IV.

Naar Groeninge.

Geen Vlaming, of hij weet van Groeninge te spreken, waar de Klauwaards

op den 11 Juli 1302 hunne erfvijanden verpletterden.

Groeninge was alsdan een eiland, tusschen den wal der stad, de Lei, de

Groeningebeek en de Sint-Jansbeek. Het had eene oppervlakte van nagenoeg

60 hectaren.

Van de Groote Markt vertrekkende en de Doornikstraat volgende, komen wij

aan den ijzeren weg.

De IJzeren-Weglaan, links, loopt over den ouden Neveldriesch. Rechts

wuift het hoog geboomte van het Sint-Jorispark. Dit gedeelte van den

Neveldriesch noemde men, na 1302, den Bloedmeersch. Nog vloeit de

Bloedbeek door het park naar den ouden stadswal.

Op het einde der Sint-Janslaan blijven wij staan. Over de huizen zoeken

wij de spits en het kruis van den toren der hoofdkerk. Vóor ons hebben

wij dus de westelijke grens van het slagveld.

Nu kijken wij over de Veemarkt naar het torentje van Sint-Antoniuskerk.

Zoo bepalen wij nagenoeg de zuidelijke grens of den loop der

Sint-Jansbeek, gedempt in 1444. De Sint-Jansbeek, komende uit de

Groeningebeek, diende om den wal der stad te spijzen. Op hare oevers

hadden de drie stormloopen plaats, waarvan de kroniekschrijvers gewag

maken.

De Veemarkt is ongeveer twee hectaren groot. Wij slaan de Veldstraat in

en merken weldra, rechts, eene hofstede en eenen lusttuin. Daar vloeit

de Groeningebeek; daar is de oostelijke grens van het slagveld.

De tegenwoordige Groeningelaan, ter linkerhand, ligt derhalve in den

zuid-ooslelijken hock.

Tusschen de Lei, de Groeningebeek en den Gentschen weg rees de abdij van

Groeninge, gebouwd vóor 1268.

Eén groote weg doorsneed de aangeduide vlakte: de Harelbeeksche straat,

nu de Voorstraat en de Gentsche baan uitmakende. Hij had éene

vertakking: de Lange-Merestraat, lhans de Molenstraat geheeten. De

Oudenaardsche baan, verlegd in 1571, was de voortzetting der Merestraat.

Hedendaags is het grootste gedeelte van Groeninge bebouwd. Buiten de

reeds genoemde straten, vindt men er de volgende wegen en pleinen: de

Groeningestraat, de Houtmarkt, de Lambrechtstraat, den Kring, de

Sint-Jansstraat, den Stompaardshoek, de Potterijstraat, de Esplanade, de

Kanaalstraat.

De meergenoende Groeningelaan is eene schoone wandelplaats. Zij is 375

meters lang en 40 meters breed. Hooge boomen, bloeiende heesters,

golvende graspleinen en lieve bloemperken volgen op elkander, Maar

fluisteren de olmen geene sagen uit den voortijd, geene lessen voor de

toekomst?

De zonne rijst... Ik wandel den ouden Kouter rond.

Waar, leunend op zijn wapens, het Vlaamsche leger stond,

De vogel neurt zijn liedje, het loover knikt en trilt...

Ik hoor gebriesch van paarden en kreten, woest en wild.

Zij komen trotsch en tergend, vol waan en overmoed;

Zij gaan hun lansen ploffen in slecht en hondsch gebroed!

Zij komen trotsch en talrijk; maar de onzen springen recht,

En beuken met hun knodsen op edelman en knecht.

Wat kerven, kneuzen, moorden met bijl en goedendag!

En boven barmen lijken ontrolt men Vlaandrens vlag...

De zonne straalt... Ik wandel den ouden Kouter rond,

Waar, steunend op zijne armen, liet Vlaamsche leger stond.

Daar schudt een boom zijn takken: «Hier vocht men Vlaandren vrij;

Doch moet het eeuwen duren, eer Vlaandren dankbaar zij?»

Bij het nieuw gedeelte van het oude-mannenhuis vormt de Groeningelaan

eenen kleinen elleboog.

Eene nieuwe laan, van verscheidene meters breedte, vertrekt naar de

Esplanade, en bakent de plaats af, waar het gedenkteeken zal oprijzen,

dat het Dietsche volk in 1902 ter eere van zijne voorvaderen wil

onthullen.

Eenige schreden verder, tegen den Gentschen weg, staat, half verscholen

in den gevel der huizen, het oude kapelleken van Groeninge, over weinige

jaren versierd en voorzien van een toepasselijk opschrift:

IN : T : JAER : ONS : HEREN : 1302 :

OP : SENTE : BENEDICTUS : DACH : IN :

HOYMAENT : WAS : DE : STRYT : TE : CURTRYCKE :

ER : ZYN : DOOD : GEBLEVEN : OMTRENT :

21000 : MN : WAERONDER : 63 :

HERTOGEN : GRAVEN : EN : 1800 :

BAENDERHEREN : EN : EDELEN :

R : I : P :

* * * * *

Het veld kennende, moeten wij ook den slag en zijne gevolgen herdenken.

Uit de staten van Karel den Groote ontstonden twee machtige rijken:

Frankrijk en Duitschland. Tusschen beide streken lag Nederland, met eene

eigen beschaving en eene eigen bestemming. En het duurde niet lang, of

Vlaanderen stond aan het hoofd der Nederlandsche gewesten.

In den beginne was de Duitsche invloed ten onzent groot, ja overwegend.

Maar de keizer bezweek in de velden van Bouvines, in 1214, en nu

ontwaakte de Fransche invloed, krachtig en altoos dreigend.

Ten laatste besloot Philip de Schoone het rijke graafschap te veroveren.

De klauwen van Vlaanderens Leeuw verstoorden zijn plan.

Vlaanderen redde zijn bestaan. Met zijne zelfstandigheid bewaarde ons

volk zijne moedertaal, alsmede het natuurlijk recht, die taal in alle

omstandigheden des levens te spreken. Met zijne taal redde ons volk

zijne voorouderlijke zeden en zijne godsdienstigheid, al de deugden van

den edelen Germaanschen stam.

Er zijn, in den loop der volgende eeuwen, heldere en donkere dagen

aangebroken. Het Huis van Burgondië is opgekomen; Oostenrijk, Spanje en

Frankrijk hebben ons overheerscht.

Het kon niet baten. Vlaanderen had zijne bestemming; en België is

eindelijk ontstaan, vrij en onafhankelijk.

Daarom zij ons aller kreet:

Heil Groeninge!

Heil België!

Reisjes in Zuid-Vlaanderen · 第 12 / 47 题