XXII.

De omstreken van Geeraardsbergen.

Vijf en veertig gemeenten, in den omtrek van Geeraardsbergen gelegen,

maakten oudtijds deel van Vlaanderen onder het Rijk.

Boelare -- thans gescheiden in Neder- en Over-Boelare -- was eeuwen lang

de zetel van eene aanzienlijke baronij. Deze telde twaalf dorpen.

De burcht stond te Neder-Boelare, langs den Dender.

Als eigenaars noemt men: Steven van Boelare, die Robrecht van Jeruzalem

naar Palestina vergezelde; -- Nicolaas van Boelare, gehuwd met Ida van

Roeulx, eene nicht van Boudewijn den Moedige; -- de heeren van Liedekerke

en van Reingaardsvliet; -- Philip-Willem van Nassau, prins van Oranje;

-- Frans de Cassina, echtgenoot van Robertina de Nouailles.

De heeren van Boelare, evenals die van Pamele, van Eine en van Cisoing,

voerden den titel van «Beer,» de hoogste onderscheiding, welke de graaf

van Vlaanderen kon toekennen.

Op het grondgebied van Over-Boelare heeft men verschillende voorwerpen

opgedolven, voortkomende van eene Frankische begraafplaats.

Boelare bezat reeds eene kerk in 1070. Het koor van den hedendaagschen

tempel schijnt zeer oud te zijn. Men vindt er eene kleine schilderij,

die het penseel van eenen meester verraadt: twee lieve kinderkens, een

lam, de heilige moeder Anna en O. L. Vrouw. Een meesterstukje, zegt men,

van den Antwerpschen kunstenaar G. DE CRAEYER.

In 1525 trokken de rederijkers «van den lande van Boelaer» te paard naar

Geeraardsbergen, «om den paeyse te vieren.» Dat zij talrijk waren, is

meer dan waarschijnlijk. De stad begiftigde hen trouwens «met twee

tonnen bier.»

Sarlardinge, op de zuidelijke grens van Oost-Vlaanderen, heet

_Zaarlinge_ in den mond des volks.

Vele ingezetenen van Sarlardinge arbeiden in de steengroeven van Lessen.

Op den 31 December loopen de behoeftige lieden naar de huizen der

welstellende menschen, roepende:

Koekebak, koekebak,

Steekt een brood in mijnen zak!

Dit duurt den ganschen dag, want er zijn twee, drie dorpen te bezoeken.

Tegen den avond wacht hen de koffietafel.

Niet verre van Sarlardinge, doch in Henegouw, ligt Everbeke -- Everbecq

-- dat voorheen eene Vlaamsch-sprekende bevolking had. Wie zulks

betwijfelt, vrage maar eens in het dorp naar het _Hoogbosch_ of het

_Hemelrijk_.

Goeferdinge, met zijne heuvelen en valleien, is een schilderachtig

plaatsje. De kerk, staande op de helling eener hoogte, dagteekent uit de

tweede helft der XVIIIe eeuw. Boven de deur kapte men het jaartal 1776.

Goeferdinge heeft geene groote hofsteden; doch men verzekerde ons, dat

schier al de ingezetenen een eigen huis bezitten. Zulks bewijst, dat zij

de orde en de spaarzaamheid liefhebben.

Benoorden Geeraardsbergen ligt Schendelbeke, met eene uitgestrektheid

van ongeveer 590 hectaren. De bodem, die zeer vruchtbaar en heuvelachtig

is, bestaat hoofdzakelijk uit klei.

Schendelbeke mag op eene hooge oudheid bogen. In 1850 heeft men er eene

geslepen steenen bijl opgedolven.

Het volk van Schendelbeke spreekt van den Godsberg, van den Rooden

Driesch, van den Langen meersch en het Jonkheerenveld. Op den Rooden

Driesch bouwde men in 1328 een klooster voor Karthuizers, dank aan de

milddadigheid van Jan Geylinc, heer des dorps. De Godsberg, die nu een

veld is, schijnt behuisd te zijn geweest.

Het slot van Schendelbeke stond weleer niet verre van het kasteel van

Boelare. Het werd geslecht in 1458; doch overblijfselen van

middeleeuwsche muren, in eene moerassige weide verborgen, spreken tot

den reiziger van vroeger wel en wee.

De parochiale kerk, toegewijd aan St. Amand, werd onlangs hersteld. Het

hoogaltaar is herkomstig uit de voormalige abdij van Geeraardsbergen.

Bij Idegem kronkelt de Dender het Oosten in, naar Grimmingen.

Noordwaarts, over Zandbergen, ligt Pollare, eene zeer oude gemeente,

waar men Romeinsche steenen en pannen, stukken van vaatwerk en bronzen

lanspunten heeft opgedolven.

Pollare heeft eenen «Nekkersput» en eenen «Steenberg.» Eene oorkonde van

1596 noemt ook een «Hazelaarbosch,» waar de tooveressen der streek met

den duivel omgingen.

Tusschen Grimmingen en Geeraardsbergen praalt Onkerzele, een

allerliefste plaatsje, met eene bevolking van ongeveer 1,700 zielen.

De kerk prijkt op eenen heuvel. De huizen staan in de diepte, en vormen

eenen halven cirkel rondom den tempel.

Deze werd in 1845 herbouwd. Hij bezit eenen lessenaar, die zeker in de

eerste helft der XIVe eeuw werd vervaardigd. Het ijzeren blad vertoont

een lammeken, klaverbladeren en druiven, benevens een Gothisch

opschrift.

Achter de kerk aanschouwt de wandelaar een heerlijk panorama: de

uitgestrekte Dendermeerschen; de torens van Schendelbeke, Op-Hasselt,

Idegem, Grimmingen, Pollare, Appelterre, Zandbergen en Ninove; het

kasteel van Neder-Boelare; eene menigte hofsteden en molens. Elders

daagt het donkere Raspaillenbosch. Naderbij, tusschen twee heuvelen, die

met boomen en struiken bewassen zijn, daalt de weg naar den Dender. Voor

schilders en dichters is Onkerzele een Eden.

Een gehucht der gemeente heet Atenbeke. Daar vindt de wandelaar eenen

reusachtigen eik: de _Jonkvrouw_. Door zijnen weligen groei, door zijne

ongewone hoogte en dikte, door zijne regelmatige kruin en zijne

krachtige takken wekt deze boom de bewondering van landzaten en

vreemden. De stam is van onder tot boven gaaf en gezond. Op eene hoogte

van twee meters boven den grond heeft hij nog eenen omtrek van nagenoeg

vijf meters.

Men wil, dat de «Jonkvrouw» ten minste vijf eeuwen oud zij. Hoort gij

niet, dat het loover, door den avondwind bewogen, oude sagen fluistert?

Dat het spreekt van vreugde en lijden, van vele beproevingen en

oploopen, van vervlogen roem en grootheid?

* * * * *

Wij kennen reeds den oorlog, dien Philip de Goede te voeren had tegen de

overmoedige Gentenaars. De Groententers bemachtigden het slot van

Schendelbeke. Van daar trokken zij naar Geeraardsbergen, dat zij

plunderden; naar Akeren en Lessen, stekende het vuur aan menige hoeven

en kasteelen.

Zoodra nu de hertog een leger verzameld had, besloot hij zich meester te

maken van al de burchten, door zijne vijanden bezet. In de maand Juni

1453 beschoot hij het kasteeel van Schendelbeke, dat hij na weinige

dagen veroverde. Al de belhamers werden aan boomen opgehangen.

Omtrent denzelfden tijd brandde Parike grootendeels af. Het slot van

Poeke ging op zijne beurt na negen dagen wederstands over.

In den zomer van 1765 machtigde de regeering een vennootschap om

«houillie-aeders» te zoeken binnen de rechtsgebieden van Ninove,

Leeuwergem, Gaver, Oudenaarde, Brakel, Over-Boelare, Viane, Windeke en

andere omliggende plaatsen. De vergunning meldt, dat men tot dan toe

geene diergelijke werken in Vlaanderen ondernomen had.

Den 25 October 1798 vielen de boeren van Moerbeke, Viane en eenige

andere dorpen, gewapend met zeisens, vorken en vlegels, in

Geeraardsbergen. Zij weken terug, zonder groote schade aan te richten;

doch kwamen 's anderendaags weer, kapten nu den vrijheidsboom af en

plunderden den tempel der wet.

De aanleider was uit het Kortrijksche. Hij droeg eenen hoed met zwarte

pluimen.

Geeraardsbergen was eene der weinige steden geweest, die in 1794 de

Franschen welwillend ontvingen. Zelfs hadden de wethouders, als goede

sullen, een deel van hunne bezoldiging afgestaan, om dansfeesten en

dranken te bekostigen ter eere van hunne vreemde meesters. Ondanks dit

alles beschuldigde men thans de bevolking van dubbelhartigheid, van

medeplichtigheid. «De stad,» dus schreef de beruchte Beguinot, «is

aangewezen geworden om de eerste gelegenheid tot opstand waar te nemen.

De openbare overheden zijn niet meer in veiligheid; zij worden zelfs

langs de straat beleedigd...»

Het magistraat wendde voor, dat geen enkele ingezetene aan den opstand

der Boeren had deelgenomen. Dit belette niet, dat men de stad

veroordeelde tot het betalen van eene schadeloosstelling van 2,057.41

fr.

O die lieve, broederlijke Franschen!

* * * * *

Bewesten Geeraardsbergen liggen Neder-Brakel, Op-Brakel en Schoorisse.

Neder-Brakel, met meer dan 4,200 inwoners, wordt besproeid door de

Zwalme, en gelijkt door zijne netheid aan een steedje. Het is de

geboorteplaats van den novellenschrijver E. MEGANCK.

Te Op-Brakel stond de wieg van den wijd en zijd gekenden liedjeszanger

JOZEF SADONES. De man was geboren den 6 December 1755 en stierf te

Geeraardsbergen den 19 October 1816.

Het schijnt, dat de Geuzen aan deze kanten nog al talrijk waren in de

XVIe eeuw. De gebroeders VAN CAMPENE teekenden althans aan, «dat die

van Bracle, Neerbracle en daer omtrent» naar Geeraardsbergen togen, om

verder «het klooster van Beauprees» te plunderen, en dat zij overal den

landman «veel molest deden.»

Op zekeren dag, in de maand Augustus 1566, ontmoette de heer van

Bakerzele, niet heel verre van Geeraardsbergen, eene bende van die

roovers. Twaalf hunner werden neergeveld, vijftig anderen gevangen

genomen en naderhand gekastijd.

Wij komen te Schoorisse -- Escornaiz -- eene gemeente, die nagenoeg

2,500 zielen telt.

Schoorisse ligt, evenals Marke, in eene bekoorlijke vallei, in de verte

begrensd door de wouden van Op-Brakel, Vloesbergen en den Muziekberg.

Westwaarts steekt de toren van Nukerke in de lucht.

De vroegere baronij van Schoorisse bestond uit zeven gemeenten. Zij

behoorde in den loop der tijden aan de edele geslachten van Schoorisse,

van Gaver, van Lalaing, van Berlaimont en van Egmont toe.

In de parochiale kerk vindt de reiziger eenen grafsteen met de namen van

Arnold van Gaver, heer van Schoorisse, en zijne echtgenoote Izabella van

Gistel. Jan van Luxemburg, een andere heer des dorps, stichtte er een

jaargetijde.

Het slot verhief zijne torens bezuiden de kerk, langs den steenweg.

Reisjes in Zuid-Vlaanderen · 第 31 / 47 题