Toen Cecilius de oogen op sloeg, des morgens vroeg, bevond hij zich
in een klein, sierlijk kamertje, dat met éen raam tusschen pilasters
neêr zag op het Forum, in de diepte liggende als een van menigte
krioelende vallei van marmer: de tempels, de eerebogen en -zuilen,
de bazilieken, de beelden, alles drong dicht op elkaâr en tusschen
alles door, als groote, bonte mieren, krioelde de menigte. De zon
schuinde even het kamertje binnen en voor Cecilius, die lag op zijn
laag bed, stond Earinus.
Earinus was de jonge gunsteling van den Keizer, nauwlijks enkele
maanden ouder dan Cecilius. Hij was geboortig uit een patricische gens:
hij was een zeer schoone knaap met kort bruin krulhaar en diep blauwe
oogen; hij was gekleed in een licht blauwe, zijden, korte tuniek en
er flonkerden saffieren in zijn haarband, aan zijn vingers, aan zijn
gordel en schoengespen.
--Vergeef mij, edele Earinus! zei Cecilius en stond op.
--Sliep je nog? vroeg de jonge patriciër.
--Ja....
--Was je moê....?
--Een beetje.... Ik heb gisteren laát en lang voor den Keizer
gedanst....
--Parthenius, de opperste der cubicularii, heeft mij gezegd je op te
gaan zoeken, Cecilius. Ik heb je niet wakker willen maken.
--De zon heeft mij gewekt, heer....
--Voor van avond zal de Keizer je vermoedelijk niet ontbieden. Wij
zullen van daag dan zamen zijn....
--Ja, heer....
--Zeg maar Earinus.... Je ziet bleek, Cecilius. Heb je niet goed
geslapen....
--Ik heb gedroomd, zei Cecilius, zich de oogen wrijvende. Van mijn
broêrtje. En dat hij ziek was. We kunnen niet zoo lang buiten elkaâr,
heer....
--Zeg Earinus.
--Ik durf niet, heer. Gij zijt een voorname jongeling en ik ben maar
een komediantje.
--De zoon van Crispina? glimlachte Earinus.
Cecilius keek verlegen....
--Ik weet niet....
--Het doet er niet toe, zei Earinus. Ik wil je vriend zijn, den tijd,
dat je in het Palatium bent. Ik ben ook soms eenzaam. Wat heb je mooie,
lange, blonde haren, Cecilius.
--Neen, lieve Earinus, gij zijt moòi, met dat korte bruine haar.
--Ik heb mijn haren juist af laten knippen: ik had juist den leeftijd
bereikt, dat het voegzaam was....
--En wien hebt gij ze geofferd, Earinus?
--Den god Aesculapius, te Pergamos, in een gouden doos. En weet je,
Cecilius, Martialis heeft er een epigram op gemaakt.
Cecilius lachte: hij waschte zich en kleedde zich en er kwam een slaaf,
die hem hielp met zijn lange, goudglanzende histrio-tuniek, met de
lange linten zijner vergulde schoenen, met den vergulden rozenkrans
om zijn lange, blonde haar.
--Martialis maakt maar op iedereen en alles epigrammen, zei Cecilius.
--Op jou ook.
--En op mijn broêrtje.... Maar ik mòet mijn haar lang blijven dragen,
Earinus, omdat ik een komediant ben: Gymnaziums tonstrix zoû me anders
niet kunnen kappen.
--Wat was je mooi, Cecilius, in de "Bacchides!" Wat zag je er mooi
uit en wat speelde je goed!!
--Maar mijn broêrtje oòk, Earinus....
--Ja, Cecilianus ook.... Hoor eens, Cecilius. Ik heb gehoord, dat
hij ziek was.
--Zoo als ik droomde.... Zoo als ik het iedere nacht droom.
--Hoeveel nachten al....
--De vijf nachten, dat ik hier ben....
--Ik heb bedacht, dat het goed zoû zijn hem te gaan zeggen, dat je
het goed maakt. Je maakt het immers goed?
--Ja, Earinus.... Ik ben sterker dan mijn broêrtje.... Ik zàl niet
ziek worden.... Al ben ik wat moê.... Want gisteren nacht heb ik zoo
làng voor den Keizer moeten dansen....
--Het is toch wel een groote eer, zei Earinus; en het zal groot
voordeel voor je zijn. En je hebt hier toch alles: dit mooie kamertje,
die mooie kleêren; een slaaf, die je bedient.... Kijk eens, hoe
vroolijk, dat uitzicht over het Forum....
--Ja, Earinus, maar ik ben zoo gewoon vrij te zijn en met mijn
broêrtje samen.... Wij zijn wel komedianten en slaven maar wij zijn
toch vrij. Ik ben hier gevangen....
--Je mag het Palatium niet uit?
--Neen, Earinus.
--Ik zal van daag je groeten aan Cecilianus over brengen. Ik mag wèl
door de parken gaan. Kom nu meê.
Earinus strekte de hand uit. Hij glimlachte. Hij was schoon als een
jonge Eros, maar er lag een onzegbare weemoed in zijn glimlach.
--Earinus, zei Cecilius. Je bent mooi als de Eros, die van Praxiteles,
dien we gezien hebben in Hellas, en je glimlacht nèt zoo weemoedig
als hij....
--Ik glimlach niet weemoedig, weerde Earinus af. Kom meê.
De knapen gingen samen het kamertje uit. Zij kwamen in een lange
galerij, waarop de cellen der bevoorrechte slaven uit kwamen. De
galerij eindigde in een portiek, die over het Huis van Vesta heen zag
en die zuilde boven de paleiskazerne der Prætorianen: zij, die niet
van dienst waren, dobbelden er, schrijlings gezeten over de banken.
--Wij, fluisterde Cecilius ondeugend; mijn broêrtje en ik, hebben
oòk wel eens met ze gedobbeld en gedronken....
--Waar....?
--Bij de Septizonische poort....
--Ik nooit....
--Neen, maar gij, Earinus, zijt ook een patriciër....
Earinus had een minachtend lachje. De knapen wandelden voort langs
een tweede galerij, van waar trappenvluchten, die geleidden naar de
area palatina: het groote paleisplein....
--Ja, zei Cecilius en wees naar beneden; daár werden we gedrongen door
het volk, dat schold ons uit--het was juist salutatio bij den Keizer
geweest en ik was met mijn broêrtje en toen beschermde Martialis ons
en we stegen in den draagstoel van den edelen Plinius....
En hij zei het als ware het eene herinnering, die lang, lang geleden
was....
--Kom, zei Earinus; geef mij een arm; ik zal je het heele Paleis
laten zien....
Cecilius, schuchter, nam Earinus' arm. Zij daalden de trappen
af. Overal aan de trappen, boven, beneden, aan de poorten bij in- en
uitgang, stonden de Prætorianen. Het was als eene verlatene wijdte van
marmermozaïek, met het goud, flitsende aan de Corinthische kapiteelen
en architraven, aan de Zegegodinnen op zuilen van porfier, aan de
gele en roode en blanke paleismuren van verschillende edele steen
en geheel dit wijde plein gloeide verlaten in de stralende zon, met
alleen hier, daar, overal de Prætorianen, wier helmen en schilden en
speren terug schoten de felle glansen. De Keizer was altijd ziek en
zijn ziekte was als een vervolgingswaanzin; onzichtbaar in zijn paleis,
ontving hij niemand meer, hadden de begroetingen en audiëntie's niet
meer plaats. Niets scheen om te gaan in het paleis, niemand scheen te
worden verwacht en alle de Prætorianen, van alle poorten en trappen
af, zagen naar de beide knapen, die, arm in arm, het plein overliepen.
Want zij kenden allen Earinus en nu ook Cecilius, lieten hen overal
door gaan en groetten met den speer Earinus of knipoogden tegen
Cecilius. De drie monumentale poorten van het paleis waren gesloten
onder de immens hooge portiek, maar Earinus voerde Cecilius naar een
zijpoortje links en ging met hem tusschen de Prætorianen door....
--Overal staan de wachten?
--Ja, zei Earinus; overal. Maar je ziet, ik mag door. En jij ook,
met mij.
En toch mag ik al die trappen, naar het Forum, niet af.
--Neen.
--En de parken niet in....
--Neen....
De knapen waren nu binnen het Flavische Paleis. En Cecilius, aan
Earinus' zijde, zag de nooit elders geziene Bazilieken der Keizerlijke
Rechtspleging. Hij dempte zijn stem. Het waren als onmetelijkheden
van marmer van Numidië en Caristos: wouden van zuilen, en overal,
als het scheen in de verte, bij alle poorten, stonden de Prætorianen.
--Wat is het pràchtig, fluisterde Cecilius. En leêg. En zoo
drukkend. Je kan niet ademen, zoû Cecilianus zeggen. Maar het is
jammer, dat hij het niet ziet. Want het is mooier dan wat ook in
Alexandrië.
--Kijk, wees Earinus, toen zij de Bazilieken waren door gegaan; dit
is het Triclinium, de groote Eetzaal, die Martialis genoemd heeft
Coenatio Iovis: de Eetzaal van Jupiter....
--Oh! bewonderde Cecilius en stond stil, op den drempel, tusschen de
vier Prætorianen, die er hielden de wacht.
Leêg breidde de onafzienbare zaal zich onder zijn reuzigen dom. Bij
iederen pas van de langzaam voort tredende knapen verwisselde het
verschiet tusschen de tallooze, tallooze zuilen.... Ter zijde van den
nisvormigen troon, waarop bij feestmaal de Keizer aan lag met zijne
gunstelingen, bloeiden twee ronde nymfæa van lotus, myrt, oleander
om de waterstralen heen, die de marmeren dolfijnen bliezen.
--Oh! herhaalde Cecilius. Het is nèt zoo groot als het Theater van
Pompeïus!
--Ik geloof nièt, meende Earinus, glimlachend.
--Ik geloof het ook niet, herhaalde Cecilius, blij te kunnen herhalen:
hij was zoo gewènd, dat hij of Cecilianus elkanders woorden herhaalden.
--Maar Martialis heeft wel gezegd.... zei Earinus.
--Ja, in een van zijn Epigrammen....
--Dat hij aan een uitnoodiging van den Keizer....
--Ja, van den Keizer, den voorkeur geven zoû....
--Boven een uitnoodiging van Jupiter....
--In den Olympus!
O, wat vond Cecilius Earinus een lieven vriend! Want het was bijna
net of hij met zijn broêrtje het paleis zag! Maar Earinus was toch
zijn broêrtje niet.... En zijn broêrtje was ziek. Hij, hij wìlde niet
ziek worden....
--Laat ons hier zitten, zei Earinus.
Zij zetten zich in een der nymfæa, tusschen de rozen, op den rand
van het vasculum.
--Ja, droomde Earinus luid-op. Ik heb hier de prachtigste feesten
gezien. Nog een jaar geleden.... Dan sprenkelde er geur van boven
en vielen de rozen uit de zoldering, die open draaide.... Nu is dat
alles voorbij....
--Ontbiedt de Keizer je dikwijls, Earinus?
--Neen. Nooit meer. Hij weet niet meer, geloof ik, dat ik besta. Ik
ga wel meê in zijn gevolg, maar hij ziet niet meer naar mij om. En
ik kan toch ook niet weg uit het Palatium. Ik mag niet weg. En het
is beter, dat ik blijf, want mijn ouders zijn arm....
En Earinus werd heel weemoedig, maar hij wilde het niet laten
blijken. Toen het heet in het nymfæum werd van de hooger rijzende
zon, bracht Earinus Cecilius naar zijn eigen vertrek, waar hij met
hem zoû middagmalen.
--Earinus, zei Cecilius; wat ben je lief voor een armen komediant
als ik, die zijn broêrtje niet bij zich heeft....
Earinus glimlachte maar en hij noodde Cecilius te liggen. Het was
een klein, rond pavillioen met geheel zwart marmeren zuiltjes en
fijne fresco op rooden wand. Er was een sigma, een aanligbed in den
vorm van een S, voor twee genoten. Slaven brachten twee tafeltjes,
die zij zetten in de kronkels van de S....
Er waren bloemen en vruchten en lichte, topaaskleurige wijn.
--Als Cecilianus er maar bij was, zei Cecilius.
En zij aten, de jonge patriciër en het komediantje. Zij bleven toen
alleen en Cecilius, moê, viel in slaap. Hij lag, als getroost, maar
toch kwijnend, in de kussens en sliep door.
Earinus, over hem, had uit een bronzen koker een boekrol genomen
en las....
Het was of Cecilius niet wakker werd. Earinus zag, nu en dan, naar
hem op. Hij sliep voort. De middag sleepte voorbij.... Eindelijk werd
Cecilius wakker....
--Ik heb gedroomd, zei hij dadelijk.
Zijn slaap scheen hem niet uit te doen rusten. Hij zag moê, bleek,
hing in Earinus' arm, gleed aan zijn voeten, legde zijn hoofd op
Earinus' knie en schreide, stil en geluideloos....
Het duisterde. Een slaaf kondde zich buiten met een bronzen klop op
de deur aan.
Hij verscheen.
--Edele Earinus, zeide hij. Parthenius zendt mij.... De Keizer
ontbiedt Cecilius.
--Hij gehoorzaamt, zei Earinus.
De slaaf vertrok.
--Cecilius, zei Earinus. Heb je gehoord? De Keizer ontbiedt je....
--Ja, zei Cecilius flauw.
Hij stond op.
--Ik breng je, zei Earinus.
En hij ging met het komediantje het paleis door. Overal, door de
eindelooze gangen, hallen, zalen, portieken duisterde het in schaduw
gestapeld verschiet met slechts de glimglansen over de helmen en
speren der wacht hebbende Prætorianen. Het was als een verlaten
spookpaleis, reusachtig wijd, voor een vorst, die er niet was en toch
overal bewaakt werd. Plotseling, in een vestibulum, zagen de knapen
vrouwen, die fluisterden. Het was de Keizerin en het waren Domitilla,
Crispina, Fabulla.
--Wat is er? vroeg de Keizerin, angstig.
--Niets, Augusta, zei Earinus; de Keizer heeft Cecilius ontboden....
--Om te dansen?
--Om te dansen, Augusta.
Crispina naderde haar zoon.
--Cecilius, zeide zij; Cecilianus laat je zeggen, dat hij droomt
van je....
Zij schikte zijn vergulde rozenkrans recht.
--En hij ziet je dansen, tusschen heel veel geschitter....
--Zeg, edele Crispina, antwoordde Cecilius; aan Cecilianus, dat ik
droom van hem en dat ik hem ziek in mijn droom zag, maar dat ik niet
ziek ben. En het ook niet word.
Parthenius trad nader uit de wachtzaal voor 's Keizers vertrekken.
--Kom, zeide hij.
Cecilius groette de Keizerin, de vrouwen. Jawel, dacht hij: de
Keizerin, die met Pâris.... En die magere Domitilla, van wier moeder
Priscus en Verus, de gladiatoren, hadden verteld, en Fabulla, die
eerst zijn rollen had willen.... en nu Christin woû.... En dan die
moeder van Cecilianus en van hem: Crispina.... en Earinus....
Hij naderde Earinus, knielde, kuste Earinus de handen.
--Kom, beval weder Parthenius.
Hij rees, ging met Parthenius meê. Trappen af. Vele trappen af, die
hij al kende. Droom, die zich herhaalde. Prætorianen onder aan de
trappen. En bij de lage poorten der onderaardsche gewelven.... Eén
poort opende Parthenius....
Cecilius trad binnen. Hij wist het al, deze nachtmerrie en dit
spooksel. Hij bevond zich in een lange, lange galerij. De wanden
langs, waren hooge, breede fengiet-steenen geplaatst, plakkaten van
Cappadocischen spiegelsteen, als tooneelschermen. Net als de choragi
ze plaatsten op een proscænium. Maar dan in een zigzag. Langs heel de
lange galerij zigzagden de hooge, breede fengiet-spiegels. En Cecilius,
dadelijk, zag zich links, rechts, voor, achter, weêrspiegeld, duizende
malen weêrspiegeld.
En heél achter in de galerij, zat, in een zetel, een man. Het was de
Keizer, Domitianus.
Hij zat, in een gezonken, ziekelijk en staarde recht voor zich uit naar
Cecilius. Achter hem waren Prætorianen en Crispinus stond achter zijn
zetel en in de fengiet-steenen, daar aan het einde van de spiegelgang,
zag Cecilius hun aller ruggen spiegelen....
Toen begon de knaap te dansen. Het was of hij reeds dadelijk zich
doodmoê gevoelde, geslagen in zijne anders zoo lenige en jong sterke
ledematen. Maar hij bedacht: wàt zal ik dansen....? Het moest iederen
keer iets nieuws zijn, om den Keizer te behagen.... En toen hij
zich in de schuin gestelde steenen plakkaten hier zag weêrkaatst,
daàr zag weêrkaatst, schenen deze hem, in een vreemd vizioen van
overspanning, water toe en meende hij "Narcissus" wel te kunnen
dansen, die zich in het water had weêrspiegeld gezien en verliefd
op zichzelven geweest was.... En daarom danste hij de verliefdheid
op zichzelven en verbeeldde zich tevens, dat het Cecilianus was,
die hij daar in de spiegelsteenen naar zich toe zag komen en wijken
en àltijd met zijne eigene broedergebaren.... Maar het was Cecilianus
niet, hij was het zèlf en een hevig verlangen naar zijn broêrtje werd
hij zich bewust.... Onderwijl danste hij, mimeerde hij, dat hij Echo
verliefd hoorde roepen, maar versmaadde haar en glimlachte zich toe
in de spiegelsteenen, die om heen stonden als vreemde, loodrechte
wateren, als zigzaggende mere-oppervlakten, waarin Narcissus zich
zag weêrkaatst....
En hij danste. Hij wist nooit wanneer hij mocht uit scheiden, want
de Keizer maakte nooit een gebaar, zat roerloos, sprak niet. In
het verschiet van de galerij, die met de schuine spiegels weg
verschoot naar het einde toe, waar de Keizer zat, waren Crispinus
en de Prætorianen verijld voor Cecilius' blik, waren zij niet meer
dan vreemd geschim en geschaduw, werkelijkheidslooze afspiegelingen
achter die éene werkelijkheid: den Keizer. Die zàt daar, duidelijk,
en roerde niet.... En staarde slechts....
En de knaap danste. De zweetparels ontsprongen aan zijn voorhoofd
en druppelden af. Hij herhaalde in steeds wisselende arabesken
van melodieus beweeg, op het rhythme, dat slechts hij in deze
muzieklooze stilte hoorde, zijne zelfde motieven, van Echo-versmading
en zelfverliefdheid. En dacht onderwijl aan Cecilianus en zag hem
liggen, met groote, holle oogen en ziek. Koorts van moêheid doortrilde
zijn lichaam, dat zich maar bewoog, maar bewoog. Tot het hem eindelijk
duizelde. En hij voelde, dat hij zweefde, in zijn eigen dans. Het
was louter lichte schoonheid, zooals hij zweefde en de Keizer, daar
ginds, staarde. Toen bedacht Cecilius, dat hij sterven kon, als
Narcissus en dat dit het einde zoû zijn. En dat hij als een narcis
dan herbloeide.... En hij mimeerde zijn sterven en zijne moêheid
kwam hem te hulp. Hij zonk in éen tegen een der spiegels en voelde,
terwijl zijn laatste gebaren verkwijnden, de koude spiegelsteenen
gloeien tegen zijn zelf rillende, natte lichaam. En brak toen tusschen
zijne weêrspiegeling, die zijn breken verveelvoudigde achter zich,
voor zich, over zich. En look zijne oogen.... En bleef liggen, als
een witte bloem....
Van ver was Crispinus genaderd, de lange spiegelgalerij af. Hij
naderde langzaam, beducht, dat de knaap dood zoû zijn. Hij dacht
aan den dominus, het contract, de tweehonderd-vijftigduizend
sestertiën.... Hij roerde het dansertje aan met zijn voet: het bewoog
niet. Het lag daar, flauw, tegen den spiegel, als een narcis, die
kwijnde aan een waterboord.
Crispinus boog zich. Zijn hand voelde den zoon van zijn zuster met
angstigen zelfzorg aan. De knaap lag, flauw, in kilkoud zweet....
Daar ginds was de Keizer opgestaan; hij naderde op zijn beurt de
lange galerij af. Hij zag links en rechts in de spiegels, terwijl hij
naderde, langzaam zich slepende, in durende achterdocht, in zwijgende
vervolgingswaanzin. Toen hij Cecilius genaderd was, zeide Crispinus:
--Goddelijke Augustus, de knaap is bezwijmd....
De Keizer antwoordde niet. Hij, op zijn beurt, roerde met den voet
het dansertje aan; het bewoog niet. Toen, zwijgend, maar met een
grijns van minachting tegen Crispinus, ging de Keizer voorbij.... In
de spiegels vóor zich loerde, loenschte hij naar zijn gunsteling,
die eenmaal den Tarbot.... Toen verdween Domitianus, tusschen twee
der spiegels, waar een geheime deur was. Hij verdween als ware hij
in het spiegelsteen zelve verdwenen.
Crispinus wenkte de Prætorianen, die waren blijven staan bij den zetel.
--Neemt den jongen op, zeide hij. Voert hem naar zijn kamer....
Hij dekte met zijn eigen mantel Cecilius toe. De Prætorianen lichtten
den bezwijmden knaap op en droegen hem de spiegelsteenen langs. Het
was of er in hunne weêrspiegeling een ijl beweeg was blijven hangen
van melodieuze dansing en bloemeteêre kwijning....
Ongeveer ten zelfden tijd verscheen Earinus, door Crispina geleid,
aan Cecilianus' ziekbed. En hij zeide:
--Cecilianus, Cecilius laat je groeten en zeggen, dat hij het goed
maakt.
Cecilianus, bleek, de groote oogen omkringd, lag als steeds op zijn
bedde of een niet wijkende koorts hem verteerde. Hij sliep nauwelijks,
hij at nauwelijks, hij bewoog niet. Hij zeide nu alleen, met zijn
matte stem:
--Cecilius is, als hij niet dood is, ziek. Ja, Cecilius is ziek.... Hij
heeft gedanst tusschen te veel geschitter....
--Cecilius laat je zeggen, Cecilianus, ging Earinus voort; dat je
sterk moet zijn en gezond moet pogen te worden. En opstaan. En eten....
--Ja, zeide mat de knaap.
--En dat je niet ziek meer bent, als hij terug komt.
--Neen, kreunde Cecilianus en weende.
Earinus vertrok. Crispina verzorgde haar zoon. Zij verzorgde hem met
hare slaven, slavinnen, als ware hij een zieken prins geweest. Hij
lag in zijn kamertje, dat uit zag op het sierlijke atrium, waar de
dolfijn den Amor in zijn staart hield gekronkeld en de fonteinstralen
blies, in de water-doormurmelde, geurige, zongetemperde weelde van
een verfijnden patriciër. Als Crispina hem daar liggen zag, meestal
zwijgende, roerloos, bleek en starend, terwijl een fluitspeelster op
den drempel heel zacht floot, terwijl ooft en gebak en sneeuw-gekoelde
sorbet op een drievoet naast hem stond, terwijl zij zelve zijn blonde
haren borstelde, borstelde en geurde, had zij haar zoon wel lief,
zoo als een meisje haar pop had lief gehad, maar dacht zij tevens,
altijd, aan de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën, in het contract
vermeld....