XVI.

De dominus was geheel ter neêr geslagen. Middagen bracht hij door,

zittende op de bank voor de taveerne, wezenloos kijkende naar de

obscene schilderingetjes op de muren van het huis van Taurus, waar,

tegen den avond, de hooge gestoelten werden geplaatst en de meiden

tronen kwamen. Hij had uit Alexandrië bericht, dat zijn wisselaar,

bij wien hij een aanzienlijke som in bewaring gegeven had, zich

vergiftigd had en geen as had nagelaten. Zijn tweede senex was er van

door, net als Clarus gedaan had en hoewel hij dit maal veel geld had

uitgegeven om hem te achtervolgen en na te zitten, was er geen spoor

van hem ontdekt. Hij had in de "Bacchides" nog zoo mooi den Prologus

gespeeld: Silenus op den ezel van Nilus! En nu had de dominus geen

enkelen senex meer bij zijn troep! Er waren wel mindere komedianten,

die konden invallen, mochten er particuliere Spelen plotseling

plaats hebben, maar dat zoû toch geen goed werk zijn: een senex,

dat was een hoofdrol! Intusschen, er wèrden geen particuliere Spelen

uitgeschreven. De zomer sleepte zich voort met luttel gewin. Cecilius

was nog steeds bij den Keizer, want Martialis' verzoek had niets

uitgewerkt. Cecilianus was, ziek, bij Martialis. Hij kwam niet meer

van zijn bed, vermagerd, lag bleek en lusteloos, at niet, klaagde

niet meer, kwijnde zichtbaar weg.

Vol zorg zat de dominus neêr en iedereen, die voorbij ging, had een

goed woordje voor hem: Taurus en de meiden, Alexa en Gymnazium;

Nilus zelve hield veel hem gezelschap; de voller en Autronius,

de slavenkoopman, kwamen ook wel eens een worstje gebruiken met een

kroes Nomentaner. Er was sympathie heen om den dominus en de dominus

werd er ontroerd door.

--Er is maar éen ding, dominus, zei Nilus heel ernstig op een

middag; er is maar éen ding, dat je troosten kan voor de treurige

wisselvalligheden van het leven.

--En dat is, Nilus.

--Dat je je laat opnemen in de Broederschap van de priesters van Isis.

--Ik? zei de dominus. Maar, Nilus, hoe kom je er aan. Jij bent een

caupo: je geeft eten en drinken aan al dat volkje hier in de Suburra

en daarbij ben je een vreemde ziel, ben je een mysticus, Nilus, ik

kan het niet anders noemen en heb jij van de boorden van den Nijl iets

geheimzinnigs meê gebracht, dat we geen van allen begrijpen en weten,

maar dat ik toch in je voel. Ik ben een eenvoudiger vent dan jij:

ik ben een komediant, een kunstenaar, ook wel een man-van-zaken--hoe

zoû het anders kunnen voor een dominus-gregis!--maar ik heb niet

dien geheimzinnigen aandrang in me, die mijn eersten senex deed gaan

tot de Christenen en jou mystes deed worden van Isis. Maar als ik je

er pleizier meê doe, nu goed, dan wil ik ten minste wel eens met je

meê gaan....

Zij gingen, een nacht, samen naar den tempel van Isis, in het Campus

Martius, op een grazige vlakte, dicht bij den Tiber. Nilus zeide

den dominus te wachten, tot de heilige processie uit zoû treden,

als de volle maan zoû rijzen. Zelve trad hij een zijdeur in van

den tempel. En de dominus wachtte, wandelde mistroostig den Tiber

langs. Diep zuchtte hij nu, denkende aan zijn geldverlies, aan

de jongens, aan zijn velerlei zorg. Langzamerhand begon de vlakte

te starrelen van lichten: het waren tal van naderende geloovigen,

mannen en vrouwen, en zij droegen allen lantarens, lampen, fakkels,

toortsen, kaarsen, brandende lonten; wat maar licht gaf, hadden zij

meê genomen. Dat bewoog spookachtig over de vlakte, want de maan was,

nog slechts met een bleeken schijn zich aankondigend, te raden achter

den Janiculus, die somber golfde tegen bleeke zomernachtlucht. Maar

de vlakte, weldra, wemelde van de duizende lichtjes. De lantarens

flikkerden van roode, opwaartsche tongetjes in hun doorschijnende

spiegelsteentjes; de lampjes flakkerden met gele, zijlings rekkende,

lekkende vlammen; de toortsen vlammelden op in harstig geurenden walm:

de fakkels wierpen den smook af, waarin de gensteren uitspatten als

sterretjes en duizende, duizende dwaallichtjes dwarrelden over de

vlakte. Daar ginds, tusschen de zuilen des tempels, op zijne treden,

werden ook de lampen ontstoken en hoewel de starren in den hemel

bijna onzichtbaar waren, rees de maan hooger en hooger achter de

kam van den Janiculus op. En er weêrklonk zacht schalmei-geschal en

dwarsfluiten trillerden: sistra werden aangetokkeld en jonge stemmen

zongen. Een menigte vrouwen en meisjes, in witte cataclista, die

sleepte, en gesluierd, traden uit en haar volgden de opperpriesters;

zij waren geheel geschoren de kruinen, die glinsterden; zij stelden

de starrebeelden voor van de Groote Dienst en zij droegen de heilige

symbolen: de Gondellamp, het Altaar van Toeverlaat, den Arm der

Rechtvaardigheid met opene Hand; de gouden vazen, die zijn als

vrouweborsten, en waarmede de melkplengingen worden volbracht.

De beelden der goden werden gedragen. Het was de Bemiddelaar tusschen

Hemel en Hel: somber donkerde soms zijn gelaat en schitterde dan weêr

strálende op: dan ging onder de menigte een murmelende huivering

heen. Anubis met den hondekop werd gevolgd door de Koe, die stond

overeind op de achterpooten en stak de zwellende uiers vooruit; op

het breede deksel van een gouden urn lag de uræus-slang: was zij van

juweel, was zij levend? Toen volgden de mysten van de Broederschap

en de dominus herkende niet dadelijk Nilus. Maar werkelijk, ja,

hij wàs het! Hij liep en tokkelde zijn sistrum aan met een staafje

en zijn oogen staarden hoog voor zich uit, terwijl de processie

het grazige Campus Martius omtrok en omtrok. Op afstand liep de

dominus meê, nieuwsgierig naar Nilus. Was dit de zelfde man, die

joviaal in zijn kroeg noodde Nomentaner te drinken en worstjes te

eten en Picenumbroodjes?! Het was of hij was verheerlijkt. Of hij

niets meer wist van kroeg, wijn, eten en drinken; of de geheele

Suburra uit zijn blik was gewischt. Hij liep zoo bleek, zoo klaar,

frisch geschoren, zelfs zijn kruin. Zijn oogen staarden, groot, de

rijzende maan in extaze toe. Vol en blank, als de witte Io, als de

heilige, zilveren Koe vertoonde zij zich in de bleek azuren weide

der hemelen. Was dat Nilus? vroeg zich de dominus af, meê loopende,

steeds starend naar Nilus. Hoe vreemd waren toch de menschen in hun

eigen ziel! Hoe kenden zij elkander weinig! Nilus wist eigenlijk

niets van Plautus en Terentius; hij was een ongeletterde kroeghouder,

maar.... wist hij wèl, wat al die vreemde symbolen beteekenden; die

Gondellamp, dat Altaar, die Arm, die vreemde Beelden....? Indruk,

zeker, maakte die dienst en meer dan die der Romeinsche goden, maar

het scheen wèl moeilijk en ingewikkeld Isis te dienen. Je moest dat

alles begrijpen.... En dat zoû voor een dominus-gregis even moeilijk

zijn als voor een Isispriester Scenische Spelen te leiden.... En

troostte die Gondel en die Arm en die Koe nu heùsch voor de treurige

wisselvalligheden van het leven? Zoû dat alles hem kunnen troosten

omdat in Alexandrië zijn schurk van een wisselaar zich vergiftigd had,

omdat twee komedianten er van door waren, omdat de tweelingen.... ach!!

De dominus zuchtte diep op. Plotseling voelde hij op zich rusten

twee oogen, als twee heldere, blauwe vlammen. En hij zag, even

afgedwaald van Nilus en de processie, dat hij zich aan den rand van

den Tiber bevond, tusschen vele toeschouwers, die geen lantarens,

lampen of fakkels droegen. Zij waren niet wit, maar somber gekleed

en een Grijsaard stond tusschen hen, een somberen mantel om. Zij

stonden heel stil, zwijgend, rustig naar de processie te kijken. En de

dominus herkende hen: het waren de Christenen en zij stonden rondom hun

heiligen Man. En plotseling herkende hij, vlak bij zich, den senex....!

--Senex....? schrikte de dominus.

--Dominus, antwoordde de senex.

--Ben je tevreden, senex, nu je Christen bent?

--Ja, dominus, ja, jawel!

--Ik niet! Senex-twée is er van door gegaan.... Ik hèb geen senex

meer in mijn troep!

--Je moest je heelen troep opgeven, dominus, en het ware geloof

deelachtig worden.

--In Isis??

--In Isis? Neen.... in Christus!

--Wie weet de waarheid? vroeg de dominus. Jij of Nilus?

--Ik, zeide de senex. Hij, voegde hij er aan toe en wees naar den

grijsaard. Hem volg ik, zelfs naar Patmos.

--Naar Patmos??

--Daarheen is hij verbannen. Morgen gaat hij.

--Is dat Fabulla? vroeg de dominus, haar meenende te herkennen tusschen

de vrouwen.

--Dat kàn wel.... Zij gaat meè.... Wij gaan naar Efezos, waar een

vrouwenklooster is....

--Wat is een klooster?

--Een bedehuis, waar vrouwen of mannen zich samen terug van de wereld

trekken.... Vaarwel, dominus....

--Vaarwel, senex.... O wat speelde je toch de "grijsaard" goèd! Had

ik je maar nooit je vrij laten koopen! Stommerik, die ik was!

En de dominus, schuddend zijn hoofd, verwijderde zich langs den

Tiber.... Isis? Of Christus?

--Neen, dacht hij bijna hard op. Ik heb die vreemde goden niet lief. Ik

begrijp ze niet.... Isis, dat is alles symbool.... Christus is een

godszoon, als een slaaf gekruisigd! Neen, neen, ik heb onze òude goden

lief, onze goden vooral van Hellas! Die zijn de Schoonheid, de Kunst,

de Poëzie, de Mythe.... die begrijp ik, die begrijp ik alleèn. Ik,

in de Broederschap van Isis! Nilus is een dweper als de senex is. En

ik, ik ben een komediant, een dominus-gregis, een man-van-zaken:

ik eeredien Dionyzos-Bacchus en Hermes-Mercurius en ik ben zelfs in

staat aan hen een heel kostbare offerande te brengen, als ze me mijn

jòngens maar gezond en wel weêr thuis brachten....

En hoofdschuddend en zijn hart vol zorg, sleepte hij zich door Rome,

waarover de volle maan gerezen was, en dat blank zuilde rondom hem

heen, naar huis, naar zijn heel ver huis, naar het huis van den voller,

heelemaal achter de Suburra, ach, ach, en zonder avondeten omdat Nilus'

taveerne op dezen avond gesloten was....

De komedianten · 第 25 / 30 题