Vanuit de voornaam-gedempte sfeer van de koele hall in Hôtel
Danieli--een oud, Venetiaansch paleis, waar, langs de statige trappen,
in vroeger tijden deftige Dogen in hoofsche praal afdaalden naast hun
schoone, vorstelijk-getooide vrouwen en zich nu een internationaal
publiek verdrong...., trad Elizabeth Gehrke, na de glazen draaideur te
zijn doorgegaan, naar buiten en stond plotseling in het verblindend
licht van de Riva degli Schiavoni.
De breede kade aan het Canale di San Marco was feestelijk van zon en
uitbundig morgenlicht en op dit uur reeds vol drentelende menschen,
voornamelijk vreemdelingen, die, Baedeker onder den arm, of geopend in
de hand, langzaam, aandachtig rondkijkend, den kant naar de Piazza del
Marco opliepen, of bij 't kanaal het eens trachtten te worden over een
gondeltocht.
Aan den oever, op het wijde, zonnevonkende water, lagen de
zwartgeschilderde gondels gemeerd; dichtopéén dobberden zij op de door
het af en aanvaren der barken ontstane deining.
Zoodra Elizabeth naar den wal toeliep om er te zien naar de
bedrijvigheid van komende en gaande vaargasten, schoten van
verschillende zijden gondeliers op haar toe; de donkere oogen in het
gebruind gezicht gretig kijkend; in de roode monden de tanden blinkend
bloot.
"Una gondola, Signora! Una gondola!" en met rollende r's in radde praat,
waarbij de vlugge woorden elkaar overstortten, prezen ze om 't hardst
hun gondel aan, stelden een tocht voor en noemden een prijs.
"Non oggi. Domani!" weerde zij glimlachend naar de mannen, die bij haar
weigering niet verstugden, noch onverstaanbaar booze woorden mompelden,
maar àl terugloopend haar bleven toelachen, blij met de belofte voor
later.
Elizabeth liep nu de kade verder af; zij wilde dezen laatsten morgen in
dit goddelijk licht van enkele bovenal dierbare plekjes afscheid nemen
en genieten van 't mooie volk. "Een prachtras" bewonderde ze en zag met
genot naar twee fabrieksmeisjes en andere arbeidersvrouwen, die
koninklijk van gang, het bovenlijf recht en roerloos, met een alleen
even doorveeren der knieën, de treden van de brug over de Rio di Palazza
afdaalden; blootshoofds, de zwarte sjaal met laag-neerhangende franje
strak getrokken om borst en schouders.
Voorbijkomend aan de gevangenis--somber, vierkant gebouw achter zware
tralies, door niets dan een smal grachtje van het blanke wonder, het
dogenpaleis, gescheiden--klonk de lach der meisjes helder op bij een
kwinkslag van den cipier, die rinkelend met een groote sleutelbos, de
gevangenis voor een oud vrouwtje opensloot.
Deze gevangenis op de zonnige kade vol café's en hôtels, midden in 't
gewoel van vroolijk-pratende en druk gesticuleerende menschen, die zich
geen oogenblik de nabijheid van dit donker-dreigende bewust schenen en
er luchthartig en schertsend aan voorbij slenterden...., Elizabeth had
er nooit aan kunnen wennen. En toen ze nu zelf de marmeren trap was
opgegaan, keek ze, stilstaand op 't platform, naar 't smalle, zwarte
grachtje, waarboven blank, de beruchte brug der zuchten afstak: de Ponto
dei Sospiri, die de gerechtszaal van het paleis met de gevangenis met de
looden daken verbindt; moeilijken weg dien ook Casanova eenmaal is
gegaan toen hij er zijn straf uitzat. Maar nu zij zich omkeerde, zag zij
wèg van dit donkere het licht in, over het als satijn glanzend,
smaragd-blauwe water met de vele, vele gondels. En opnieuw genoot zij
bewust de weelde van 't ontbreken van alle modern vervoer-rumoer. Hier
geen auto-signalen of knallende motorfietsen, zelfs geen kargeratel;
alleen 't geplas der gondelriemen, waarmee de roeier, staande, het
sierlijk vaartuig voortbeweegt.
"Een wondermooi ding vond ze een gondel; nee, méér dan een ding, een
levend wezen vol bevallige zwenkingen. En altijd weer zag ze er iets
anders in: een omgekruld boomblad, of een donkere, drijvende bloem; dan
weer een zwarte zwaan met gebogen nek, een zilveren, gekartelde keten om
den ranken hals."
Lang bleef Elizabeth uitstaren over het nu weer onwezenlijk violet
gekleurd water, waaruit aan den overkant de Maria della Salute scheen op
te rijzen, de omtrekken sterk afgeteekend tegen diepblauwe lucht; en
heél in de verte, aan paarlmoeren horizont, blauwschemerend: Lido.
"Het was om niet van weg te komen, maar er wachtte zooveel!" En toen ze
nu langzaam de lage, breede brugtreden afdaalde, trachtte ze bijna
onbewust iets over te nemen van de houding der even tevoren bewonderde
Italiaansche vrouwen; al besefte ze wel dat de gratie en het koninklijk
gebaar, hier den armste aangeboren, niet is na te apen en er veel van
wat hier volkomen natuurlijk aandoet en aan dit volk bekoort, in Holland
dwaas-theatraal zou schijnen.
* * * * *
Op de Piazzetta gekomen, ging ze er zitten met het gezicht naar den
voorgevel van het Dogenpaleis, blank en glanzend de portiek van korte,
krachtige zuilen, steunend de sierlijke loggia, versierd met
marmerkantwerk--het opene in den vorm van een klaverblad--en daarboven
de derde verdieping met de zeven spitsboogvensters in beide façaden;
van een zalm-rose kleur, zooals het hart van kleine zeeschelpen.
Altijd weer kwam ze hier terug en zat maar stil op te zien naar dit
wonder van gothiek; en werd er nooit van verzadigd. Dit was haar
dierbaarder nog dan de San Marco. Hoezeer ze ook binnen in de kerk
genoot van het koloriet, van mozaïken en marmersoorten, van de pracht
der schilderingen en kleurenmengeling..., toch miste ze er in de
overlading en bijeengebrachte praal, de mystiek der groote cathedralen.
En zij herinnerde zich hoe de Franschsprekende gids die haar in Florence
had rondgeleid in de Santa Maria Annunziata, vertelde: dat juist òm die
overdaad en overstelpende weelde en het vele goud..., de Amerikanen de
San Marco het mooist vonden, van heel Venetië.
En toen sprak hij met bijna komische geringschatting van een ras, dat
voor een subliem fresco van Andrea del Sarto, geen ander woord vond dan:
"How much?!" kunstwaarde naar 't aantal dollars taxeerend. Hoe goed wist
ze nog ieder woord van den enthousiasten kunstkenner, die, de open
verrukte aandacht van haar en haar man bemerkend, van dienzelfden Andrea
del Sarto vertelde, hoe deze Meester niet tot de uitverkorenen behoorde,
door rijke patriciërs onderhouden; misschien wel omdat hij was getrouwd
met een ordinair schepsel dat hem ruïneerde, maar zijn model was voor de
hemelsche Madonna's, voor de zuivere Moedermaagden, die hij uitbeeldde
met háár gezichtsovaal en teere kin, den mooien mond, het fijne neusje,
de schoongebouwde schouders en borst en de weelde van goudblonde haren.
Maar haar oogen bracht hij niet op het doek. Deze _dichtte_ hij in het
gelaat zijner Madonna's. En deze oogen waren het, die van het model--de
liederlijke, zijn leven vernielende vrouw--in zijn "Oeuvre" een Heilige
maakten.
"En doet niet iedere kunstenaar zoo met de schepselen van zijn
verbeelding?" had haar man gezegd, zich tot haar neerbuigend met het
liefdevol gebaar dat hem eigen was.
Innige verteedering kwam om Elizabeth's smartelijken mond, nu ze zich
die woorden en dat gebaar uit de zalige dagen van 't eerste
huwelijksjaar herinnerde.
"Ach, alleen omdat Heinz en zij niet vermoedden wat zoo vlakbij dreigde
in een toekomst vol oorlogverschrikkingen, hadden zij zoo argeloos, zoo
uitgelaten gelukkig kunnen zijn. O, dat zij beiden, verdiept in elkaar
en in al het moois van Italië, het niet hadden vóórvoeld:.... het
noodlot, de oorlog...., die al wat jong en liefelijk was vernielde!
Oorlog...., die waanzin...., die hèl.... die ook haar liefste en haar
geluk had vermoord!"
* * * * *
O daar was het weer, het wild-opstandige, dadelijk wanneer ze 't woord
oorlog maar dacht of hoorde, of las. Ideé-fixe dat haar niet losliet en
alle overgebleven vreugde vergalde; dat haar in den ergsten tijd van
dien geesel met de handen tot vuisten gebald deed loopen, zitten, in bed
liggen; haar de tanden krampachtig deed opeenklemmen in machteloos
verzet tegen het onverbiddelijke; een drift die haar aan de grens van
waanzin had gebracht.
En de menschen? De menschen hadden 't haar, toen ze na zijn dood in
Holland terugkwam, nog ondragelijker gemaakt dan het al was. Hun
erbarmen had een wrange bijsmaak; ze voelde--óver-sensitief in die
dagen--hun meelij niet alleen met haar verlies... maar met de vrouw die
een Duitscher, een mof had getrouwd. Ze verborgen hun haat niet tegen
dit volk. Ook niet in haar tegenwoordigheid, al wisten de ingewijden hoe
zij Heinz had liefgehad, hòe ze hem verloor en wat een fijn mensch hij
was. Ze deden ongeloovig wanneer ze vertelde dat hij dien oorlog
verafschuwd, er niets dan ellende in voorzien had voor z'n vaderland.
Ja, hij was gegaan bij de oproeping, maar zonder hoop, zonder
enthousiasme, met weerzin.
Maar allen zagen, sinds den schandelijken oorlog, in elken Duitscher den
Pruisischen geest, den ruwen bruut en geweldenaar. Het soort dat ook
Heinz haatte, waarvoor hij zich schaamde in vrede en oorlogstijd. En ze
vertelde van een geval in een Berlijnsch restaurant, waar een beroemd
professor door den kellner midden in de bestelling in den steek gelaten
en pas bediend werd, na een later aangekomen gast, een blancbec, een
sabelkletterend luitenantje. Hoe hadden zij zich toen samen geêrgerd.
"Dat is het nu wat ons in het buitenland zoo gehaat maakt! Het is
onwaardig en daarom ben ik blij dat we niet hier, maar in Freiburg
zullen wonen!" had Heinz gezegd.
Ook haar anarchistisch-Hollandsche opvatting van de omslachtige
betitelingen vóór persoonsnamen: uitvoerige, mal-gewichtige titels
waarmee naar den aard der betrekking van hun man, de getrouwde vrouwen
er werden aangesproken, kon hij begrijpen. En hoe geduldig had hij het
verdragen wanneer ze zich in deze betitelingen telkens allergekst
vergiste; flaters beging die later werden rondverteld; smalend door wie
er zich in beleedigd waanden; met gullen lach door wien 't niet zoo
zwaar opnamen en erom lachten..., zooals Heinz en de vrienden.
Toen ze nu zonder hem--te kort woonde ze er om er veel vrienden te
maken in een jong huwelijk dat vreemden meed--als weduwe uit Freiburg
wegging en in Holland terug kwam, vond ze de oude vrienden veranderd. Of
was zij misschien zelf anders geworden in dien korten tijd? In 't
vreemde land had ze zich nog niet volkomen ingeleefd; van de eigen
landgenooten scheen ze vervreemd. Het was alsof ze nergens meer thuis
behoorde, geen eigen vaderland meer had.... Toen begon de
duikboot-oorlog.... en voor de eerste maal, kon ze in volkomen
zelfverzaking dankbaar zijn, dat dit aan haar fijnen man was bespaard,
dat hij dit afschuwelijke niet meer beleefde.
Langzamerhand vergaten dan de vrienden dat zij haar liefste had
verloren.... en hoe.... en waar....
Ze beheerschten zich niet meer in haar bijzijn. Geen scheldnaam scheen
verachtelijk genoeg voor Heinz' landgenooten. Er waren er die haar
wantrouwden omdat ze met hem was getrouwd geweest; met Heinz.... die
niet had kùnnen volhouden...., niet kon doen wat de anderen deden....
Zelfs kunst bleek niet meer internationaal. Duitsche composities
probeerde men tijdelijk te verbannen. Gelukkig bleven universeeler
geesten ongeschonden hun vereering behouden voor Bach, Beethoven en
anderen...., die toch zeker geen schuld aan al den gruwel hadden.
"O de menschen, de hatelijke, harde menschen die 't mooiste in je
kneusden...."
Stil,... nu moest ze zich tijdig beheerschen en de driftgedachten
stuiten, anders werd dit een verloren dag; de laatste in dit heerlijk
land, waar ze niet alleen genezing vond voor een scheurende hoest, maar
ook voor het krampachtig-opstandige van haar machteloos verzet. De oude
dokter kreeg toch maar gelijk toen hij volhield tegen andere meening in,
dat juist hier, waar ze in blijder tijden met Heinz was geweest, de
herinneringen aan die zalige dagen--geheel verdrongen door wat later
kwam---weer zouden opwellen en haar ondragelijke zenuwspanning breken.
Het was zoo gegaan. Want al miste ze hem hier in alles, toch voelde ze
overal waar ze met hem was geweest, zijn onzichtbare nabijheid; hoorde,
bij het terugvinden van al wat ze met hem had gezien, zijn stem... Zijn
adem was hier over haar...
* * * * *
Toen ze nu opstond en een zakje goudgele zaadkorrels kocht voor de
duiven van San Marco, die ze iederen morgen voerde, als indertijd met
hèm..., herinnerde ze zich zijn plagend: "Als ik een beest was..., jij
met je liefde voor dieren..., zou je dan nòg meer van me houden?" Waarop
zij: "Bén je dan soms niet een prachtig dier ondanks je cerebraliteit en
zielsbewogenheid?"
Hoe had hij toen het blonde hoofd, met het veroverend gebaar dat hem
eigen was, in den nek geworpen en haar dicht tegen zich aanklemmend
gefluisterd: "Als we hier niet midden in de menschen waren, zou 'k je in
m'n armen grijpen, Schätzeli!" En terwijl ze nu de duiven voerde en
genoot van het dwarrelend vleugelgefladder zóó dicht bij haar gezicht,
dat het was als een omademing, wanneer de witte wiekjes haar wangen
bijna raakten, sloot ze de oogen, om terug te zijn in dien zaligen tijd,
om vast te houden het beeld van den liefste en opnieuw te ondergaan het
onzegbaar geluk van den lang geleden Venetiaanschen morgen met hem, hier
tusschen de duiven.
* * * * *
Van de Piazza del Marco liep ze nu terug en trad door de Porta della
Carta in den voorhof van het dogenpaleis.
Aan den voet van de groote trap, met bovenaan de geweldige beelden van
Mars en Neptunus, in wier godentegenwoordigheid eertijds de Dogen werden
gekroond, ging ze op een bank zitten, leunend tegen den zonbegloeiden
marmerwand van den Scala dei Giganti.
Stil en verlaten lag op dit uur, nu de vreemdelingen het paleis van
binnen bezichtigden, de zonnige hof, omsloten door een loggia van korte
zuilen met rijk gebeeldhouwde kapiteelen. In het midden, bij een der
groote bronzen putbekken, zat een schilder met zijn gerei. En Elizabeth
zag hoe hij met bijna fanatieke aandacht het hem omringende in zich
opnam; het gulzig naar zich toehaalde, verslonden in genot.
Maar het werd haar te warm; de gloed van het zonbeschenen marmer brandde
tot op haar rug door de dunne blouse heen. Ze zocht nu een zitplaats
onder de zuilengang die in de schaduw lag. Ook hier zat ze eens met
Heinz, moe van een rondgang in het paleis. Ze trachtte zich te
herinneren wat hij toen gezegd, hoe hij gekeken had, haar blonde Germaan
met den fijnen kop en de schoone gestalte van een Hermes van Praxiteles.
O, dàt hadden de minachtende monden met hun plomp herhaalde "mof" moeten
erkennen: zijn manlijke bekoring, de gratie van zijn optreden, zijn
fijnen geest. Ze hadden hem eens moeten hooren pleiten. O, de gloed, de
vaart van zijn woorden, die meesleepten ook wie eerst anders dacht...!
* * * * *
Langen tijd zat Elizabeth te droomen in een bijna-niet-zijn, moe na den
verganen, te korten nacht, waarin ze een gondeltocht deed door een
onwezenlijke wereld. En op het wijde water, onder sterrelenden
avondhemel, had ze dan gedacht hoe in zulk een nacht Heinz het niet
langer kon harden in de lage loopgraaf, in stank van modder, bloed en
excrementen..., en hij ondanks de waarschuwing der kameraden, naar
buiten was gegaan, na een laatsten brief aan haar, waarin hij schreef
hoe een verstikkende afschuw hem naar buiten dreef, al dreigde er
doodsgevaar; hoe de lentenacht lokte, weg van de verpesting waarin hij
ademhaalde. Hij vroeg vergeving voor zijn roekelooze daad, wanneer het
zijn leven mocht kosten. Maar na den bajonet-aanval van dien dag was hij
ontzenuwd van walging. Hij moest alleen zijn...., de ruimte in, en....
hij kon, hij wilde niet meer dooden! Achterover op z'n rug strekte hij
zich op den bedauwden grond, de armen wijd uiteengespreid, den mond
geopend om den geurigen lentenacht met volle teugen in zich op te
ademen.
Zijn oogen zagen den hemel in.... Zoo vonden ze hem later, toen na een
schot te hebben gehoord, ze hem de loopgraaf indroegen. En dit bleef in
de eerste wanhoopsdagen haar troost...., dat hij niet werd verminkt,
geen langzamen, walgelijken marteldood stierf, of werd vermist.... als
zooveel anderen....
De dood had z'n schoonheid niet geschonden. Hij had alleen een hoofdwond
onder 't welig haar, waarvan ze zoo dikwijls de eene, wilde lok die hem
over de oogen viel, had weggestreken met streelende vingers...; zooals
een moeder dat wel doet bij haar zoon.
En dan was er de herinnering aan wat aan 't afscheid was voorafgegaan in
die enkele dagen eer hij naar 't front ging; waarin zij beiden een heel
leven van liefdegeluk doorleefden en alles wat zij aan passie, liefde,
teederheid bezaten, hadden uitgegeven aan elkaar. Het was een zich
uitstorten in koninklijke verspilling. Want ze vóórvoelden beiden en
spraken het uit: dit was het einde van alle geluk. Ze zouden elkaar niet
terugzien.
En was 't niet beter te sterven in 't oorlogsbegin, dan na jaren
misschien van angst en marteling voor háár; en afschuw voor 't gruwelijk
bedrijf dat het vaderland eischte, voor hèm?
Want Heinz geloofde aan geen zegepraal voor zijn volk, hij was geen dupe
als zoovelen en voorzag een korte waan, een lange ellende.
* * * * *
O, de allerlaatste nacht!
In haar armen was hij eindelijk ingeslapen. Zij lag naar hem te zien bij
het licht van een kaarsvlammetje, om toch maar niets, niets te verliezen
van deze laatste uren; en ze schreide stilletjes, stilletjes...., om hem
niet te hinderen en het voor hem niet nog zwaarder te maken.
Eerst had ze willen opstaan, een verdoovend middel nemen om kalm te
blijven. Maar ze bedacht zich: "Nee, niets van haar liefde, ook de pijn
niet, wilde ze dempen. Alles wat met haar liefde samenhing, wilde ze
tot het uiterste: het geluk èn de vertwijfeling."
* * * * *
Bij de herdenking onderging ze opnieuw alles als toen: 't langzaam
aangrauwen van den gevreesden, vreeselijken dag....; kille, bleeke
morgenschemering schuift al dieper de kamer in; over de meubels...., de
stoel met zijn kleeren.... het valies in den hoek. 't Kaarsje is
neergebrand, knettert, vlamt nog even op en dooft dan.
Buiten, in de verte, kraait een haan....
Ze zag hem aan, ze dronk hem in met haar oogen, haar heerlijke man. En
toen, bij de gedachte dat hij misschien nooit meer zoo aan haar hart zou
liggen, dat dit de laatste oogenblikken waren dat ze hem bij zich had,
eer hij misschien dood.... of verminking tegemoet ging...., wierp ze
zich snikkend over hem: "Heinz!" gilde ze "Heinz!"
Dadelijk was hij de werkelijkheid in, zoodra hij de oogen opsloeg en
haar gezicht boven zich zag.
--Liesbeth..., Du..., mein Lieb...!--O, de laatste stamelingen, de
radelooze innigheid van de laatste omhelzing! Als een sterven in
elkaar....
* * * * *
Een uur later staat ze op 't volle perron, in een afscheid nemende
menigte. Uit het coupéraam van den trein buigt hij zich tot haar over en
kust haar telkens weer. Dan ruikt ze de geur van z'n lieve haar.
--Mein Herz....
--Mein Lieb....
Zijn gezicht is strak van verdriet. Het vel spant over de in manlijke
beheersching opééngeklemde kaken. Haar koude vingers houdt hij in zijn
knellenden greep. Ze kust met vertwijfelde innigheid zijn hand. Ze ziet
zijn lippen beven. Hij vloekt.... om niet te huilen.
't Sein van vertrek wordt gegeven. Een schok gaat door al de menschen
die afscheid nemen van vaders, mannen, zoons....
De locomotief fluit...., sist.... Langzaam...., langzaam komt de trein
in beweging.... Gejuich...., smartgegil. Gezang.... vrouwengejammer.
Ze loopt mee met den langzaam wegglijdenden trein.... Nog voelt ze zijn
handen...., zijn vingertoppen. De trein gaat àl sneller.... maar nog
loopt ze mee, haar oogen in zijn oogen.
Nu is de voorste wagen al onder de stationskap uit.... Dan: "Geh....,
süszes Herz.... geh!" Zijn stem is rauw: zijn bede een bevel. Ze laat
hem los....
--Heinz....!"
--Liebling!"
Dan is zijn stem weg...., zijn gezicht weg..., ze ziet hem niet meer
wuiven.... Er is niets dan leegte.... en in de diepte.... rails....,
rails....
Ze staat en staart naar de plek waar nog even tevoren zijn gezicht is
geweest.
--Kommen Sie, gnädige Frau! Kommen Sie!--
Grete is haar Herrschaft nageloopen en troont haar nu mee terug naar
huis...
Maar daar, in 't leege huis nog vol van hem en zijn heerlijke liefde,
valt loodzwaar de verlatenheid op haar, mèt het volle besef wat hij nu
alléén tegemoet gaat. En in ontzinde, blinde woede, in opstandig verzet
tegen dezen schandelijken dwang waartegen haar liefde machteloos is....,
grijpt ze wat haar onder de handen komt. Ze moet iets vernielen....,
vernielen! En ze gooit wat ze maar vindt tegen den grond, tegen de
muren...., door de ruiten.... en komt pas tot bezinning door 't gerinkel
van verbrijzeld glas. Dan barst ze uit in een huilkramp, die ontspanning
brengt...., uitputting...., slaap.
* * * * *
"Bellissimo! È bellissimo!" hoort zij een zangerige stem boven aan de
marmertrap uitroepen.
"Och ja...., ze is hier...., in Venetië!"
Ze staat op en rillend treedt ze uit de schaduw van de loggia in den van
zon overgoten hof, waar nu een zwerm vreemdelingen neerstrijkt en zich
verspreidt.
Als in droom loopt ze terug over de zonnige kade in 't lachende licht.
Ze ziet niets van de pracht om haar heen. Tezeer is ze vervuld van haar
verloren geluk.
2.
Dien middag, na uitgerust en tot kalmte gekomen te zijn, liet Elizabeth
zich roeien naar een oud paleis, tevens venduhuis vol antikiteiten, maar
waar ook moderne Italiaansche kunst werd uitgestald.
Toen ze het laatste intieme zaaltje bezichtigde, waar beelden en
bibelots prachtig uitkwamen tegen den edelen achtergrond van oude
gobelins...., kreeg ze àl meer de gewaarwording dat hier iemand haar
fixeerde. Voorzichtig-onderzoekend zag ze om zich heen; er was niemand.
En toch bleef ze aldoor onder de suggestie van een blik die haar trok.
Zóó sterk.... dat het de aandacht afleidde bij het bekijken van een
verzameling antieke sieraden.
Toen ze nu weer--wetend zich zooiets nooit te verbeelden--opkeek en
rondzag, bemerkte ze in een hoek van het zaaltje, een glazen vitrine met
kunstpoppen; in 't midden, als hoofdfiguur een Pierrot; en zoodra ze
naderbij kwam en deze trieste pop bekeek, wist ze dat het deze was, die
haar heimelijk had aangeraakt:
Bevallig, het óver-slanke figuur in wijd Pierrotpak met onevenredig
groote knoopen, leunde hij tegen een houten zuiltje in de vitrine. Om
hem heen zaten en stonden allerlei typen, kunstig, maar onbeduidend
naast dezen eene met het tragisch masker, waar, in 't pleisterwit, alle
natuurlijke rimpels waren weggestreken. Een zwart-satijnen kapje verborg
het haar en omspande strak het voorhoofd tot vlak boven de koolzwarte,
in arcade-vorm getrokken wenkbrauwen aan beide zijden boven den neus. In
het macaber-bleek gezicht, zag zij de oogen groot en donker met den door
leed gebroken blik neerwaarts, terzijde turend, als om een droef geheim
voor ontwijding te beveiligen. Onder den wit bepoeierden neus, geleek de
smartelijke mond een bloedroode snee, gekerfd in 't doodswit der wangen:
gemartelde mond van een innerlijk-mishandeld mensch. Onder de oogen--de
in doodende ontgoocheling neergeslagen oogen--schaduwden violette
kringen van snikkende slapeloosheid.
Een zwart-satijnen met purperen streepen doortulpte, breede plooikraag.
Die hoog opstond tegen de teere kin, omsloot als de kelkblâren van een
bloem, het bleeke hoofd.
De kleur van het pak was van een donkerglanzend, somber purper-paars,
bezet met enorme zwarte pompons. De bevallige voet stak in een sierlijk
zwart-satijnen muiltje, met tulle roosjes op de wreef. In den linkerarm
rustte een met veelkleurige linten versierde guitaar, waarop een rood
hart met zwart, spits dolkje was afgebeeld; de rechterhand omvatte mat,
als vermoeid van lang en vergeefs reiken, een bont ruikertje. Volkomen
verslagenheid drukte geheel de houding uit van den moedeloos
neerhangenden arm..., van de droeve hand om de bloemen: versmaad
liefde-gebaar.
* * * * *
Elizabeth staarde.... en staarde naar dit fantoom van navrante smart;
naar de gesloten lippen die tóch haar hadden geroepen; naar de
neergeslagen oogen die, hoewel ze niets van Pierrot's aanwezigheid
wist..., haar tóch hadden aangezien.
O dit was niet de dwaze inbeelding van een overspannen vrouw! Zij vond
dit niet bovennatuurlijk of ongerijmd; zij wist het levende wezen der
doode dingen aan te voelen en te doorgronden en dit steeds meer,
naarmate ze zich teleurgesteld van de menschen had afgewend.
Had hier verwante smart zoo luid en overtuigend gesproken? Ze voelde een
wonderlijke saamhoorigheid met dit hooghartige, in zwijgen gehulde leed
en ze besefte hoe ze zich in deze korte oogenblikken al had gehecht aan
den fascineerenden Pierrot; er niet aan kon denken hem hier achter te
laten, alleen tusschen de vele poppen die om hem heen schenen
gegroepeerd als bespotters van zijn eenzaam verdriet.
Ze wilde hem bezitten, hem bevrijden uit zijn glazen gevangenis, uit de
poppenkast.
Zij wenkte het meisje dat bij de zaal-ingang de entree-kaarten
verkocht.
--Combien Mademoiselle?--
--Cent lire, Madame!--Il est mignon n'est ce pas?
--Plus que mignon. Il est sublime.--
En toen het meisje, na de pop uit de vitrine te hebben genomen, het
adres vroeg:--Mais non, je l'emporterai moi-même.--
* * * * *
Voor de eerste maal duurde een gondelvaart haar te lang. Tezeer was zij
vervuld van de wonderbare ontmoeting met de vreemde pop.
Afwezig luisterde zij naar wat de gondelier praatte, die, gewend aan
haar altijd open aandacht, haar nu met verwondering aanzag, maar
niettemin bij 't uitstijgen aan de treden van het Hôtel, bij de
handreiking een welluidend: "Addio, gentile donna!" voegde.
In de koel-schemerende hall, waar zij wachtte op de lift die juist naar
boven steeg, zag ze hoe in de open vorstelijke zaal met de vele
verspreide tafels en diepe club-fauteuils werd "gestept". En zij ergerde
zich aan den wansmaak van menschen, die, wààr zij ook komen, altijd en
overal hetzelfde genot zoeken en hun geraffineerde "glissés" uitvoeren,
zonder eenige piëteit voor een omgeving van klassieke schoonheid. Ze
zouden in staat zijn te dansen bij het goddelijk beeld van een
stervenden Adonis.
En meteen dacht Elizabeth hoe zij zelf in dit oogenblik een stervenden
Adonis in haar armen hield.
De lift daalde; de liftboy wierp 't ijzeren hek open, de inzittenden
traden naar buiten, maakten plaats voor Elizabeth en voor een spichtige,
dorre Engelsche juffrouw met een keffend schoothondje. Langzaam steeg ze
uit boven het stemgegons en de sleepende tango-wijs, die 't strijkje nu
te spelen begon.
Op de bovenste verdieping, in het oude gedeelte waar ook indertijd
George Sand met de Musset logeerde--al kon niemand aanwijzen wààr--liep
ze haastig de lange gang met de vele genummerde deuren af, ontsloot haar
kamer, draaide den sleutel in 't slot, wierp parasol en hoed haastig op
't met een sprei bedekte bed en wikkelde met nerveus-vlugge vingers
Pierrot uit het vloei los.
Ze zette hem dan voor zich neer op de smalle toilettafel; zijn ranke
rug, in 't wijde pak, leunend tegen den spiegel; het ééne been
achteloos-slapneerhangend bij de tafel; het andere met het bevallig
voetje uitgestrekt op het blad.
Nu kon ze hem bekijken, betasten, van hem genieten; nu was ze met dit
boeiend-geheimzinnige alleen.
Langen tijd zat ze stil verzonken in aanschouwing van dit meesterlijk in
beeld gebrachte leed, ver en waardig weggewend van alle menschen, in
ontwijking van vernederend meelij; leed.... toegesloten voor ongeroepen
nadering...., want onheelbaar en heilig.
"Wie zou dit kunstwerk, dat uit inspiratie-door-leed moest zijn
ontstaan, hebben gemaakt? Op de glazen vitrine had ze geen naam gelezen.
Dom, onnoozel dat ze daar niet dadelijk naar had gevraagd!"
En ze nam zich voor, vanuit Holland te informeeren. Er kon van alles
achter zitten. Een geheim omhulde dit bewogen-onbeweeglijke.
Telkens ontdekte ze nu nieuwe details die haar eerst waren ontgaan. Zoo
bemerkte ze een tâche de beauté op de linkerwang, vlak bij 't
ontgoocheld-neerstarend oog; een klein donker moesje in 't bleek
gezicht; in schrijnend contrast met het tragisch masker. En toen ze
langer naar dat éene pikante stipje keek, dat zoo pijnlijk coquet
aandeed in het witte wanhoopsgezicht.... en dat er misschien wel
neuriënd werd aangebracht bij 't begin van 't feest...., schoten haar de
tranen in de oogen om dit ongeweten leed.
En daar alleen in nuchtere hôtelkamer, waar door 't opengeschoven raam,
hoog boven het grachtje, af en toe de waarschuwende roep van een
gondelier en het gerinkel van vaatwerk uit de keukens beneden
opklonk...., boog Elizabeth het hoofd aan dit smartelijk wezen; en als
bang om zijn hooghartig verdriet te kwetsen, of zich te zien
afgewezen...., omvatte zij met teederen schroom de moedelooze bleeke
hand met het kleurige.... vergeefsche bloementuiltje.
"Ach" zei ze in fluistering: "ik weet het ook; alle begin is feestelijk
en het eind van alles is verdriet. Het leven is soms een hartelooze
vertooning...., een lugubere grap,.... Pierrot!"
3.
In dien nacht verliet Elizabeth Venetië en deze laatste gondelvaart door
de oude, slapende stad, bleef een der diepste indrukken van de
Italiaansche weken.
Om vijf uur stond ze in de imposante, nachtelijke hall, waar schaars een
enkele schemerlamp brandde. Nog nooit had zij de vorstelijke entrée van
het paleis zoo schoon gezien van lijn, van kleur en van stemming als nu:
menschenleeg en in dit luttel licht. Verlaten lagen de statige trappen.
Hier droomde 't nu alles van vroeger.
Een lantaarn, opgehangen boven de geopende zijdeur, verlichtte er de
stoeptreden en aanliggende gondel, waarin de huisknecht, het grasgroen
voorschoot aan, de bagage plaatste.
Na de gebruikelijke fooi aan knecht en nachtportier, stapte zij in en
ging op de middenbank zitten, op haar knieën, den in een zijden doek
gewikkelden Pierrot.
Vanuit het kanaal zoog een kille wind om den hoek; het was koud op het
water en rillend trok ze de bonten écharpe dichter om zich heen.
Op 't oogenblik dat ze afvoeren, hoorde Elizabeth in de hall van 't
Hôtel de stemmen van evenals zij met den vroegen morgentrein
vertrekkende gasten en omkijkend zag ze donkere gestalten verschijnen op
de stoeptreden waar ze zooeven was ingestegen. Een naderende gondel
doemde plots donker op in 't schemer duister, werd aangeroepen en tot
haast aangezet.
Bang voor lawaaiïge menschen vlak achter zich aan, menschen, die
misschien met luide, nuchtere opmerkingen de geheimzinnige stilte van
dit nachtelijke zouden verstoren, spoorde zij den gondelier aan vlugger
te roeien, tevens wijzend naar de alreeds met koffers volgeladen gondel.
Dadelijk begreep hij haar bedoeling en bij de nu plotseling versnelde
vaart waarmee hij verderroeide, om aan de nabijheid van de hen volgende
gondel te ontkomen, kon Elizabeth zich voorstellen hoe spannend en
angstbeklemmend hier in vroeger tijden een vervolging bij vlucht of
schaking moest zijn geweest. En deze stemming paste wonderwel bij al het
andere: het donkere water tusschen de hooge huizen met aangevreten
melaatsche muren; de keldergaten die een vunze lucht uitademden; de
groote, bronzen deuren in de marmeren paleizen en patriciërwoningen,
waarboven 't verbrokkeld familiewapen; de getraliede vensters der
benedenverdieping en dan.... de balkons, waaraan geruischloos de gondel
voorbij glijdt; balkons die wel alle een geschiedenis hebben uit
romantischer, glorieuser tijden, toen, naar buiten gelokt door
guitaargetokkel en serenade, de geliefde er verscheen en haren
zingenden minnaar beneden in de gondel, de bloem toewierp, dien ganschen
nacht aan haar borst gedragen. Waar, aan de spijlen, het koord werd
gebonden, waartegen hij tot haar kon opklimmen....; maar waar ook.... in
't diepst van den nacht, over de balustrade werd geworpen wat verdwijnen
moest voor altijd....
* * * * *
Maar op dit oogenblik is er misdaad noch guitaargezang. Nog hangt de
wijkende nacht tusschen de hooge grauwe huizen. Er gaat geen ander
gerucht dan het geplas der riemen in het water en de roepstem van den
gondelier, wanneer zij een muur ombuigen. En toch fluistert de stilte
van vroeger vreugd en verschrikking, van liefde en sluipmoord, van
serenade en vergift; van gesmoorde kreten en guitaargetokkel.
"Pierrot!" denkt ze opeens en kan de verleiding niet weerstaan hem hier
te zien in de omlijsting van deze omgeving. Uit zijn windselen wikkelt
ze hem los en zet hem neer op de bank.
Zoodra de gondelier de pop bemerkt, ontstelt hij zichtbaar, staakt met
een schok het roeien en staart naar het macaber-bleek fantoom dat
schijnt opgerezen uit den nacht.... Dan, met diepen zucht: "È
bellissimo!" En even later, aldoor turend naar de pop: "il poveretto!"
Elizabeth, die vergeefs naar woorden zoekt, wijst om zich heen en dan
naar Pierrot met zijn speeltuig. De roeier knikt, glimlacht en begrijpt.
Als ze hem dan het guitaartje toont en hij daarop het met spits dolkje
doorstoken hart ziet, zegt hij: "Dolore d'Amore, ohé Pietro?"
Toen, als bij ingeving, schoten haar de woorden te binnen die ze ergens
--waar ook weer--gelezen en uit het hoofd geleerd had, omdat zij 't mooi
vond en 't op haar toestand paste; woorden die 't beter zeiden, dan zij
het met haar poover beetje taalkennis ooit zou kunnen zeggen:
"Nessun maggior dolore, che ricordarsi il tempo felice nella miseria!"
--Del tempo felice!--herhaalt met weeke, streelende stem de gondelier,
die hoog voor haar staat in gestaâg, bevallig roeibewegen en hij vestigt
met prinselijk gebaar haar aandacht op een oud paleis waaraan zij
voorbijvaren: grandioos overblijfsel van vroeger praal; aan de
uitgesleten maar statige stoeptreden, de portiek van marmerzuilen, de
zware gebeeldhouwd-bronzen deur, het in marmer gehouwen wapen en in den
verweerden muur de gothische spitsboogvensters met het
marmerkantwerk.... Een wonder van vervallen pracht.
* * * * *
Op de bank van de donkere gondel, zit wit en verontrustend-geheimzinnig
Pierrot, een aanklacht tegen zooveel vergane schoonheid en droom; in
den arm de guitaar, het bloementuiltje in de moede hand. O, als hij eens
levend werd en in de snaren greep en begon te zingen!.... Welk lied zou
het zijn? Pergholese's "Tre giorni son che Nina"? of Tosti's "Ride
Bajazzo?"
* * * * *
De eerste morgenschemer doordringt den vluchtenden nacht en Elizabeth
onderscheidt nu op korten afstand boven 't zwarte water van de hier
uiterst smalle gracht, een rond brugje waarover een vage gestalte
schuift, die als een schim aanglijdt en weer verdwijnt. Verdwijnt, ziet
ze--daar de bark hier juist een hoek ombuigt--in een benauwend-nauw
straatje met in't midden een enkele, troebele lantaarn. En wéér....
gluipt een grauwe gedaante, als een spookverschijning, de andere na.
"Is dit een donkere droom?" Het doet haar denken aan 't Amsterdamsch
kolkje; bij avond van dezelfde lugubere pracht.
De gondel komt nu in wijder water en glijdt langs Kerken en Musea,
langs een groentenmarkt waar ze al bezig zijn de groenten en
vruchten--opgestapeld op den grond--op houten schraagtafels te
rangschikken, terwijl op de steenen, een grauwe zak onder 't hoofd, een
paar mannen nog liggen te slapen.
De roeier vertraagt zijn vaart en eer de volgende gondels, die hen nu
langzamerhand inhalen, aan hen voorbijvaren, verbergt Elizabeth den
Pierrot weer in den zijden doek.
--Addio Piero! A revederci--guitigt de gondelier, met een glimlach naar
de vrouw die hij voor de laatste maal roeit.
In 't Canale Grande gaat ze voorbij aan Palazzo Vendramin, waar Wagner
werd uitgedragen in de bebloemde gondel, die de kist zou ontvangen
waarin de Meester rustte, het hoofd op de liefde-peluw door Cosima hem
meegegeven in den dood: haar haren, die hij zoozeer had liefgehad. En
daar.... het andere huis, waar hij de derde acte van Tristan
componeerde.
"Casa d'Annunzio!" waarschuwt de gondelier en dan, wijzend naar een
poortje aan 't water, omhangen met weeldrige trossen paarsche glijcine
en kamperfoelie: "La casa d'una poetessa!" en hij noemt een naam dien
zij niet verstaat.
"Hoe verbaasd zou ze opkijken wanneer een Hollandsch schuitenvoerder de
woning aanwees.... van een dichter...! Een paradijs moest het hier zijn
voor iederen kunstenaar!"
En op 't zelfde oogenblik denkt ze aan Eleonore Duse, de
teeder-hartstochtelijke, die in haar spel zoo pijnigend weergeeft, de
noodlottige liefde van wie eens mint en dan niet meer.... Zij...., óók
eene uit dit heerlijke, lachende zonneland...., maar toch zoo droevig;
tragisch als Pierrot.
O, nu begrijpt ze hoe, na zooeven aan de villa van d'Annunzio te zijn
voor bij gevaren, in onbewuste gedachte-associatie, Eleonore Duse, de
naam van deze gekwelde vrouw haar op de lippen komt.
* * * * *
Zij nadert het stationsplein.
Op de kade staan koffers en handbagage en er is de bedrijvigheid van met
den eersten morgentrein vertrekkende reizigers. En wanneer nu ook haar
gondel aanlegt--aan den wal getrokken door een ouden grijsaard met 'n
apostelkop, en zij na te zijn uitgestegen, den gondelier, die haar met
aristocratengebaar een "buon viaggio" toewenscht, de hand heeft
gedrukt...., is de zon stralend opgegaan en staat Elizabeth voor 't
laatst in het gouden licht van Venezia la Superba.