XXX.

Naar Ellezelle.

In _la Capelette_ hebben wij den weg gevraagd naar Ellezele, eene

voorzorg, die niet overbodig mag genoemd worden. Want wij zijn hier in

eene stille, eenzame streek.

De naaste gemeenten zijn: Ronse, Kerkhem, Schoorisse, Op-Brakel en

Parike, in Oost-Vlaanderen; -- Everbeke, Vloesberge en Ellezele, in

Henegouw.

Het oord is vele honderden hectaren groot. Acht kilometers scheiden

Ellezele van Schoorisse; vijftien kilometers Ronse van Everbeke.

Vloesberge alleen bezit hier nagenoeg 260 hectaren gronds, begroeid met

dennen.

Voortwandelend, dachten wij aan de Luxemburgsche Ardennen, met hunne

uitgestrekte hoogvlakten, met hunne grijskleurige woningen, met hunnen

mageren plantengroei. Geen Vlaming zal het ons dan ten kwade duiden, dat

wij de voorkeur geven aan Zuid-Vlaanderen. Hier hebben wij eene gedurige

en schielijke afwisseling van hoogten en laagten, van heuvelen en

valleien. Voeg daarbij het heldere blauw des hemels, het donkere groen

der weelderige gewassen, het vriendelijke rood der pannen daken en het

blinkende wit der gevels. Overal verscheidenheid, overal kleur, overal

poëzie, overal leven...

«Maar wij zien bijna overal hetzelfde landschap,» zullen oppervlakkige

lieden opwerpen.

Toch niet!

Let maar eens op de voor- en achterplannen, die alle oogenblikken

veranderen, op de stoffeeringen, die nergens dezelfde zijn.

Laat ons echter veronderstellen, dat uwe opwerping gegrond zij. Dan nog

krijgt ge geen gelijk.

Sedert duizenden jaren versiert de roos elken zomer met dezelfde kleuren

onze aarde. Gij zelven hebt ze reeds dertig, veertig, misschien zestig,

zeventig keeren in uwen tuin zien ontluiken, bloeien en verflensen. En

toch beschouwt iedereen het roosje als de koningin onzer bloemen.

* * * * *

Ellezele schuilt, zooals wij hooger aanstipten, in eene vallei. Dit zegt

genoeg, dat de gemeente eene heerlijke omgeving heeft. Hare

uitgestrektheid bedraagt 2,400 hectaren; hare bevolking is tot ongeveer

5,500 zielen gestegen.

Een goed gedeelte van Ellezele's grondgebied is bedekt met bosschen. Wij

hadden reeds de gelegenheid aan te stippen, dat zich daar dikwijls

gansche benden booswichten schuil hielden. Niet zelden bestonden die

benden uit vreemde landloopers, Bohemers, heidens of Egyptenaars. Die

boeven verontrustten heel de streek. In 1509 betaalde het magistraat van

Oudenaarde 12 pond parisis aan «het opperhoofd van eene bende

Egyptenaren,» opdat «hij met zijn volk niet min dan twee uren afstand

van de stad zou blijven.»

Na 1724 stoorden zulke booswichten weer de bewoners van Ronse, van

Ellezele, van Vloesberge, van al de «betwiste gronden.»

Ten langen laatste, en wel in 1733, zond de Regeering 150 huzaren naar

Ellezele, om de schurken te vangen. Zeven vrouwspersonen werden

opgehangen; een en twintig andere fielten van beide geslachten werden

gegeeseld en gebrandmerkt. Een klein meisje -- eene weeze -- werd

edelmoedig door de bewoners opgenomen en verpleegd. Uit dien hoofde

betaalde Ellezele gedurende eenigen tijd eene jaarlijksche som van

ongeveer 11 pond.

Op het dorpsplein van Ellezele vindt men, sedert onheuglijke tijden,

eenen diepen bornput. Ten jare 1883 heeft men er eene fraaie pomp op

geplaatst.

De parochiale kerk staat onder de bescherming van Sint-Pieter, den

apostel. De toren, die zwaar is, draagt het jaartal 1643. Het koor werd

herbouwd in 1723; de zijbeuken zijn van 1781. De predikstoel, gesneden

in 1751, is een merkwaardig stuk.

Het was in de kerk, dat men vroeger te Ellezele, zooals overigens in

vele gemeenten van Vlaanderen, de voorname oorkonden bewaarde. Heden nog

toont men den reiziger den koffer, die met ijzer beslagen is. Hij heeft

drie sterke, verschillende sloten.

Men wil, dat Ellezele de zedelijkste en de rijkste gemeente zij uit den

Noord-Westelijken hoek van Henegouw. «Cette terre n'appartient qu'à Dieu

et à moi!» zegde ons een landbouwer; «die grond hoort aan God en aan mij

toe!» willende doen verstaan, dat zijne eigendommen onbelast waren.

Aardbevingen, die sommige streken zoo dikwijls teisteren, zijn

gelukkiglijk in ons vaderland een zeldzaam verschijnsel. In de oude

registers van den burgerlijken stand der gemeente is er nochtans van

eene schudding spraak. Wij schrijven letterlijk over: «Le 18 février

1756, la carcasse entière de l'église d'Ellezelles a subi une secousse.

L'air était bien tranquille; et en moins d'une minute de temps les

prêtres et le monde qui étaient à l'église pour la messe, se sont

sauvés.» Wat in onze taal beteekent: «Den 18 Februari 1756 begon de

gansche kerk van Ellezele schielijk te beven. De lucht was stil; doch in

een omzien vluchtten de priesters en de geloovigen, die in de kerk waren

om mis te hooren.»

Lezers, als gij oude oorkonden in handen krijgt, overziet ze toch

aandachtig. Zij behelzen zoo dikwijls kleine, maar wetenswaardige

bijzonderheden!

* * * * *

Wij hebben reeds de «betwiste gronden» genoemd.

In vroegere eeuwen behoorde de stad Lessen met zeven dorpen, alsook het

kasteel van Vloesberge en de heerlijkheid van Ronse, tot Vlaanderen

onder het Rijk, afhangende van den Duitschen keizer.

Vlaanderen onder de Kroon was integendeel een leen van den Franschen

koning; en allodiaal Vlaanderen was een eigendom der graven, waarvoor

zij noch aan den koning, noch aan den keizer iets verschuldigd waren.

Welnu, de hooger genoemde deelen van Vlaanderen onder het Rijk werden

van lieverlede een twistappel tusschen de Vlaamsche en de Henegouwsche

graven, weshalve de geschiedschrijvers hun den naam van «betwiste

gronden» hebben gegeven.

Het geschil duurde tot in 1333, wanneer de vorsten een verdrag troffen,

dat nooit meer werd gestoord.

De graaf van Henegouw behield de steden en dorpen van Lessen en

Vloesberge, zonder daar nochtans nieuwe versterkingen te mogen

oprichten, tenzij met voorkennis en toestemming van Vlaanderens vorst.

Deze behield de heerlijkheid van Ronse.

Reisjes in Zuid-Vlaanderen · 第 41 / 47 题