DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARUIT BLIJKT DAT HET VERLIES VAN EEN HOEFIJZER ERNSTIGE GEVOLGEN KAN

HEBBEN.

De houding en manieren van Waverley, maar bovenal de schitterende

inhoud van zijn beurs en de onverschilligheid, waarmede hij die scheen

te beschouwen, hielden zijn reisgezel eenigermate in ontzag, en

schrikten hem af van een poging om een gesprek aan te knoopen. Zijn

eigene bespiegelingen werden echter verlevendigd door een aantal

vermoedens en baatzuchtige plannen, die daarmede onmiddellijk in

verband stonden. De reizigers reden dus stilzwijgend voort, tot de gids

er een einde aan maakte door de mededeeling, dat zijn „ruin een

voorijzer had verloren, en dat mijnheer zeker zou begrijpen, dat het

zijne zaak was.” Dat was, hetgeen de rechtsgeleerden een uitvorschende

vraag noemen, die dienen moest om te polsen in hoeverre Waverley

geneigd zou zijn om zich kleine belastingen te laten opleggen. „Mijne

zaak!” riep Waverley, die de woorden van den man verkeerd opvatte.

„Ongetwijfeld,” antwoordde de kastelein Cruickshanks, „schoon wij

daaromtrent geene opzettelijke bepaling maakten, kan men niet van mij

vergen voor de ongelukken in te staan, die den armen ruin in dienst van

mijnheer kunnen overkomen; – niettemin, zoo mijnheer....”

„O, gij wilt zeggen dat ik den smid moet betalen; maar waar zullen wij

er een vinden?”

Baas Cruickshanks, verheugd dat er van den kant zijns tijdelijken

meesters geen zwarigheid gemaakt werd, verzekerde hem daarop, dat

Cairnvreckan, een dorp dat ze zoo aanstonds moesten doorkomen, het

geluk had van een uitnemenden hoefsmid te bezitten; „maar daar hij een

vroom man was, zou hij voor geen mensch een spijker slaan op zondag of

vastendag, alleen in geval van den uitersten nood, waarvoor hij altijd

zes stuivers per ijzer rekende.” Het belangrijkste gedeelte der

mededeeling, naar het gevoelen van den spreker, maakte echter zeer

geringen indruk op den hoorder.

Bij het binnenrijden van het dorp Cairnvreckan, ontdekten ze spoedig

het smidshuis. Het diende tevens tot herberg en was twee verdiepingen

hoog, terwijl het dak, met grijze lei bedekt, zich hoogmoedig boven de

bevallige hutten, waardoor het omringd was, verhief. In de

nabijgelegene smidse verried niets de sabbaths stilte en rust, die

Ebenezer, uit hoofde der heiligheid van zijn vriend, voorspeld had.

Integendeel, hamers klonken, aambeelden weergalmden, blaasbalgen

zuchtten en de geheele toestel van Vulkaan scheen in volle werking te

zijn. Ook was de arbeid van alles behalve vreedzamen aard, en lang niet

wat men een landelijken zou kunnen noemen. De meester-smid, zoo als

zijn uithangbord aankondigde, John Mucklewrath geheeten, benevens twee

knechts, waren druk bezig met het in orde brengen, herstellen en

polijsten van oude geweeren, pistolen en degens, welke, in

krijgshaftige wanorde, in en nabij zijn werkplaats verstrooid lagen. De

open loods waarin de smederij zich bevond, was opgevuld met personen,

die af en aan liepen, alsof zij belangrijk nieuws ontvingen en

mededeelden; en een enkele blik op het voorkomen van de menschen, die

haastig over straat liepen, of in groepen bijeenstonden, met ten hemel

geslagen oogen en handen, verried, dat eene of andere buitengewone

tijding den publieken geest der burgerij van Cairnvreckan ontroerd had.

„Daar is nieuws,” zeide onze waard uit den Kandelaar, terwijl hij zijn

perkamenten gezicht en ontvleeschde neus op een ruwe wijze onder den

hoop vooruit stak – „daar is nieuws, en zoo het mijn Schepper behaagt,

zal ik spoedig op het spoor er van komen.”

Waverley, wiens nieuwsgierigheid minder groot was dan die van zijn

leidsman, steeg af, en gaf zijn paard aan een jongen, die op een paar

schreden afstands stond te luieren. Het was waarschijnlijk een gevolg

van de schuwheid van zijn karakter in zijn vroegste jeugd; maar zeker

gevoelde hij een tegenzin, om zich bij een vreemdeling te vervoegen,

zelfs om een nietsbeteekenende inlichting, zonder vooraf diens gelaat

en houding te hebben opgenomen. Terwijl hij dus rondzag, om den persoon

te kiezen, met wien hij liefst een gesprek zou willen aanknoopen,

bespaarde hem het drukke gepraat rondom hem in zekere mate de moeite

van het vragen. De namen van Lochiel, Clanronald, Glengary en van een

aantal andere vermaarde Hooglandsche Opperhoofden, onder welke Vich Ian

Vohr bij herhaling genoemd werd, schenen gemeenzaam in den mond dezer

lieden; en uit de onrust, welke algemeen heerschte, begreep hij

gemakkelijk, dat er een inval in de Laaglanden, aan het hoofd hunner

gewapende stammen, óf reeds had plaats gegrepen, óf ieder oogenblik te

duchten was.

Nog voordat Waverley gelegenheid had om naar eenige bijzonderheden te

vragen, drong een sterk, grof gebouwd wijf, met scherpe gelaatstrekken

en omtrent veertig jaar oud, slordig gekleed en met gloeiend roode

wangen voor zoo ver ze niet met smeer en roet bemorst waren, door de

menigte heen; en terwijl ze een kind van omstreeks twee jaar in de

hoogte wierp en weder in haar armen opving, zonder in het minst op zijn

angstkreten acht te geven, zong en gilde ze uit al haar macht:

„Kareltje is mijn liev’ling, mijn liev’ling, mijn liev’ing,

Kareltje is mijn liev’ling

Die ridder zoo jong.”

„Hoort ge, wat u nu overkomen zal, gij ellendige Whigsche kerels? Hoort

ge wie er geland is, om uw gesnoef te beteugelen?”

„Gij weet niet wat u overkomt,

Gij weet niet wat u overkomt,

Want al de Macraws zullen komen!”

De Vulkanus van Cairnvreckan, die zijn Venus in deze dansende Bacchante

herkende, zag haar met een grimmig en dreigend gelaat aan, terwijl

sommigen der oudsten van het dorp zich haastten om tusschenbeide te

komen. „Stil, wijfje, is het thans de tijd, of de dag, om uwe

oproerige, ondeugende liedjes te zingen? – een tijd dat de wijn des

toorns zonder vermenging is uitgestort in den beker der rechtvaardige

gramschap, en een dag dat het land getuigen moest tegen het pausdom en

de aanhangers der bisschoppen en kwakers en independentie en suprematie

en erastianisme en antinomianisme en de overige dwalingen der Kerk.”

„En wat geef ik om ulieden, Whighs!” schreeuwde de helleveeg er

tusschen in; „en uw presbyterianisme, gij hanghoofdige, druiloorige

zotten! Wat! Denkt ge dat de Hooglanders iets om uwe synoden en uwe

presbyterianen met al hunne femelarij geven? Wraak over die schelmen!

Menige eerlijke vrouw zal, zoo goed als ik –”

Hier kwam John Mucklewrath die vreesde dat ze in bijzonderheden van

meer persoonlijken aard zou treden, met zijn mannelijk gezag

tusschenbeide; „ga in huis, en wees verd– (dat ik zulk een zondig woord

gebruik) en maak de pap voor het avondeten klaar.”

„En jij, ellendige suffert,” hernam zijn lieve wederhelft, wier toorn,

die tot hiertoe zonder bepaald doel over de geheele vergadering was

uitgestort, op eens in zijn natuurlijke richting werd afgeleid, „jij

staat daar spullen te hameren voor melkbaarden, die ze nooit tegen een

Hooglander durven gebruiken, in plaats van het brood voor uw huisgezin

te verdienen, en het paard te beslaan van dezen knappen jongen heer,

die pas uit het noorden komt! Ik wed, dat hij niet tot de lafbekken van

koning George’s volk behoort, maar een dappere Gordon, of tenminste

iemand van dien aard is.”

Nu keerden zich de oogen der vergadering naar Waverley, die de

gelegenheid waarnam, om den smid te verzoeken, het paard van zijn gids

zoo spoedig mogelijk te beslaan, daar hij zijn reis wenschte voort te

zetten; want hij had genoeg gehoord, om hem te doen begrijpen, dat het

gevaarlijk zou zijn, zich lang in het plaatsje op te houden. Het oog

van den smid rustte op hem met een blik van misnoegen en argwaan, die

niet verzacht werd door de drift, waarmede zijn vrouw op Waverley’s

verzoek aandrong. „Hoor je wat de brave heer zegt, dronken doeniet?”

„En hoe is uw naam, mijnheer?” bromde Mucklewrath.

„Dat is uwe zaak niet vriend, als ik u slechts voor uw arbeid betaal.”

„Maar het kon wel eens zaak zijn voor den staat om uw naam te weten,

mijnheer,” hernam een oude boer, die sterk naar drank en turfrook

stonk; „en ik zou haast denken, dat wij uwe verdere reis moeten

beletten, tot dat gij den heer van de plaats hebt gezien.”

„Gij althans,” zeide Waverley op hoogen toon, „zult het toch moeielijk

en gevaarlijk vinden, mij tegen te houden als gij geen volmacht

vertoonen kunt.”

Er was een oogenblik van stilte en gefluister onder de menigte. –

„Secretaris Murray;” „Lord Lewis Gordon;” „het kon wel de Chevalier van

St. George zelf zijn;” zoodanig waren de vermoedens, die druk geuit

werden en er ontstond blijkbaar een toenemende geneigdheid om

Waverley’s vertrek te verhinderen. Hij deed zijn best om bedaard met de

menschen te praten; maar zijn vrijwillige bondgenoote, jufvrouw

Mucklewrath, verijdelde de kracht zijner betoogen door den vloed harer

woorden, terwijl ze zijn partij met een kwalijk geplaatste hevigheid

opnam, die door hen, tegen wie ze gericht was, geheel en al op rekening

van Eduard werd gesteld. „Gij wilt een heer ophouden, die een vriend is

van den Prins;” want ook zij had, ofschoon ze hem daarom met geheel

andere oogen bezag, het algemeene gevoelen betrekkelijk Waverley

gedeeld. Ik tart je, hem aan te raken,” en terwijl ze dit uitgilde,

stak ze haar lange en gespierde vingers uit, die met klauwen waren

gewapend, welke geen gier zich had behoeven te schamen, en voegde er

bij: „Ik zal mijn tien geboden in het gezicht zetten van den eersten

lummel, die den vinger op hem durft leggen.”

„Ga in huis, wijf!” riep de straks genoemde boer, „het was beter, dat

gij op uws mans kinderen pastet, dan dat gij ons hier komt doof

schreeuwen.”

„Zijne kinderen?” riep de heks weder uit; terwijl ze haar echtgenoot

met een grijns van onuitsprekelijke verachting beschouwde – „zijne

kinderen!”

„O Jé, was je dood, goede man,

En een groen zoodje op je hoofd, goede man,

Dan troostte ik, met den meesten spoed,

Mij in mijn weduwschap, met een uit Hooglandsch bloed”

Dit deuntje, dat een gegrijns van de jongere leden der vergadering

uitlokte, putte het geduld van den beschimpten hoefsmid ten eenemale

uit. „De duivel hale me, of ik sla haar met dezen gloeienden stang op

den nek!” riep hij in een vlaag van toorn, terwijl hij een staaf uit

het vuur haalde en wellicht zou hij zijn bedreiging volvoerd hebben,

ware hij niet tegengehouden door een deel der samengeschoolde menigte,

terwijl de overigen hun best deden om het razende wijf met geweld uit

zijn tegenwoordigheid weg te brengen.

Waverley wilde zich dit oogenblik van verwarring ten nutte maken om te

ontsnappen, maar zijn paard was nergens te vinden. Eindelijk ontdekte

hij, op eenigen afstand, zijn getrouwen reisgezel, Ebenezer, die zoodra

hij bemerkt had, welken keer de zaken schenen te nemen, de beide

paarden buiten het gedrang gebracht had. Terwijl hij nog altijd op het

eene gezeten was, en het andere vasthield, antwoordde hij op Waverley’s

luid en herhaald geroep om zijn paard: „Neen, neen, zoo ge geen vriend

van de kerk en den koning zijt, en als zoodanig wordt aangehouden,

moogt ge u voor de eerlijke lieden in het land verantwoorden wegens uw

verraad, en ik zal den knol en den mantelzak nemen tot loon en

schadevergoeding, daar mijn paard en ik morgen een dag werk zullen

verliezen, behalve de namiddagpreek.” Eduard, die zijn geduld verloor,

en zich van alle kanten ingesloten en door het grauw voortgestuwd zag,

terwijl hij ieder oogenblik persoonlijke mishandeling verwachtte,

besloot te beproeven, hun vrees in te boezemen, en haalde nu een

zakpistool voor den dag, dreigende, aan de eene zijde, iedereen neêr te

schieten, die het zou durven wagen hem tegen te houden, en aan den

anderen kant Ebenezer een gelijk lot belovende, als hij zich met de

paarden verroerde. De wijze Partridge [116] zegt, dat één man met een

zakpistool tegen honderd ongewapenden bestand is, omdat, hoewel hij

maar één van de menigte kan treffen, niemand weet, of hij zelf die

ongelukkige niet wezen zal. De groote menigte in Cairnvreckan zou dus

waarschijnlijk toegegeven hebben; ook zou Ebenezer, wiens natuurlijke

bleekheid nog drie graden lijkachtiger geworden was, het niet gewaagd

hebben een aldus gegeven bevel te weerstreven, zoo niet de Vulkaan van

het dorp, die verlangde de woede, welke zijn wederhelft had opgewekt,

aan een waardiger voorwerp te koelen, en wel in zijn schik, dat hij zoo

iemand in Waverley vond, op hem toegeschoten ware met de gloeiende

ijzeren staaf, en met zooveel drift, dat het afschieten van zijn

pistool, voor Eduard, een daad van zelfverdediging werd. De ongelukkige

man viel; en terwijl Eduard, door natuurlijken schrik over den afloop,

geen tegenwoordigheid van geest bezat, noch om zijn degen te trekken,

noch om zijn andere pistool te lossen, wierp het gepeupel zich op hem,

ontwapende hem en was op het punt om hem zwaar te mishandelen, toen de

verschijning van een eerwaardigen geestelijke, den predikant van het

dorp, zijne woede breidelde.

Deze waardige man (die zoo min een Goukthrapple, als een Rentowel was)

handhaafde zijn invloed bij het gemeene volk, daar hij de praktijk des

Christendoms even goed als de afgetrokken geloofsbegrippen predikte, en

werd in hoog aanzien gehouden bij de hoogere standen, hoewel hij

weigerde hunne dwalingen te vleien, door den leerstoel van het

Evangelie in een school van heidensche zedekunde te veranderen.

Mogelijk is het aan deze vereeniging van geloof en praktijk in zijn

leer toe te schrijven, dat, ofschoon zijn nagedachtenis een soort van

époque in de jaarboeken van Cairnvreckan heeft gemaakt, ten gevolge

waarvan de dorpelingen, om iets aan te duiden dat zestig jaar geleden

voorviel, nog zeggen, dat het plaats had in den tijd van den goeden

heer Morton, ik nooit in staat ben geweest te ontdekken, of hij tot de

evangelische of tot de gematigde partij in de Kerk behoorde. Ook houd

ik de omstandigheid niet voor zeer gewichtig, daar, volgens mijn eigene

herinnering, de een een Erskine, de ander een Robertson aan het hoofd

had [117].

De heer Morton was door het afbranden van het pistool, en het

toenemende getier rondom de smidse, verontrust geworden. Zijn eerste

zorg, nadat hij de omstanders bevolen had, zich van Waverley te

verzekeren, maar hem niet te mishandelen, bepaalde zich tot het lichaam

van Mucklewrath, waarover zijn vrouw, in een plotselingen omkeer van

gevoel, schreide, jammerde en zich de haren uitrukte, in een toestand,

die aan krankzinnigheid grensde. Den smid oprichtende, was zijn eerste

ontdekking, dat hij leefde, en de tweede, dat hij waarschijnlijk even

lang zou leven, alsof hij nooit een pistoolschot had gehoord. Hij was

echter maar ter nauwernood ontsnapt; de kogel had zijn schedel even

geraakt, en hem een paar oogenblikken bedwelmd, wat door den schrik en

de verwarring zijner denkbeelden nog een tijdlang geduurd had. Hij

stond thans op om wraak op Waverley te eischen, en berustte niet zonder

moeite in het voorstel van den heer Morton, dat men hem voor den heer

der plaats, die tegelijk vrederechter was, brengen en hem ter zijner

beschikking stellen zou. De overige omstanders stemden in dit voorstel

toe; zelfs vrouw Mucklewrath, die nu wat tot bedaren kwam, gaf

kreunende te kennen, – „Zij wou niets zeggen tegen hetgeen de dominé

voorstelde; hij was een beste voor zijn zaak, en ze hoopte hem nog

eenmaal met een fraaien bisschopstabbaard om het lijf te zien; een vrij

wat aangenamer gezicht dan die rokken en mantels uit Geneve, zeg ik

maar.”

Nadat alle oneenigheid op deze wijze uit den weg geruimd was, werd

Waverley, begeleid door al de inwoners van het dorp, die niet

bedlegerig waren, naar het heerenhuis van Cairnvreckan, omstreeks een

kwartiertje van daar gelegen, gevoerd.

Waverley(#75933) · 第 67 / 156 题