Het was middag, toen de beide vrienden op den top van Bally-Brough
stonden. „Ik moet niet verder gaan,” zeide Fergus Mac-Ivor, die
gedurende de reis te vergeefs gepoogd had den moed van zijn vriend op
te beuren. „Als mijn ondeugende zuster eenig deel aan uwe
neêrslachtigheid heeft, koestert ze toch, geloof dat vrij, hooge
gedachten van u, ofschoon haar tegenwoordige bezorgdheid voor openbare
zaken haar belet zich met een ander onderwerp bezig te houden. Vertrouw
me uwe belangen toe; ik zal ze niet verraden; mits ge die ellendige
kokarde niet weer opzet.”
„Vrees daarvoor niet, na de wijze waarop ze mij ontnomen is. Vaarwel,
Fergus, laat uwe zuster mij niet vergeten!”
„Nu vaarwel, Waverley! ge zult wellicht spoedig van haar onder een
hoogeren titel hooren gewagen. Ga naar huis, schrijf brieven, win
vrienden zoo vele en zoo spoedig ge maar kunt; er zullen weldra
onverwachte gasten op de kust van Suffolk zijn, of mijn tijdingen uit
Frankrijk hebben mij bedrogen [113].”
Dus scheidden de beide vrienden; Fergus keerde naar zijn kasteel terug,
terwijl Eduard, gevolgd door Callum Beg, die in een Laaglandschen
rijknecht herschapen scheen, voorttrokken naar het landstadje **.
Eduard reisde voort met het pijnlijke en toch niet geheel hopelooze
gevoel, hetwelk scheiding en onzekerheid gewoonlijk in de ziel van een
jeugdigen minnaar opwekken. Ik weet niet of de dames het volle gewicht
van den invloed der afwezigheid inzien; ook acht ik het niet verstandig
haar dit te leeren, opdat, evenals de Clelias en Mandanes van oudtijds,
de lust haar niet weer bekruipe om haar minnaars in ballingschap te
zenden. Het is waar, dat de verwijdering denkbeeldig dezelfde
uitwerking te weeg brengt, als met wezenlijke zichtbare dingen
geschiedt. Zij verzacht en rondt de voorwerpen af, en maakt ze dubbel
bevallig; al de harde en meer dagelijksche punten van het karakter
ontsnappen aan het oog; en die welke men zich herinnert, zijn de meer
treffende trekken, die van verhevenheid, bevalligheid of schoonheid
getuigen. Er zijn zoo wel nevels in den geestelijken, als in den
natuurlijken dampkring, om al hetgeen minder behagelijk is te
omsluieren; en ook gelukkige lichtstralen, met vollen glans vallende op
die partijen, welke bij een schitterende verlichting kunnen winnen.
Waverley vergat Flora’s vooroordeelen bij de gedachte aan haar
grootmoedigheid, en vergaf haar bijna hare onverschilligheid voor zijn
liefde, als hij zich het verhevene doel voor den geest riep, dat geheel
haar ziel scheen te vervullen. Indien haar gevoel van plicht haar zoo
sterk hechtte aan de zaak van een weldoener, waartoe zou ze dan niet in
staat zijn, wat zou haar liefde niet opofferen voor den gelukkigen
sterveling, wien het gelukken mocht die te winnen? Daarop volgde de
moeielijke vraag, of hij die gelukkige kon zijn? – een vraag, welke de
inbeelding bevestigend poogde te beantwoorden, door altijd op te
roepen, wat ze tot zijn lof had gesproken; terwijl er nog veel
vleiender uitlegging aan werd toegevoegd, dan de tekst zelf medebracht.
Al wat een gewoon gezegde was, al wat tot de alledaagsche wereld
behoorde, smolt weg en verdween in dezen droom der verbeelding, die
slechts, op de voordeeligste wijze, de bevalligheden en grootsche
hoedanigheden in herinnering bracht, welke Flora van de meeste harer
kunne onderscheidden; niet de bijzonderheden welke ze met haar gemeen
had. In het kort, Eduard was flink op weg, om een godin te maken van
een hooggestemd, talentrijk en schoon meisje; en de tijd werd
doorgebracht met het bouwen van luchtkasteelen, tot, bij het afdalen
van een steilen heuvel, zijn oog getroffen werd door het aan den voet
daarvan gelegen stadje, of marktvlek **.
De Hooglandsche beleefdheid van Callum Beg – in het voorbijgaan gezegd,
zijn er weinige volkeren, die op zoo veel natuurlijke beleefdheid
kunnen roemen, als de Hooglanders [114] – had hem niet vergund de
mijmeringen van onzen held te storen. Maar, bemerkende dat hij bij het
zien der huizen uit dit gepeins ontwaakte, reed Callum hem dichter op
zijde, en zeide, dat hij hoopte „als ze beneden kwamen, mijnheer toch
niets zeggen zou van Vich Ian Vohr, want het volk daar bestond uit
bittere Whigs, de drommel hale hen!”
Waverley verzekerde zijn voorzichtigen gids, dat hij op zijn hoede
wezen zou; en daar hij thans, niet het luiden van klokken, maar het
slaan van iets als een hamer tegen den kant van een ouden, morsigen
beschimmelden, omgekeerden soepketel hoorde, die in een open hut hing,
van de grootte en gedaante eener papagaaiskooi, opgeslagen ter
versiering van het oosteinde van een gebouw, hetwelk naar een oude
schuur geleek, vroeg hij aan Callum Beg, of het Zondag was?
„’k Zou ’t niet zoo juist kunnen zeggen – de Zondag komt zelden over
den pas van Bally-Brough.”
Doch toen ze het vlek binnenkwamen, en op de eerste herberg, die zich
opdeed, en er redelijk goed uitzag, aanreden, zagen ze scharen van oude
vrouwen met zwarte regenmantels en roode rokken, uit het gebouw te
voorschijnkomen, die gezamenlijk onder het voortgaan, de verdiensten
van den godzaligen jongeling Jabesh Rentowel, behandelden, alsmede die
van het uitverkoren vat, meester Goukthrapple. Zoodra hij dit zag,
meende Callum den meester, dien hij voor het oogenblik diende, te
kunnen zeggen, dat het óf de groote Zondag zelf was, óf de kleine
Bewinds-Zondag, dien ze den vastendag noemen.” [115]
Zij stapten aan den Zevenarmigen Gouden Kandelaar af, die, tot verdere
stichting der gasten, voorzien was van een korte Hebreeuwsche
zinspreuk, en werden ontvangen door den Kastelein, een lange, magere,
puriteinsche gestalte, die scheen te aarzelen een onderkomen te
verleenen aan lieden die op den feestdag reisden. Daar hij echter naar
alle waarschijnlijkheid bedacht, dat, hij de macht bezat om hen voor
zulk een ongeregeldheid een straf te doen betalen, welke ze gemakkelijk
ontgaan konden, door bij Gregor Duncanson in de Hooglander en de
Valkenier hun intrek te nemen, was Ebenezer Cruickshanks zoo toegevend
van hen in zijn woning toe te laten.
Tot dezen vroomen man richtte Waverley zijn verzoek om hem een gids te
bezorgen, met een paard, om zijn mantelzak naar Edinburgh te brengen.
„En van waar komt gij?” vroeg de kastelein uit de Kandelaar.
„Ik heb u gezegd, waarheen ik gaan wilde. Ik zie niet in dat de gids of
zijn paard iets meer behoeven te weten.”
„Hm! Hm!” hernam de man uit de Kandelaar, een weinig van zijn stuk
gebracht door deze afwijzing. „Het is de algemeene vastendag, mijnheer,
en ik kan in geenerlei vleeschelijken handel treden op zulk een dag,
wanneer het volk zich moet verootmoedigen en de afgedwaalden terug
moeten keeren, zoo als de eerwaarde heer Goukthrapple zegt, en dit te
meer, daar, gelijk de dierbare Jabesh Rentowel te recht aanmerkte, het
land treurt over verbrande, geschondene en vernietigde kerkelijke
privilegiën.”
„Mijn beste vriend, als ge mij geen paard en gids kunt bezorgen, zal
mijn knecht die elders zoeken.”
„Ja wel! uw knecht? – En waarom gaat hij zelf niet verder met u?”
Waverley bezat slechts weinig van het ongeduld van een
Kavalerie-Officier, – ik bedoel die soort van ongeduld, waaraan ik eens
veel verplichting had, bij gelegenheid dat ik op een postwagen of
diligence een militair ontmoette, die beleefdelijk de moeite op zich
nam, om de knechts in herbergen in orde te houden en de rekeningen na
te zien. Iets echter van deze nuttige gave had onze held in den dienst
verkregen, en bij deze onbeschofte uittarting begon het voor den dag te
komen. „Hoor eens, vriend, ik ben hier gekomen om te zoeken wat ik
noodig heb, en niet om onbeschaamde vragen te beantwoorden. Zeg, of ge
het mij kunt bezorgen of niet; ik zal in elk geval wel weten, wat mij
te doen staat.”
Ebenezer Cruickshanks verliet de kamer, eenige onverstaanbare woorden
tusschen de tanden mompelende; maar of ze weigerend of toestemmend
waren, kon Eduard, niet juist onderscheiden. De Kasteleines, een
vriendelijke, rustige, werkzame tobster, kwam zijn bevelen voor het
middageten vernemen, maar onthield zich van eenig antwoord betrekkelijk
paard en gids te geven; want de Salische wet, die de vrouwen van de
regeering uitsluit, strekte zich, naar het schijnt, tot de stallen van
den Gouden Kandelaar uit.
Uit een venster, dat op de donkere en nauwe plaats uitzicht had, waar
Callum Beg de paarden verzorgde, hoorde Waverley het volgende gesprek
tusschen den slimmen lijfknecht van Vich Ian Vohr en den Kastelein.
„Jij komt zeker uit het noorden, jonkman?” begon de laatste.
„Dat mag je wel zeggen,” antwoordde Callum.
„En je zult van daag mogelijk een heel end gereden zijn?”
„Zoo ver dat ik met pleizier een slokje zou willen nemen.”
„Vrouw, breng eens een borreltje.”
Hier volgden eenige beleefdheden door de gelegenheid vereischt, waarop
de Kastelein uit den Gouden Kandelaar, na, zoo als hij dacht, het hart
van zijn gast, door deze gulle behandeling gestolen te hebben, zijn
onderzoek hervatte.
„Gij zult aan de overzijde van den Pas niet veel beteren drank vinden?”
„Ik ben niet van de overzijde van den Pas.”
„Gij zijt, naar uwe uitspraak, toch een Hooglander?”
„Neen, ik kom van den kant van Aberdeen.”
„En is uw meester met u van Aberdeen gekomen?”
„Wel– toen ik er zelf van daan ben gegaan, ging hij ook,” antwoordde de
ondoordringbare Callum Beg met de meeste koelbloedigheid.
„En wat soort van heer is hij?”
„Ik geloof dat hij een van koning Georges staatsambtenaren is; althans
hij wil naar het zuiden gaan, en hij heeft een boel geld, en knort, of
dingt nooit om een kleinigheid.”
„Hij heeft een paard en gids van hier naar Edinburgh noodig?”
„Precies, en gij moet hem die terstond bezorgen.”
„Hm, Hm! Het zal lang niet goedkoop zijn.”
„Hij ziet op geen stuiver.”
„Ja wel! Duncan – Hebt ge mij niet gezegd dat ge Duncan of Donald
heette?”
„Neen man – Jamie – Jamie Steenson – heb ik u al gezeid.”
Deze laatste meesterlijke zet ontwapende meester Cruickshanks, die,
ofschoon verre van voldaan, hetzij over de achterhoudendheid des
meesters, of over de wakkerheid van den bediende, zich tevreden hield
met een belasting te leggen op de rekening en de huur van het paard, om
zijn teleurgestelde nieuwsgierigheid te vergoeden. De omstandigheid dat
het een vastendag was, werd niet vergeten, schoon de som het dubbele
niet te boven ging van hetgeen ze naar billijkheid bedragen moest.
Callum Beg maakte kort hierop, in eigen persoon, de ratificatie van het
verdrag bekend, terwijl hij er bijvoegde, „Die oude Duivel wil zelf met
den Duinhé-wassel mederijden.”
„Dat zal niet heel aangenaam zijn, Callum, en heel veilig ook niet,
want onze waard schijnt iemand te zijn die heel nieuwsgierig is; maar
een reiziger moet zich aan zulke ongemakken onderwerpen. Intusschen,
mijn jongen, hier is een kleinigheid voor u, om op Vich Ian Vohr’s
gezondheid te drinken.”
Callums valkenoog straalde van genoegen op het zien van een gouden
guinje, die de laatste woorden vergezelde. Hij haastte zich, met niet
zonder een vloek op de bezwaren van een Saksischen broekzak, of
„beurs,” zoo als hij het noemde, zijn schat op te steken, en
vervolgens, alsof hij begreep dat deze goedheid eenige vergelding van
zijn kant vorderde, kwam hij Eduard dicht op zijde, met een uitdrukking
in het gelaat die bijzonder sprekend was, terwijl hij op een half
gesmoorden toon er bijvoegde: „Zoo mijnheer denkt dat die oude helsche
Whig van een kerel een beetje gevaarlijk is, kan men hem gemakkelijk
bezorgen.”
„Op welke wijze?”
„Ik zou hem zelf,” hernam Callum, „een klein eindje wegs van het dorp
kunnen opwachten, en hem de huid met den Skene-occle, kittelen.”
„Skene-occle! Wat is dat?”
Callum knoopte zijn rok los, ligtte den linkerarm op, en wees, met een
nadrukkelijken knik, op het gevest van een kleinen dolk, behendig in de
voering van zijn buis verborgen. Waverley dacht dat hij hem verkeerd
begrepen had; hij zag hem stijf aan, en ontdekte in Callums waarlijk
schoon, hoewel verbrand gelaat, juist die uitdrukking van schelmsche
kwaadaardigheid, welke een knaap van dezelfde jaren in Engeland zou
hebben vertoond, bij het plan om een boomgaard te bestelen.
„Goede Hemel! Callum, zoudt ge den man het leven willen benemen?”
„Zeker,” antwoordde de jonge woesteling, „en ik denk dat hij al lang
genoeg geleefd heeft, als hij het er op toelegt om brave lieden te
verraden, die in zijn herberg komen om hun geld te verteren.”
Eduard zag, dat er met redeneeren niets te doen viel, en hield zich dus
tevreden met Callum te bevelen, alle plannen tegen den persoon van
Ebenezer Cruickshanks te laten varen; welk bevel de knaap met groote
onverschilligheid scheen aan te hooren.
„De Duinhé-wassel moet het zelf weten; de oude vent heeft Callum nooit
kwaad gedaan. – Maar hier is een regeltje van het Opperhoofd, dat hij
mij verzocht mijnheer te geven, eer ik terug kwam.”
De brief bevatte Flora’s dichtregels op het lot van kapitein Wogan,
wiens ondernemend karakter door Clarendon zoo fiks beschreven is. Hij
had zich oorspronkelijk in dienst begeven van het Parlement, maar had
die partij verzaakt, bij het ter dood brengen van Karel I; en
vernemende dat de koninklijke standaard door den graaf van Clencairn en
den generaal Middleton was opgestoken in de Schotsche Hooglanden, nam
hij afscheid van Karel II, die toen te Parijs was, stak over naar
Engeland, verzamelde een corps ruiterij in de nabijheid van Londen, en
trok dwars door het rijk, dat zoo lang onder de heerschappij van den
overweldiger was geweest, en volbracht zijn marschen met zooveel kunde,
moed en beleid, dat hij zijn handvol paardevolk behouden vereenigde met
het corps Hooglanders, hetwelk zich toen onder de wapens bevond. Na
verscheidene maanden, gedurende welke de krijg onbeslist bleef en
waarin Wogans kunde en dapperheid hem den hoogsten roem verwierven, had
hij het ongeluk om gevaarlijk gekwetst te worden, en daar er geene
heelkundige hulp bij de hand was, eindigde op deze wijze zijn korte
maar roemrijke loopbaan.
De reden lag voor de hand, waarom het sluwe Opperhoofd het voorbeeld
van dezen jongen held onder het oog van Waverley wenschte te brengen,
met wiens romanesken aard het zoo volkomen strookte. Maar zijn eigen
brief kwam neêr op een beuzeling, die Waverley beloofd had voor hem in
Engeland te volvoeren, en slechts aan het slot trof Eduard deze woorden
aan: „Ik ben nog boos op Flora, omdat ze ons gisteren haar gezelschap
heeft geweigerd, en daar ik u de moeite geef om deze regels te lezen,
ten einde ge uwe beloften onthouden mocht, om mij het vischtuig en den
handboog uit Londen te bezorgen, wil ik haar verzen op het graf van
Wogan hierbij insluiten. Dit, weet ik, zal haar spijten; want, om de
waarheid te zeggen, ik geloof dat ze meer verliefd is op de
nagedachtenis van dezen held, dan zij het waarschijnlijk ooit op eenig
levend mensch zal worden, tenzij hij een soortgelijk pad bewandele.
Maar de Engelsche heeren van onzen tijd bewaren hunne eiken om met het
loof er van hunne hertenkampen te overschaduwen, of om hunne verliezen
van éénen avond, bij de speeltafel er mede te herstellen, en roepen ze
even zoo min te hulp, om hunne slapen te omkransen, als om hunne graven
te overschaduwen. Laat mij op een schitterende uitzondering hopen in
een dierbaren vriend, wien ik met, vreugd een dierbaarder naam zou
geven.” „Het vers had tot opschrift;