XXIII.

Ronse.

Ronse -- Renaix -- ligt in de Zuid-Westelijken hoek van Oost-Vlaanderen,

in het schilderachtigste deel van gansch de provincie. De stad heeft

eene uitgestrektheid van 3,173 hectaren, deels bebouwd, deels onbebouwd.

In de laagten is de grond kleiachtig en zeer vruchtbaar; op de heuvelen

is hij overal steen- en ijzerachtig.

De landbouwers winnen dan ook alle soorten van graangewassen, van

oliegevende en weefbare planten. Verder teelt men er tabak, moeskruiden

en uitmuntend fruit. Allerhande boomen vertoonen eenen weelderigen

groei.

Er is geen gebrek aan bewijzen, die voor eene hooge oudheid van Ronse,

als bewoonde plaats, pleiten.

De heer JOLY vond er bijlen, hamers, messen en andere voorwerpen,

behoorende tot het Keltisch tijdperk, vóor den inval der Romeinen. Den 8

Juli 1868 ontdekte men in den kelder van het huis der familie van

Butsele-Deneufbourg, op den Bergplas, eene Romeinsche lijkbus, hebbende

eenen omtrek van 35 centimeters. Elders legde men Romeinsche

schrijfstiften, wapens en bouwstoffen bloot.

In de eerste helft der VIIe eeuw kwam Sint Amand, de Frankische

geloofszendeling, naar het Zuiden van Vlaanderen, naar Kortrijk en

Ronse. In deze stad stichtte de vrome man eene kerk en een klooster, in

het jaar 638.

De dichter van _Heer Daneelken_, eene zeer oude romance, kende Ronse:

Hi tooch te Ronsen upt hooghe huys

Om drie synder suster kinder...

Daneelken leefde zeven jaren in het gebergte -- op den Muziekberg? -- en

ging vervolgens naar de hoofdstad der christenheid.

Hi nam een staf al in syn hant,

Ende hi treec te Romen binnen:

«Nu biddic Maria, die moeder Gods,

Dat ic den paus mach vinden.»

Doen quam hi voor den paus ghegaen,

Voor onsen eertschen vader:

«Here, ic soude mi biechten geern,

Ende roepen up Gods ghenade.

«Ic soude mi biechten seer bevreest

Met alle minen sinne;

Ic heb seven jaer in den berch gheweest...»

Ronse verkreeg zijne eerste keure in 1240, vijftig jaren na Kortrijk. Nu

kon de bevolking zich ongestoord aan den arbeid overgeven, op den handel

toeleggen.

Gedurende de middeleeuwen bloeide de lakenweverij zoowel te Ronse als te

Gent, te Brugge, te Ieperen en te Kortrijk. Nog in de eerste helft der

XVIe eeuw kwamen «de goede lieden van Ronse ter Curtricmarct met haren

lakenen,» weshalve zij van het magistraat een geschenk van «twee cannen

wyns» ontvingen. In de halle van Leuven mochten de kooplieden van Ronse

hunne waren uitstallen, zonder rechten te betalen.

Op onze dagen is Ronse nog eene zeer nijverige stad, vooral befaamd om

de katoenen weefsels, die men er vervaardigt. Ook de spinnerijen

erlangen eene groote uitbreiding.

Geen wonder dan, dat de bevolking spoedig aangroeit. In 1856 telde Ronse

12,000 inwoners; in 1878 waren er meer dan 14,600; in 1897 ongeveer

19,000.

Groote rampen teisterden de gemeente, vooral in de XVIe eeuw.

Toen Maximiliaan van Oostenrijk in den echt trad met Maria van

Burgondië, poogde Lodewijk XI al de Fransche leenen, die op Maria

verstorven waren, aan te slaan. In 1477 kwam hij langs Kamerijk,

Bouchain en Avesnes naar het Henegouwsche, waar hij Doornik bemachtigde.

Het volgende jaar begon de krijg opnieuw. De koning rukte met zijn leger

naar West-Vlaanderen, denkende daar weinig tegenstand te zullen

ontmoeten. Middelerwijl zou zijn hoofdman te Doornik, Maurits van

Neufchatel, sprongreizen doen in het Gentsche, ten einde de

Oost-Vlamingen bezig te houden.

De Gentenaars, aangevoerd door den heer van Dadizele, togen de Franschen

te gemoet, en vochten hardnekkig tusschen Ansegem en Berchem. Nochtans

konden zij niet beletten, dat de vreemden Ronse in asch legden.

Ten jare 1519, omtrent den feestdag der H. Drievuldigheid, vernielde een

brand, bij toeval ontstaan, ongeveer 700 huizen. Destijds en later ook,

tot diep in de XVIIIe eeuw, bouwde men vele houten woningen.

Veertig jaren nadien, in het hart van den zomer, verslond het vuur bijna

gansch de stad. Zelfs smolten de klokken in de kerktorens.

Een andere brand, den 31 Maart 1719 ontstaan, legde 330 huizen in asch.

Ter oorzake van de menigvuldigheid dier rampen, stelde men twee

«brandprocessies» in: éene op de Vrijdag vóor Passiezondag en éene op

Paaschdag. Beide plechtigheden werden later afgeschaft.

De Beeldstormers spaarden de stad evenmin.

Den 19 Augustus 1566 drongen zij in de kerk van St-Hermes, schendende en

brekende wat zij konden. Dank aan de krachtdadige tusschenkomst der

wethouders, moesten de roovers deze reis de wijk nemen; doch na de

plundering der Oudenaardsche bedehuizen keerden zij terug om hun

goddeloos werk voort te zetten. Dit blijkt uit een gedicht van J.-D.

WAELKENS, pastoor van Edelare:

Als de pillage t'Audenaerde was gedaen,

Soo syn sy naer Ronse gegaen...

Kerken, kloosters en priesters hebben ze al aengegaen,

En keerden naer de stad met IX of X wagens, gelaên

Met allerhande goed, geestelick en weerlick...

Wellicht hebben al die rampen de merkwaardige gebouwen doen verdwijnen,

die Ronse, net als andere steden, moet bezeten hebben.

In de huidige Kasteelstraat, bij de Middelbare school, bouwde Jan van

Nassau, in 1630, het schoonste slot, dat men in die jaren ten onzent kon

bewonderen. Men verkocht het in 1823 voor 30,000 fr., waarna de hamer en

het breekijzer het gebouw sloopten.

Het eerste bedehuis van Ronse was de St-Pieterskerk, gewijd door den H.

Amandus in de VIIe eeuw. Daar zij heel bouwvallig was, verkocht men ze

den 2 November 1843 voor de geringe som van 3,300 fr.

In de nabijheid dezer bidplaats bouwde men de St-Hermeskerk, gewijd in

1129. De krocht, in zuiver Romaanschen stijl, heeft den vorm van een

Sint-Antoniuskruis. Zij bestaat uit breede gangen, gescheiden door

dertig zuilen met ongelijke versieringen. Het gewelf draagt sporen van

oude muurschilderingen.

De eigenlijke kerk, die groot en hoog is, werd herbouwd. Zij behoort tot

de Gothische kunst, en was voltooid in het begin van 1525. De toren is

zwaar en vierkantig.

Den 16 Maart 1878 besloot men de kerk van Sint-Hermes te herstellen. Het

gewelf en een deel van het koor werden reeds met kleuren belegd.

In het koor prijkt een koperen arend van 1685. Het tafereel van

DELFOSSE, Sint Amand voorstellende, is een opmerkenswaardig doek.

De tweede parochiale kerk van Ronse, aangelegd in 1892, is toegewijd aan

St. Marten, bisschop van Tours. Zij is bijna 72 meters lang, ruim 28

meters breed, en behoort tot den stijl der XIIIe eeuw. Deze kerk is het

middelpunt van eene nieuwe wijk der bloeiende, aangroeiende stad.

De oude St-Martenskerk, met eenen heel eigenaardigen toren, stond in de

nabijheid der hoofdkerk.

Ronse heeft weinige openbare plaatsen. Wij noemen: de Groote Markt, met

eene arduinen pomp, die elf meters hoog is en 36,000 fr. kostte; -- den

Plas; -- de Veemarkt; -- den Bruul of Broel, bewassen met hoogstammige

kastanjeboomen; -- de nieuwe de Malanderplaats; -- de Paardenmarkt, door

het volk schertsend het «Martelaarsplein» geheeten, omdat men er... de

zwijnen slacht. De Broel wordt in den zomer veel bezocht.

Hier en daar ontmoet de wandelaar een huis in Vlaamschen stijl. De

woning van M. de Malander, met een bevallig torentje boven de poort,

draagt zeker een eigen kunstmerk. Weinigen weten misschien, dat M. de

Malander een allerschoonste museum bezit. Het bevat, om maar enkele

stukken te noemen: drie doeken van Quinten Massijs, den edelen,

idealistischen vertegenwoordiger der oud-Vlaamsche school in de XVe

eeuw; -- vier van Rembrandt van Rijn, den beroemden meester der

Hollandsche school, bij wien «licht en bruin» de hoofdzaak is; -- twee

van Rubens, eene der glansrijkste verschijningen in de schilderkunst; --

vier van Teniers, den voorlooper van de groote Vlaamsche meesters der

XVIIe eeuw. Als bijzondere verzameling is die van M. de Malander zeker

eene der rijkste van gansch het land.

De katholieke Kring, die 85 meters lang is, gaat almede voor een

merkwaardig gebouw door.

Het oudste gilde van Ronse is wellicht het Sint-Sebastiaansgenootschap,

dat vóor 1568 bloeide. Men bewaart nog den halsband, dien de koning

droeg, alsmede een paar zilveren schilden, geschonken aan de vereeniging

door Frans van Nassau in 1639.

De Busschieters hadden Sint Hermes tot patroon gekozen. Vóor de

beeldstormerij, in 1562, brachten zij de overblijfselen van hunnen

beschermheilige naar Bergen over. Dit genootschap werd in 1892

heringericht. De trommelslager, de fluiter en de standaarddrager komen

steeds in hun ouderwetsch gewaad voor den dag.

Ook de St-Martensvereeniging, heringericht omtrent het midden der

XVIIIe eeuw, is nog niet in kwijning gevallen.

De _Harmonij_, die den 29 Juni 1794 tot stand kwam, vierde in 1894 haar

eerste eeuwfeest. Op onze dagen is zulke zeldzaamheid het aanstippen

waard.

Ronse wordt besproeid door de Molenbeek, komende van den Muziekberg. De

Molenbeek valt te Watripont in de Ronne. Over eenige jaren bracht zij

acht molens in beweging: den IJsmolen, den Braamboschmolen, den molen

ter Beke, den molen te Queere, den Broelmolen, den Kapittelmolen, den

Blokmolen en den Kapelmolen.

Ronse bezit een bisschoppelijk College, eene Middelbare school van den

Staat, eene aangenomen Normaalschool voor onderwijzeressen, twee lagere

Gemeentescholen, eene Weezenschool, eene Teekenschool, eene Muziekschool

en eene Weefschool.

Het letterkundig leven schijnt er nochtans weinig ontwikkeld te zijn.

Over eenige jaren heeft een bevoegd man de oorkonden der gemeente

onderzocht en gerangschikt. De oudste stadsrekening loopt over 1648.

Verder telt de verzameling «wettelicke chyrographiën, wettelicke

passeeringhen, staten van goederen, rechterlijke acten, kerkrekeningen

en wijkboeken.»

Ronse is de geboorteplaats van HERMES VAN WYNGHENE en van PIETER-JAN VAN

DER HAGHEN.

H. van Wynghene werd hoogleeraar te Leuven, en vervolgens lid van den

geheimen Raad onder Karel V. Hij stierf in 1573.

Van der Haghen kampte met de pen en met het woord tegen de ketters van

zijnen tijd. De Jonghe getuigt van hem: «Een predikheer, P. Joannes van

der Haghen of Dumœus, een ieverige religieus, welke tegen de ketters een

jaar lang dagelijks, en dan nog een jaar over ander dag heeft gepredikt,

was zeer hatelijk aan de sectarissen. Dikwijls hebben zij getracht, zoo

door vergift als met openbaar geweld, maar te vergeefs, hem ter dood te

brengen.»

De geleerde kloosterling bezweek in zijne geboortestad den 14 April

1573.

Reisjes in Zuid-Vlaanderen · 第 32 / 47 题