XXI.

Eene Geeraardsbergsche sage.

Met zekeren hoogmoed spreekt de bevolking van Geeraardsbergen over de

historische sagen en jaarlijksche feesten, welke aan de stad eigen zijn.

Zoo is het feest, dat op den eersten Zondag van den Vasten gevierd

wordt, zeker der melding waard.

Geheele hoopen volk komen na den middag de stad binnen en wachten op de

Groote Markt de burgerlijke en de geestelijke overheden af.

Daar slaat het twee ure. De beiaard speelt, de klokken luiden, de hoorn

schalt, de trommel roffelt.

De gemeenteraad, de geestelijkheid en andere voorname ingezetenen

verlaten het stadhuis, met speellieden voorop, die hunne blijde tonen in

de huiverige lucht werpen.

Langzaam volgt de stoet de steile Abdijstraat.

Bakkers en winkeliers dragen manden vol krakelingen, koeken en haringen

mede.

De menigte groeit gedurig aan; en zij, die het eerst op den berg

geraken, hebben zorg eene plaats te kiezen in de kapel, waar de Eerw.

Heer Deken de litanie van O.-L.-Vrouw zal lezen, zoodra de overheden het

toppunt bereiken.

Dit gedaan zijnde, scharen zich de bijzonderen rondom de arduinen zuil

achter de kapel.

Nu biedt men, in eenen historischen, zilveren beker, den eerewijn aan,

waarin een klein levend vischje zwemt.

De deken, de burgemeester, de wethouders -- ieder drinkt, naar

aartsvaderlijk gebruik, een klein teugje. Wie het vischje binnenslokt,

weet men zelden of nooit.

Eindelijk gaat men over tot het werpen van koeken, krakelingen en

haringen onder de wachtende menigte.

Welk een gewoel en gekrioel!

De eene loopt rechts, de andere links; deze roept in het Vlaamsch, gene

juicht in het Waalsch. De mannen vechten, de vrouwen kijven, de knapen

vliegen elkander in het haar. Sommigen rollen den berg af, anderen komen

in den kouden vijver te recht; en de bedaarde aanschouwer lacht

schokkend om al die zonderlinge tooneelen.

's Avonds om zeven ure, als iedereen vertrokken is, ontsteekt men op het

toppunt des bergs, bij het beeld van O.-L.-Vrouw, een tonneken, gevuld

met pek. Om deze reden noemt men te Geeraardsbergen den vastenavond «het

feest van Tonnekenbrand.»

In de omliggende dorpen voert men dien avond brandende bundels stroo

rond, gewis om het vuur van Geraardsbergen op zijn middeleeuwsch te

beantwoorden.

* * * * *

Men beweert, dat dit feest gevierd wordt ter herinnering aan een ontzet

der stad.

De belegeraars -- Walter van Edingen en zijne wapenlieden -- beletteden

reeds eenen geruimen tijd allen invoer van levensmiddelen, ten einde den

hongersnood binnen de muren te brengen.

Dagen kwamen en verstreken.

De voorraad verminderde, de ellende naderde...

Toch gaven de belegerden den moed niet op.

Zij hoopten op hoogeren bijstand, en wendden zich vol betrouwen tot

O.-L.-Vrouw van den Ouden berg, vereerd als Hulp der christenen.

Hun gebed was niet vruchteloos.

De hopman riep zijne strijdmakkers samen.

«Mannen,» zegde hij hun, «onze toestand vraagt een kloek besluit. Indien

wij slag leveren, moeten wij voor de overmacht onzer vijanden bukken;

indien wij werkeloos blijven, zal de honger ons allen, met onze vrouwen

en kinderen, wegmaaien...

»Laat ons dan den vijand verschalken! En valt ons pogen kwalijk uit, zoo

nemen wij kloekmoedig de wapens op, en verdedigen onze vaderstad tot den

laatsten ademtocht!

»Bakt broodjes van het meel, dat gij nog bezit, en vangt in den Dender

zooveel visschen, als gij kunt. Morgen vroeg zult gij alles op de

verschansingen brengen; en op een gegeven teeken werpen wij heel den

voorraad naar het hoofd der belegeraars...»

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Des anderendaags, bij het kiemen van den morgen, snelde jong en oud naar

de vestingen.

In den beginne keken de vreemden verbaasd op; maar toen zij, als bij

tooverslag, met broodjes en visschen begroet werden, verloren zij den

kop.

«Wat baat het,» riep de lichtzinnige Walter uit, «dat wij

Geeraardsbergen belegeren? God weet, voor hoeveel weken die mannen nog

mondkost hebben!» -- «Wij zijn het wachten moede,» zegden de anderen,

«laat ons den aftocht blazen!»

Dit gebeurde.

Die van Geeraardsbergen lachten niet weinig in hunne vuist, toen zij den

vijand zagen wegdruipen.

Zij vierden heel den dag het onverhoopt ontzet hunner stad en

ontstaken, bij het vallen van den avond, een groot vreugdevuur op de

kruin des bergs.

Het ontsteken van vreugdevuren was in vroegere eeuwen een algemeen

gebruik in Vlaanderen. Te Brugge «maecte men een scoon vier,» toen «onse

princesse» in 1481 «te Bruessele gheleghen was.» Te Kortrijk «maecten de

pinders een vier voort scepenhuus, toen mevrouwe de princesse van

Castille inne quam.»

Wij kennen geene enkele oorkonde, pleitende voor de echtheid der

Geeraardsbergsche sage; doch wij weten ten stelligste, dat de oorsprong

van het feest zeer hoog opklimt.

De stadsrekeningen over 1398 en volgende jaren spreken reeds van «het

barnen van een wynvat naer ouder coustume.»

Na de plechtigheid zetten zich «de edele heeren borgemeester ende

schepenen» vroeger aan de feesttafel. Den 23 Februari 1744 aten en

dronken zij voor meer dan 119 gulden. De rekening, in het archief

bewaard, spreekt van «witten wyn en Bourgogne-wyn, van snoeken, carpels,

aberdaen en salm, van craeckamandels, castaignen, sitroenen, salaey,

porseleyn, rosynen, prignolen en craekelingen.»

Reisjes in Zuid-Vlaanderen · 第 30 / 47 题