O--wist ze dat al van Jans?"

"Ja, die had haar met het eten gestuurd en gezegd dat, als de deur

gesloten was, ze gerust door 't raam naar binnen mocht kijken; naar de

Schwarzwalder klok en naar de pop, waarvan ze in het dorp had hooren

spreken; en naar de Duitsche boeken, waarvan Jans zei dat ze er

misschien wel eens een zou mogen leenen...?"

En Liesbeth beloofde: "natuurlijk mocht dat. Straks moest ze er zelf

maar een uitzoeken binnen."

Maar dadelijk kwam de nerveuse angst terug: "nee, bitte, niet daarbinnen

bij de griezelige pop," weerde ze met bange oogen.

"Pierrot werd dan eerst in de kast opgesloten," stelde Liesbeth gerust,

maar drong dan aan: "nu moest ze eerst eens vertellen aan wat, aan wie

de pop haar herinnerde, dat ze er zóó van was geschrokken.

--Ja, ze schrok wel erg gauw sinds dien vreeselijken nacht!--bekende

zij. Dan stamelend, kwam in brokstukken de trieste geschiedenis:

"'t Gebeurde jaren geleden. Ze was pas zeventien; Beppo twintig. Ze was

z'n meisje. Z'n vader was een Italiaan, z'n moeder een Zuid-Duitsche. Ze

woonden sinds eenige jaren in het kleine stadje. Beppo was anders dan de

andere jongens. Fijner. Hij zong bij de guitaar. Hij had een mooie stem

en zong wel liedjes waarbij hij zelf de woorden maakte.

Een professor, die eens 'n zomer bij z'n ouders in pension was, las

verzen van hem. "Nicht übel, nicht übel!" had hij gezegd en hij beloofde

te probeeren een studiebeurs voor hem te krijgen.

Toen brak de oorlog uit....

Ze gingen allemaal, de jongens. Aan de bajonet een bosje bloemen. Haar

tuin had ze voor hen geplunderd. Ze sméékten om een ruikertje, wanneer

ze aan haar tuintje voorbij gingen.

Toen, na een tijd, kwam bij al de vijanden ook nog Italië. Toen begon de

ellende!"

Het meisje zweeg en haalde diep adem, als om den moed tot verdergaan te

vinden. Dan vervolgde ze:

"Tusschen Beppo's vader en moeder was altijd alles goed geweest, maar nu

speelden zich hevige tooneelen af tusschen deze twee. Ieder koos partij

voor z'n eigen land. Beppo's vader werd opgeroepen en ging dadelijk

terug naar Italië. De moeder bleef achter met den zoon. Maar dit kon zoo

niet blijven. Wanneer hij zich niet liet inlijven bij 't Duitsche leger,

werd hij om zijn Italiaanschen vader 't land uitgezet of gevangen

genomen.

Ook bij háár thuis, waar 't altijd vrede was, waren nu telkens ruzies.

Zij scholden de Italianen uit voor schurken en verraders. Beppo noemden

ze nu een jongen van niks met z'n mooie praatjes; een vijand van 't

Vaderland. Zij moest de verloving onmiddellijk afbreken!

Wat ze ook aanvoerde ter verdediging van dit moeilijk, ingewikkeld

geval..., het hielp alles niets en ze dwongen haar hem ronduit te

zeggen, dat hij bij haar thuis niet meer zou worden geduld.

Toen ze hem 's avonds sprak, waar ze elkaar altijd vonden, had ze hem

alles oververteld. Hij stoof op: "Wat? Hij een vijand van haar volk? Was

z'n eigen moeder dan geen Duitsche? Vechten tegen 't land van z'n moeder

en z'n liefste? Nooit!"

En toen ze hem dan zei hoe hij wel zou worden gedwongen partij te

kiezen, hij hier alleen zou worden geduld als hij zich liet

naturaliseeren en meevocht, riep hij driftig: "Niemand zou hem ooit

dwingen partij te kiezen tusschen de twee landen. Hij had ze allebei

lief; als z'n vader en moeder. Trouwens, thuis hadden die twee 't hem

ook al moeilijk gemaakt met hun getwist en hun eisch: te kiezen tusschen

hem en haar. Hij kon zich toch niet in tweeën hakken!

Z'n ouders waren niet meer te herkennen. Als furiën stonden de twee

vroeger zoo zachtzinnige menschen tegenover elkaar.

Maar ook zij zouden hem niet dwingen de eene of de andere richting uit.

Hij vocht niet mee. Niet tegen Duitschland, niet tegen Italië.

Schwindel, Schwindel, der ganze Krieg! En hij kon, hij wilde niet

dooden!"

* * * * *

Elizabeth gaf het een schok. "Dit waren dezelfde woorden als in den

laatsten brief van Heinz!"

Er viel een zwijgen.... In de verte loeide een koe.... Dan was er in de

stilte niets dan het gezoem van late hommels en bijën om de

zonnebloemen.

Liesbeth, die al den tijd achter den stoel van het meisje was blijven

staan, ging nu over haar zitten. Zij nam de nerveuse vingers, die

rusteloos aan een losgeraakt rietje van den stoel plukten, in haar beide

handen, boog zich tot haar óver en vroeg: "En toen?"

Het klonk als van een kind dat het eind van het onderbroken verhaal niet

langer kan afwachten.

--Ik vertelde het thuis, 't Was om niet uit te komen..., zoo hopeloos

verward alles.... Ze zagen er alleen gebrek aan moed in; vonden het

karakterloos; en toen hij zich tòch bij ons waagde, ondanks het verbod,

hebben ze hem de deur uitgegooid, hem 't woord lafaard toegeworpen en

dan naar hem gespógen!

.... Nooit zou ze z'n gezicht daar voor de open deur vergeten. Hij stond

als verdwaasd. Hij werd doodsbleek zooals die pop binnen. En zoo had hij

ook gekeken..., zoo triest, met de oogen neer. Precies als die pop.

Ze had hem willen naloopen, de beleediging goed maken van de woede en

verachting der huisgenooten. Maar ze hielden haar vast: "Halt stille!"

dreigde grootvader. Ze bewaakten haar dien avond. Ze kon niet wegkomen

op het gewone uur. Toen heeft Beppo zeker geloofd, dat ook zij hem

verloochend had en niets meer van hem wilde weten.

* * * * *

Dien nacht, het zal één uur zijn geweest, schrikt ze wakker van een

schot. Ze denkt eerst dat ze droomt. Dan.... wéér een.... vlak onder het

raam van haar kamertje.

Ze vliegt het bed uit. 't Eerste wat ze ziet, bij heldre maan, is

tusschen de bloempotten op 't kozijn, zijn guitaar en zijn schrift met

verzen, met haar naam: Käthe.

Dan buigt ze zich voorover en ziet naar beneden. En daar, op de steenen,

ligt Beppo, plat op den rug; z'n gezicht in 't maanlicht.

Hij lag er met bloote borst en bloote voeten.... Nur in seinem Hösele,

wie 'n Bettelbub. Naast hem, op de steenen, de pistool. In z'n hand

hield hij een tuiltje van haar bloemen.

Ze was de trap afgevlogen, zóóals ze was. Ze knielde bij hem neer,

fluisterde 't hem toe--misschien hoorde hij 't nog--dat ze niet had

kunnen komen, dat ze hem "dennoch lieb hatte." Ze kuste hem op den mond.

Bloed en schuim was op z'n lippen. En opeens stond het vol buren om hen

heen. Na 't eerste schot--dat miste--hadden ze het tweede gehoord en

kwamen allen aangeloopen. Plotseling greep een harde hand haar bij den

arm; slingerde haar van Beppo weg....; als 'n vod.... Het was zijn

moeder.

"Ga jij weg! jij bent de schuld van alles", had ze gezegd; ijzig-kalm.

Maar dan was ze over haar zoon neergestort; haar arm schoof ze onder

zijn hoofd en met haar gezicht tegen 't zijne, riep ze maar niets dan:

"m'n lieve jongen...., Beppo..., m'n lieve jongen!"

O dat zacht gekerm, àlmaar door...., het was niet om te harden, 't

Vervolgde haar nog...., nòg.

In een donkeren hoek van den hof, waar de maan niet in scheen, verborg

ze zich en drukte de handen tegen de ooren om 't niet langer aan te

hooren. En dan zag ze, hoe ze den dooden Beppo optilden en hoe toen zijn

moeder, die toch een tengere vrouw was, haar dooden zoon, alleen,--und

war doch ein hübscher kräftiger Mensch!--het huis indroeg in haar

armen. Bij 't opbeuren vielen een paar bloemen uit het ruikertje, dat

hij klemde in z'n doode vingers. Ze raapte de bloemen op. Het laatste

wat hij had gestreeld.

* * * * *

--En hoe is het toen met zijn moeder gegaan?--

Elizabeth vroeg het in spanning. Ze wilde 't meisje niet verontrusten,

maar ze dacht aan de pop.

--Z'n moeder is nog 't zelfde jaar aan de griep gestorven. Maar haar

bedreiging is uitgekomen. Zijn dood vervolgt me. 'k Heb nergens meer

rust. En 't allerergste is, dat ze thuis--en ook anderen--nog altijd

een lafaard in hem blijven zien!--klaagde Käthe met bevenden mond.

Toen, met een schok, stond Elizabeth recht; ze hief het betraande

gezicht van 't meisje tot aan haar blik en zei vast en streng:

--Nee, Mädel! Wie, om anderen niet te vermoorden, zichzelf doodt.... is

geen lafaard, maar een held. Dàt verdriet kan 'k tenminste van je

afnemen!

--Ich ahnte es ja...., habe es aber nicht gewagt....

--Ach natuurlijk!--dacht Liesbeth bitter.

"Diep-in had dit kind het geweten, maar het nauwelijks durven denken. Ze

had immers van kind-af, 't zoo anders geleerd..., thuis, op school."

Toen, als hadden de woorden al die jaren liggen wachten tot op dit

oogenblik, stortten zij haar over de lippen:

"O, de meisjes, de vrouwen, die dol op oorlogspoëzie, de kanonnen

omkransen, de bajonetten versieren met bloemen uit hun tuintje....,

dachten ze dan niet nà bij wat ze deden? Beseften ze niet dat ze de arme

drommels, gespannen voor de zegekar van diplomaten en generalen staf,

optooiden voor den dood? En de bajonetten, waaraan ze haar bloemen

bonden..., straks.... op het slagveld.... ....Stil..., o stil...!"

Elizabeth rilde.

"Na den eersten bajonet-aanval had Heinz.... den dood gezocht!"

Ze slikte haar tranen in. Dan zei ze: "Zoolang jelui allemaal dit

heldendom verheerlijken en alleen een held zien in wie met een

eereteeken op de borst van 't slagveld komt en allemaal zoo'n held

willen in je verloofden, je mannen en je zoons..., blijft het vechten

tegen wapengeweld een verloren strijd en zal er altijd weer oorlog

komen.

Jouw vriendje--ze legde beide handen op de tengere schouders van het

meisje--was geen politieke schreeuwer; niet een, die een bom legt voor

de deur van een andersdenkende, die zich dan óók weer wreekt op de wraak

en zoo tot in 't oneindige...; maar een stille held, die de eene daad

deed, zonder waarschuwing of woordenpraal.

En voor jou is er, geloof ik, maar één middel, kind, om te maken dat je

rust krijgt over zijn dood: Weiger je eerbied voor wat hij verachtte;

haat wat hij heeft gehaat.... En waarom zou je dan bang zijn dat hij je

vervolgen zal? Hij hield toch van je? Heeft hij niet, eer hij stierf,

zijn liefste schatten op de vensterbank voor je kamertje neergelegd...;

die lieve jongen?!"

Toen richtte het meisje zich op uit haar gebogenheid; een glans lag over

het teeder gezicht en stamelend:

"Nooit, nooit zou ze dit vergeten...; dezen morgen..., nooit....!" viel

ze met niet meer te weerhouden gebaar Elizabeth om den hals.

--Kijk! Hier heb je nu iets uit je eigen land!--

Liesbeth bracht haar voor de oude Schwarzwalder hangklok, met de bonten

wijzerplaat, de groote wijzers, de zware koperen gewichten aan lange

kettingen en den slanken slinger met onderaan de breede, koperen schijf.

Ze luisterden samen naar zijn regelmatigen, langzamen slag.

--Is 't niet net de bevende stem van een lieve, oude vrouw?

--Es ist wie daheim.

--Toch geen heimwee?

--Een beetje!--bekende Käthe, aarzelend. "O, ze was niet ondankbaar voor

al de goedheid van de gulle menschen bij wie ze was! Maar 't bleef nog

wat vreemd. En dan.... haar lichaam werd door de goede kost wel gezonder

en sterker, maar, niet waar, een bezeerde ziel geneest niet zoo gauw!"

"Hoe goed zegt ze 't! En in den mond van dit meisje was het geen frase.

Ze gaf het als een simpel feit en bedoelde 't ook zoo!" dacht Liesbeth.

Toen sloeg de klok twaalf. En nauwelijks was de laatste slag verstild,

of van 't gevelkamertje boven, door de balkenzoldering, kwamen de twaalf

slagen van een tweede, donkerder gekleurde klokkestem.

Het meisje hoorde het en glimlachte. Zij zwegen beiden. Dan vertelde

Liesbeth, hoe zij deze twee klokken in een winkeltje in Schönau kocht.

Sinds jaren hadden ze er samen in het winkeltje gehangen. De ééne nam ze

toen dadelijk mee naar hun huis in Freiburg; de andere zou haar worden

nagestuurd. Er moest eerst iets aan 't binnenwerk gemaakt.

Op een dag komt eindelijk de tweede klok en wordt opgehangen, net als

hier, een kamer hooger.

Juist slaat ze drie uur. En nauwelijks is de laatste slag gevallen, of

van boven antwoordt de andere klokkestem, met drie plechtige slagen.

Het was alsof deze klok toen opeens een gezicht had, dat verrast

luisterde naar de bekende stem van vroeger uit het winkeltje. Als het

weerzien van twee gescheiden menschen was het.

--Houdt de gnädige Frau ook zooveel van dingen die een geschiedenis

hebben? Hoort en ziet ze daar óók zooveel in? Thuis werd ze altijd om

zulke gevoelens uitgelachen.

--Och, lachen om wat je niet begrijpt is gemakkelijk.... "Die oude

kast?".... Een familiestuk. Was 't laatst van m'n moeder, 'k Heb altijd

het gevoel alsof er wel iets van haar aanraking in moet zijn nagebleven.

Na haar dood, ik was toen vijf jaar, gaf Jans, die pas was getrouwd en

in die dagen veel bij ons aanliep, me eens uit een van de laden een

grooten, rooden appel. Ze knielde bij me neer, draaide den appel om en

om, boende hem met een tip van haar boezel tot hij glom. Dan kneep ze

me in de wangen en zei: "Nou mot je zelf ook zukke mooie rooie koontjes

op je bleeke snoetje zien te krijgen, kleuterke....! Eet je wel genog?

Dàn pas weet je dat je genòg het gegeten, as je d'r van hikt of d'r ferm

van boert!"

Toen, voor de eerste maal, hoorde Liesbeth van dit vroeg-droeve kind een

heldren, jongen lach.

* * * * *

Wat had dit meisje niet al meegemaakt! Ze stond erbij toen de bronzen

klokken uit de kerktorens van het stadje werden gehaald. Ze zei het

nooit te kunnen vergeten. De schoolkinderen hadden dien dag vrij en

zongen hun klokken een afscheidslied toe. Kinderen hadden guirlanden van

madeliefjes gevlochten, waarmee ze de klokken versierden, toen ze op den

wagen waren geladen, die hen zou wegrijden naar den smeltoven. Dominee

had gesproken, als aan een graf.

Van den eersten dag toen de torenstemmen niet meer zongen, den morgen

die dood geboren werd, vertelde zij. En van 't laatste, wreedste

oorlogsjaar, toen de allerjongsten werden opgeroepen. Eén was er die z'n

angst durfde uiten en gilde: "Ich will nicht sterben! Ich bin jùng. Ich

will leben! Hilf, Vater! Hilf, Mutter!"

De Pop van Elisabeth Gehrke · 第 6 / 9 题