OP HET KERKHOF TE **, IN DE HOOGLANDEN VAN SCHOTLAND, EN WAARDOOR
MEN GELOOFT DAT HET GRAF WORDT AANGEWEZEN VAN KAPITEIN WOGAN, IN
1629 GESNEUVELD.
Spreid, zinbeeld van oud Britsche trouw,
Op ’t graf van hem, wiens trouw zoo schittrend uit mocht blinken,
En waar de dapperheid te vroeg in neêr moest zinken,
Uw koele, zachte, milde schaaûw.
En gij, die op dit grafbed rust,
Beklaag u niet, zoo hier, waar Noorderstormen gieren,
De lucht verweigert om uw heldenterp te sieren
Met bloemen van een milder kust.
De zoete Mei ontlokt ze aan de aard;
Maar ach, ze kwijnen reeds bij feller zonnegloeien,
En eer de winterstormen loeien;
Maar is heur broosheid wel uw beeld, en uwer waard?
Neen, want te midden van des noodlots felle’ orkaan,
Zwol des te hooger slechts uw niet te buigen harte,
En, daar de wanhoop zich vermengde met de smarte,
Vingt gij, al was ze kort, uw schoone loopbaan, aan.
Toen zocht ge, op Albijns heuveltop –
Daar Englands zonen reeds den fellen kamp ontweken –
Een ruwe krijgerschaar, tot heden onbezweken,
Ter zwaaing van het wraakstaal op.
Uw dood ging niet gepaard met droef genokte klacht;
Geen heilig klokgeluid klonk bij uw stervenssponde;
De in plaid gedoschte Gael vergaarde er zich in ’t ronde,
En slechts tot lijkzang werd hun pibroch u gebracht.
Maar wie, te midden van des voorspoeds zonnelicht,
Zou aan uw morgen niet met vreugd de voorkeur geven,
Ver boven een gerekter leven,
Welks glorie reeds voor d’ avond zwicht?
Den boom, wien koû noch hitte deert,
We wijden hem aan u; zijn dosch buigt tot u over;
Oud Rome omvlocht het hoofd der helden met uw lover,
Gelijk uws Wogans graf door Albijn wordt vereerd.
Wat ook de wezenlijke verdienste van Flora Mac-Ivor’s poëzij moge
geweest zijn, de geestdrift die ze haar had ingeboezemd, was wel
geschikt om diepen indruk op haar minnaar te maken. De verzen werden
gelezen – andermaal gelezen – vervolgens in Waverley’s boezem geborgen
– daarna er weder uitgehaald, en regel voor regel herlezen met een
lage, gesmoorde stem, die het genot rekte, even als een Epicurist, door
langzaam en droppelsgewijze den beker te ledigen, het genot van een
heerlijken dronk verhoogt. Het binnenkomen van jufvrouw Cruickshanks,
met de prozaïsche mondbehoeften van wijn en een maaltijd, stoorde ter
nauwernood deze mijmering der verliefde verbeelding en geestvervoering.
Ten laatste vertoonde zich de lange, lompe gestalte en het onaangename
gezicht van Ebenezer zelven. Ofschoon het jaargetijde zulk een voorzorg
niet eischte, was hij geheel gewikkeld in een wijden jas, met een riem
vastgehecht. Deze was van boven voorzien van een groote kap van
dezelfde stof, die, over hoofd en hoed getrokken, beide volkomen
overschaduwde, en beneden de kin toegeknoopt werd. In de hand had hij
een zweep, met een koperen handvatsel. Zijn dunne beenen staken in een
paar baggermanslaarzen, aan de zijden met roestige haken dichtgemaakt.
Aldus toegerust, stapte hij tot midden in het vertrek door, en gaf toen
met korte woorden te kennen: „Uw paarden zijn klaar,”
„Gij gaat dus zelf met mij, kastelein?”
„Ja, tot Perth, daar zult ge een gids naar Edinburgh vinden, als ge
dien noodig mocht hebben.”
Dit zeggende, legde hij de rekening, die hij in de hand had, onder
Waverley’s oogen, en vulde te gelijker tijd, zonder eenige
uitnoodiging, een glas wijn, dat hij met vrome zegebeden op hunne goede
reis uitdronk. Waverley stond verbaasd over ’s menschen
onbeschaamdheid, maar daar hun samenzijn kort duren, en, naar het
scheen, nuttig voor hem wezen zou, maakte hij er geene aanmerking op,
en na zijn rekening betaald te hebben gaf hij zijn voornemen te kennen,
om oogenblikkelijk te vertrekken. Derhalve besteeg hij Dermid, en
verliet den Gouden Kandelaar, gevolgd door de puriteinsche gestalte
door ons beschreven, nadat de waard, ten koste van eenigen tijd en
moeite, en met behulp van een steenen trap, tot gemak der reizigers
vlak voor het huis aangebracht, zich op den rug van een langen, zwaar
gebeenden, slecht gevoeden, afgetobden knol had geheschen, terwijl hij
Waverley’s mantelzak achter zich geplaatst had. Schoon niet in een zeer
vroolijken luim, kon onze held bezwaarlijk zijn lachen inhouden over
het voorkomen van dezen zijn schildknaap, te meer als hij zich de
verbazing welke zijn persoon en uitrusting op Waverley-Honour zou
hebben te weeg gebracht, verbeeldde.
Eduards lachlust ontging onzen waard uit den Gouden Kandelaar niet,
die, daar hij de oorzaak volkomen begreep, een dubbele portie zuur bij
den Pharizeschen deesem op zijn aangezicht, voegde, en bij zichzelven
besloot, op de een of andere wijze, den jongen Engelschman duur de
minachting te doen betalen, waarmede hij hem scheen te beschouwen. Ook
Callum stond bij de poort, en vermaakte zich openlijk met Cruickshanks’
belachelijke figuur. Toen Waverley hem voorbij reed, nam hij den hoed
eerbiedig af, en, terwijl hij den stijgbeugel naderde, drukte hij hem
op het hart: „Toch vooral op zijn hoede te wezen, dat de oude Whig hem
geen streek speelde.”
Waverley bedankte hem nogmaals, zeide hem vaarwel, en reed vlug voort,
verre van rouwig dat hij buiten het bereik van de uitjouwende kinderen
was, die het uitgilden toen ze den ouden Ebenezer zagen rijzen en dalen
in zijn stijgbeugels, om het stooten te vermijden, door een harden draf
op den slechtbestraten weg veroorzaakt. Het dorp lag dan ook spoedig
eenige mijlen achter hen.