XIV.

Toen Cecilius de oogen op sloeg, des morgens vroeg, bevond hij zich

in een klein, sierlijk kamertje, dat met éen raam tusschen pilasters

neêr zag op het Forum, in de diepte liggende als een van menigte

krioelende vallei van marmer: de tempels, de eerebogen en -zuilen,

de bazilieken, de beelden, alles drong dicht op elkaâr en tusschen

alles door, als groote, bonte mieren, krioelde de menigte. De zon

schuinde even het kamertje binnen en voor Cecilius, die lag op zijn

laag bed, stond Earinus.

Earinus was de jonge gunsteling van den Keizer, nauwlijks enkele

maanden ouder dan Cecilius. Hij was geboortig uit een patricische gens:

hij was een zeer schoone knaap met kort bruin krulhaar en diep blauwe

oogen; hij was gekleed in een licht blauwe, zijden, korte tuniek en

er flonkerden saffieren in zijn haarband, aan zijn vingers, aan zijn

gordel en schoengespen.

--Vergeef mij, edele Earinus! zei Cecilius en stond op.

--Sliep je nog? vroeg de jonge patriciër.

--Ja....

--Was je moê....?

--Een beetje.... Ik heb gisteren laát en lang voor den Keizer

gedanst....

--Parthenius, de opperste der cubicularii, heeft mij gezegd je op te

gaan zoeken, Cecilius. Ik heb je niet wakker willen maken.

--De zon heeft mij gewekt, heer....

--Voor van avond zal de Keizer je vermoedelijk niet ontbieden. Wij

zullen van daag dan zamen zijn....

--Ja, heer....

--Zeg maar Earinus.... Je ziet bleek, Cecilius. Heb je niet goed

geslapen....

--Ik heb gedroomd, zei Cecilius, zich de oogen wrijvende. Van mijn

broêrtje. En dat hij ziek was. We kunnen niet zoo lang buiten elkaâr,

heer....

--Zeg Earinus.

--Ik durf niet, heer. Gij zijt een voorname jongeling en ik ben maar

een komediantje.

--De zoon van Crispina? glimlachte Earinus.

Cecilius keek verlegen....

--Ik weet niet....

--Het doet er niet toe, zei Earinus. Ik wil je vriend zijn, den tijd,

dat je in het Palatium bent. Ik ben ook soms eenzaam. Wat heb je mooie,

lange, blonde haren, Cecilius.

--Neen, lieve Earinus, gij zijt moòi, met dat korte bruine haar.

--Ik heb mijn haren juist af laten knippen: ik had juist den leeftijd

bereikt, dat het voegzaam was....

--En wien hebt gij ze geofferd, Earinus?

--Den god Aesculapius, te Pergamos, in een gouden doos. En weet je,

Cecilius, Martialis heeft er een epigram op gemaakt.

Cecilius lachte: hij waschte zich en kleedde zich en er kwam een slaaf,

die hem hielp met zijn lange, goudglanzende histrio-tuniek, met de

lange linten zijner vergulde schoenen, met den vergulden rozenkrans

om zijn lange, blonde haar.

--Martialis maakt maar op iedereen en alles epigrammen, zei Cecilius.

--Op jou ook.

--En op mijn broêrtje.... Maar ik mòet mijn haar lang blijven dragen,

Earinus, omdat ik een komediant ben: Gymnaziums tonstrix zoû me anders

niet kunnen kappen.

--Wat was je mooi, Cecilius, in de "Bacchides!" Wat zag je er mooi

uit en wat speelde je goed!!

--Maar mijn broêrtje oòk, Earinus....

--Ja, Cecilianus ook.... Hoor eens, Cecilius. Ik heb gehoord, dat

hij ziek was.

--Zoo als ik droomde.... Zoo als ik het iedere nacht droom.

--Hoeveel nachten al....

--De vijf nachten, dat ik hier ben....

--Ik heb bedacht, dat het goed zoû zijn hem te gaan zeggen, dat je

het goed maakt. Je maakt het immers goed?

--Ja, Earinus.... Ik ben sterker dan mijn broêrtje.... Ik zàl niet

ziek worden.... Al ben ik wat moê.... Want gisteren nacht heb ik zoo

làng voor den Keizer moeten dansen....

--Het is toch wel een groote eer, zei Earinus; en het zal groot

voordeel voor je zijn. En je hebt hier toch alles: dit mooie kamertje,

die mooie kleêren; een slaaf, die je bedient.... Kijk eens, hoe

vroolijk, dat uitzicht over het Forum....

--Ja, Earinus, maar ik ben zoo gewoon vrij te zijn en met mijn

broêrtje samen.... Wij zijn wel komedianten en slaven maar wij zijn

toch vrij. Ik ben hier gevangen....

--Je mag het Palatium niet uit?

--Neen, Earinus.

--Ik zal van daag je groeten aan Cecilianus over brengen. Ik mag wèl

door de parken gaan. Kom nu meê.

Earinus strekte de hand uit. Hij glimlachte. Hij was schoon als een

jonge Eros, maar er lag een onzegbare weemoed in zijn glimlach.

--Earinus, zei Cecilius. Je bent mooi als de Eros, die van Praxiteles,

dien we gezien hebben in Hellas, en je glimlacht nèt zoo weemoedig

als hij....

--Ik glimlach niet weemoedig, weerde Earinus af. Kom meê.

De knapen gingen samen het kamertje uit. Zij kwamen in een lange

galerij, waarop de cellen der bevoorrechte slaven uit kwamen. De

galerij eindigde in een portiek, die over het Huis van Vesta heen zag

en die zuilde boven de paleiskazerne der Prætorianen: zij, die niet

van dienst waren, dobbelden er, schrijlings gezeten over de banken.

--Wij, fluisterde Cecilius ondeugend; mijn broêrtje en ik, hebben

oòk wel eens met ze gedobbeld en gedronken....

--Waar....?

--Bij de Septizonische poort....

--Ik nooit....

--Neen, maar gij, Earinus, zijt ook een patriciër....

Earinus had een minachtend lachje. De knapen wandelden voort langs

een tweede galerij, van waar trappenvluchten, die geleidden naar de

area palatina: het groote paleisplein....

--Ja, zei Cecilius en wees naar beneden; daár werden we gedrongen door

het volk, dat schold ons uit--het was juist salutatio bij den Keizer

geweest en ik was met mijn broêrtje en toen beschermde Martialis ons

en we stegen in den draagstoel van den edelen Plinius....

En hij zei het als ware het eene herinnering, die lang, lang geleden

was....

--Kom, zei Earinus; geef mij een arm; ik zal je het heele Paleis

laten zien....

Cecilius, schuchter, nam Earinus' arm. Zij daalden de trappen

af. Overal aan de trappen, boven, beneden, aan de poorten bij in- en

uitgang, stonden de Prætorianen. Het was als eene verlatene wijdte van

marmermozaïek, met het goud, flitsende aan de Corinthische kapiteelen

en architraven, aan de Zegegodinnen op zuilen van porfier, aan de

gele en roode en blanke paleismuren van verschillende edele steen

en geheel dit wijde plein gloeide verlaten in de stralende zon, met

alleen hier, daar, overal de Prætorianen, wier helmen en schilden en

speren terug schoten de felle glansen. De Keizer was altijd ziek en

zijn ziekte was als een vervolgingswaanzin; onzichtbaar in zijn paleis,

ontving hij niemand meer, hadden de begroetingen en audiëntie's niet

meer plaats. Niets scheen om te gaan in het paleis, niemand scheen te

worden verwacht en alle de Prætorianen, van alle poorten en trappen

af, zagen naar de beide knapen, die, arm in arm, het plein overliepen.

Want zij kenden allen Earinus en nu ook Cecilius, lieten hen overal

door gaan en groetten met den speer Earinus of knipoogden tegen

Cecilius. De drie monumentale poorten van het paleis waren gesloten

onder de immens hooge portiek, maar Earinus voerde Cecilius naar een

zijpoortje links en ging met hem tusschen de Prætorianen door....

--Overal staan de wachten?

--Ja, zei Earinus; overal. Maar je ziet, ik mag door. En jij ook,

met mij.

En toch mag ik al die trappen, naar het Forum, niet af.

--Neen.

--En de parken niet in....

--Neen....

De knapen waren nu binnen het Flavische Paleis. En Cecilius, aan

Earinus' zijde, zag de nooit elders geziene Bazilieken der Keizerlijke

Rechtspleging. Hij dempte zijn stem. Het waren als onmetelijkheden

van marmer van Numidië en Caristos: wouden van zuilen, en overal,

als het scheen in de verte, bij alle poorten, stonden de Prætorianen.

--Wat is het pràchtig, fluisterde Cecilius. En leêg. En zoo

drukkend. Je kan niet ademen, zoû Cecilianus zeggen. Maar het is

jammer, dat hij het niet ziet. Want het is mooier dan wat ook in

Alexandrië.

--Kijk, wees Earinus, toen zij de Bazilieken waren door gegaan; dit

is het Triclinium, de groote Eetzaal, die Martialis genoemd heeft

Coenatio Iovis: de Eetzaal van Jupiter....

--Oh! bewonderde Cecilius en stond stil, op den drempel, tusschen de

vier Prætorianen, die er hielden de wacht.

Leêg breidde de onafzienbare zaal zich onder zijn reuzigen dom. Bij

iederen pas van de langzaam voort tredende knapen verwisselde het

verschiet tusschen de tallooze, tallooze zuilen.... Ter zijde van den

nisvormigen troon, waarop bij feestmaal de Keizer aan lag met zijne

gunstelingen, bloeiden twee ronde nymfæa van lotus, myrt, oleander

om de waterstralen heen, die de marmeren dolfijnen bliezen.

--Oh! herhaalde Cecilius. Het is nèt zoo groot als het Theater van

Pompeïus!

--Ik geloof nièt, meende Earinus, glimlachend.

--Ik geloof het ook niet, herhaalde Cecilius, blij te kunnen herhalen:

hij was zoo gewènd, dat hij of Cecilianus elkanders woorden herhaalden.

--Maar Martialis heeft wel gezegd.... zei Earinus.

--Ja, in een van zijn Epigrammen....

--Dat hij aan een uitnoodiging van den Keizer....

--Ja, van den Keizer, den voorkeur geven zoû....

--Boven een uitnoodiging van Jupiter....

--In den Olympus!

O, wat vond Cecilius Earinus een lieven vriend! Want het was bijna

net of hij met zijn broêrtje het paleis zag! Maar Earinus was toch

zijn broêrtje niet.... En zijn broêrtje was ziek. Hij, hij wìlde niet

ziek worden....

--Laat ons hier zitten, zei Earinus.

Zij zetten zich in een der nymfæa, tusschen de rozen, op den rand

van het vasculum.

--Ja, droomde Earinus luid-op. Ik heb hier de prachtigste feesten

gezien. Nog een jaar geleden.... Dan sprenkelde er geur van boven

en vielen de rozen uit de zoldering, die open draaide.... Nu is dat

alles voorbij....

--Ontbiedt de Keizer je dikwijls, Earinus?

--Neen. Nooit meer. Hij weet niet meer, geloof ik, dat ik besta. Ik

ga wel meê in zijn gevolg, maar hij ziet niet meer naar mij om. En

ik kan toch ook niet weg uit het Palatium. Ik mag niet weg. En het

is beter, dat ik blijf, want mijn ouders zijn arm....

En Earinus werd heel weemoedig, maar hij wilde het niet laten

blijken. Toen het heet in het nymfæum werd van de hooger rijzende

zon, bracht Earinus Cecilius naar zijn eigen vertrek, waar hij met

hem zoû middagmalen.

--Earinus, zei Cecilius; wat ben je lief voor een armen komediant

als ik, die zijn broêrtje niet bij zich heeft....

Earinus glimlachte maar en hij noodde Cecilius te liggen. Het was

een klein, rond pavillioen met geheel zwart marmeren zuiltjes en

fijne fresco op rooden wand. Er was een sigma, een aanligbed in den

vorm van een S, voor twee genoten. Slaven brachten twee tafeltjes,

die zij zetten in de kronkels van de S....

Er waren bloemen en vruchten en lichte, topaaskleurige wijn.

--Als Cecilianus er maar bij was, zei Cecilius.

En zij aten, de jonge patriciër en het komediantje. Zij bleven toen

alleen en Cecilius, moê, viel in slaap. Hij lag, als getroost, maar

toch kwijnend, in de kussens en sliep door.

Earinus, over hem, had uit een bronzen koker een boekrol genomen

en las....

Het was of Cecilius niet wakker werd. Earinus zag, nu en dan, naar

hem op. Hij sliep voort. De middag sleepte voorbij.... Eindelijk werd

Cecilius wakker....

--Ik heb gedroomd, zei hij dadelijk.

Zijn slaap scheen hem niet uit te doen rusten. Hij zag moê, bleek,

hing in Earinus' arm, gleed aan zijn voeten, legde zijn hoofd op

Earinus' knie en schreide, stil en geluideloos....

Het duisterde. Een slaaf kondde zich buiten met een bronzen klop op

de deur aan.

Hij verscheen.

--Edele Earinus, zeide hij. Parthenius zendt mij.... De Keizer

ontbiedt Cecilius.

--Hij gehoorzaamt, zei Earinus.

De slaaf vertrok.

--Cecilius, zei Earinus. Heb je gehoord? De Keizer ontbiedt je....

--Ja, zei Cecilius flauw.

Hij stond op.

--Ik breng je, zei Earinus.

En hij ging met het komediantje het paleis door. Overal, door de

eindelooze gangen, hallen, zalen, portieken duisterde het in schaduw

gestapeld verschiet met slechts de glimglansen over de helmen en

speren der wacht hebbende Prætorianen. Het was als een verlaten

spookpaleis, reusachtig wijd, voor een vorst, die er niet was en toch

overal bewaakt werd. Plotseling, in een vestibulum, zagen de knapen

vrouwen, die fluisterden. Het was de Keizerin en het waren Domitilla,

Crispina, Fabulla.

--Wat is er? vroeg de Keizerin, angstig.

--Niets, Augusta, zei Earinus; de Keizer heeft Cecilius ontboden....

--Om te dansen?

--Om te dansen, Augusta.

Crispina naderde haar zoon.

--Cecilius, zeide zij; Cecilianus laat je zeggen, dat hij droomt

van je....

Zij schikte zijn vergulde rozenkrans recht.

--En hij ziet je dansen, tusschen heel veel geschitter....

--Zeg, edele Crispina, antwoordde Cecilius; aan Cecilianus, dat ik

droom van hem en dat ik hem ziek in mijn droom zag, maar dat ik niet

ziek ben. En het ook niet word.

Parthenius trad nader uit de wachtzaal voor 's Keizers vertrekken.

--Kom, zeide hij.

Cecilius groette de Keizerin, de vrouwen. Jawel, dacht hij: de

Keizerin, die met Pâris.... En die magere Domitilla, van wier moeder

Priscus en Verus, de gladiatoren, hadden verteld, en Fabulla, die

eerst zijn rollen had willen.... en nu Christin woû.... En dan die

moeder van Cecilianus en van hem: Crispina.... en Earinus....

Hij naderde Earinus, knielde, kuste Earinus de handen.

--Kom, beval weder Parthenius.

Hij rees, ging met Parthenius meê. Trappen af. Vele trappen af, die

hij al kende. Droom, die zich herhaalde. Prætorianen onder aan de

trappen. En bij de lage poorten der onderaardsche gewelven.... Eén

poort opende Parthenius....

Cecilius trad binnen. Hij wist het al, deze nachtmerrie en dit

spooksel. Hij bevond zich in een lange, lange galerij. De wanden

langs, waren hooge, breede fengiet-steenen geplaatst, plakkaten van

Cappadocischen spiegelsteen, als tooneelschermen. Net als de choragi

ze plaatsten op een proscænium. Maar dan in een zigzag. Langs heel de

lange galerij zigzagden de hooge, breede fengiet-spiegels. En Cecilius,

dadelijk, zag zich links, rechts, voor, achter, weêrspiegeld, duizende

malen weêrspiegeld.

En heél achter in de galerij, zat, in een zetel, een man. Het was de

Keizer, Domitianus.

Hij zat, in een gezonken, ziekelijk en staarde recht voor zich uit naar

Cecilius. Achter hem waren Prætorianen en Crispinus stond achter zijn

zetel en in de fengiet-steenen, daar aan het einde van de spiegelgang,

zag Cecilius hun aller ruggen spiegelen....

Toen begon de knaap te dansen. Het was of hij reeds dadelijk zich

doodmoê gevoelde, geslagen in zijne anders zoo lenige en jong sterke

ledematen. Maar hij bedacht: wàt zal ik dansen....? Het moest iederen

keer iets nieuws zijn, om den Keizer te behagen.... En toen hij

zich in de schuin gestelde steenen plakkaten hier zag weêrkaatst,

daàr zag weêrkaatst, schenen deze hem, in een vreemd vizioen van

overspanning, water toe en meende hij "Narcissus" wel te kunnen

dansen, die zich in het water had weêrspiegeld gezien en verliefd

op zichzelven geweest was.... En daarom danste hij de verliefdheid

op zichzelven en verbeeldde zich tevens, dat het Cecilianus was,

die hij daar in de spiegelsteenen naar zich toe zag komen en wijken

en àltijd met zijne eigene broedergebaren.... Maar het was Cecilianus

niet, hij was het zèlf en een hevig verlangen naar zijn broêrtje werd

hij zich bewust.... Onderwijl danste hij, mimeerde hij, dat hij Echo

verliefd hoorde roepen, maar versmaadde haar en glimlachte zich toe

in de spiegelsteenen, die om heen stonden als vreemde, loodrechte

wateren, als zigzaggende mere-oppervlakten, waarin Narcissus zich

zag weêrkaatst....

En hij danste. Hij wist nooit wanneer hij mocht uit scheiden, want

de Keizer maakte nooit een gebaar, zat roerloos, sprak niet. In

het verschiet van de galerij, die met de schuine spiegels weg

verschoot naar het einde toe, waar de Keizer zat, waren Crispinus

en de Prætorianen verijld voor Cecilius' blik, waren zij niet meer

dan vreemd geschim en geschaduw, werkelijkheidslooze afspiegelingen

achter die éene werkelijkheid: den Keizer. Die zàt daar, duidelijk,

en roerde niet.... En staarde slechts....

En de knaap danste. De zweetparels ontsprongen aan zijn voorhoofd

en druppelden af. Hij herhaalde in steeds wisselende arabesken

van melodieus beweeg, op het rhythme, dat slechts hij in deze

muzieklooze stilte hoorde, zijne zelfde motieven, van Echo-versmading

en zelfverliefdheid. En dacht onderwijl aan Cecilianus en zag hem

liggen, met groote, holle oogen en ziek. Koorts van moêheid doortrilde

zijn lichaam, dat zich maar bewoog, maar bewoog. Tot het hem eindelijk

duizelde. En hij voelde, dat hij zweefde, in zijn eigen dans. Het

was louter lichte schoonheid, zooals hij zweefde en de Keizer, daar

ginds, staarde. Toen bedacht Cecilius, dat hij sterven kon, als

Narcissus en dat dit het einde zoû zijn. En dat hij als een narcis

dan herbloeide.... En hij mimeerde zijn sterven en zijne moêheid

kwam hem te hulp. Hij zonk in éen tegen een der spiegels en voelde,

terwijl zijn laatste gebaren verkwijnden, de koude spiegelsteenen

gloeien tegen zijn zelf rillende, natte lichaam. En brak toen tusschen

zijne weêrspiegeling, die zijn breken verveelvoudigde achter zich,

voor zich, over zich. En look zijne oogen.... En bleef liggen, als

een witte bloem....

Van ver was Crispinus genaderd, de lange spiegelgalerij af. Hij

naderde langzaam, beducht, dat de knaap dood zoû zijn. Hij dacht

aan den dominus, het contract, de tweehonderd-vijftigduizend

sestertiën.... Hij roerde het dansertje aan met zijn voet: het bewoog

niet. Het lag daar, flauw, tegen den spiegel, als een narcis, die

kwijnde aan een waterboord.

Crispinus boog zich. Zijn hand voelde den zoon van zijn zuster met

angstigen zelfzorg aan. De knaap lag, flauw, in kilkoud zweet....

Daar ginds was de Keizer opgestaan; hij naderde op zijn beurt de

lange galerij af. Hij zag links en rechts in de spiegels, terwijl hij

naderde, langzaam zich slepende, in durende achterdocht, in zwijgende

vervolgingswaanzin. Toen hij Cecilius genaderd was, zeide Crispinus:

--Goddelijke Augustus, de knaap is bezwijmd....

De Keizer antwoordde niet. Hij, op zijn beurt, roerde met den voet

het dansertje aan; het bewoog niet. Toen, zwijgend, maar met een

grijns van minachting tegen Crispinus, ging de Keizer voorbij.... In

de spiegels vóor zich loerde, loenschte hij naar zijn gunsteling,

die eenmaal den Tarbot.... Toen verdween Domitianus, tusschen twee

der spiegels, waar een geheime deur was. Hij verdween als ware hij

in het spiegelsteen zelve verdwenen.

Crispinus wenkte de Prætorianen, die waren blijven staan bij den zetel.

--Neemt den jongen op, zeide hij. Voert hem naar zijn kamer....

Hij dekte met zijn eigen mantel Cecilius toe. De Prætorianen lichtten

den bezwijmden knaap op en droegen hem de spiegelsteenen langs. Het

was of er in hunne weêrspiegeling een ijl beweeg was blijven hangen

van melodieuze dansing en bloemeteêre kwijning....

Ongeveer ten zelfden tijd verscheen Earinus, door Crispina geleid,

aan Cecilianus' ziekbed. En hij zeide:

--Cecilianus, Cecilius laat je groeten en zeggen, dat hij het goed

maakt.

Cecilianus, bleek, de groote oogen omkringd, lag als steeds op zijn

bedde of een niet wijkende koorts hem verteerde. Hij sliep nauwelijks,

hij at nauwelijks, hij bewoog niet. Hij zeide nu alleen, met zijn

matte stem:

--Cecilius is, als hij niet dood is, ziek. Ja, Cecilius is ziek.... Hij

heeft gedanst tusschen te veel geschitter....

--Cecilius laat je zeggen, Cecilianus, ging Earinus voort; dat je

sterk moet zijn en gezond moet pogen te worden. En opstaan. En eten....

--Ja, zeide mat de knaap.

--En dat je niet ziek meer bent, als hij terug komt.

--Neen, kreunde Cecilianus en weende.

Earinus vertrok. Crispina verzorgde haar zoon. Zij verzorgde hem met

hare slaven, slavinnen, als ware hij een zieken prins geweest. Hij

lag in zijn kamertje, dat uit zag op het sierlijke atrium, waar de

dolfijn den Amor in zijn staart hield gekronkeld en de fonteinstralen

blies, in de water-doormurmelde, geurige, zongetemperde weelde van

een verfijnden patriciër. Als Crispina hem daar liggen zag, meestal

zwijgende, roerloos, bleek en starend, terwijl een fluitspeelster op

den drempel heel zacht floot, terwijl ooft en gebak en sneeuw-gekoelde

sorbet op een drievoet naast hem stond, terwijl zij zelve zijn blonde

haren borstelde, borstelde en geurde, had zij haar zoon wel lief,

zoo als een meisje haar pop had lief gehad, maar dacht zij tevens,

altijd, aan de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën, in het contract

vermeld....

De komedianten · 第 23 / 30 题