Eene Geeraardsbergsche sage.
Met zekeren hoogmoed spreekt de bevolking van Geeraardsbergen over de
historische sagen en jaarlijksche feesten, welke aan de stad eigen zijn.
Zoo is het feest, dat op den eersten Zondag van den Vasten gevierd
wordt, zeker der melding waard.
Geheele hoopen volk komen na den middag de stad binnen en wachten op de
Groote Markt de burgerlijke en de geestelijke overheden af.
Daar slaat het twee ure. De beiaard speelt, de klokken luiden, de hoorn
schalt, de trommel roffelt.
De gemeenteraad, de geestelijkheid en andere voorname ingezetenen
verlaten het stadhuis, met speellieden voorop, die hunne blijde tonen in
de huiverige lucht werpen.
Langzaam volgt de stoet de steile Abdijstraat.
Bakkers en winkeliers dragen manden vol krakelingen, koeken en haringen
mede.
De menigte groeit gedurig aan; en zij, die het eerst op den berg
geraken, hebben zorg eene plaats te kiezen in de kapel, waar de Eerw.
Heer Deken de litanie van O.-L.-Vrouw zal lezen, zoodra de overheden het
toppunt bereiken.
Dit gedaan zijnde, scharen zich de bijzonderen rondom de arduinen zuil
achter de kapel.
Nu biedt men, in eenen historischen, zilveren beker, den eerewijn aan,
waarin een klein levend vischje zwemt.
De deken, de burgemeester, de wethouders -- ieder drinkt, naar
aartsvaderlijk gebruik, een klein teugje. Wie het vischje binnenslokt,
weet men zelden of nooit.
Eindelijk gaat men over tot het werpen van koeken, krakelingen en
haringen onder de wachtende menigte.
Welk een gewoel en gekrioel!
De eene loopt rechts, de andere links; deze roept in het Vlaamsch, gene
juicht in het Waalsch. De mannen vechten, de vrouwen kijven, de knapen
vliegen elkander in het haar. Sommigen rollen den berg af, anderen komen
in den kouden vijver te recht; en de bedaarde aanschouwer lacht
schokkend om al die zonderlinge tooneelen.
's Avonds om zeven ure, als iedereen vertrokken is, ontsteekt men op het
toppunt des bergs, bij het beeld van O.-L.-Vrouw, een tonneken, gevuld
met pek. Om deze reden noemt men te Geeraardsbergen den vastenavond «het
feest van Tonnekenbrand.»
In de omliggende dorpen voert men dien avond brandende bundels stroo
rond, gewis om het vuur van Geraardsbergen op zijn middeleeuwsch te
beantwoorden.
* * * * *
Men beweert, dat dit feest gevierd wordt ter herinnering aan een ontzet
der stad.
De belegeraars -- Walter van Edingen en zijne wapenlieden -- beletteden
reeds eenen geruimen tijd allen invoer van levensmiddelen, ten einde den
hongersnood binnen de muren te brengen.
Dagen kwamen en verstreken.
De voorraad verminderde, de ellende naderde...
Toch gaven de belegerden den moed niet op.
Zij hoopten op hoogeren bijstand, en wendden zich vol betrouwen tot
O.-L.-Vrouw van den Ouden berg, vereerd als Hulp der christenen.
Hun gebed was niet vruchteloos.
De hopman riep zijne strijdmakkers samen.
«Mannen,» zegde hij hun, «onze toestand vraagt een kloek besluit. Indien
wij slag leveren, moeten wij voor de overmacht onzer vijanden bukken;
indien wij werkeloos blijven, zal de honger ons allen, met onze vrouwen
en kinderen, wegmaaien...
»Laat ons dan den vijand verschalken! En valt ons pogen kwalijk uit, zoo
nemen wij kloekmoedig de wapens op, en verdedigen onze vaderstad tot den
laatsten ademtocht!
»Bakt broodjes van het meel, dat gij nog bezit, en vangt in den Dender
zooveel visschen, als gij kunt. Morgen vroeg zult gij alles op de
verschansingen brengen; en op een gegeven teeken werpen wij heel den
voorraad naar het hoofd der belegeraars...»
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Des anderendaags, bij het kiemen van den morgen, snelde jong en oud naar
de vestingen.
In den beginne keken de vreemden verbaasd op; maar toen zij, als bij
tooverslag, met broodjes en visschen begroet werden, verloren zij den
kop.
«Wat baat het,» riep de lichtzinnige Walter uit, «dat wij
Geeraardsbergen belegeren? God weet, voor hoeveel weken die mannen nog
mondkost hebben!» -- «Wij zijn het wachten moede,» zegden de anderen,
«laat ons den aftocht blazen!»
Dit gebeurde.
Die van Geeraardsbergen lachten niet weinig in hunne vuist, toen zij den
vijand zagen wegdruipen.
Zij vierden heel den dag het onverhoopt ontzet hunner stad en
ontstaken, bij het vallen van den avond, een groot vreugdevuur op de
kruin des bergs.
Het ontsteken van vreugdevuren was in vroegere eeuwen een algemeen
gebruik in Vlaanderen. Te Brugge «maecte men een scoon vier,» toen «onse
princesse» in 1481 «te Bruessele gheleghen was.» Te Kortrijk «maecten de
pinders een vier voort scepenhuus, toen mevrouwe de princesse van
Castille inne quam.»
Wij kennen geene enkele oorkonde, pleitende voor de echtheid der
Geeraardsbergsche sage; doch wij weten ten stelligste, dat de oorsprong
van het feest zeer hoog opklimt.
De stadsrekeningen over 1398 en volgende jaren spreken reeds van «het
barnen van een wynvat naer ouder coustume.»
Na de plechtigheid zetten zich «de edele heeren borgemeester ende
schepenen» vroeger aan de feesttafel. Den 23 Februari 1744 aten en
dronken zij voor meer dan 119 gulden. De rekening, in het archief
bewaard, spreekt van «witten wyn en Bourgogne-wyn, van snoeken, carpels,
aberdaen en salm, van craeckamandels, castaignen, sitroenen, salaey,
porseleyn, rosynen, prignolen en craekelingen.»