Ronse.
Ronse -- Renaix -- ligt in de Zuid-Westelijken hoek van Oost-Vlaanderen,
in het schilderachtigste deel van gansch de provincie. De stad heeft
eene uitgestrektheid van 3,173 hectaren, deels bebouwd, deels onbebouwd.
In de laagten is de grond kleiachtig en zeer vruchtbaar; op de heuvelen
is hij overal steen- en ijzerachtig.
De landbouwers winnen dan ook alle soorten van graangewassen, van
oliegevende en weefbare planten. Verder teelt men er tabak, moeskruiden
en uitmuntend fruit. Allerhande boomen vertoonen eenen weelderigen
groei.
Er is geen gebrek aan bewijzen, die voor eene hooge oudheid van Ronse,
als bewoonde plaats, pleiten.
De heer JOLY vond er bijlen, hamers, messen en andere voorwerpen,
behoorende tot het Keltisch tijdperk, vóor den inval der Romeinen. Den 8
Juli 1868 ontdekte men in den kelder van het huis der familie van
Butsele-Deneufbourg, op den Bergplas, eene Romeinsche lijkbus, hebbende
eenen omtrek van 35 centimeters. Elders legde men Romeinsche
schrijfstiften, wapens en bouwstoffen bloot.
In de eerste helft der VIIe eeuw kwam Sint Amand, de Frankische
geloofszendeling, naar het Zuiden van Vlaanderen, naar Kortrijk en
Ronse. In deze stad stichtte de vrome man eene kerk en een klooster, in
het jaar 638.
De dichter van _Heer Daneelken_, eene zeer oude romance, kende Ronse:
Hi tooch te Ronsen upt hooghe huys
Om drie synder suster kinder...
Daneelken leefde zeven jaren in het gebergte -- op den Muziekberg? -- en
ging vervolgens naar de hoofdstad der christenheid.
Hi nam een staf al in syn hant,
Ende hi treec te Romen binnen:
«Nu biddic Maria, die moeder Gods,
Dat ic den paus mach vinden.»
Doen quam hi voor den paus ghegaen,
Voor onsen eertschen vader:
«Here, ic soude mi biechten geern,
Ende roepen up Gods ghenade.
«Ic soude mi biechten seer bevreest
Met alle minen sinne;
Ic heb seven jaer in den berch gheweest...»
Ronse verkreeg zijne eerste keure in 1240, vijftig jaren na Kortrijk. Nu
kon de bevolking zich ongestoord aan den arbeid overgeven, op den handel
toeleggen.
Gedurende de middeleeuwen bloeide de lakenweverij zoowel te Ronse als te
Gent, te Brugge, te Ieperen en te Kortrijk. Nog in de eerste helft der
XVIe eeuw kwamen «de goede lieden van Ronse ter Curtricmarct met haren
lakenen,» weshalve zij van het magistraat een geschenk van «twee cannen
wyns» ontvingen. In de halle van Leuven mochten de kooplieden van Ronse
hunne waren uitstallen, zonder rechten te betalen.
Op onze dagen is Ronse nog eene zeer nijverige stad, vooral befaamd om
de katoenen weefsels, die men er vervaardigt. Ook de spinnerijen
erlangen eene groote uitbreiding.
Geen wonder dan, dat de bevolking spoedig aangroeit. In 1856 telde Ronse
12,000 inwoners; in 1878 waren er meer dan 14,600; in 1897 ongeveer
19,000.
Groote rampen teisterden de gemeente, vooral in de XVIe eeuw.
Toen Maximiliaan van Oostenrijk in den echt trad met Maria van
Burgondië, poogde Lodewijk XI al de Fransche leenen, die op Maria
verstorven waren, aan te slaan. In 1477 kwam hij langs Kamerijk,
Bouchain en Avesnes naar het Henegouwsche, waar hij Doornik bemachtigde.
Het volgende jaar begon de krijg opnieuw. De koning rukte met zijn leger
naar West-Vlaanderen, denkende daar weinig tegenstand te zullen
ontmoeten. Middelerwijl zou zijn hoofdman te Doornik, Maurits van
Neufchatel, sprongreizen doen in het Gentsche, ten einde de
Oost-Vlamingen bezig te houden.
De Gentenaars, aangevoerd door den heer van Dadizele, togen de Franschen
te gemoet, en vochten hardnekkig tusschen Ansegem en Berchem. Nochtans
konden zij niet beletten, dat de vreemden Ronse in asch legden.
Ten jare 1519, omtrent den feestdag der H. Drievuldigheid, vernielde een
brand, bij toeval ontstaan, ongeveer 700 huizen. Destijds en later ook,
tot diep in de XVIIIe eeuw, bouwde men vele houten woningen.
Veertig jaren nadien, in het hart van den zomer, verslond het vuur bijna
gansch de stad. Zelfs smolten de klokken in de kerktorens.
Een andere brand, den 31 Maart 1719 ontstaan, legde 330 huizen in asch.
Ter oorzake van de menigvuldigheid dier rampen, stelde men twee
«brandprocessies» in: éene op de Vrijdag vóor Passiezondag en éene op
Paaschdag. Beide plechtigheden werden later afgeschaft.
De Beeldstormers spaarden de stad evenmin.
Den 19 Augustus 1566 drongen zij in de kerk van St-Hermes, schendende en
brekende wat zij konden. Dank aan de krachtdadige tusschenkomst der
wethouders, moesten de roovers deze reis de wijk nemen; doch na de
plundering der Oudenaardsche bedehuizen keerden zij terug om hun
goddeloos werk voort te zetten. Dit blijkt uit een gedicht van J.-D.
WAELKENS, pastoor van Edelare:
Als de pillage t'Audenaerde was gedaen,
Soo syn sy naer Ronse gegaen...
Kerken, kloosters en priesters hebben ze al aengegaen,
En keerden naer de stad met IX of X wagens, gelaên
Met allerhande goed, geestelick en weerlick...
Wellicht hebben al die rampen de merkwaardige gebouwen doen verdwijnen,
die Ronse, net als andere steden, moet bezeten hebben.
In de huidige Kasteelstraat, bij de Middelbare school, bouwde Jan van
Nassau, in 1630, het schoonste slot, dat men in die jaren ten onzent kon
bewonderen. Men verkocht het in 1823 voor 30,000 fr., waarna de hamer en
het breekijzer het gebouw sloopten.
Het eerste bedehuis van Ronse was de St-Pieterskerk, gewijd door den H.
Amandus in de VIIe eeuw. Daar zij heel bouwvallig was, verkocht men ze
den 2 November 1843 voor de geringe som van 3,300 fr.
In de nabijheid dezer bidplaats bouwde men de St-Hermeskerk, gewijd in
1129. De krocht, in zuiver Romaanschen stijl, heeft den vorm van een
Sint-Antoniuskruis. Zij bestaat uit breede gangen, gescheiden door
dertig zuilen met ongelijke versieringen. Het gewelf draagt sporen van
oude muurschilderingen.
De eigenlijke kerk, die groot en hoog is, werd herbouwd. Zij behoort tot
de Gothische kunst, en was voltooid in het begin van 1525. De toren is
zwaar en vierkantig.
Den 16 Maart 1878 besloot men de kerk van Sint-Hermes te herstellen. Het
gewelf en een deel van het koor werden reeds met kleuren belegd.
In het koor prijkt een koperen arend van 1685. Het tafereel van
DELFOSSE, Sint Amand voorstellende, is een opmerkenswaardig doek.
De tweede parochiale kerk van Ronse, aangelegd in 1892, is toegewijd aan
St. Marten, bisschop van Tours. Zij is bijna 72 meters lang, ruim 28
meters breed, en behoort tot den stijl der XIIIe eeuw. Deze kerk is het
middelpunt van eene nieuwe wijk der bloeiende, aangroeiende stad.
De oude St-Martenskerk, met eenen heel eigenaardigen toren, stond in de
nabijheid der hoofdkerk.
Ronse heeft weinige openbare plaatsen. Wij noemen: de Groote Markt, met
eene arduinen pomp, die elf meters hoog is en 36,000 fr. kostte; -- den
Plas; -- de Veemarkt; -- den Bruul of Broel, bewassen met hoogstammige
kastanjeboomen; -- de nieuwe de Malanderplaats; -- de Paardenmarkt, door
het volk schertsend het «Martelaarsplein» geheeten, omdat men er... de
zwijnen slacht. De Broel wordt in den zomer veel bezocht.
Hier en daar ontmoet de wandelaar een huis in Vlaamschen stijl. De
woning van M. de Malander, met een bevallig torentje boven de poort,
draagt zeker een eigen kunstmerk. Weinigen weten misschien, dat M. de
Malander een allerschoonste museum bezit. Het bevat, om maar enkele
stukken te noemen: drie doeken van Quinten Massijs, den edelen,
idealistischen vertegenwoordiger der oud-Vlaamsche school in de XVe
eeuw; -- vier van Rembrandt van Rijn, den beroemden meester der
Hollandsche school, bij wien «licht en bruin» de hoofdzaak is; -- twee
van Rubens, eene der glansrijkste verschijningen in de schilderkunst; --
vier van Teniers, den voorlooper van de groote Vlaamsche meesters der
XVIIe eeuw. Als bijzondere verzameling is die van M. de Malander zeker
eene der rijkste van gansch het land.
De katholieke Kring, die 85 meters lang is, gaat almede voor een
merkwaardig gebouw door.
Het oudste gilde van Ronse is wellicht het Sint-Sebastiaansgenootschap,
dat vóor 1568 bloeide. Men bewaart nog den halsband, dien de koning
droeg, alsmede een paar zilveren schilden, geschonken aan de vereeniging
door Frans van Nassau in 1639.
De Busschieters hadden Sint Hermes tot patroon gekozen. Vóor de
beeldstormerij, in 1562, brachten zij de overblijfselen van hunnen
beschermheilige naar Bergen over. Dit genootschap werd in 1892
heringericht. De trommelslager, de fluiter en de standaarddrager komen
steeds in hun ouderwetsch gewaad voor den dag.
Ook de St-Martensvereeniging, heringericht omtrent het midden der
XVIIIe eeuw, is nog niet in kwijning gevallen.
De _Harmonij_, die den 29 Juni 1794 tot stand kwam, vierde in 1894 haar
eerste eeuwfeest. Op onze dagen is zulke zeldzaamheid het aanstippen
waard.
Ronse wordt besproeid door de Molenbeek, komende van den Muziekberg. De
Molenbeek valt te Watripont in de Ronne. Over eenige jaren bracht zij
acht molens in beweging: den IJsmolen, den Braamboschmolen, den molen
ter Beke, den molen te Queere, den Broelmolen, den Kapittelmolen, den
Blokmolen en den Kapelmolen.
Ronse bezit een bisschoppelijk College, eene Middelbare school van den
Staat, eene aangenomen Normaalschool voor onderwijzeressen, twee lagere
Gemeentescholen, eene Weezenschool, eene Teekenschool, eene Muziekschool
en eene Weefschool.
Het letterkundig leven schijnt er nochtans weinig ontwikkeld te zijn.
Over eenige jaren heeft een bevoegd man de oorkonden der gemeente
onderzocht en gerangschikt. De oudste stadsrekening loopt over 1648.
Verder telt de verzameling «wettelicke chyrographiën, wettelicke
passeeringhen, staten van goederen, rechterlijke acten, kerkrekeningen
en wijkboeken.»
Ronse is de geboorteplaats van HERMES VAN WYNGHENE en van PIETER-JAN VAN
DER HAGHEN.
H. van Wynghene werd hoogleeraar te Leuven, en vervolgens lid van den
geheimen Raad onder Karel V. Hij stierf in 1573.
Van der Haghen kampte met de pen en met het woord tegen de ketters van
zijnen tijd. De Jonghe getuigt van hem: «Een predikheer, P. Joannes van
der Haghen of Dumœus, een ieverige religieus, welke tegen de ketters een
jaar lang dagelijks, en dan nog een jaar over ander dag heeft gepredikt,
was zeer hatelijk aan de sectarissen. Dikwijls hebben zij getracht, zoo
door vergift als met openbaar geweld, maar te vergeefs, hem ter dood te
brengen.»
De geleerde kloosterling bezweek in zijne geboortestad den 14 April
1573.