Naar den Pottelsberg.
Tusschen Ellezele en Lessen ligt Vloesberge -- _Flobecq_ -- eene groote
gemeente van ongeveer 4,500 inwoners.
Onze lezers zullen zich wel herinneren dat JULIUS PLANCQUAERT, de
schrijver van _de Franschen in Vlaanderen_, vrederechter was te
Vloesberge, en daar in 1888 overleed in den ouderdom van 35 jaren. De
begaafde man was van Wortegem.
Benoorden het vlek is het uitgestrekte woud van Vloesberge met twee
bergpunten, die 150 meters hoog zijn. De eene verhevenheid is de
Pottelsberg, de andere de berg van Rhodes.
De afstand van Ronse bedraagt 8 kilometers. Nochtans zal de weg ons niet
lang schijnen, omdat de streek overal zoo schoon, zoo schilderachtig is.
Nauwelijks zijn wij buiten Ronse aan _de Linde_ -- eene gekende herberg
-- of de Muziekberg rijst weer vóor onze oogen. Aan dezen kant is zijne
helling zeer steil.
Daar neemt de Molenbeek haren oorsprong.
Verder bereiken wij het kapelleken van Lorette, gebouwd in 1674 door de
zorgen van M. Deletenre, pastoor te Ronse. De vrome herder had
ondervonden, dat vele geloovigen, aldaar gehuisvest, hunne
godsdienstige plichten maar moeilijk konden vervullen, omdat zij ofwel
te verre van de stad woonden, ofwel slechte, onbruikbare wegen moesten
volgen. Om die reden richtte hij twee kapellen op: de kapel ter Heide,
tusschen Ronse en Ellezele, en de reeds genoemde kapel van Lorette,
langs de baan naar Brakel, welke wij volgen.
In de kapel ter Heide las men mis op alle Zon- en heiligdagen des jaars,
behalve op Paschen, Sinksen, Allerheiligen en Kerstmis. Ten jare 1819
brak men deze bidplaats af.
De kapel van Lorette bestaat nog, en wordt ieder jaar met den 25 Maart
druk bezocht. De landzaten spreken dichterlijk van den «Tijloozen
ommegang,» omdat de tijloozen of de sneeuwklokjes in die dagen volop
bloeien.
Wij komen in Henegouw en bereiken eene wijd gekende herberg _Les quatre
Vents_. Hier staan wij 130 meters boven den spiegel der zee. In de
nabijheid heeft de heer Joly overblijfselen uit het steenen en het
bronzen tijdperk ontdekt. Ronse mag fier zijn op dien verstandigen en
onbaatzuchtigen zoeker!
Tien minuten verder loopt een zijweg links, een andere rechts. De eerste
leidt naar eene vallei, waar de Markebeek ontstaat. Deze vloeit door het
bosch te Rijst, in de richting van Schoorisse.
Den anderen zijweg inslaande, beklimmen wij den Pottelsberg, die 157
meters hoog is. Het volk in den omtrek noemt hem den Potseberg. De Walen
spreken van _la Houppe_. De bosschen noemen zij «les bois de la
Cocambre.»
Heinde en verre ontmoeten wij diepe wegen, steile verhevenheden,
ravijnen en onbeplante plaatsjes. Groene kraakbeziestruiken, bruine
heideplanten en sierlijke varens bedekken alom den grond.
In den heeten zomer, als de wind suist en de bijen gonzend op de
bloempjes azen, is het hier, in de schaduwe der boomen, schoon en
dichterlijk. Maar als een storm de toppen der dennen weg en weder
slingert, dat de takken kraken; als de donder in het luchtruim klatert
en de bliksem zijne rosse flikkeringen op den grond werpt, moet ook eene
koude huivering den wandelaar bekruipen.
Wie dit oord voor den eersten keer bezoekt, denkt onwillekeurig aan
Conscience's «verloren loopen.» Van alles afgescheiden, zich overleveren
aan het onvoorziene; in donkere wouden ronddwalen, zonder te weten waar
men is of waar men komen zal; geen spoor der menschelijke maatschappij
meer ontwaren; alles vergeten, tot de vriendschap zelve, om zich der
vijandschap ook niet meer te herinneren; alleen, gansch alleen daar
staan tusschen den Schepper en zijn werk, tusschen God en de natuur --
ha! verloren loopen, het is eene milde bron van poëzie...
Midden in het bosch, dicht bij eene diepte, komen, zeven wegen bijeen.
Daar vinden wij twee eenvoudige gebouwen: eene herberg, _la Capelette_,
en een kapelleken, waarin een eenvoudig kruisbeeld hangt.
De waard en de waardin zijn struische menschen; men zou zeggen dat de
berglucht, bezwangerd met den geur der sparren, weldadig op hen werkt.
Men spreekt tegenwoordig, in boeken en tijdschriften, nog al veel over
sanatorium's voor lieden, die de schrikkelijke longtering krijgen.
Zouden de omstreken van Ronse niet uitstekend geschikt zijn voor het
inrichten van zulk eene schuilplaats?
Het kapelleken is een verkwikkend rustpunt voor den christen reiziger.
In de eenzaamheid, verre van het gewoel der menschen, kan men toch zoo
hartelijk bidden: «Onze Vader, die in de hemelen zijt!»