II.

Toen Elizabeth Gehrke, na doodende ontgoochelingen eindelijk wijs

geworden, het geluk niet meer van de menschen verwachtte, maar schuw hen

ontvluchtte in buitenstilte, in de veilige beslotenheid van een

boerehuisje ver van den dorpsweg en daar leefde alleen, met enkele mooie

dingen en dieren die haar dierbaar waren...., noemden de menschen haar

zot; en het gebeurde meermalen, wanneer in zomertijd of vroegen herfst

villa's en pensions vol gasten waren, er een van de wandelaars,

afgedwaald naar 't afgelegen pad langs haar kleine erf...., haar woning

aanwees met de woorden: "Daar woont de gekke Mevrouw Gehrke!"

Dan stonden ze stil voor de opening in de hooge heg en keken

nieuwsgierig den boomgaard in, waarvan de geduldige vruchtboomen als

stille wachters stonden vóór een witgekalkt huisje. Eén wijd-gespreide

tak wuifde windbewogen aan een der vensters, waar, rondom de lijsten, de

wilde wingerd was als een rooden brand. Op het raamkozijn wrong de vurig

ontloken kroon van een fel fonkelende geranium, zich tegen de ruiten op

naar het licht. Bij de voordeur, die half aanstond, zaten aan

weerskanten van een groene regenton met breede, geelgeverfde hoepels,

een groote, zwarte hond en een kleine grijze kat. En evenals deze twee

stille dieren scheen ook het woninkje, met het laag overhangend rieten

dak, loom te soezen in de zon.

* * * * *

Plotseling, door 't voetgeschuifel en de stemmen der spiedenden uit zijn

morgendut opgeschrikt, sloeg luid de hond aan en stortte blaffend op de

kijkers toe, die bang voor het dreigende dier, zich haastten om weg te

komen.

Pink-oogend tegen het licht, volkomen onbewogen door 't incident, bleef

roerloos de kleine, grijze kat; ook toen de hond, in mopperend

na-grommen, langzaam terugliep naar zijn plaats bij de regenton.

"Daar woont de gekke Mevrouw Gehrke."

De honende woorden drongen op een morgen dóór tot waar Elizabeth, bij

een open veld met hoog opgeschoten zonnebloemen, aan de zuidzijde van 't

huis zat te lezen. Ze hief het hoofd op van het boek in haar handen. Een

weemoedige glimlach beefde om haar mond, maar in de donkere oogen

tintelde tarting, in verweer tegen de scherpe, vijandige stem, die zoo

onverwacht de zonnige morgenstilte had gebroken.

Dan dacht ze hoe zulk een voorbarige uitspraak haar vroeger zou hebben

gekwetst; hoe nu.... niets uit de verre wereld, waarmee ze had

afgerekend, haar meer kon krenken en volkomen gerust boog ze het hoofd

over het geopende boek en las aandachtig verder in een stilte, die, nu

de stemmen op den weg waren verklonken, opnieuw en dieper nog om 't

huisje zonk.

2.

Het was meer dan een jaar geleden, dat Elizabeth het bouwvallig huisje

voor een prikje kocht en er door den timmerman van het dorp enkele

veranderingen liet aanbrengen, eer zij alles onder versche verf zette.

Wie in die dagen met haar in aanraking kwamen, bemerkten in 't begin

niets bizonders aan de nieuwe dorpelinge. Maar 't eerst viel het den

timmerman op, dat zij midden in het ontpakken en rangschikken der boeken

op de planken die hij daarvoor had aangebracht, plotseling ophield, naar

't raam toeliep en daar dan stond uit te staren, zoo lang.... en zoo

stil...., in een zoo beklemmend zwijgen, dat hij er onrustig van werd,

omkeek, kuchte, en toen dat niet hielp, z'n hamer op den grond liet

vallen, om haar op te schrikken en een eind te maken aan een benauwing,

waarvan hijzelf de oorzaak niet begreep.

Toen ze daarna, in het spokig staan en mijmeren gestoord, verder ging

met het werk en hem enkele duidelijke aanwijzingen gaf, begon hij aan

zijn eersten indruk te twijfelen, totdat hij--en nu sterker dan

tevoren--tot de slotsom kwam "dat er iets niet pluis met d'r was", toen

hij binnenkomend op zijn kousevoeten (de klompen had hij als naar

gewoonte bij de voordeur neergezet en op zijn herhaald kloppen kreeg hij

geen antwoord) haar zag preken met een pop, die in een hoek tegen den

muur, boven op 't boekenrek zat: "een soort hansworst, met 'n krijtwit

huilebalkbakkes, roetzwarte wenkbrauwen en knalrooje lippen. Een

chagrijn van 'n vent! Ze hield d'r hand om 't zwarte kappie, dat dien

kniezert tot diep op de oogen zat."

Doordat hij tegen een stoel stootte, hield ze op met murmelen en keek

hem aan als een kind opgenomen in den slaap. Maar dan was ze weer

heelemaal gewoon en had hem een helder antwoord gegeven op z'n vraag

over 't linnenkabinet, dat met de hooge gebeeldhouwde kroon, amper onder

de balkenzoldering paste.

Toen hij het meubel had geplaatst--eerst het onderstuk met de drie

buikige laden met koperen handvatsels en daarop de kast met de gladde,

glimmend-geboende deur vlakken, met aan weerszij de zwarte zuiltjes met

koperen kapiteelen--gaf ze hem de Delftsche pullen aan en hield, terwijl

hij deze neerzette--de grootste in 't midden, de twee kleinere op de

hoeken--het wankele trapje vast waarop hij stond. Dan zegt ze: "Nu moet

ik hier eens binnenkomen om de kast te _zien_!"

"De _kast_ te zien?" dacht Gerrit verbaasd, "En zag z'em dan nou niet,

d'r vlak op met de neus?" Dan ging ze de kamer uit; heel 't huisje liep

ze om eer ze weer binnenkwam. Hij hoorde haar hakjes op het

tiggelvloertje van de gang; dan deed ze, heel langzaam, de deur open en

bleef op den drempel staan; keek de kast an of 't een splinternieuw ding

voor d'r was. "En ik zeg jelui," beweerde Gerrit later in de

dorpsherberg tot de kasteleines "zoo ziet ons Aagje der vrijer an, as

t'ie op der af komt. Da's iets wonders en niet heelemaal in den haak.

Maar kwaad is ze daarom niet. Ze het een kommetje koffie voor me gezet

en een bakkie met me gedronke en gevraagd of 'k getrouwd was. Dan zegt

ze eneens: "Gerrit, heb je nog een oude moeder?"

"En òf!" zeg ik. En bij dat ze is, dat ouwe mins van zevetig! Maar loope

ken ze niet meer."

Toe zegt ze: "Al zou je moeder heelemaal lam zijn...., als ze er maar

zit in 't eigen hoekje en "kind" tegen je zegt, zooals alleen zij dat

doet. Tegen jou, al heb je zelf al groote kinderen, zegt ze zeker ook

nog weleens "jongen"?

--Ja nèt!--zeg ik en denk an 't ouwe mins met d'r breikous in d'r stoel

voor 't raam, of bij den eerdappelpot.

--'k Zou met je willen ruilen!--zegt ze toen. "Jij bent rijker dan ik,

Gerrit! Mijn moeder is héél jong gestorven. Haar portret heb je straks

opgehangen.

--Nee, toch!? Dat knappe, jonge vrouwmensch? 'n Fijn

schilderstukkie!--zeg ik.

Toe loopt ze weer naar 't raam en staat d'r weer zoo stilletjes naar

buiten te kijken. Ik denk: "de karwei is afgeloope; ik smeer em!"

Toe zegt ze eneens, terwijl ze weer aldoor den tuin inkijkt, of d'r

wonderwat is te zien: "Houdt je oude moeder soms van lezen?

--Nou, en òf! Je most d'r de krant zien spelle!--zeg ik.

--Goed--zegt ze. "Dan kan je iederen Zaterdag een boek voor d'r komen

halen. Maar denk eraan: jij haalt het; niemand anders. Hoe minder

vreemden hier om m'n huis sluipen, hoe liever 't me is. Ik hou niet van

menschen!"

--Nou....; daarmee kon 'k gaan. Wor d'r es wijs uit!--

--Jans van den boer zegt, ze is zachies an zoo geworden. D'r man, een

mof, het ze in den oorlog verloren en in d'r familie (d'r ouwers waren

dood) moste ze van die moffehistorie niks hebbe. Toen het ze wel buië

gehad dat ze dachten ze stapelgek werd. De mense zelle 't er wel na

hebbe gemaakt. Ze is anders zacht as 'n lam; as je d'r maar met rust

laat. En met blomme en beeste is ze kempleet gek.

--Je mot d'r zien met me peerd!--zei de vrachtrijër. Hij wil d'r heggie

niet voorbij as ze hem niet zelf een emmer water het gegeven, of een

homp brood en em op z'n hals klopt. Toen 't gister wat lang duurde voór

ze 't huis uitkwam, perbeerde ie met huifkar en al door de heg te rijën.

En toen ie bleef steken.... slaat ie me daar aan 't hinneken....! 't Is

een merakel! Ze had stalknecht motte worden!

Zeg, Teunis!--riep hij, zich achterom over de stoelleuning buigend, naar

een voerman, die bij de toonbank een borrel dronk: "vertel es van

verleden week, toen je met de steenkarre ree voor de villa van den

notaris!"

--Dat was zòò!--zegt Teunes gewichtig, nadat hij eerst, langzaam, een

tweede glaasje heeft genoten: "We hadden overwerk. 't Was een zware,

heete dag geweest. We verlangden naar honk. Bij de laatste vracht, die

wat grooter was dan de vorige, staken me goddoome op den mullen weg

allebei de paarden. Als bij afspraak. Geen verwikken aan.

M'n kameraad en ik slaan d'r op met de zweepen. D'r komt geen schot in.

Ze blijven stokstijf staan.

Me kameraad--je weet wel Kreles die zoo cremeneel driftig is, as t'ie

een borrel op het, schreeuwt: "Over d'r oogen zel ik ze meppe, de

krenge!" en wil 't doen ook.

... Toen wordt em z'n zweep van achter z'n rug om afgerukt.

Hij denkt:--Tjezes, de pelissie!--Mis jonges! De dame waar jelie 't zoo

druk over het.

--Hier me zweep! Afblijve van me spulle!--schreeuwt ie tegen d'r.

Zij.... zegt niks. Ze kijkt em maar an met d'r oogen als gloeiende kole

in d'r witte gezicht.

Toe zegt ie: As je me niet bliksems gauw me zweep teruggeeft, zel je 'm

zelf voelen, fijne medam!

--Ga je gang!--zegt ze en geeft em doodlakeniek z'n zweep terug.

Dat ging em boven z'n petje. Hij werd eneens koest.

"Maar" zegt ze toen "als je niet dadelijk allebei de paarden voor een

kar spant en ze zoo één voor één wegrijdt, geef ik 't aan als

dierenmishandeling. Ze kunnen niet meer. Dat zie je toch!"

--Mens, ben je bezete!? Zoo komme we d'r nooit! Wij wille óók weles

rusten! Met beeste heb je meelij, maar met een arrebeijer die bek-af is

van 't overwerk...., daar heb je maling aan.--

--Toe zegt ze: "je hebt het overwerk zelf aangenomen en wordt er extra

voor betaald. En dan heeft een mensch een mond om nee te zeggen en om

hulp te roepen als ze hem mishandelen. Een paard niet. Een hond kan

janken.... en bijten als ze hem pijn doen. Een ingespannen paard is

weerloos. Je zou het kunnen doodslaan zonder dat ie een geluid gaf!"

Precies zoo zegt ze 't, als ik 't wel heb. D'r ging een rilling over me

rug, ken 'k je zegge. Maar me kameraad zet d'r een vloek op en wil toch,

pertoe, met d'n éénen knol verder. Komt daar juist de veldwachter an!

"Ik zal ervan zwijgen als je doet wat ik zeg," zeit ze toen en loopt

door.

En Krelis, ook niet mis, doet, om den veldwachter, of ie 't zelvers zoo

prakkezeerde.

--Wat is dat hier mannen?--vraagt de veldwachter.

--Ze kenne niet meer, de stomme diere! Dat zie je toch?!--doet ie de

dame na.

"Laatste loodjes wegen 't zwaarst!" zegt de veldwachter en het nog

meegeholpen ook.

--As d'r hond d'r bij was geweest zou Krelis niet zoo'n groote bek hebbe

opgezet. Hij zou je an de keel vliege as je d'r met een vinger

aanraakte. 't Beest ligt 's nachts voor d'r bed, zeggen ze.

--Dat is maar goed ook. Zoo'n alleenig vrouwmensch!--vond de

kasteleines. "Jans brengt d'r 's middags een happie van d'r eigen

etenspot. Maar verder het ze geen bediening en doet alles zelf. En

kraakhelder, hoor!

--Een mevrouw die zelf het werk doet, _is_ geen Mevrouw!--oordeelde,

minachtend, het nichtje van de kasteleines, dat in de stad diende en ze

vertelde bluffend van haar deftige meesteres. "Die dee niks zelf, hoor!

Liet d'r corset anrijge door de kamenier. En altijd in 't zij; en je

moest d'r zien met de mooie bontmantel en de "plereuse" op de hoed, as

ze met d'r eene voet al op de treeplank van de auto, zoo losweg over d'r

schouder den chauffeur een adres toewierp. Zij... most dan in de deur

blijven staan, in d'r zwart japonnetje en 't witte mutsje met de lange

slippen, tot de auto wegreed.... Dat vond ze fijn. Dâ's Mevrouw-zijn!

Maar een die zelf voor dienstbode speelt.... Ajakkes!

--Kind, je kletst as 'n kip zonder kop. Al ken 'k niet anders zeggen,

als dat mevrouwe die zich laten bedienen.... voordeeliger zijn.

Maar die pop waar Gerrit het over had, dat is niet zoo mal als het

lijkt. Jans van den boer zegt: da's een fraaiïgheid die ze van de reis

heeft meegebracht. Da's geen popke om mee te spelen, dat is zooveel as

'n ornement op je kassie, of voor je mooie kamer. Enne, als je altijd in

je alleenigheid bent, ga je in je eigen praten.

--Nou maar, ik zeg: een volwassen mens die zoo raar met 'n pop

omhaspelt, is d'r eene voor 't zothuis en daar komt ongeluk van. Sukke

rare pertrette moste ze niet vrij laten rondloopen. Je kos nooit weten

wat ze verzinnen in een dolle bui!--beweerde een boerenknecht.

--Man hou op! Zotteklets!--riep een tuinman, die tot nu toe,

pijppuffend, het gesprek filosofisch had aangehoord. "Ik ken d'r beter

dan jelie allemaal, 'k Ga met d'r over de blomme. Ze is net zoo best bij

d'r verstand as jij en ik; alleen schuw voor vreemden en je mot oppassen

dat je met je pooten van d'r beesten afblijft. Ze is achterdochtig, bang

voor kwaadwilligheid. Jans van den boer zegt, ze is vroeger heel anders

geweest. Toen vertrouwde ze de menschen teveel en is d'r aldoor

ingeloopen. En nou is ze omgekeerd as 'n blad op 'n boom. En dat ze soms

wat vreemd is... daaraan het de oorlog schuld. Dáár mot je liever niet

over beginnen. Maar al het andere is zotteklets! Dat je 't maar weet!--

3.

Elizabeth had het boek uitgelezen en klapte het dicht. Dan stond ze op,

liep 't huis om en ging naar binnen. De hond Juno, volgde haar op de

hielen. Hij had genoeg van 't zonnig plekje bij den drempel en liep loom

achter haar aan. Binnen plofte hij neer in de koelte der kamer, moe van

zijn zonnebad.

De kat had alleen even door een spleet van zijn groene oogen gegluurd en

sliep dan weer door.

* * * * *

Binnen in de kamer, op het evenals deur en zolderbalken botergeel

geverfde boekenrek, dat den geheelen wand innam, zat Pierrot. Achteloos

bevallig leunde hij met hoofd en rug tegen den muur; het eene been strak

vooruitgestrekt op de bovenste plank, waarop de groene gemberpot stond

met Oost-Indische kers; het andere slap neerhangend langs het rek. Aan

een lint om den linkerschouder hing de guitaar; de rechterhand met het

bloementuiltje rustte mat op zijn knie.

De schoon aangevoelde kleuren van zijn kleedij pasten zich wondermooi

aan bij de kamertinten van zonnig geel en dieppaars. Sterk teekende het

somber donker van zijn omhulling zich af tegen 't gele houtwerk."

* * * * *

Zoodra Elizabeth de kamer binnentrad, bleef haar blik op hem rusten en

toen ze nu neerzat op de rustbank óver hem en opnieuw het boek opensloeg

bij de bladzijden waarin zij een vouw had gelegd, vroeg ze zich

af--telkens het herlezene met hem vergelijkend--op wien van de hier

beschreven Pierrots hij nu wel 't meest geleek. Heelemaal zooals hij,

had ze er in dit boek geen ontmoet.

Toch had de lectuur haar veel geleerd; allereerst over masker en

pantomime, waarvan, zooals het heette: "la Grèce nous ayant donné le

vocable..., Rome nous a donné la chose." En ook over den eersten "Piero"

uit den troep der Italiaansche Zanni, die onder Ganassa in de 16e eeuw

voor 't eerst naar Frankrijk kwamen en zich Gelosi noemden, "jaloux de

plaire",--hetgeen ze dadelijk den Parijzenaar deden--had ze veel

belangwekkends gelezen. Zóó werd Molière getroffen door de verschijning

van Pierrot, dat hij in zijn Donjuan, dezen naam gaf aan den minnaar van

Charlotte.

Veel vond ze ook over het algemeen type, in dit boek dat een verzameling

was van fragmenten, losse, onuitgegeven bladzijden en persoonlijke

herinneringen en indrukken van.... "des délicats enfiévrés de rêve" en

dus door Pierrot bekoord. Maar het geheim van de Venetiaansche pop werd

hierdoor niet geopenbaard.

Op een schrijven naar het oude paleis waar ze hem kocht, antwoordde men,

dat er een tusschenpersoon bestond, die de bestellingen aannam en

afleverde, daar de maker of ontwerper blijkbaar onbekend wilde blijven.

De leegte in de vitrine, ontstaan door de verkochte pop, was met de

copie aangevuld; maar kwam het door andere kleurcombinatie..., hoe

trouw ook nagevolgd, 't werd niet meer wat het origineel was geweest. Er

ontbrak iets.

--Geen wonder. Copie van bezieling! Zooiets moois maak je maar

éénmaal--begreep Elizabeth.

Maar des te gretiger zocht ze nu naar al wat met de Pierrot-figuur

samenhing. En dit bleek niet gering; want bijna elk artiest, schilder,

dichter of musicus, onderging de bekoring van dit bleek, geheimzinnig

gezicht, waarin alleen de oogen leefden, de gevoelige mimiek en het

levende vibreerende gebaar, alles uitdrukken zonder woorden; het

sprakeloos-welsprekende, dat deed ontroeren, schaterlachen of huiveren.

De beschrijvingen van zijn verschijning liepen ver uitéén. Iedereen zag

in deze "vlinder van de verbeelding" weer iets anders. Alleen voor

Rivière's Pierrot-opvatting kon Liesbeth niets gevoelen. Hij zag in hem

de incarnatie van den duivel in de wereld. Niet de Pierrot in het

traditioneel costuum, maar een bleeke man met donkere oogen; groot,

welgebouwd, met een hart van brons en stalen spieren; een die, levend in

de maatschappij, waar hij over een enorme macht beschikt, "ferait

toujours le mal, impassible et souriant."

Nee, dan voelde ze meer voor de geestige typeering van den aan Pierrot

gepaarden harlekijn: "un vieux beau, qui passe sa soiree au cercle, sa

journée a la bourse; qui a l'oeil encore vif, la jambe encore leste et

qui dissimule ses rhumatismes et non ses vices...."

"Je moest een Franschman zijn om 't zóó te kunnen zeggen!" dacht

Liesbeth bekoord en het boek doorbladerend, liet ze de vele Pierrots

waarvan het verhaalde, aan haar verbeelding voorbijgaan:

Pierrot blanc--in wien zij zag een tot wezen geworden manestraal.

Pierrot noir; voor haar het niet te ontwijken noodlot; Pierrot gaie,

triste ou tragique; rusé, dupe ou victime.... mais avéc quelquefois des

revanches....

Maar 't langst bleef ze nadroomen over dien eenen, droeven nar, die toen

hij jong en vroolijk was, met zijn grappige mimiek Parijs veroverde, dat

hem omtroetelde en toejuichte, maar hem aan zijn lot overlaat, wanneer

hij ontgoocheld en doodelijk gewond, niet meer lachen kan. Onder 't

kille licht van een lantaarn--zijn "cierge d'agonie"--ligt hij te

zieltogen, terwijl door de straten de processie voorbijgaat van het

gouden kalf, eenige godheid van dezen tijd, rondgedragen op het satijn

van courtisanen-schouders. Maar Pierrot sterft als alles waarin hij

heeft geloofd, als alles wat hij heeft lief gehad."

"Was dit soms de geschiedenis van háár pathetische pop? Voor wie zou dit

smartelijk masker, de bevrijding van een niet langer te dragen obsessie

zijn geweest?" peinsde Elizabeth.

Altijd weer spon haar verbeelding een nieuw weefsel om dit bleeke,

fascineerende hoofd. Trouwens...., hoe vélen werden getroffen door dit

geheimzinnig wezen, met de éene uitdrukking als een verheven

verstarring, zoo sterk erin vastgelegd? En hoe leende zich zijn

suggestieve figuur, voor verdichtsel en anecdote!"

Zoo herinnerde ze zich een geestig verhaal over Gustave Debureau--een

der beroemde Pierrot-figuren, lieveling van de Parijzenaars,--die

overdag nooit lachte, zelfs niet glimlachte, om toch maar niets uit te

geven van zijn vroolijkheid voor 's avonds, wanneer zijn grappen met

goud werden betaald. Die, een dag nadat de "ville de lumière" hem een

frénétieke ovatie bracht.... stierf, zonder dat hem iets anders kon

worden verweten dan een onverklaarbare afkeer voor den nachtegaal.

En niet alleen het groote publiek en de artiest, ook bekende

persoonlijkheden onder filosofen en vorsten, hadden zijn gratie en

geestige, soms lugubere grappen, zijn tragisch masker en subtiel

gebarenspel lief.

Toen Rome, door hongersnood bedreigd, alle vreemdelingen buiten zijn

muren dreef...., werd voor de pantomimen een uitzondering gemaakt; en de

Romeinsche, cynische filosoof Demetrius, riep na een voorstelling van

maskers en mimieker uit: "O bewonderingswaardige menschen, die met de

handen schijnt te spreken! Het is geen tooneelspel, dat ik heb

aanschouwd, het is het ding zelf!"

Eeuwen later, toen Napoleon op den langen weg van Parijs naar St. Cloud

den beroemden Pierrot zich zag haasten naar zijn troep, die hem naar het

kermisterrein was voorgegaan,... liet de keizer zijn rijtuig stilhouden,

opende het portier en deed den moeden wandelaar naast zich neerzitten.

Zooals Bonaparte ook eens een kanten écharpe nam van het corsage eener

prinses van geboorte, om met eigen handen de kanten doek om de schouders

te werpen van Mad^m Sagui, bezweet van vermoeienis en inspanning na een

harer gevaarlijkste toeren.

Zoo had Pierrot overal de harten gegrepen. Ook door de kunst van zijn

zwijgen. Hoe had zij zelf dikwijls ademloos van spanning zijn stilten

beluisterd, plotseling gebroken en opgelost door een simpel of

pathétisch gebaar. Want ook van de schoonheid van het gebaar, bezat hij

als geen ander het geheim. "Le geste, le grand geste éloquent et

splendide."

Hier werd Elizabeth in het memoriseeren gestoord door den hond, die

recht vóór haar ging zitten, eerst de eene, dan de andere voorpoot op

haar knie duwde en haar daarbij aldoor smeekend aanzag, een dringende

vraag in de oogen.

--Ja Juun, ook jouw gebaar heeft geen woorden noodig--lachte zij.

"Je akkertje òm, hè? 't Is je tijd, beest! Kom dan maar!"

Zoodra Liesbeth het boek neerlei, sprong de hond onstuimig tegen haar

op, plofte met beide voorpooten tegen haar schouders en trachtte,

uitzinnig van blijdschap, haar gezicht te likken.

--Koest Juun, koest!--weerde ze streng. Nadat ze dan het raam en de

voordeur had gesloten en buiten trad, werd het tusschen hen een stoeien

in aanval en afweren over 't grasveld tot aan de heg, waar, eenmaal op

den weg bij de open velden gekomen, hij uitbundig-blaffend vooruitstoof,

in zijn vreugdevaart een zwerm vogels verschrikkend, die klapwiekend

opvlogen uit de versche voren van een voor 't winterkoren omgeploegden

akker.

Maar even later, uitgeloopen, kwam hij hijgend terug, de roode natte

tong uit den bek. Dan wreef hij zijn kop tegen haar aan of duwde zijn

vochtige snoet in de palm van haar hand.

"O, de liefde en gehechtheid van een lief dier...! 't Is iets kostbaars

en 't kwetst je nooit in je teederheid.... zooals de menschen 't zoo

dikwijls doen die je zuiverst bedoelen bezoedelen. Als je eenmaal door

den leugenachtigen omgang van de menschen-onder-elkaar had

heengekeken.... en een te rechten rug had om al maar weer te bukken, te

buigen.... en vooràl.... als je je niet van binnen verharden kon voor

hun grofheid...., dan hield je 't op den duur in de samenleving niet

uit. Je trok je terug en vluchtte de stilte in, zooals zij had gedaan,

wèg van laster en intrige die, als je eigen leven er al vrij van bleef,

dat van je vrienden vergalde of havende. Hier was ze veilig met haar

liefste bezittingen. Hier, aan 't gulle hart van de natuur, was ze

genezen van veel wat vroeger onheelbaar scheen. Ze werd weer gelukkig,

voor zoover dat zonder Heinz mogelijk was. En hoeveel dragelijker was

ook het gemis van hem..., hier, in zelfgekozen eenzaamheid, dan vroeger

onder de menschen, die ze elkaar zulke lage, wreede dingen zag aandoen,

dat ze eindigde met bijna niemand meer te durven vertrouwen. Hoe werd in

de vijandige wereld die ze had verlaten, het fijne vertreden, het

spontane hartsgebaar gehoond. Het sluwe en hardvochtige alleen

zegevierde. Of zag ze niet ver genoeg?

Maar zóó leed ze onder den geest die de menschen in en na den oorlog

beheerschte, dat het haar de afzondering had ingedreven, waar geen nijd

en hebzucht loerde...., en geen afgunst....

Stil...., ze mocht nooit vergeten hoe zij zelf, die tot haar dertigste

jaar dit gevoel alleen bij naam kende en nooit een ander iets had

misgund wat ze zelf niet bezat, toch óók onverwacht door dit

minderwaardige werd overvallen. Ze woonde 't eens bij, hoe tactloos

wreed een vrouw haar moeder-weelde uitstalde voor een eenzame,

kinderlooze. Het oude verwelkte meisje, had ze zien krimpen van pijn.

Met verknepen lippen had ze zich van deze pralende Niobe afgewend.

Datzelfde voelde zìj..., toen die éene vrouw met tartend vertoon haar

huwelijksgeluk uitstalde in het eerste jaar na Heinz' dood.

O, niemand behoefde ooit zijn geluk voor haar te verbergen. Dat was het

niet wat bezeerde! Maar deze vrouw, van wie ze wist dat ze Heinz tot in

hun verloving aanhaalde indertijd, deed het uitdagend, met duidelijke

bedoeling te kwetsen. Hiertegen was ze in die ontredderde dagen niet

bestand geweest. Ze was jaloers, afgunstig geworden. Wel zonder

wraakgedachten, maar toch.... een vergift werd het in haar bloed, een

kanker, die alles wat van nature zacht in haar was, verhardde. Toen

hadden niet ànderen haar in haar verwachting teleurgesteld, maar

zichzelve was ze een ontgoocheling geweest. Treurig dacht ze, hoe Heinz,

als hij haar ooit zoo had gekend, niet van haar zou hebben gehouden

misschien. En dit, meer dan iets anders, deed haar de wrange

verbittering bevechten en overwinnen.

Maar dit wist ze nu, na de beschamende maanden: nijd...., nijd is een

vuil, een zielsverzwammend gevoel, dat alle goedheid aanvreet en van je

vriend een vijand maakt.

* * * * *

Juun rook wild. Huiljuichend stortte hij zich in 't kreupelhout. Nu was

ze hem vooreerst kwijt, totdat hij hijgend, achter adem, met trillende,

ingevallen flanken thuis zou komen en voor haar voeten neervallen. Soms

had hij den verboden buit in den bek.

Elizabeth liep nu verder alleen door de roode najaarspraal. Ze genoot

van den helderen herfstdag; van den geur van het loof en van de

tintelende atmosfeer. De paden in de diepe najaarslanen, waren bevloerd

met een tapijt van bloedroode beukenblâren en verder op, aan beide

zijden van den zandweg, stonden de Amerikaansche eiken in herfstgloed,

als ontstoken toortsen.

Toch, ondanks het genot dat de wandeling gaf, was ze blij dicht bij huis

te zijn. Na het incident met den halfdronken paardenbeul, durfde ze zich

niet ver van huis wagen zonder den hond. En ze dacht hoe, wanneer die

ruwe kerel z'n driftige bedreiging eens zou hebben volvoerd, het

tenminste de moeite waard zou zijn geweest, een slag op te vangen voor

zoo'n edel dier.

Ingeboren adeldom bij de menschen? Ze lachte schamper.--"Nee, dat vond

ze meer bij de beesten; en vooral bij het paard. Eigenlijk was ze

altijd, van kind-af, geschokt geweest door 't paardenleed. Misschien

omdat het zoo geduldig en geluidloos was.

Terwijl ze nu verderliep kwam een herinnering in haar op uit den tijd in

Freiburg: Achter hun huis een drassig bouwterrein en daarop in

druipenden regen, voor een half-uitgeladen kar, een heel oud, triest

paard; den kop laag naar den grond, de oogen in zoo duldeloos rampzalig

staren...., dat het haar de keel toekneep van ontroering.

Haastig greep ze een homp brood uit den trommel en holde de waranda-trap

af, den tuin in, het poortje door. Dan stond ze op 't veld. Het lag

leeg. De arbeiders schoftten. Er was alleen, voor de kar, het verlaten

paard, onbedekt in noodweer. De regen gudste over hem neer.

Ze was op hem toegeloopen, mompelde troetelwoordjes, terwijl ze hem

brood voerde; liefkoosde met streelende handen z'n ouden, pezigen hals,

zijn knobbelig voorhoofd. Er was gelukkig niemand die haar kon begluren

en uitlachen. En zooals dat paard haar toen had aangezien...,

nàgekeken....

... Het was daarna een dagelijksche vreugd gebleven naar hem toe te

sluipen, zoodra de werklui weg waren. En dikwijls wanneer ze 's middags

de stad in moest en voorbijging aan het veld waarbij het stond, zag ze

hoe het dier haar nadering voelde. Dan hief het den kop, bewoog de

ooren, in luistering naar haar stem,... die ze dan dempte tot een

fluistering; om de steensjouwers die er bezig waren. Dan prevelde ze in

't voorbijgaan gauw iets liefs, dat z'n eenzaamheid omstreelde.

O, het verstond wat ze zei; het was een geheime samenspraak tusschen hen

beiden. En als ze dan dacht hoe het uitsterven van't paard wordt

voorspeld! Nu óók weer in Carel Scharten's "Bloedkoralen Doekspeld." Ze

hoopte dat het nooit zoover zou komen. Moest de wereld dan àl maar

nuchterder en leelijker worden? Al het mooie eruit weg, omdat het met de

machine vlugger gaat? Zou, in de lawaaiende wereld, op den duur de motor

met zijn benzine-stank en rumoer alles overheerschen, er nergens meer

stilte, schoonheid zijn en geur? De dagen van de trekschuit schenen haar

een paradijs, vergeleken bij dezen tijd van vaart-razernij."

* * * * *

Elizabeth sloeg nu den hoek om en liep het mulle zandpad op naar haar

woning. Hoe dichter ze deze naderde, hoe sneller ze begon te loopen, als

voortgedreven door onbekenden dwang.

Ze lachte er zelf om. "Waarom zich haasten? Niemand wachtte. Vond Jans

haar uit, dan zette zij de pan met eten wel bij de voordeur neer."

Bij de heg zat het katje naar haar terugkeer uit te zien. Zoodra 't

haar zag aankomen, liep het miauwend op haar toe; den staart rechtop als

een vreugdevaan.

Ze bukte zich, nam 't poesje op dat spinnend het kopje tegen haar kin

opstootte en wilde het juist aanhalen met luider woord..., toen ze

inhield, bruusk 't katje neerzette en verbaasd naar haar huisje staarde,

waar ze een vreemde vrouw zag. Naderbij komend herkende ze aan den

Schwarzwälder dracht van het gebloemde japonnetje, een der oudere,

ondervoede Duitsche meisjes, kortgeleden bij een rijken boer

ingekwartierd. De pan met eten, in blauw-geruiten boeredoek geknoopt,

had ze bij de gesloten deur neergezet. Nu liep ze op het raam toe, ging

er op de teenen staan en terwijl ze, om het licht af te weren, beide

handen drukte ter weerszij van het met blonde vlechten omwonden hoofd,

duwde ze het gezicht tot vlak op de ruiten en tuurde de kamer in.

Maar plotseling, als had ze daarbinnen iets ontzettends ontdekt, wierp

ze zich met een ruk achterover, en gillend: "der tote Beppo!" nam ze,

een hand voor de oogen geslagen, de vlucht, in haar vaart tegen

Elizabeth opbotsend, die onhoorbaar over 't gras genaderd was.

--Aber Mädel...., Mädel, was ist denn?--

--Da drinnen! Der tote Beppo mit 'm Sträuszlein!--herhaalde 't meisje

ontdaan.

In het van ondervoeding grauwe gezicht, stonden de met diepe wallen

blauw-omkringde oogen, opengesperd van ontzetting.

Elizabeth, die uit den angstigen uitroep begreep, dat ze moest zijn

geschrokken van Pierrot's macaber-wit gezicht, zeker in verband gebracht

met iets noodlottigs uit het eigen leven, stelde gerust: "het was niets;

niets dan een pop waarvan ze waarschijnlijk zoo geschrokken was."

-Het was of hij leefde...!

-Een Italiaansche pop--vervolgde Liesbeth met sussende stem, terwijl

zij, een arm om den schouder van 't bevende meisje geslagen, haar

meevoerde naar 't zonnig hoekje bij 't veld van zonnebloemen en haar

daar met zachten dwang deed neerzitten in een rieten leunstoel.

--Italiaansch?--

Dadelijk reageerde ze op dit woord: "Beppo was óók Italiaan, al had hij

een Duitsche moeder. En precies als die ---- daarbinnen,"--schichtig

wees ze achter zich naar het raam om den hoek--had hij eruit gezien toen

hij dood op de steenen lag van hun hof. Alleen niet zoo vreemd gekleed.

Ach, God nee! Bloot waren z'n voeten .... en z'n borst.... Hij had niets

aan dan "sein Hösele," en in zijn hand hield hij de bloemen!" stamelde

't meisje en barstte in tranen uit.

Aan de hevigheid van 't huilen begreep Liesbeth, dat dit de uiting was

van een te lang opgekropte wanhoop; van een lang gesloten bron de

eindelijke openstorting.

Achter haar stoel staande, liet ze 't meisje stil uitschreien. Zacht

streelde haar hand over 't volle, glanzend blonde haar.

"Entschüldigen Sie, gnädige Frau,... dasz ich so.... Aber das macht der

Schrecken,"

Telkens, tusschen 't snikken door, viel een woord ter opheldering.

Als ze dan langzamerhand bedaarde, moedigde Liesbeth aan:

"Zou ze nu in staat zijn zich eens heelemaal uit te spreken? 't Zou haar

zeker goed doen. Zij.... kende haar volk heel goed. Haar man, die in den

vreeselijken oorlog sneuvelde, was ook uit het Schwarzwald, net als zij.

De Pop van Elisabeth Gehrke · 第 5 / 9 题