzakelijkheid van in, om tusschen de medeminnaars

onzijdig te schijnen, in de stille hoop, dat de zaak, die zoo veel

zaden van tweedracht in zich scheen te bevatten, zou kunnen blijven

rusten tot na den afloop der onderneming. Maar toen, op den marsch naar

Derby, de Prins aan Fergus de reden van zijn twist met Waverley

gevraagd had, en het Opperhoofd als oorzaak bijbracht, dat Eduard

gezind was, het aanzoek door dezen om de hand zijner zuster gedaan, in

te trekken, zeide hem de Prins ronduit, dat hijzelf Freule Mac-Ivors

gedrag ten opzichte van Waverley had gadegeslagen, en ten volle

overtuigd was, dat er een misverstand bij Fergus heerschte in het

beoordeelen van Waverleys handelwijze, die, gelijk hij alle reden had

te gelooven, aan Freule Bradwardine gehecht was. De hieruit tusschen

Eduard en het Opperhoofd der Mac-Ivors ontstane twist ligt, hoop ik,

den lezer nog in het geheugen. – Deze omstandigheden zullen voldoende

zijn, om zoodanige punten van ons verhaal toe te lichten, als wij,

volgens de gewoonte van alle vertellers, gepast oordeelden vooreerst in

het duister te laten, met het oogmerk om de nieuwsgierigheid van den

lezer te prikkelen.

Toen Janet eenmaal de voornaamste door ons aangegeven feiten had

verklaard, was Waverley gemakkelijk in staat, het kluwen, dat deze hem

in handen stelde, ook voor andere geheimen van het doolhof, waarin hij

verward was geweest, te gebruiken. Aan Rose Bradwardine was hij

derhalve het leven verschuldigd, hetwelk hij nu meende gaarne in haar

dienst te willen opofferen. Bij een weinig nadenken echter werd hij

overtuigd, dat het gepaster en aangenamer was voor haar te leven, en

dat, daar hij in het bezit van een onafhankelijke fortuin was, zij ze

met hem zou kunnen deelen, hetzij in den vreemde, of in zijn eigen

vaderland. Het genoegen van verzwagerd te zijn aan zulk een

achtenswaardig man als de Baron, en van wien zijn oom sir Everard zoo

veel werk maakte, was ook een aangename gedachte, al had er anders nog

iets ontbroken, om het huwelijk gewenscht te maken. De zonderlinge

gewoonten van den man, die hem geweldig belachelijk waren voorgekomen

gedurende zijn voorspoed, schenen bij den ondergang van zijn gelukszon

in volkomen harmonie met de edele trekken van zijn karakter, en er het

eigenaardige van te verhoogen, zonder daarom den lachlust op te wekken.

Met dusdanige ontwerpen van toekomstig geluk vervuld, begaf Eduard zich

naar klein Veolan, de woning van den heer Duncan Mackwheeble.

Waverley(#75933) · 第 141 / 156 题