De dominus kwam iederen dag. Er was nu een gelaten moêheid in den
knaap en hij scheen niet ongewillig. Als de dominus of Crispina
hem aan spoorde op te staan, poogde hij het te doen, slaagde er in,
maar in de verstikkende zomerwarmte viel hij dadelijk moê neêr op
een panthervel bij den drempel en lag daar. Of zij droegen hem in
het park en legden hem in het bloembespikkelde gras, tusschen de
laurieren.... Uren lang lag hij daar. Hij kwijnde zichtbaar weg....
Plinius en Martialis kwamen hem dikwijls zien en Crispina toonde haar
zoon en er was geen poging te verbergen, dat de tweelingen hare zonen
waren, hoewel noch Plinius, noch Martialis toespeling maakte.
--Hij kan hier niet blijven, edele Crispina, zei Plinius. De knaap
zal hier sterven. Vergun mij hem naar mijn villa bij Laurentum te
voeren....
Maar Cecilianus hoorde hem. Hij begon hevig te kreunen, te snikken,
te smeeken, dat hij niet weg woû. Dat hij dicht bij zijn broêrtje
woû blijven....
--Hij is niet zoo ver weg bij mij, zeide Martialis; in mijn landhuisje
bij Nomentum. Maar ik ben het met mijn vriend eens. Het kind sterft
hier.... Wat dunkt je, dominus? vroeg de dichter aan Lavinius Gabinius,
die binnen kwam.
Er werd toe besloten. Martialis, alleen, aan het ziekbed van den knaap,
bepraatte hem.... Dat hij hier geen lucht had, in die benauwde tuinen
van het Palatium. Dat hij hier niet genezen zoû, dat hij hier sterven
zoû vóor Cecilius terug kwam....
De dichter praatte overredend, gemoedelijk, maakte er grapjes door. En
Plinius, die toen naderde, zeide:
--Cecilius, als je met Martialis meê gaat naar Nomentum om te genezen
in de frissche buitenlucht, zal ik je geven wàt je me vraagt, als ik
aan je verzoek kan voldoen....
Als een kind antwoordde de knaap:
--Mijn broêrtje.
--Dat is me onmogelijk, zei Plinius; vraag mij iets anders.... Verzin
iets, dat je gaarne zoû hebben.
--Ik weet niet....
--Verzin iets, drong Plinius aan.
De knaap bedacht zich. En zeide toen:
--Carpoforus....
--Wil je Carpoforus nu en dan eens bij je hebben?
--Ja, zeide de knaap.
--Hij zal bij je komen, Cecilianus, beloofde Plinius.
En Cecilianus liet zich vervoeren naar het landhuisje van Martialis,
de Via Nomentana langs.... Hij lag in een kleinen draagstoel, die
Plinius ter beschikking gesteld had. Ginds blauwden de Sabijnsche
bergen.... De diepe zomerlucht was warm maar wijd. De bergen over,
voerde de bries aan.
Het huisje was klein maar geriefelijk, wingerd-omgroeid. Het waren twee
cubicula om een klein, laag triclinium, een atrium er voor. Het lag
in een wijngaard, die beloofde weelderig te worden in herfstmaand. Er
graasde een geit op een heuvelig grasveld. Het was alles omheind door
een muurtje. Er stond een grijnzend Pansbeeldje, bewaker van het klein
domein. Er was een moestuintje, en het slaafje van den dichter was
bezig het te besproeien toen zij aan kwamen: Martialis, de dominus,
beiden op muilezels en de draagstoel--door twee slaven gedragen--waarin
de zieke knaap. Over de vlakte rondom weidden de herders de schapen....
--Cecilianus--Martialis voerde den knaap naar binnen; kijk, het is hier
niet zoo weelderig als bij je.... ik meen als bij de edele Crispina....
--Het is hier niet zoo benauwd, glimlachte de zieke knaap, die wel
merkte, dat Martialis zich bijna versproken had.
--En het is hier héel dicht bij Rome....
--Niet zoo ver als Laurentum.... zei de dominus.
Cecilianus keek om zich rond.
--Niet zóo ver, zeide hij twijfelend.
Hij legde zich te ruste, uitgeput. Op de bank voor het huis zat
mistroostig de dominus, handen tusschen de knieën, hoofd op de
borst. Martialis kwam naast hem zitten.
--Kom, dominus, troostte de dichter.
--Ach, edele Martialis, klaagde de dominus eindelijk uit. Wat moeilijke
tijden, voor een dominus-gregis, die zomermaanden, die zich slepen
en dan met mijn tweelingen....
--Joù tweelingen, dominus?
--Mijn tweelingen, Martialis, die misschien beiden dood gaan! Hoe
lang is Cecilius nu al bij den Keizer? Hoe lang is Cecilianus al
ziek! Ik weet het niet, de weken slepen zich voort. Mijn hart is vol
van zorg en verdienen doe ik niets met mijn grex.... Jawel, ik kreeg
van Crispina voor iederen dag driehonderd sestertiën, maar hoe het
nu zit, dat Cecilianus niet meer bij haar is, terwijl Cecilius op
het Palatium is, dat weet ik niet en dat is een ingewikkelde zaak,
waarover ik eens met Labienus Posthumus, mijn rechtskundigen raadsman,
moet spreken. Zie je, een proces heb ik liever nièt met de groote
lui, maar toch, mòcht er iets bij den Keizer met Cecilius gebeuren,
dan.... Ja, edele Martialis, en dan nog die lange zomermaanden,
dat wij niet spelen.... Ik verhuur mijn komedianten wel zoo veel
mogelijk, maar toch.... hoe kom ik dien tijd door tot Oktober, dat
we naar Karthago moeten.... Dat ik misschien naar Karthago moet,
en zònder mijn jongens, mijn tweelingen, die zijn, Martialis, mijn
fortuin en mijn liefde, mijn alles.... De senex heeft me verlaten;
die is Christen geworden; Clarus is weg geloopen en ik ben, om mijn
verdriet, niet flink genoeg geweest hem te doen achtervolgen: ach,
dat is allemaal verlies en zorg, verlies en zorg, edele Martialis,
voor een armen dominus-gregis....
De avond zonk, starre-bezaaid, over de velden. De dominus vertrok
op zijn muilezel, loomstaps, langs den bleeken weg verdwijnend naar
Rome toe en Martialis, bij zijn lampje, zette zich aan het schrijven
in zijn kamertje. Het deurtje open, zag hij Cecilianus, op zijn smal
bedje, die sliep....
Dien volgenden morgen vroeg kwam er een ruiter te paard in een wolk
van stof aan draven. Hij rees reuzig op zijn groot ros en Martialis,
die naar zijn boonen zag in het moestuintje, herkende Carpoforus. De
Jager wierp zich af en naderde, de teugels van het paard in de vuist.
--Zoo, beroemde Jager! groette de dichter; op wien ik zoo vele
epigrammen schreef om je dapperheid en kracht te vereeuwigen, als op
niemand anders, geloof ik! Ben je daar!
--De edele Plinius, heer....
--Juist, heeft je doen zeggen, dat Cecilianus naar zijn grooten vriend
verlangt.... Daar ligt hij en slaapt....
Martialis wees het open kamertje.
De Jager bond zijn paard vast aan de heining. Hij naderde het
kamertje. Juist opende de knaap de oogen.
--O lief kind! Zoete jongen! mompelde de Jager tusschen zijn
bekroesde lippen. Mijn gelukaanbrenger, mijn tálisman! Hij maakte,
dat ik den Numidischen Leeuw overwon en het beest den muil door
midden scheurde! Ik léef nog door hem! Ik zal altijd overwinnen,
zoo lang hij leeft en mij nabij blijft....
--Carpoforus! riep Cecilianus.
--Hier ben ik, zei de Jager en hij knielde neêr voor het bed. Hij was
monsterlijk zwaar, rood belitteekend en gebruind de gespierbundelde
armen, de vierkante knieën, die zijn leêren gladiatoren-tuniek bloot
liet en in zijn kleinen, donkerruig omkroesden kop waren zijn oogen
donker en goed als van een lief beest. Zijn geweldige handen, die
een leeuw den muil konden open scheuren, gingen uit naar het blonde
hoofd van den knaap, die hem zijn talisman was en hij omhelsde hem
met den liefde-verteederden eerbied van zijn bijgeloof.
--Heb je om me gevraagd? vroeg de Jager.
--Ja, Carpoforus, zeide Cecilianus. Plinius verzocht me te vragen
wat ik wilde hebben en Cecilius kon hij me niet geven. En toen heb
ik maar om jou gevraagd. Hij is een machtig heer, hè, Plinius; hij
kan bijna zoo veel als de Keizer. Hij zeide, dat hij zoû verzoeken
aan de Viermannen, dat je naar Nomentum mocht komen....
--Heb je koorts, kind?
--Neen, ik heb lang en goed geslapen: de lucht is zoo frisch en
het is hier zoo mooi en zoo wijd en ik zal opstaan en we zullen de
heuvels opgaan; ik wil de heuvels opgaan, daar, daar, ginds: kan
je van daar Rome zien, Carpoforus en de parken van den Palatinus en
het Palatium....?
--Niet van zoo ver, mijn zoete jongen.... Maar laat ons gaan, als
je wilt.
Zij gingen. Zij gingen op het groote paard, Cecilianus vóor tegen
Carpoforus aan, de heuvelen op. Cecilianus keek uit naar het Westen.
--Ik zie Rome niet, zeide hij mat.... Ik zie den Palatinus niet.
--Het is te ver weg, zei de Jager. Kom, laat ons hier rusten. Laat
ons afstappen, kind....
Zij stapten af. De Jager bond het paard vast aan een struik. En zij
legerden zich in het gras. Het was, in den vroegen morgen, nu de zon
nog zoo laag stond, nog frisch van overvloedigen dauw. Het geurde
omrond naar menth en mariolein. Er gleden en glipten zwaluwen om,
tegen de nog teêr zilveren blauwe lucht. Cecilianus lag met zijn
hoofd tegen Carpoforus' borst. De knaap weende.
--Wat is er, mijn jongen? vroeg de jager.
--Ik ben ziek....
--Neen, neen....
--Ik zal sterven.
--Neen....
--Ja, Carpoforus.... Ik voèl het nu.... Het is in me gescheurd.... Het
doet hièr altijd pijn, in mijn hart.... Wij zijn éen, Cecilius
en ik. Hij ook.... hij is ziek en hij sterft daar.... daar ver
weg.... in het Palatium.... Ik zoû wel gezond willen worden maar ik
voel, dat het niet kan.... Ik kan niet.... Ik ben zoo moê.... Ik ben
zoo zwak.... Ik word hier duizelig, van al die lucht en dat licht....
--Neen, je bent een sterke, gezonde jongen, mijn zoete jongen, die
genezen zal, die genezen moèt!
Cecilianus lag half flauw tegen den Jager aan, de oogleden als verwelkt
over zijn brekende oogen. Het hijgde als benauwde een zwaar gewicht
hem de borst.
--O, goddelijke Herkules! riep Carpoforus. Red hem mij!
Hij nam Cecilianus als een kind in zijn armen. Het paard, aan den
struik, hinnikte zachtjes.... Van den weg, die, beneden de grazige
heuvelen, zijn stoffigen slinger tusschen de helling verloor, klonk
een gezang aan van naderende stemmen. Het was een zacht sereene hymne,
die in den jeugdigen morgen als naderde uit het Oosten, waar de nog
vochtig omfloerste zon rees. Het waren stemmen, stemmen, stemmen,
die harmonieerden met den jeugdigen morgen in een vreemde belofte
van nooit nog vermoede zaligheid. De Jager richtte zich hooger en
keek uit, den knaap vast tegen zijn leêren tuniek, waaronder bonsde
zijn hart. Hij zag over de heuvelen, aan de andere zijde des wegs,
naderen een menigte. Het waren mannen en vrouwen en kinderen en
dan waren het herders met hunne kudden schapen. Door het gezang der
stemmen, der vele stemmen blaatten zacht de schapen der herders, die
meê met de menigte waren geloopen. En het was als ééne groote kudde
van menschen en dieren, die zacht zingende, zachter nog blatende,
aan naderde over die heuvelen, naar den weg toe, die van de Sabijnsche
bergen geleidde tot Rome toe.
De Jager keek steeds uit, terwijl hij, angstig, meende, dat Cecilianus
aan zijn borst bezwijmd was. En hij zag, dat in het midden der
menschenmenigte, waarom heen de blatende schapen der herders drongen,
een Grijsaard liep.... Hij was lang en rank en scheen een Ziener. Hij
was heel oud en zijn lange haar hing zilvergrijs om zijn bleekzachte
gelaat. Hij droeg een lange, witte pij, grijs bestoven, die sleepte
met den zoom door het stof. Hij had als een vrouwelijke teederheid
in zijn langzaam bewegen tusschen de menigte, die hem omringde. Hij
scheen de Herder dier herders.... Zijn oogen waren heel groot maar
heel zacht en jeugdig vrouwelijk in zijn nauwelijks gerimpeld gelaat
gebleven. En zij schitterden soms vreemd, vreemd heilig, als blauwe
vlammen, terwijl rondom hem de stemmen zongen, de schapen blaatten,
de lammeren dringend tegen de moederen aan....
Zij naderden. Van waar kwamen zij, waar heen gingen zij? De Jager wist
het niet. Hij zag ze nu af dalen den heuvel, daar over, om den weg te
bereiken. Zeker gingen zij naar Rome; zeker begeleidden de herders
een eind die menigte om dien ouden, witten, heiligen Man naar Rome
terug. Menschen en schapen daalden den heuvel af, den weg in tusschen
de heuvelen. En gingen voorbij den Jager, die daar in het gras zat,
met een bezwijmden knaap aan het hart.
Ook de heilige Man daalde. Hij stond nu op den weg en de Jager zag
hem zijn blauwen, vreemd heiligen vlamblik wenden naar hem. De blauwe
blik van den Ziener ontmoette den bezorgden blik, dien van een lief,
sterk beest, des Jagers. En hij talmde een oogenblik. Rondom hem
zongen zij, blaatten zij....
--Wenscht ge, dat ik kom....? vroeg de heilige Man, zijn stem even
verheffend en die stem was bijna vrouwelijk teêr en zoo klaar als
van een jongeling.
--Ja, heilige Man! zei de Jager.
Toen klom Johannes den heuvel op, waarop de Jager zat. De menigte
toefde op den weg en zong....
--Wat wenscht ge? vroeg Johannes.
--Misschien zijt ge wel een dokter, heilige Man, zei de Jager
Carpoforus. Deze knaap is al lang heel ziek en ik woû u vragen;
kunt ge hem niet genezen?
Johannes stond nu voor den Jager en keek op Cecilianus neêr.
--Wat scheelt hem? vroeg de Apostel.
--Hij kwijnt weg, omdat zijn tweelingbroêrtje bij den Keizer moet
blijven en hij hem mist....
De blauwe oogen werden onuitsprekelijk zacht van blik. En de oude,
geaderde hand ging uit naar het voorhoofd van Cecilianus. De knaap
sloeg de oogleden op en staarde als verblind in twee blauwe glanzen.
--Wie zijt ge, heer? vroeg hij, als vervoerd.
--Ik ben, zei de Apostel; een, die aan je gelijk was, mijn kind. Ik
verloor mijn grooten Broêr, wiens boezemvriend ik was, al was Hij
grooter dan ik. En ik kwijnde weg, tot ik niet meer kwijnde, omdat
ik genas....
--Genaast ge, heer, terwijl ge tòch uw broêr, wiens boezemvriend ge
waart, verloort? vroeg Cecilianus.
--Ja....
--Stierf hij, heer?
--Ja, Hij stierf....
--Is Cecilius ook dood? kreunde de knaap.
De heilige Man hield steeds zijn hand op het hoofd van den knaap.
--Vrees je daar voor, lief kind?
--Ja, heer....
De glimlach van den Apostel werd onuitsprekelijk zacht.
--Hij leeft, zeide hij.
--Léeft hij? riep Cecilianus.
--Hij leeft, herhaalde de Apostel. Hij leeft nog. Hij zal leven zoo
lang je leeft. Wees niet bang en bezorgd. Mijn Broêr leeft óok al
is Hij menschelijken dood gestorven in dit leven maar jou broêrtje,
mijn kind, leeft zelfs nog met het sterfelijke leven, dat je lief
is.... Begrijp je me, kind?
--Ja, heer.... Ik begrijp u wel. Ge spreekt héel mooie woorden, maar
ik begrijp u wel, omdat ik een komediantje ben en geleerd heb woorden
van dichters te begrijpen.... Ge moet wel heel mooie dingen zeggen, dat
er zoo veel menschen u volgen. Ze willen zeker hooren wat ge zegt en
ze zullen u ook wel moeten begrijpen, al zullen ze niet allen geleerd
hebben, want ge zegt de dingen zoo heerlijk mooi: het klinkt heel zacht
als met gouden klokjes al wat ge zegt. O, als ge naar Rome gaat, zoû ik
u gaarne willen volgen! Ik ben nu bij Martialis en die is heel lief en
goed voor mij maar ik zoû u gaarne willen volgen! Naar Rome weêr toe,
naar mijn broêrtje!! O, heer, o heilige heer, zeg, mag ik u volgen?
De hand bleef steeds op het voorhoofd van den knaap.
--Kind, zeide Johannes. Volg mij niet, noch naar Rome, noch naar
welk oord, waarheen de Keizer mij bant. Blijf samen, hier, met
den sterken vriend. En genees eerst. En hoop op de dingen van het
leven, die aan je jeugd nog dierbaar zijn. Wie nog ziek is om een
verloren broeder, moet eerst--hoe het ook zij--dien broeder weder
vinden en wiens jeugd de dingen van het aardsche leven nog hoopt,
heeft nog den tijd te rijpen tot het hemelsche leven hem heerlijker
blijkt. Wiens hart nog slaat voor Rome, diens ziel is niet gereed,
o mijn zoet kind, te verlangen naar het Hemelsch Jeruzalem, waarheen
wij allen opgaan. Wie nog lief heeft de Schoonheid om haar eigen wil,
kan de Waarheid met mij niet te moet gaan.... Blijf. En genees. Ik
zeg het je, knaap: je broêrtje.... leeft. Je zal hem terug zien.
Cecilianus, half opgerezen, was op zijn knieën neêr gevallen.
--Dank u, heilige heer, zeide hij; om de verzekering, die ge mij
geeft. Ik geloof u wel! Ik geloof wel, dat Cecilius leeft....
De Apostel had een gebaar met de hand of hij den knaap en den man,
het komediantje en den gladiator, zegende.
Toen ging hij, den heuvel af, den weg naar Rome op en hem volgden de
menschen, zingende, en de dieren blatende.
En Cecilianus, staande naast Carpoforus, zag Fabulla: zij liep met
de vrouwen mede en zij droegen takken groen.
--Fabulla! kreet Cecilianus. Fabulla! Heb je Cecilius gezien??
--Ja! riep Fabulla den knaap toe. Hij had voor den Keizer
gedanst.... Hij was bezwijmd.... En werd naar zijn kamer vervoerd....
--Maar niet dood? Niet dóod?? De heilige Man verzekerde....
--Neen, niet dood! zei Fabulla. Want ik zàg hem, levend....
--Dan geloof ik het zéker, dat Cecilius leeft....!!
--.... Je moest, zei de senex nijdig--hij kwam met de mannen zingende
na--liever den heiligen Johannes gelooven, die het je verzekerde
omdat hij het in den geest gezien had dan Fabulla, die het maar met
haar oogen zag.
--Ik zag het zèlf, in den geest! riep Cecilianus boos tot den senex. En
ik gelóofde ook wel den Apostel. Hij is een lieve man, een lieve,
heilige man, veel liever dan jij ooit worden zal! Jij zult niet eens
begrijpen wat hij zegt: hij praat met véel te mooie, dichterlijke
woorden dan dat jij hem begrijpen kunt! Maar ik begrijp hem wèl!
De senex wilde nijdig antwoorden. Maar het scheen, dat hij zich
bedacht. En hij liep den heuvel op, en zeide:
--Cecilianus, ik ga met Johannes meê, op het schip, dat hem van Ostia
naar Patmos zal brengen. Ik zal je nooit meer terug zien. Vaarwel,
en groet Cecilius voor me....
En hij naderde den verbaasden knaap en kuste hem op het voorhoofd. Toen
verwijderde hij zich.... Allen verwijderden zich, den weg langs,
en het zingen, met het blaten, verstierf.
Cecilianus keek Carpoforus aan.
--Wat deed die senex in eens raar!? zei Cecilianus.
--Die Christenen doen zoo, zei de Jager.
Maar de knaap was heel opgewonden.
--Laat ons op stijgen! vroeg hij.
Zij stegen op. De morgen zonnigde goudener in het diepere azuur. En
op het paard draafden zij de heuvelen over....
--Het is zoo heerlijk! juichte Cecilianus. Zoo tegen je aan, samen
op éen paard, over de heuvels, op en neêr, op en neêr!! Het is net
of we den hemel in gaan!!
De Jager spoorde het paard met de hielen. Hun vlucht teekende zich
af tegen de lucht als die van een ruigen Centaur, die een blonden
knaap schaakte, voor zich aan zijn borst....
--Ben je nu moê, mijn jongen? vroeg de Jager, toen hij zag, dat de
knaap de oogen sloot.
Hij keerde langzaam om, terug. Over de heuvelen reed hij langzaam
terug. Het ging naar het midden des dags.... Zij spraken niet
meer en Cecilianus had een vreemden blik, telkens als hij de oogen
opende.... Dan sloot hij ze weêr.
Toen zij terug waren, vonden zij den dichter tusschen zijne
vrienden. In twee draagstoelen waren zij gekomen: Verginius Rufus
met Frontinus en Juvenalis; Plinius met Quintilianus, Tacitus en
Suetonius. Hij ontving ze juist bij den ingang van het tuintje, waar
de Priapus de wacht hield, met zijn grijnslach en het naïef strevende
gebaar van zijn fallus.
De Jager en de knaap stegen af. En Plinius ging Cecilianus te gemoet.
--Hoe gaat het, mijn jongen?
--Goed, edele heer, met uw verlof! zei Cecilianus en kuste zijn
beschermer den zoom van zijn toga. Ik heb met Carpoforus door de
heuvels gereden en wij hebben den heiligen Man van de Christenen
ontmoet....
--Aanliggen, vrienden, aanliggen! noodde joviaal Martialis en klapte
in de handen.
Zij lagen aan. In het triclinium was plaats voor zeven, ja, ook wel
voor acht. Er diende het slaafje en uit de keuken bracht Marcella de
spijzen op.
--Het gaat maar zoo als het gaat! verontschuldigde zich Martialis. Dit
tafellaken is gebleekt op de velden. Deze Nomentaner is van mijn
eigen wingerd maar jaren ligt hij reeds in den kelder. En hier,
mijne gasten, is de voorspijs.... Verginius Rufus, gij, die tweemaal
het keizerpurper weigerdet maar niet weigerdet aan te liggen bij een
armen dichter, vergun mij u te zeggen mijn dankbaren trots en bedien u,
gij het eerst, van deze gerechten.
En Marcella, de jonge vrouw--zij gedroeg zich zeer voegzaam, Martialis'
vriendin, tusschen deze voorname gasten--diende malve, latuwe en prei
en menth op. Paling volgde met sneedjes harde eieren.... Tusschen de
festoenen groen, die hingen langs de vier gepleisterde pilaren en door
welke velden en verre bergen een landelijk vergezicht verzichtbaarden,
zagen de gasten den gladiator en het komediantje: zij zaten op de
trede van de put en praatten als goede vrienden glimlachend met elkaâr.
--Het is vreemd, zeide Plinius; en het heeft me getroffen wat
dat ventje me zoo even zeide.... Dat hij den "heiligen man van
de Christenen" had ontmoet.... Hoe zich dat bijgeloof al meer en
meer uitbreidt, naar het schijnt. Wie is die "heilige man van de
Christenen"?
--Dat is vermoedelijk, zeide Verginius Rufus; die zekere Johannes;
de Keizer heeft in der tijd bevolen, dat hij in de kokende olie
gedompeld werd.
--Gebeurde dat? vroeg Suetonius.
--Ik weet het niet, antwoordde de grijsaard.
--Ik herinner het mij, zei Juvenalis; men sprak toen van een wonder;
die Johannes kwam ongedeerd uit de olie en vele volgelingen vloeiden
hem toe.
--Zeer zeker zijn die Christenen, zeide Tacitus; een verwerpelijke
sekte; zij moesten gestraft worden, zoo als ook dikwijls gebeurd is,
maar toch, wat Nero bevolen heeft: ze met pik te bestrijken en ze
vast te binden aan palen om ze als brandende fakkels in zijn tuinen
te laten omkomen, wekt wel mijn medelijden op.
--Waarom ze niet te zenden als legionariï in de auxilia-troepen naar
Moezië of Pannonië, meende Frontinus.
--Ik beken, zei Plinius; dat ik niet weten zoû hoe met ze te handelen
als ik over ze te oordeelen had. Wat ik van hen weet, is, dat zij
zich verzamelen en hun Christus aanbidden met goddelijke eer....
--Hij werd onder Tiberius gekruisigd, meende Tacitus. Hij had zich
opgeworpen als koning van Nazareth. Een oproermaker....
--Een dweper daarbij, zei Plinius. Vooral een dweper, geloof ik,
een dweper vooral. Maar onschadelijk, geloof ik wel, dat die dweperij
is. Dat zal uitsterven, daar ben ik van overtuigd. Wat kan een sekte,
wier grootste ceremonie is een eenvoudig avondmaal te gebruiken met
enkel brood en water.
--Dan hoop ik, ten minste, zei Martialis; dat aan dit eenvoudige
middagmaal u dit geitebokje beter smaken moge, en de kooltjes
er om heen, geëerde vrienden, zijn heel lang gestoofd in
laserpicium, naar het recept van den Egyptischen waard uit.... de
Suburra! Verontschuldigt ge mij dat? Ik at ze er eens, bij dien
Nilus--de komedianten weten er van meê te praten en ik vond ze, ten
minste dáar, heerlijk en Marcella bereidde ze als Nilus' moeder het
haar leerde. Suetonius, ge zijt te jong om zoo matig te zijn. Weet
wel, dat ge niets meer krijgt hierna dan de beroemde ham, dien
ge reeds tweemaal zaagt voor gezet! Maar zoû onze Cecilianus--hij
ziet er reeds werkelijk beter uit!--ons niet iets kunnen zingen of
dansen? Cecilianus!!
De dichter riep naar den jongen. Hij naderde:
--Wat wenscht ge, Martialis?
--Je wangen blozen al, jongen, van de buitenlucht....
--Men zegt, fluisterde Quintilianus tot Plinius; dat mijn twee
vorstelijke leerlingen, de achterneven van Domitianus, Christelijke
neigingen hebben....
--Dat hoorde ik reeds, zei Plinius.
--En Fabulla dan? zei Juvenalis.
--Cecilianus, ging Martialis door; kom, je moest ons wat zingen en
dansen. Wat zal het zijn?
De jongen glimlachte, verlegen en moê.
--Kom, kom, anders genoeg stoutmoedige comoedus van de hoogere
palliata! schertste Martialis. Waarom zoo beschroomd? Je bent meestal
voor geen kleintje vervaard. Zeg ons eens, met een enkel gebaar van
saltatio er bij, een ecloga van Vergilius: zijn tweede Herderskout
op den schoonen Alexis, bij voorbeeld.
De andere gasten moedigen het komediantje aan.
Hij kènde, ja zeker, zijn Vergilius; hij kende het beroemde gedicht. En
hij begon te zeggen de smachting van Korydon, die zoo vurig naar zijn
Alexis verlangt....
Maar plotseling barstte hij in snikken uit....
--Wat is er, mijn jongen! riep Martialis en stond op, terwijl de gasten
meêlijdende mede riepen. Deed ik geen goede keuze! Dom, dom ben ik,
Cecilianus, juist te kiezen die tweede ecloga!
--Ik kàn niet, heer.... snikte Cecilianus.
--Je hoeft niet, je hoèft niet, jongen! riepen Verginius Rufus en
Plinius, de anderen.
--Ik kan niet, snikte Cecilianus; zonder mijn broêrtje!
--Naar wien je, wenkte hem Martialis tot zich; verlangt bijna als
Korydon naar Alexis! Kom kind, zit hier neêr, als de hooge gasten
vergunnen....
--Dank u, heer, weigerde Cecilianus weenende; ik mag niet met u mede
aan zitten....
--Neem dan van deze pastei, neem van dit geconfijte ooft en hier,
neem dezen grooten beker vol Nomentaner, die uit mijn druiven geperst
werd tijdens het tweede Consulaat van den edelen Frontinus! Jàren her,
hoor, niet waar, Frontinus?
Marcella hielp den knaap met de lekkernijen en bracht ze bij den put,
waar Carpoforus wachtte.
--De arme jongen, zei Marcella.
Cecilianus was weenende weder op de put-treê gaan zitten en de Jager
koesterde hem tegen zich aan.
--Je hebt niet "Alexis", plaagde Marcella, wel als dichter-vriendin
op de hoogte van Vergilius; maar je hebt toch Carpoforus!
--Ik tèl niet, niet waar? vroeg de Jager schertsend en deed den
knaap drinken.
Cecilianus dronk even, weerde toen af. En lag, plotseling uitgeput,
geloken-oogen, tegen zijn vriend aan. Het was of hij een oogenblik door
de zilveren morgenlucht, den rit op het ros tegen Carpoforus' borst,
het woord van den heiligen Ziener der Christenen, was òpgeleefd;
de herinnering aan zijn kunst had hem nu zijn gemis weêr heftiger
verlevendigd en hij lag als ziek, terwijl de breede, dierentemmende
hand van den Jager over zijn krullen streek met een gebaar zoo teeder,
dat daar ginds de gasten er om ontroerden.
--Wat heb ik gedáan! verweet Martialis zich. Wie kon ook denken,
dat die jongen werkelijk zoo ziek is!
--Hij stèrft, zei Verginius Rufus; als het langer duurt....
--Hij is jòng, meende Juvenalis.
--Hij is jòng en een gezond, sterk ventje, als zijn broêrtje is,
zei Frontinus; maar die knapen zijn éen omdat ze tweelingen zijn en
altijd samen geweest zijn. Verginius Rufus, of gij Plinius, moest
aan Crispinus vragen....
--Ik? zei Plinius. Het zoû een reden zijn voor den Keizer Cecilius
nog langer te houden.
--Hij danst zelfs niet meer voor den Keizer, hoorde ik, zei
Martialis. Hij is óok ziek. En Crispinus....
Hij vertelde van het contract, dat Crispina geteekend had. Hij
vertelde van de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën, die Crispina
zoû te betalen hebben aan den dominus, als....
--Een moederlijke gril, zei Tacitus.
--Wat een afschuwelijk Hof! zei Juvenalis.
--Onze tijden kòmen misschien, fluisterde Tacitus.
--Vooral als we bedenken.... zei Frontinus.
Zij bogen voorover, fluisterden.... Die terechtstellingen, telkens
plotseling, onverwachts, van Consulaire persoonlijkheden, die niets
dan eere verdienden.... Die tyrannieke dòmheden, als die verbanning
van de wijsgeeren geweest was.... Die krankzinnige decreten, ingegeven
door vervolgingswaanzin....
--Ben ik veilig? vroeg ironiesch Verginius Rufus; al ben ik meer dan
tachtig jaren oud? Al heb ik twee malen geweigerd Keizer te zijn!
--Ben ik het? vroeg Plinius.
En zij dachten allen het zelfde: dat hun vriend te rijk was om veilig
te zijn.
--Een gril van hem kan mij ook treffen, zei Quintilianus.
--Ons allen! fluisterden zij.
--Aan het Hof schijnt te broeien.... fluisterde Frontinus.
--Een samenzwering?? vroegen zij, zich buigende.
Frontinus knikte.
--De Keizerin, fluisterde hij, met de lippen, nauwelijks hoorbaar. Past
op....--en hij keek even schuin naar den Jager.
--Een spion? vroeg Suetonius.
--Neen, zei Frontinus; een brave kerel, de groote, sterke vriend
van dien knaap daar. Maar de geliefkoosde gladiator, bestiarius en
lanista van den Keizer. Zij haten hem niet, de gladiatoren....
--Hij wist hoe ze aan zich te hechten, zei Martialis; hij stond ze,
in de arena, dikwijls beiden na een tweekamp het leven toe. En gaf ze
de rudis daarna, hun afscheidsstaf en eerbewijs.... Ze houden allen
van hem....
--De Prætorianen zijn verdeeld, fluisterde Frontinus.
--Dus? vroegen Tacitus en Juvenalis, begeerig.
Frontinus schetste een gebaar van niet weten. Marcella diende de
geconfijte vruchten rond.
--De tijden, zeide Martialis, een weinig somber; zijn niet geschikt
tot gezellig tafelen. Vergeeft mij, mijn vrienden. De prei was te
bitter, de eieren te hard, de paling te zacht; het geitebokje een
geitebok, vader van twintig bokjes en de kooltjes waren bij Nilus
veel meer doorgeurd van laserpicium. Marcella, je hebt ze te lang
gestoofd! En die Nomentaner wàs niet de amfoor, die ik klaar had gezet
en dagteekent niet van Frontinus' tweede Consulaat. En dat kind daar,
heb ik nog zièker gemaakt door hem te vragen juist Vergilius' tweede
ecloga te willen zeggen.... Vrienden, vrienden, vergeeft mij en laat
ons alleen hopen, dat deze dag gunstiger verloope dan hij verliep
boven de allertreurigste oventjes van uw vriend Martialis. Dit is
alleen éen goed ding: de ham is op en een nieuwe kan worden op het
Velabrum aangekocht. En dan: hópen moet men altijd en misschien brengt
de naaste minuut ons allergunstigste tijding....
Er klonk paardengedraaf over den weg. De gasten schrikten op. Alleen,
bij de put, waar Carpoforus en Cecilianus zaten, bleef de knaap,
oogen-geloken, liggen. Maar de Jager riep naar binnen:
--Edele Martialis! Een boodschapper van het Palatium!
Aan den disch stonden zij, allen, in éen ruk op. De vreeslijke
verwachting was nóoit uit hun geest.
Bij Priapus, die waakte aan de tuindeur, was de wit bestofte
boodschapper afgestegen. Martialis ging hem te gemoet.
--Wat wenscht de Keizer? vroeg de dichter, bleek.
--Dat Marcus Valerius Martialis onverwijld ten Hove verschijne.
--Hij gehoorzaamt, zei de dichter. Marcella, bied verfrissching den
boodschapper.
Martialis kwam glimlachend bij zijn gasten terug.
--Het is weêr niet anders dan wat het reeds was! schertste hij en
vol ontroering omhelsde hij Plinius. Maar.... zijn stem werd heel
ernstig en hij fluisterde aan Plinius' oor.
--Vlùcht, vriend, eer het te laat is. Wij vreezen te veel voor u!
--Ja, drongen zij allen.
--Waarheen? lachte Plinius. Waarom? Zoo lang hij heerscht, zal hij mij
in zijn rijk weten te vinden. En zoo het moèt, welnu, welnu vrienden,
dan moèt het. Neen, Martialis, ik vlucht niet. En--vreemd is het--een
gevoel heb ik, dat ik lànger zal leven dan hij.... Maar ga, beste
Martialis en neem mijn draagstoel. Marcella, waarschuw mijn dragers....
Achter het huisje waren de draagstoelen opgesteld en had Marcella
met spijs en drank de dragers verzorgd. Plinius' stoel kwam weldra
voor. En Martialis sloeg zijn toga-tje om. Hij nam afscheid van zijne
gasten. Hij ging weg naar de put, waar de Jager zat met den knaap.
--Hoe gaat het met hem? vroeg hij den Jager.
De Jager streelde Cecilianus steeds zacht over zijn krullen.
--Niet beter, heer, geloof ik. Hoewel dezen morgen, vooral toen de
heilige Man van de Christenen hem gezegd had....
--.... hij beter scheen??
--Ja, heer....
Martialis bracht de hand aan zijn voorhoofd. Hij dacht na. En zeide
toen, in zichzelven:
--Ja, ik zal het vragen.... Ik zal het vragen....
Hij boog zich tot Cecilianus.
--Cecilianus.... Cecilianus....
--Cecilianus, zei de Jager.
De als verwelkende oogleden openden zich....
--Cecilianus, zei Martialis. Ik ga den Keizer vragen....
--Wat, heer? vroeg de knaap mat.
--Of Cecilius terug mag komen.
De knaap gaf een snik van geluk. Hij greep Martialis de handen.
--O, Martialis!! riep hij, vergetende zijn eerbied.
De dichter steeg in. De vrienden, in den tuin, wuifden hem afscheid. De
zonnig blauwe namiddag begon te verpurperen naar het Westen toe en over
de Sabijnsche bergen schemerde het met een violette omfloersing van
ommelijnen, waartegen de laatste kudden schapen, huiswaarts geleid,
bewogen als een wittige nevel....