De dominus hoorde er van door den decanus, die boodschap zond. En
hij kwam meestal 's avonds laat even aan de Prætorianenwacht bij
de Septizonische poort, en hij zag dan even de tweelingen. Hij
hoorde hunne klachten. Noù, het was me een leven daar in het huis
van.... van die edele Crispina! Nu ja, ze sliepen onder dekens van
bombyx en hun kamer was bijna even zoo mooi als hun exostra-kamer in de
Bacchides! Zij baadden zich in een bad van porfier en zij aten allerlei
fijne dingen. Goden nog toe, hoe zij smachtten naar de kooltjes
van Nilus! Ze liepen den geheelen dag in lange, kleurige tunieken
en zij hadden niets te doen dan eens wat te zingen, te fluitspelen,
te dansen. De Keizerin kwam bijna iederen avond naar hen kijken met
Domitilla. Fabulla hadden zij eens weten te vragen of zij nog dacht
over het tooneel en verbeeldt je, Fabulla had gezegd, dat het tooneel
zòndig was, ja, zòndig, en dat ze Christin was geworden! De beide
achterneven van den Keizer, die de edele Quintilianus had opgevoed,
waren ook Christen geworden: dat scheen in de lucht te hangen, sedert
die heilige man van de Christenen uit de kokende olie ongedeerd was
gestapt. Ook de Keizerin ging naar de Christenen hooren. Omdat ze zich
zoo verveelde op het Palatium. Noù, zullie verveelden zich ook. Er
was niet te àdemen op den Palatinus. Er hing zoo iets angstigs, zoo
iets dreigends: dat gaf ze een rilling. 's Nachts werden ze wakker en
luisterden uit.... Dat kwam omdat het stil moest zijn in de parken,
zeiden dan de Prætorianen, en omdat de Keizer ziek was. Maar de
Keizer was wel goed voor de Prætorianen, zeiden ook de soldaten,
en zij hielden van hem. En de jongens zeiden, dat de gladiatoren
ook geen kwaad van den Keizer hooren konden, maar dat het toch niet
vroolijk was.... Zij verlangden weg te komen; nou ja, driehonderd
sestertiën per dag.... Daar deden ze het ook om. Iederen dag, die
er voorbij was, was driehonderd sestertiën waard. Maar ze verveelden
zich gruwelijk, net als de Keizerin, en de Christenen, die hadden ze
al gezien in de taveerne van Nilus. Zulke trieste smoelen, zoo nooit
eens vroolijk. Hè, hoe ze verlangden er eens van door te gaan. Maar
ze dorsten niet: ze dorsten alleen dit uurtje, wip over het eene,
wip over het andere muurtje en dan zich wat uit rekken, hè-è! bij de
Prætorianen, die hen allen kenden. Nou ja, anders was alles in orde
en de dominus vertrok en de twee bengels bleven nog wat dobbelen en
drinken met de soldaten en slopen dan naar huis, wip over het eene,
wip over het andere muurtje....
Maar op een avond, einde van Mei, vond de dominus bij de
Prætorianenwacht Cecilianus alleen. De jongen zat zacht snikkende op de
bank, met druipende oogen en de Prætorianen poogden hem te troosten:
de decanus drukte hem tegen zich aan en zei, dat het niet zoû erg
zou zijn....
--Wat is er? vroeg de dominus, ontsteld.
Cecilianus snikte en kon bijna niet spreken. En toen zei de decanus
het.
--Het schijnt, dominus, zei de decanus; dat Cecilius van daag bij
den Keizer ontboden is. Nou, dat is toch zoo erg niet.... De Keizer
is niet altijd kwaad. Hij zal Cecilius hebben willen zien dansen of
hooren fluit spelen....
--Hij is nog niet terug gekomen, snikte Cecilianus. Hij is al den
heelen dag op het Palatium.... Nu is het er al lang donker en alles
is toe. Hij komt van avond niet terug.... De edele Crispina was
ook ongerust....
--Cecilius! stamelde doodsbleek de dominus. Cecilius bij den
Keizer! Hoe is dat gebeurd?!
--Het is die edele Crispinus, zei snikkend Cecilianus, terwijl de
soldaten meêlijdend den jongen omringden. We waren samen 's morgens
in ons kamertje--het was zoò vervelend en je weet nooit wat te
doen--en toen kwam Crispinus, en die zei, dat Cecilius meê met hem
moest. Waarheen, vroeg ik. Naar den Keizer, zei Crispinus. Crispina
kwam ook en die was heel boos.... Maar Crispinus beval Cecilius meê
te komen. Ik vroeg, of ik dan met mijn broêrtje meê mocht.... Maar
Crispinus zei van neen, en dat ik misschien een anderen keer mocht
komen. Hij noemde ons de Tarbotjes.
--Nou, dat deed die maar voor de grap, troostten de Prætorianen.
--Neen, zei Cecilianus, schuddend het hoofd. Dat deed die niet voor
de grap. Ik heb hem wel in de gaten. Het is een gemeene schurk,
die edele Crispinus.
--Sttt! zeiden de Prætorianen. Dat mag je hier zoo niet zeggen....
--En ik zeg het toch, zei Cecilianus, steeds snikkend. Het is een
gemeene schurk. Die edele Crispinus is een gemeene schurk. Wat
hoefde die mijn broêrtje meê te nemen.... Had die mij dan ook maar
meê genomen.... Maar hij zei: eén Tarbotje was genoeg....
De Prætorianen poogden te lachen.
--Jullie moeten niet lachen, zei Cecilianus, boos, de vuisten
gebald. Mijn broêrtje is zeker nu dood....!
En hij snikte het uit, terwijl de decanus hem troostte.
--Neen, neen, zeiden de soldaten.
--Decanus, zeide de dominus bleek; ik moet oogenblikkelijk de edele
Crispina spreken.
--Dominus, zei de decanus. Dat gaat niet. Het is veel te laat. Kom
morgen vroeg; dan kan mijn plaatsvervanger je aankondigen. We weten
allemaal wie je bent. En hier, Decius, zal Cecilianus terug brengen
naar Crispina's huis, bij het muurtje, waarover de jongens gewoon
zijn te wippen....
Den volgenden morgen, vroeg, kwam de dominus terug. De verwisselde
wacht wist van het geval. Een Prætoriaan ging met den dominus meê,
om hem aan te kondigen.
Crispina ontving hem in het atrium.
--Domina, zeide de dominus. Ik heb gehoord....
--Hoe weet je? vroeg Crispina bleek.
--Dat doet er niet toe, zei de dominus. Ik weet. Ik weet, dat Cecilius
bij den Keizer is. En ik herinner u aan ons contract.
Crispinus verscheen uit zijn kamer, ongekleed, de haren verward.
--Welk contract? vroeg hij.
--Dat kan de edele Crispina u zeggen, edele Crispinus. Het contract,
tusschen haar en mij gesloten, waarbij zij zich verbindt mij
tweehonderd-vijftigduizend sestertiën schadeloosstelling te geven,
zoo er eenig nadeel mij wordt berokkend in de persoon van eèn der
beide jongens.
--Wàt!? riep Crispinus razend uit. Is dat waàr? Toon dat contract!
--De edele Crispina kan u het hare toonen; het mijne berust op
veilige plaats.
--Toon dat contract! raasde Crispinus tot zijn zuster. Ben jij gek
geweest?! Heb jij om die bastaards van je bij je te hebben, zoo een
contract geteekend?!
--Ja! bekende zij, rillend van angst.
--Ben jij krankzinnig geslagen!! raasde hij en greep haar ruw de
polsen. Toon dat contract! Toòn dat contract!
--Het is, als Lavinius het zegt.... Als Cecilius iets overkomt, moet
ik honderd-vijf-en-twintig-duizend sestertiën aan den dominus betalen.
--Tweehonderd-vijftigduizend, domina, zei de dominus koel.
--Schadevergoeding voor beiden, vroeg Crispina: zoû toch
tweehonderd-vijftigduizend sestertiën zijn?
--Lees uw contract nog eens over, zei de dominus. Er staat duidelijk
in: in geval er eenig nadeel berokkend wordt in de persoon van éen der
aan de edele Crispina verhuurde komedianten, Cecilius en Cecilianus,
wordt hun dominus toe gezegd een schadevergoeding van tweehonderd....
--Toòn dat contract! raasde Crispinus.
--Trebellius heeft het gelezen! riep Crispina.
--En Labienus Posthumus, zei de dominus.
--Toòn dat contract! raasde Crispinus.
Crispina liep het huis binnen: zij kwam terug met het contract:
Crispinus rukte het haar uit de handen, las het....
--Het staàt er! raasde hij. Jij, jij bent gèk, jij
komediantemeid.... Hoe heb je dat dùrven teekenen! Dominus, ik
verscheur dat contract! Ik blijf de voogd over mijn zuster: zij kan
niets doen zonder mij....
--Verscheur het, edele Crispinus, zei de dominus. Verscheur het. Ik
heb het mijne. Ik heb aanzienlijke patronen: de prætor, de ædilen,
de edele Verginius Rufus, de edele Plinius, de edele Frontinus: ik heb
hun allen gevraagd hun cliënt te zijn: zij hebben toe gestemd. Ik ben
een vrij man, edele Crispinus: verscheur het contract en Rome zal van
een proces hooren, dat onder zijn belangrijkste tellen zal. Ik deins
voor niets terug. Ik ben misschien onvoorzichtig geweest de tweelingen
hier op den Palatinus te verhuren; het geld heeft mij verleid, maar
zoo werkelijk iets aan Cecilius geschiedt, dat mij nadeel berokkent,
offer ik àl mijn geld, dat ik op verschillende plaatsen in het
Romeinsche Rijk heb geborgen, òp om tot mijn doel te geraken.
--En als die gelden verbeùrd worden verklaard??
De dominus slaakte een minachtenden grinnik.
--Zoò gemakkelijk gaat dat niet door een gunsteling in ongenade. Er
is nog recht in Rome, edele Crispinus. Bedenk, ik heb de màchtigste
bescherming en zoò de Keizer zich vergrepen heeft aan Cecilius en het
kind heeft vermoord, zal hij, al ware het alleen om de zaak te sussen,
dit contract handhaven. Weét wel: er waait een nieuwe wind door Rome
heen. Pas òp!!
En de dominus, den vinger gestrekt, bliksemende oogen, dreigde met
autoritairen vinger, zoo als hij dreigde een van zijn grex, den
Egyptischen gunsteling-in-ongenade.
Crispinus hoorde bevende toe. Zijn oogen loenschten, hij sidderde. Hij
geloofde aan zijn noodlot: voorbij was elke goedgunstigheid van
het Lot. Wat hij deed, gewerd niet in zijn voordeel. Hij vouwde het
contract langzaam op.
--De Keizer heeft den knaap niet vermoord, zei hij alleen. De Keizer
is ziek en de jongen verstrooit hem. Hij moet voor hem dansen; dat
is alles....
--Wanneer komt Cecilius terug? smeekte Crispina.
--Dat weet ik niet, zei Crispinus somber. Ik dacht, dat hij gisteren
avond al terug zoû komen. De Keizer heeft zijn plotse grillen. Toen
ik hem sprak van de jongens, herinnerde hij zich die gezien te
hebben, in het Theater van Pompeïus. Ik vroeg of hij de jongens
wilde zien dansen. "Ja", zeide hij: "de eene. De oudste. Later de
andere...." Keizerlijke gunst, dominus, is niet te verwerpen, ook
niet voor een komediant....
Zij zagen elkander met woedende oogen aan.
--Domina, zeide de dominus; ik wensch Cecilianus te zien.
Zijn toon was hoog, als van een meester.
--Kom meê, zeide Crispina.
Zij geleidde hem de smalle gang door langs den rooden fresco-wand. Zij
opende hem de deur van het sierlijke kamertje.
--Cecilianus, zeide zij zacht; hier is de dominus.
De jongen lag op bed. Hij was niet opgestaan. Hij was bleek, met
blauwe kringen de oogen omcirkeld. Hij lag in de weeke weelde van
zijn sierlijk bed en kreunde heel zacht.
--Wat is er, kind? vroeg de dominus.
De jongen bewoog niet....
--Ben je ziek?
--Ben je ziek, mijn jongen? vroeg Crispina.
Cecilianus kreunde.
--Wat is er, mijn ventje? vroeg teeder de dominus.
--Ik ben ziek.... kreunde de knaap.
--Sta je niet op?
--Ik kan niet....
--Wat heb je?
--Ik weet niet.
--Sta dan op....
--Neen....
--Je broêrtje komt gauw terug....
De knaap zweég. Crispina bracht hem ooft en gebak. Hij weerde af
en weende....
--Wat zoû je dan willen? vroeg zij.
--Mijn broêrtje.... kreunde hij.
--Hij komt gauw terug, verzekerde de dominus. Maar je moet niet ziek
worden. Als je niet ziek wordt en Cecilius is terug, dan kom je weêr
bij ons, achter de Suburra....
--Cecilianus, zei Crispina. Cecilius komt gauw terug. Maar je moet
niet ziek worden. Zeg mij, wat wil je, wat kàn ik je geven....
--Mijn broêrtje.... kreunde de knaap.
En hij lag bewegingloos. Hij sloot de oogen. Het was als stierf
hij Hij lag als een witte bloem, die verwelkte. Een lichte rilling,
als een koorts, liep hem telkens en telkens over.
--Het is hier kil, zei de dominus. Laten wij hem meer naar de zon
toe leggen.
De zon scheen schuin in het atrium. De dominus wilde het bed met den
zieken knaap naar de zon toe schuiven....
--Neen, kreunde Cecilius....
--Waarom niet? vroeg Crispina.
--Hier blijven.... kreunde de zieke knaap. Naast het andere bed....
En zij zagen nu beiden eerst, dat hij zijn broeders kussen stijf in
de armen hield omvat....