Kortrijk.
Kortrijk, gelegen op de twee oevers der Lei, heeft eene uitgestrektheid
van ruim 2115 hectaren, deels in bebouwden, deels in onbebouwden grond.
De eerste keure, aan de gemeente verleend, is van 1190.
Nochtans was de eigenlijke stad, vóór 1386, niet groot. Zij was 600
meters lang, van het Noord-Westen naar het Zuid-Oosten, tusschen de Lei
en de Doorniksche poort; en 400 meters breed, van het Noord-Oosten naar
het Zuid-Westen, tusschen de Kanunnikpoort en de Rijselsche poort.
Het grafelijk kasteel stond destijds in den Noord-Oostelijken hoek, bij
den oudsten Broeltoren, tusschen de Lei, den wal der stad en de kerk van
O.-L.-Vrouw.
De vergrootingen van Kortrijk gebeurden na 1386, door het delven der
kleine Lei; -- na 1453, door de inlijving van Overbeke, buiten de
Steenpoort; -- na 1577, door de versterking van Overlei.
Toen Philip de Stoute de wethouders machtigde om de kleine Lei te
graven, liet hij ook, bij de huidige Vischmarkt, een nieuw kasteel
bouwen. Dit slot had zes torens en een grootsch voorkomen.
Omtrent het midden der XVIIe eeuw maakten de Franschen zich meester van
de stad. Waar nu de Esplanade is, braken zij twee kloosters en ruim 300
huizen af. Tusschen de Esplanade en de Lei bouwden zij in 1647 eene
vesting, voorzien van bolwerken en verschansingen.
In de laatste zestig jaren heeft Kortrijk een nieuw uitzicht gekregen.
Men vindt er verscheidene nieuwe wijken, met sierlijke lanen en breede,
goed verluchte straten. De breedste straten kregen twee reeksen schoone
boompjes.
Kortrijk was meer dan eens het tooneel van gewichtige gebeurtenissen.
Iedereen weet te spreken van den slag der Gulden Sporen, geleverd den 11
Juli 1302. Gedurende de worsteling schoten de Franschen uit het kasteel
het Begijnhof en eenige huizen aan de Markt in brand.
Tachtig jaren nadien legden de overwinnaars van Roosbeke de stad in
asch. Eene belasting op het bier en den wijn moest dienen om de gemeente
uit hare puinen te doen oprijzen.
In 1539 spanden Gent en Kortrijk samen tegen Karel V. Deze kwam uit
Spanje en strafte beide steden.
De XVIe eeuw was een tijd van jammerlijke woelingen, van rooverijen en
bloedstortingen. Van den 12 Februari 1578 tot den 27 Februari 1580
zetelden de Geuzen op het stadhuis, al de kloosters verwoestende, al de
kerken plunderende.
De grootste helft der XVIIe eeuw was almede een droevig tijdperk. De
Franschen overrompelden de stad in 1667 en in 1683. De gemeente kwam van
lieverlede tot zulke armoede, dat een groot deel van de inwoners de
vlucht namen.
Nog rampzaliger waren de laatste jaren der XVIIIe eeuw, wanneer men,
zooals CONSCIENCE aanmerkt, niets meer eerbiedigde: noch godsdienst,
noch zeden, noch eigendom, noch wetten der menschelijkheid.
[Illustration: KORTRIJK. -- DE BROELTORENS.]
Eene bulle van Eugenius IV, van 1434, zegt, dat Kortrijk alsdan 23000
ingezetenen telde. Vóor de Fransche omwenteling bedroeg de bevolking
11134 zielen; in 1820 ruim 15800; in 1867 ongeveer 23650; op het einde
van December 1898 meer dan 33380. Ziedaar wel een bewijs, dat de
nijverheid en de handel er bloeien en weelde verspreiden.
Ten jare 1382 verslond het vuur eene menigte gebouwen, waaronder het
stadhuis en Sint-Martenskerk.
SIMON VAN ASSCHE, een Gentenaar, herbouwde het stadhuis in 1417 en
volgende jaren. GILLIS PAUWELS, van Brussel, vervaardigde «eene
wandelinghe of borstweere» boven den gevel; JAN RUEELE en WILLEM EUBINS,
beiden van Kortrijk, kapten andere versieringen. In de nissen stelde men
beelden van heiligen.
Een Gentsche kunstenaar, te Kortrijk gevestigd, MARCUS VAN GHISTEL,
«stoffeerde de balken,» leverde «glasen veysteren,» en schilderde met
zijnen broeder «de beteekenisse van den jugemente ten uutersten daghe.»
De XVe eeuw was een lijd van stoffelijke welvaart voor Vlaanderen. Ook
maakten de schepenen een praalgebouw van den tempel der wet.
Het stadhuis werd vergroot en gedeeltelijk herbouwd in 1526-1530. In
1872 heeft men den voorgevel nogmaals hersteld.
Twee groote, schoone schouwen wekken de bewondering der bezoekers. Zeker
bestonden zij in 1527, aangezien de wethouders van Oudenaarde dit jaar
eenen kunstenaar verzochten om er eene schets van te maken. In 1417-1418
kapte de reeds genoemde Willem Eubins twee lijsten «om de caven,» die
men in het stadhuis maken zoude, «eene boven ende eene beneden.»
De schouw der bovenzaal is 2m,98 breed en 1m,32 hoog. Zij beslaat uit
verscheidene vakken. Het hoogste vak telt acht beelden: het Geloof, de
Nederigheid, de Milddadigheid, de Zuiverheid, de Naastenliefde, de
Matigheid, het Geduld en de Waakzaamheid. In het tweede vak vindt men de
Gerechtigheid en den Vrede, benevens acht ondeugden, passende onder de
genoemde deugden: de Afgoderij, de Hoovaardigheid, de Gierigheid, de
Onkuischheid, den Nijd, de Gulzigheid, de Gramschap en de Traagheid. In
het midden van dit vak prijkt het beeld van Karel V, waaruit volgt, dat
het kunstwerk zich niet meer in zijne oorspronkelijke gedaante voordoet.
Het derde vak behelst raadselachtige onderwerpen. Evenwel ziet men
dadelijk, dat de beeldhouwer gedacht heeft aan de kastijding der
ondeugden en driften, welke hij in het middelste vak voorstelde.
De schouw der benedenzaal is niet zoo fijn gebeiteld als de andere. Zij
heeft insgelijks veranderingen ondergaan en vertoont: Mozes en den
Zaligmaker; Albert en Izabella; O. L. Vrouw, met haar kindeken op den
arm; Sint Marten, met het wapen van Kortrijk in de hand; Sint Salvator,
met het wapen van Harelbeke; Sint Pieter, met het wapen van Tielt; Sint
Egidius, met het wapen van Deinze; Sint Vedastus, met het wapen van
Meenen, en Sint Elooi, met het wapen der dertien parochiën.
GUFFENS en SWERTS hebben over eenige jaren de onderste schouw en de
muren der zaal met goud en kleuren belegd, gelijk zij oorspronkelijk
geweest zijn. Dit werk kostte 30000 fr.
Buiten eene menigte kostbare handvesten bewaart men ten stadhuize den
kleinen, ruitvormigen steen, dien de abdis van Groeninge op het graf van
Sygis, den koning van Majorka, liet leggen.
De eerste Halle van Kortrijk stond op de Groote Markt. Hedendaags prijkt
daar nog een deel van het Belfort, voorzien van eene kleine spits en
vier torentjes. Dit bijvoegsel is van 1519-1520. «Twee meesters
werelieden van Ghendt,» en «twee meesters werelieden van Ryssele,» hier
ontboden «by proosten en scepenen,» oordeelden immers, «dat de torre
niet helpelic en was.» Vroeger was het Belfort zeer hoog. Een ijzeren
man, Manten geheeten, sloeg de uren met zijne vuisten.
De nieuwe Halle, in de Doorniksche straat, dagteekent van het midden der
XVIe eeuw. In 1549 ontboden de schepenen verscheidene personen uit
Doornik en Maubeuge «omme te overziene het werc van der nieuwer halle en
te adviseeren het vulbringen van diere,» dit met den minsten kost
mogelijk.
De twee Broeltorens zijn merkwaardige gedenkstukken van vroegere
krijgsbouwkunde. Even oud zijn ze niet. De toren, op den linkeroever der
Lei, werd gebouwd uit kracht van een octrooi, onderteekend te Atrecht
den 18 April 1411; de andere -- de Speitoren -- bestond vóor de
uitvinding van het buskruit. Dit blijkt uit de bouwstoffen der
grondvesten, uit de breedte der schietgaten, alsook uit den afstand
tusschen die gaten en de vloeren.
In den Speitoren vindt men thans het museüm oudheden.
Sint-Martenskerk bestaat uit deelen van verschillende tijdstippen.
Eenige pijlers, tusschen de vont en het koor, zijn uit het midden der
XIIIe eeuw; de voorkerk, gebouwd door WILLEM ALUSSEN, is van 1413-1450.
De kruisbeuk dagteekent van 1458-1468; de vont van 1473-1474; het koor
van 1870. Vóor den brand van 1862 was het koor uit de XIVe eeuw, de
Sinte-Annakapel van 1514-1522. Het metselwerk van den toren was
voltooid in 1439; de houten naald in 1602. Toen FRANS HEYLINCK, van
Antwerpen, in 1601 den «eersten naghel had geslagen,» kreeg hij een
geschenk van wijn.
Sint-Martenskerk bezit eenige goede kunstwerken: een H.-Sacramentshuis,
gebeiteld door HENDRIK MAURIS in 1586; eene degelijke schilderij van
BERNAARD DE RYCKERE, van Kortrijk, _de Nederdaling van den H. Geest over
de Apostelen_ voorstellende; een tafereel van KAREL VAN MANDER,
verbeeldende de onthoofding van Sinte Katharina; een koperen altaar,
over weinige jaren geleverd door M. FIERLEFYN. Het snijwerk der vont, de
zeven H. Sacramenten voorstellende, is eveneens zeer merkwaardig.
Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen, die gaarne te Kortrijk verbleef,
bouwde in 1200 de kerk van O.-L.-Vrouw, en vestigde er een kapittel van
twaalf kanunniken met eenen deken.
De kerk behoort tot den overgangsstijl, evenals de kerk van Pamele, die
slechts dertig jaren jonger is. Eigenaardig is zij opgevat, in ongewonen
vorm en ongewone lijnen, maar toch schoon in stand en samenstelling.
Het koor schijnt hersteld te zijn geworden na de ramp van 1382. De kapel
der Onbevlekte Ontvangenis is van 1420.
Lodewijk van Male stichtte de heerlijke kapel der graven van Vlaanderen,
een vorstelijk gebouw, waaraan de beste meesters uit de tweede helft der
XIVe eeuw arbeidden. Dit deel was voltooid in het voorjaar van 1374. In
de jaren 1866-1870 heeft men de grafelijke kapel prachtig hersteld, dank
aan de kennis of de begaafdheden van kanunnik F. VAN DE PUTTE, JAN VAN
DER PLAETSEN, baron BETHUNE en anderen.
De kerk van O.-L.-Vrouw bezit eene prachtige schilderij van ANTOON VAN
DYCK: _de Oprichting van het kruis_; een kostbaar marmeren altaar,
geplaatst door HUBERT BOREUX, van Dinant; alsmede eene reliquie van
onschatbare waarde: een haarlokje des Zaligmakers, medegebracht uit het
H. Land door Philip van Elzas.
Het was in de kapel van O.-L.-Vrouw, achter het hoofdaltaar, dat de
Vlamingen in 1302 dankbaar de gulden sporen ophingen, welke zij op het
zegeveld van Groeninge gevonden hadden. Toen men over eenige jaren het
witsel van het gewelf krabde, ontdekte men aldaar de schildering van 116
zwarte leeuwen op gelen grond.
In de eerste helft der XVIIIe eeuw bekleedde men het geheele koor, tot
aan de gewelfbogen, met marmer en gemarmerd hout. Dit bijvoegsel wordt
thans geweerd, zoodat de gansche kerk weldra weer zal pralen in hare
oorspronkelijke strenge schoonheid.
De kerk van Sint-Michiel, plechtig gewijd den 18 Mei 1611 en vóor korte
jaren kunstig hersteld door BETHUNE, is een bezoek overwaard. Hier rust
het wonderdadig beeld van O.-L.-Vrouw van Groeninge, herkomstig uit de
abdij van dien naam.
Op het einde der XVIIIe eeuw brandden de Jacobijnen in deze kerk
wierook voor de godin der Rede. Uit dien hoofde prijkt, bij het altaar
van O.-L.-Vrouw, het gedenkteeken van den Boerenkrijg, onthuld den 9
October 1898. Het draagt de namen van een en dertig gekende martelaars
der vaderlandsche zaak: Jan Bouderez, Jan Verschaeve, Willem Vasure, Jan
Maelfait, Willem Bourgois, Michiel Bonekaert, Jan van de Putte, Pieter
Willein, Jan de Smedt, Pieter de Wulf, Jacob Verscheure, Fideel Kinds,
Jan Braems, Pieter Berlamont, Jacob Verschaete, Jan Folens, Jan de
Waele, Jacob Wallays, Pieter Albrecht, Jan Noppe, Willem Buyse, Lodewijk
Missiaen, Pieter Baeckelandt, Lodewijk de Waele, Jozef de Vos, Frans
Messeine, Jan Carlier, Augustijn Vroman, Jan Vroman, Frans van den
Bulcke en Maria-Magdalena Schaede.
De parochiale kerken, aan Sint-Rochus en Sint-Elooi toegewijd, zijn
nieuw, de eerste van 1863, de tweede van 1882.
Een der schilderachtigste hoekjes van Kortrijk is het Begijnhof, bij
Sint-Martenskerk. Door den band zijn al de begijnhoven stille,
gemoedelijke plaatsen te midden der woelige steden. Het Kortrijksch hof
boeit ongemeen den bezoeker door zijne netheid, door zijnen
vriendelijken eenvoud, door zijne ligging.
De kapel, fraai hersteld en versierd, is van 1464. Het huis der
Grootjufvrouw heeft een lief geveltje.
Kortrijk schonk het leven aan vele beroemde mannen: aan JAN DAVID
(1545-1613), den geleerden kamper tegen de Geuzen; -- aan JAN PALFYN
(1650-1730), den grooten ontleedkundige, uit onbemiddelde ouders
gesproten; -- aan JAN-BAPTIST HOFMAN (1758-1835), door VAN DUYSE
Vlaanderens «meistersinger» geheeten; -- aan JACOB GOETHALS (1759-1838),
eenen werkzamen kroniekschrijver, die heel zijne bibliotheek aan de stad
schonk; -- aan FERDINAND SNELLAERT (1809-1872), eenen geleerden
taalvorscher en verstandigen werker voor de volkszaak.
Als schilders noemen wij PIETER VLERICK (1539-1581); -- BERNAARD DE
RYCKERE, overleden te Antwerpen den 1 Januari 1590; -- ROELAND SAVERY
(1576-1639); -- JAN DE JONGHE (1785-1844) en LODEWIJK ROBBE
(1807-1887).
JACOB VAN DE WALLE, geboren in 1599 en overleden in 1690, was een van de
vermaardste Latijnsche dichters van zijnen tijd. HENDRIK BEYAERT,
geboren den 29 Juli 1823, bouwde het hotel der nationale Bank, te
Brussel; de Spoorhalle, te Doornik; het nieuw Krijgshospitaal, te
Brugge.
Kortrijk bezit eene menigte inrichtingen van onderwijs: verscheidene
lagere scholen, zoo voor jongens als voor meisjes; een beschermd
college, dat zich alle jaren in de wedstrijden onderscheidt; eene
middelbare school van den Staat; eene school voor weesjongens,
dagteekenende van 1562; een dergelijk gesticht voor weesmeisjes; eene
academie van teeken- en bouwkunde; eene nijverheidschool; eene
beroepschool; eene muziekschool; verscheidene openbare bibliotheken; een
museüm van oudheden en een museüm van schilder- en beeldhouwwerken.
Meer dan eene maatschappij beoefent den zang, het tooneel of de
letterkunde. De oudste vereeniging is zeker de oude broederschap «van
den heleghen Cruce ons Heeren,» erkend door de wethouders in 1514 «als
een gulde van rethorijcke.»
Het aloude Sint-Jorisgilde en de nering der arbeiders of pijnders hebben
eveneens den storm der Fransche omwenteling overleefd. In het huidig
lokaal der voetboogschutters, bij de Doornikpoort, bewaart men het
_Edelbouck der guldebroeders_, op perkament, alsmede bogen, «paruren» of
kleederen en eenen halsband met 59 schakels.
Onder de openbare plaatsen zullen wij noemen: de Gulden-Sporenplaats,
vóor de spoorhalle, versierd met een hofje; -- de Groote Markt, met het
oude Belfort en het marmeren standbeeld van Mgr de Haerne; -- de
Esplanade, beplant met struiken, heesters en boomen; -- de Wapenplaats,
in de nabijheid van het Gerechtshof; -- de Casinoplaats, vóor het
gevang, ook beplant met weelderige platanen; -- de Groeningelaan, eene
lieve wandelplaals met olmen, grasen bloemperken. Breede lanen omringen
gansch de stad. In de Palfynstraat, in de Doornikstraat, in de
Hallestraat, in de Sint-Jorisstraat, op de Havermarkt, in de
IJzeren-Wegstraat, rond de Markt en de Gulden-Sporenplaats groeien en
bloeien kleine acacia's. Wij overdrijven niet, als wij zeggen, dat
Kortrijk in de laalste jaren eene der vriendelijkste sleden van België
is geworden.